Categorie archief: Geschiedenis

Denkend aan prof. dr. Herman Uyttersprot (1909-1967)

Herman Uyttersprot was destijds de befaamde hoogleraar Duitse taal -en letterkunde aan de Rijksuniversiteit Gent (RUG).  Over hem handelt de kloeke biografie van Joris Dedeurwaerde,r die een gedetailleerd beeld geeft van zijn leven en werk (1).

Prof. Uyttersprot was een kenner van Kleist, Heine, Kafka, Rilke, Goethe en zoveel meer.  Doordat hij een nieuwe volgorde in “Der Prozess” van Franz Kafka (1883-1924) voorstelde, die niet overeenkwam met de oorspronkelijke uitgave van Max Brod, zette hij zich als literatuurhistoricus breed op de kaart.  Terecht wijdt zijn biograaf Joris Dedeurwaerder, een oud-thesisstudent,  daar zo veel aandacht aan (p. 517-657).  De knap geschreven biografie leest als een detectiveroman. Dat kan er ook mee te maken hebben omdat we zelf zoveel bewondering hadden voor de lesgever Uyttersprot.  Er ging dan ook een schok door ons heen toen we in het boek de foto zagen van “Het laatste college van Herman Uyttersprot, in een auditorium op de Blandijnberg” (13 februari 1967).  We waren er bij, maar ook nog zeshonderd anderen.  Het was een plezier om zijn lessen bij te wonen omdat hij niet stokstijf vanachter een katheder zijn cursus voorlas maar als een echte stand up comedian heen en weer liep op het podium en laaiend enthousiast zijn kennis overbracht.  En dat anderhalf uur lang.  Ernstige leerstof op humorvolle wijze direct kunnen overbrengen op je jong studentenpubliek was slechts weinigen gegeven.  Mocht het tegendeel waar geweest zijn was er nooit een mei ’68 gekomen (2).  Aan afstandelijke grote geleerden was er toen geen gebrek.  Helaas verliep dat laatste college, wegens gezondheidsproblemen, niet zoals gewenst.  Regelmatig moest hij even onderbreken wegens een lichte hoest.  Maar de zware en fatale hoestbui kon niet uitblijven.  Gedurende enkele minuten zat hij toen aan zijn tafel en hield de handen voor het gezicht.  In het overvolle auditorium was het muisstil, je kon een speld horen vallen.  Een indrukwekkende stilte, ook een moment van machteloosheid en ontroering.  Maar de feniks herrees uit zijn as en zette de les gewoon verder.  Dat hoorcollege ging trouwens niet over Duitse schrijvers maar over de Franse schrijver Marcel Proust.  Niemand kon na het eindigen van het college ook maar bevroeden dat dit de laatste keer zou zijn.  Herman Uyttersprot overleed op 12 november 1967 in het AZ van Gent.

Een medisch dossier hoeft in een biografie niet uit de doeken gedaan te worden maar uit het boek kunnen we vernemen hoe familie en vrienden hem al vroeg op het hart drukten om te stoppen met roken.  Hij was een kettingroker.  Hoe zijn wij in de les van prof. Uyttersprot verzeild geraakt ?  Op 4 oktober 1966 begonnen wij aan de RUG aan de studie kunstgeschiedenis en oudheidkunde.  Het was de bedoeling om archeologie te studeren maar dat verliep via de richting geschiedenis (bij prof. S.J. De Laet) maar totaal onwetend kwamen wij terecht in het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde of HIKO en we waren daar al een tijdje bezig voordat we doorkregen dat we werden misleid.  We zijn er dan maar gebleven en met grote onderscheiding als licentiaat afgestudeerd in 1970.  Wel op een gemengd archeologisch-kunsthistorisch onderwerp.  Onze promotor was prof. dr. J. Duverger (1899-1979) (3).  En ja,  het heeft ons niet gespeten.  In 1958-1959 kreeg prof. Uyttersprot er een leeropdracht bij.  Als opvolger van prof. Franz De Backer (1891-1961), hoogleraar Engelse taal -en letterkunde, doceerde hij voortaan voor honderden eerstejaars in de Faculteit Wijsbegeerte en Letteren de cursus “Inleiding tot de geschiedenis van de moderne letterkunden” (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 381).  Ook voor ons was dat een verplicht vak, net als “Inleiding tot de Nederlandse Letterkunde” bij Antonin Van Elslander (1921-1999), de “Inleiding tot de wijsbegeerte” bij Etienne Vermeersch (1934-2019) (die toen pas aantrad – ook een briljant lesgever) en ““De Inleiding tot de psychologie” bij William De Coster (1920-2001).  En die dappere proffen moesten al die studenten van de eerste democratische golf ook nog eens mondeling examineren!  Dit betekende voor hen het einde van het ongestoord vorsen.  Lesgeven en veel administratieve taken, zoals decaan worden, werden hun deel.

Ook prof. Uyttersprot leed onder die toenemende druk (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 510).  Men wordt natuurlijk niet per direct hoogleraar aan een universiteit.  Zijn onderwijsloopbaan begon hij zelfs in een Waals atheneum maar op 10 oktober 1935 werd hij leraar Nederlands aan het Koninklijk Atheneum van Aalst.  J. Dedeurwaerder geeft een overzicht van zijn gewaardeerde collega’s (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 55-56) en stipt daarbij ook de leraar Duits Jef Van de Wiele aan zonder er verder iets over te zeggen.  Nu is dat wel een naam die een belletje doet rinkelen. We zullen ook kort blijven bij het situeren van deze latere collaborateur.  Jef Van de Wiele (1903-1979) werd hoofdredacteur van het tijdschrift DeVlag.  Hij leidde tijdens W.O. II de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap of DeVlag in de richting van de Waffen SS.  Hij werd SS-Obersturmführer.  In 1945 ter dood veroordeeld, in 1946 omgezet in levenslang.  Vrijgelaten in 1966, overleden in 1979. Daar kan men niet achteloos aan voorbijgaan.

Theo Macharis (1902-1945)

Herman Uyttersprot was bevriend met zijn dorpsgenoot Theo Macharis. Over zijn tegenpool Jef Van de Wiele is al zeer veel geschreven maar wij staan liever even stil bij de verzetsman Macharis. Theodule Placide Antoon Macharis werd geboren op 13 december 1902 in Denderbelle en is omgekomen in Neustadt (Holstein) op 3 mei 1945.  Herman Uyttersprot werd eveneens geboren in Denderbelle en wel op 16 april 1909.  Theo Macharis behaalde op 30 juni 1928 zijn diploma van onderwijzer aan de rijksnormaalschool van Gent.  Hij werd onderwijzer aan de gemeentescholen van Sint-Gillis-Dendermonde, Kortrijk, Denderbelle, Hoboken en aan de rijksmiddelbare school van Pecq.  Op 24 oktober 1931 werd hij benoemd als leraar aan de rijksmiddelbare school van Brugge.  Op 23 september 1939 werd hij gemobiliseerd en bleef tot 26 augustus 1940 onder de wapens.

Tijdens de bezetting stichtte Theo Macharis de Brugse afdeling van het Onafhankelijkheidsfront (OF) dat uit twee afdelingen bestond: de Patriottische Milities en het Partizanenleger.  Uit getuigenissen uit 1948 blijkt dat in de woning van Uyttersprot in de Acaciastraat in Aalst op 20 augustus 1942 de afdeling Denderbelle van het Onafhankelijkheidsfront werd opgericht (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 95).  In 1944 werd Theo Macharis in het partizanenleger aangeduid als instructeur voor Limburg en daar werd hij door de Duitsers aangehouden en op transport gesteld naar het concentratiekamp Neuengamme.  Op 3 mei 1945 werden duizenden gevangenen van Neuengamme in schepen geladen, waaronder de Cap Arcona en achtergelaten in de baai van Lübeck.  Op die manier probeerden de nazi’s het bestaan van het kamp te maskeren.  De geallieerden (Royal Air Force) zagen de schepen aan voor troepentransport en brachten ze tot zinken.  Zesduizend gevangenen kwamen om.  Zoals Theo Macharis kregen ze als plaats van overlijden Neustadt (Holstein) dat in de Lübeckerbocht ligt.  Daar staat ook een herdenkingsmonument (4).

Theo Macharis bleef ongehuwd.  Hij was in Brugge lid van de vrijmetselaarsloge La Flandre (G.O.B.), gesticht in 1881.  Op het rouwbord van zijn loge kreeg hij een speciale vermelding.  De laatste zitting van La Flandre vóór de oorlog vond plaats op 10 maart 1940.  Op 1 maart 1943 nam de DeVlag haar intrek in het logegebouw en bleef daar tot 10 september 1944.  Op 12 september werd Brugge bevrijd.  Na de oorlog was vanaf 3 maart 1945 de tempel weer bruikbaar (5).  Herman Uyttersprot was geen gewapend weerstander maar men zou hem burgerlijk weerstander kunnen noemen.  Het is niet omdat men veel Duitse boeken leest dat men tijdens de oorlog pro-Duits hoeft te zijn.

De kwestie prof. Frank Bauer

Frank Bauer had al een grote invloed op Herman Uyttersprot in het Gentse atheneum waar hij zijn leraar Nederlands was.  Als student in de Germaanse filologie aan de RUG kreeg hij hem als professor.  In 1930 was hij promotor bij zijn doctoraat over Heinrich Heine.  Bauer, de oud-seminarist was een uitgesproken katholiek (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 38).  Prof. Bauer was zijn leermeester voor wie hij grote bewondering had.  Om hoogleraar aan een universiteit te worden moet je volgens de wet van 21 mei 1929 de titel van “geaggregeerde voor het hoger onderwijs” hebben behaald.  Eind 1944, na de bevrijding, dient hij als aggregatiedissertatie zijn studie over Heinrich von Kleist in.  De verslaggevers zijn de professoren F. Bauer, F. De Backer en R. Foncke.  Bauer dringt zelfs aan om het werk te laten publiceren in de “Recueil”; die beslissing valt op 10 november 1945 (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 109).  Eindelijk vindt de deliberatie over de dissertatie plaats op 27 november 1947 en dat met gunstig resultaat.  Men had geen haast.  Op 29 december 1948 wordt Herman Uyttersprot benoemd tot docent en op 8 april 1951 tot gewoon hoogleraar.

Hier moeten we even terugkeren naar de grote Heinrich Heine studie die Herman Uyttersprot in 1948 indiende bij de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.  Het onderwerp voor die prijsvraag was nota bene door F. Bauer zelf op de agenda geplaatst, hoewel hij als conservatief-katholiek niet hoog opliep met Heinrich Heine (1797-1856) vanwege zijn liberalisme.  De studie van Uyttersprot “Heinrich Heine en zijn invloed in de Nederlandse letterkunde”, ingediend onder kenspreuk, had als jury Frank Bauer, Lode Baekelmans en Franz De Backer.  Op levensbeschouwelijke gronden kraakt Bauer het werk van Heine helemaal af en treft ook de auteur.  Dat “Verslag” werd gepubliceerd (6) maar de verrassende conclusie was uiteindelijk dat de studie van Uyttersprot diende bekroond te worden (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 187) (7).  Het is voor ons duidelijk dat Frank Bauer, die Uyttersprot altijd had gesteund, het moeilijk kreeg met de verhouding leermeester-leerling.  Hij zag zijn leerling ook duidelijk evolueren in de richting van het liberalisme en het vrijzinnig humanisme.  Uyttersprot was een vaste waarde in het lezingencircuit van het Willemsfonds.  De kwestie van het “Verslag”, zeg maar de dolk in de rug, bleef bij Uyttersprot zijn hele leven lang opspelen.  Dat werd door J. Dedeurwaerder op treffende wijze behandeld (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 161-214).  Het conflict met Bauer bleef onverteerbaar (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 509).

Besluit

Deze boeiend geschreven biografie behandelt natuurlijk nog meer facetten van het academisch leven en schenkt ook aandacht aan zijn vroege contacten met schrijvers als Louis Paul Boon en de blijvende vriendschap met Johan Daisne.  Het is ook een tijdsdocument.  Na zijn overlijden in 1967 werd zijn cursus “Moderne letterkunden” verdergezet door prof. Alex Bolckmans (1923-1990).  Bolckmans was van 1967 tot 1981 de titularis van de leerstoel Scandinavische talen en literatuur.  Bij hem dienden we dus examen te doen over de leerstof van prof. Uyttersprot.  Daar stond de prof voor een dilemma dat hij verstandig oploste door aan iedereen dezelfde vraag te stellen: “Welke boeken heeft u gelezen en vertel me daar eens over”.  Zo kon iedereen zich uit de slag trekken.

Willy Dezutter, ereconservator Stedelijke Musea, Brugge

1 Joris Dedeurwaerder, Herman Uyttersprot. Een biografie. Liberaal Archief/Liberalis, Gent, 2018, 723 p. Prijs 40 euro.

2 Aan de RUG was de studentencontestatie pas in 1969.  In het  academiejaar 1968-1969 was schrijver dezes preses van de faculteitskring “Kunsthistorische Kring” (KHK) en lid van het Faculteitenkonvent (FK).

3 W.P. Dezutter, In memoriam Prof. J. Duverger, in: Biekorf, 79, (1979), p. 254.

4 In totaal kwamen 1571 Belgen om in Neuengamme. www.KZ-gedenkstaette-neuengamme.de/geschichte/totenbuch/

5 Willy Dezutter, De Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) in Brugge (1940-1944), in: Brugs Ommeland, 2018, 2, p. 60-64.

6 Verslagen en Mededelingen van de Academie 1947 (gedrukt einde 1949). Vgl. J. Dedeurwaerder, 2018, p. 456.

7 Bij de studies die bekroond en uitgegeven worden door de Academie is er meestal sprake van doorgestoken kaart.  Dat geldt voor alle wetenschappelijke Academies.  De kandidaat dient onder kenspreuk het werk in te leveren maar alles is van tevoren bekend en het resultaat ligt vast.  Het is een begrijpelijke schijnvertoning.

De QR-code als museologische toepassing

Het is evident dat ook in de museumwereld de digitalisering zich razendsnel doorzet.  Het volstaat al lang niet meer om met behulp van punaises en nylondraad wat tekstbordjes op te hangen.

Het wereldwijde web of internet maakte zijn eerste groei door sinds 1995.  Google startte in 1998 en de eerste iPhone lag in 2007 in de winkel.  De digitale revolutie van de jongste tien jaar is spectaculair en aan die distributie van informatie zal nooit een einde komen.  Nu al voelt 1 op de 2 smartphone gebruikers zich verslaafd.  De musea dienen dan ook volop gebruik te maken van al die toepassingen.  De restauratie van het Gruuthusemuseum (1) in Brugge werd in 2018 voltooid en nu is men bezig met de nieuwe presentatie van de collecties.  In de loop van 2019 zal het museum heropenen.  Het ligt voor de hand dat men bij de herinrichting van het Gruuthusemuseum zou gebruik maken van de interactieve toepassing van de QR-code.

In het MAS (Museum aan de Stroom) in Antwerpen maakt men volop gebruik van deze techniek.  Bij de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten en de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel bestaat het project Inside 2017-2020 in het kader van de informatisering van de collecties.  Als hoofdredacteur (van 1974-1997) van het museologisch vaktijdschrift “Museumleven” hebben wij de kolommen altijd ruim opengezet voor de eerste computertoepassingen in onze musea (2) en in de schoot van de Vlaamse Museumvereniging bestond er een “Commissie voor Museologische Opleiding” en een “Commissie Inventarisatie en Automatische Informatieverwerking” (voorzitter Raf Van de Walle, K.I.K., Brussel).  Als secretaris van ICOM-België (International Council of Museums/Conseil International des Musées) waren we zelf lid van het “Internationaal Comité voor Museologische Opleiding” waarin onze landgenoot Dr. J.B. Cuypers (AfricaMuseum, Tervuren) een prominente rol speelde (3).

Smartphone gebruik in België

Uit een onderzoek van het Belgische statistiekbureau Statbel (4) blijkt dat in de leeftijdscategorie 65-74 jaar in 2017 maar 32 procent een smartphone gebruikte.  Bij de jongeren is dat echter ruim 90 procent.  De klassieke gsm houdt stand.  De senior heeft zijn gsm altijd bij de hand voor het geval zich een calamiteit mocht voordoen.  Volgens de enquête gebruikte 73 procent van de Belgische bevolking een smartphone tegen 67 procent in 2016.  We zien dus grote verschillen tussen de generaties. Bij de jongste generaties, tussen 16 en 24 en tussen 25 en 34 jaar is de smartphone zowat algemeen in gebruik, respectievelijk 92 en 91 procent.

Van de meer dan 6 miljoen toeristen (overwegend dagjesmensen) bezochten in 2017 ongeveer 1 miljoen mensen de Brugse musea.  In 2016 ( het jaar van de terroristische aanslagen in Brussel !) waren er 800.000 bezoekers verspreid over 14 museumlocaties.  Van die bezoekers waren er 17% Britten, gevolgd door 16% Belgen, onder wie 39% Bruggelingen.  De Fransen stonden op de derde plaats met 14%, gevolgd door de Amerikanen met 10 procent (5).  De inwoners van Brugge hebben in de musea gratis toegang.  Hoeveel bezoekers dat zijn, wordt in de jaarverslagen nooit gedetailleerd cijfermatig meegedeeld per museum in tegenstelling tot vroeger.  Het behoort tot de “Secrets of Bruges”. Het blijft doorgaans bij de opgave van een rekensom in de trant van: hoeveel is 39% van 16% wanneer je weet dat de som 800.000 bedraagt. Je moet het dus zelf uitrekenen: 800.000 x 0,16 x 0,39 = 49.920.  Rijp en groen zonder specificatie met op kop altijd de publiekstrekkers van het Belfort en de O.L.Vrouwe Kerk (Michelangelo), die elk jaar op één en twee staan.  Maar hoe zit dat met de andere museumlocaties (Groeningemuseum, Gruuthusemuseum (gesloten), Museum Sint-Janshospitaal) ?  En vooral, hoe zit dat met de musea buiten de “Gouden Driehoek” ?  Er wordt nooit diep in het eigen “hert” gekeken.  Het is ook nooit duidelijk of het om bezoekers gaat voor de vaste collectie of om bezoekers voor specifieke tijdelijke tentoonstellingen.  Eén ding is zeker: zonder toeristen zou menige winkel (pralines, kant, bier), horecazaak én museum in Brugge mogen sluiten.

Omwille van de bewaarfunctie zullen de musea altijd in stand gehouden worden maar laten we met z’n allen toch maar lief zijn voor de verblijfstoeristen en de dagtoeristen.  Ze behoeden u tegen ontslag of faillissement.  De actuele cijfers over het gebruik van smartphones toont wel aan dat men voorlopig met de QR-code veelal een jonger publiek bereikt.  Men wordt voor die doelgroep aantrekkelijker maar dat betekent ook dat men voor een ruim publiek best nog even blijft vasthouden aan een mix van het vertrouwde (meertalig) museumbijschrift en QR-code.

Het vierkantje met allemaal witte en zwarte blokjes

Bij de ingang van verschillende Zeeuwse musea hangt er een bordje met een QR-code.  Als u daar een scan van maakt met uw smartphone komt u op de website van het museum.  Maar in de geschreven pers zijn we daaraan ook al gewoon.  Om een tijdschrift digitaal te kunnen lezen kan men de QR-code die vooraan in het tijdschrift afgedrukt staat bij de inhoudsopgave scannen op iPad, iPhone, Android-tablet en Android-smartphone.  In de VS, Duitsland en Engeland (6) wordt reeds lang van het systeem gebruik gemaakt maar vooral wordt de QR-code (QR = Quick Response) gebruikt om een filmpje te tonen waarop alle informatie staat die men wil weergeven.  Ook in Vlaanderen zijn er al tal van toepassingen in musea (7). Je start op je iPhone of iPad de gratis app en richt de camera op de QR-code, je scant die code door gewoon op de cameraknop te drukken.  Langere teksten kunnen daar perfect door ondervangen worden.

Een andere toepassing in een Volkskundemuseum bijvoorbeeld kan zijn dat men een filmpje toont van bijvoorbeeld de spekkenbakker.  Dan ziet men ook hoe snoepgoed wordt gemaakt op een ogenblik dat de spekkenbakker zelf niet aanwezig is.  Dat is nog geen robotisering !  Bij uitbreiding kan men denken aan filmpjes over het maken van patacons (8), het afgieten van een ex-voto in was, enz.  In het Groeningemuseum (Museum voor Schilderkunst, Brugge) zijn de mogelijkheden al even legio.  De buitenkant van de zijluiken (dikwijls in grisaille) zijn niet zichtbaar bij de traditionele museumopstelling van een triptiek.  Dat wordt immers in open toestand en niet in gesloten toestand getoond.  Men zou die kunnen zichtbaar maken door gebruik van de QR-toepassing.  Wanneer men enkel beschikt over de binnen- en buitenluiken van een paneel uit de 15deof 16deeeuw en het middenpaneel bevindt zich in een museum in het buitenland zou men (na goed overleg met de zusterinstelling) dat middenpaneel virtueel kunnen tonen op een individuele beelddrager zoals de smartphone of tablet.  Dergelijke reconstructies gebeuren regelmatig in werkelijkheid tijdens tijdelijke tentoonstellingen maar op die manier zou men dat ook na de expo kunnen bestendigen.  Dat is natuurlijk op te vatten als een win-win situatie want het andere museum in binnen – of buitenland krijgt dan uiteraard ook de toelating om de zijpanelen te tonen.  Een interessante internationale kruisbestuiving.  Men zou op die manier alle schilderijen opnieuw kunnen samenstellen zonder te kort te doen aan de beleving want het aanbrengen van een QR-code naast een kunstwerk is niet storend. Er bestaan tegenwoordig al mini uitvoeringen maar het mag ook niet te onopvallend worden want dan schiet het zijn doel voorbij.

Een bezoeker die geen zin heeft in al die informatie is niet verplicht om al die QR-codes te scannen.  Men was ook nooit verplicht om gebruik te maken van de audiogids: de bezoeker zoekt zelf zijn ritme.  Men mag bijleren maar in een museum mag men zich ook ontspannen.  Om die reden kan een groepsbezoek met een museumgids als fysiek persoon wel zo aangenaam zijn dan al die technologische snufjes.  Een goede gids weet te doseren, zeker als hij er zich van bewust is dat wetenschappelijk onderzoek heeft uitgemaakt dat enkel de eerste tien minuten echt geluisterd wordt.  Er gaat bij een museumopstelling uiteraard niets boven het originele object (9) en daar dient het Gruuthusemuseum maximaal op in te zetten.  De QR-code toepassingen zijn echter van cruciaal ondersteunend belang geworden.  Men kan een hele reeks tinnen kannen exposeren op een tijdtafel maar een filmpje over het tin gieten, het fabricageproces, is ongetwijfeld een meerwaarde.

Het is trouwens niet in de 14 museumlocaties van Musea Brugge dat men aan de spits staat inzake multimediale toepassingen.  Die eer valt het Historium Brugge (Markt, Brugge) te beurt.  Het Historium schetst een historisch verantwoord beeld van het middeleeuwse Brugge ten tijde van Jan van Eyck.  Het is het meest innoverende (virtuele) museum van Brugge en beschikt o.m. over een Virtual Reality Laboratorium.  Die mogelijkheden zijn nu ongekend groot.  Men kan nu van het oeuvre van één schilder een virtueel museum samenstellen.  In het echt is dat nooit meer mogelijk. Alle 36 schilderijen die bekend zijn van Johannes Vermeer (1632 – 1675) hangen nu allemaal bij elkaar.  Bezoekers van het Mauritshuis in Den Haag hoeven enkel de speciale app te downloaden om daarin rond te lopen.  In dat pocketmuseum krijgt men in zeer hoge resolutie alles te zien aangevuld met info over leven en werk van de schilder.  Destijds fotografeerde Alfons Dierick (1922 – 2000) de beroemde schilderijen van de Vlaamse Primitieven op ware grootte.  Zijn ambitie was de creatie van een imaginair museum van de Vlaamse Primitieven.  Die collectie van 1500 stuks kleurechte foto’s (niet online) bevindt zich in Het Pand (UGent) en de negatieven werden in hoge resolutie gedigitaliseerd (10).  Maar ook de fotografietechnieken bleven niet stilstaan.  Nu kan men het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck digitaal bekijken op zijn pc in 100 miljard pixels. Men kijkt tot onder de verflaag (11).

De toekomst

Met een 3D-film kan men een virtueel museum maken zonder zelf over collecties te beschikken.  Dat doet alvast afbreuk aan de eerste opdracht van een museum nl. het verzamelen en bewaren van originele voorwerpen en die dan na inventarisatie en  bestudering bekend maken aan een zo breed mogelijk publiek op educatieve wijze.  Men kan het oude Persepolis (Iran) bezoeken en een 3D-bril opzetten en via die 3D reconstructie in de heropgebouwde stad rondlopen terwijl het eigenlijk ruïnes zijn.  Die culturele verwoesting en oorlogsmisdaad gebeurde door Alexander die men daarom graag Alexander de Grote noemt !  Maar toen was dat nog heel gewoon.

In het Museum voor Hedendaagse Kunst in Antwerpen (MUHKA) kan men het kunstwerk scannen via de gratis app.  De bezoeker die over geen smartphone of tablet beschikt kan ter plaatse een tablet ontlenen.  De bekende audiogidsen die extra informatie geven over kunstwerken zullen daardoor verdwijnen.  De Erfgoed App maakt ook gebruik van “beacons” (12) om informatie door te geven naar je smartphone of tablet.  Dat zijn kleine Bluetooth-zenders die vlakbij de kunstwerken geïnstalleerd zijn en communiceren met je toestel.  De beacon-technologie kan data verzenden naar iedere smartphone en tablet en je in real-time laten zien wat er in een museumgebouw te zien of mogelijk is.  Het is een virtuele gids (13).

Een overkill aan multimedia in een Volkskundemuseum of in een museum voor toegepaste kunst zoals het Gruuthusemuseum is zeker niet gewenst. Ik sluit me graag aan bij de visie van collega Geert Souvereyns (Brugge) die, wanneer hij spreekt over de interieurs in het Volkskundemuseum van Brugge, het volgende schrijft: “Alles in de interieurs is gemaakt van natuurlijke materialen.  Daar dan schermen, lichtgevende panelen en geluidsboxen binnenbrengen, doet heel de beleving teniet.  De integratie van nieuwe media zal dus subtiel moeten gebeuren” (14).  De enige subtiele manier is het selectief aanbrengen van QR-codes.

Moet nu iedere museumconservator een IT-er worden ?  Neen, dat is niet noodzakelijk.  Een groot museum of een museumcluster zou wel over een gekwalificeerd personeelslid voor geïntegreerde media kunnen beschikken en de rest volgt dan wel tijdens de bespreking in collegiaal teamverband.  Externe hulp van erfgoedspecialist FARO (zie voetnoot 7) behoort zeker tot de mogelijkheden.

Tot slot nog iets over belangrijke musea die tien jaar gesloten blijven en de wet van de remmende voorsprong.  In het najaar van 2011 is men begonnen met de renovatie van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen.  De heropening was oorspronkelijk gepland voor september 2019 maar nu komt er weer drie jaar bij en is de nieuwe streefdatum voor eind 2021.  In telecom hardware is drie jaar een eeuwigheid.  Een muziekliefhebber die tot voor kort luisterde naar zijn eigen voorkeur op een iPod kan via zijn iPhone nu gebruik maken van de afspeellijsten van Spotify.  Door het uitstel kan men in Antwerpen nu profiteren van de wet van de remmende voorsprong.  Niet iedereen kan een early adopter zijn hoewel men dat straks wel mag verwachten van het grootste museum van de Vlaamse Gemeenschap in Vlaanderen.  Nu zal men de kans krijgen om in 2021 aan de technologische spits te staan met allerlei futurologische vernieuwingen.  Er is een voortrekkersrol weggelegd.  Maar hier stelt zich eerder een ethisch probleem.  Iemand die in 2011 de leeftijd had van 70 jaar zal er in 2021, met of zonder gezondheidsproblemen, 80 zijn.  Dat is al een hoge levensverwachting.  Maar die maatschappelijke opdracht over de toegankelijkheid van onze musea wordt door de Vlaamse Gemeenschap gefnuikt.  Iemand, jong of oud, die de museumarchitectuur en de basiscollectie zonder toeters en bellen wilde komen bekijken kreeg die kans niet.  Men maakt zich daardoor overbodig.  De mensen maken zich niet druk over een gesloten museum.  Dus geldt de boodschap voor iedereen: wanneer je nog een stukje van de wereld wilt zien, binnen of buiten de landsgrenzen, moet je dat doen voor je zeventigste!  Na je dood sta je onherroepelijk voor een gesloten deur.

Willy Dezutter

Noten

1 Willy Dezutter, De stichting van het Gruuthusemuseum van Brugge in 1865, in: Brugs Ommeland, 2018, 3, p. 181-184.

2 Renée Van Baelenberghe, Kennismaking met de computer. Een nieuwe afdeling in het Schoolmuseum M. Thierry, Gent. In: Museumleven, jaarboek 1987, p. 63-65 en het fundamentele artikel van Dr. J.P. van de Voort, Collectie-automatisering in musea. In: Museumleven, jaarboek 1989-1990, p. 60-65.

3 Dr. J.B. Cuypers was van 1974-1977 secretaris en van 1977-1083 voorzitter van het International Committee fort he Training of Personnel van ICOM. Het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika of AfricaMuseum is na renovatie terug open sinds 9 december 2018. In de nieuwe presentatie wordt voor het eerst inhoudelijk kritisch gekeken naar het koloniaal verleden van Belgisch Congo. De buste van Koning Leopold II, van kunstenaar Tom Frantzen, kreeg een plaat met een QR-code die de volledige uitleg geeft van het werk.

4 Statistiekbureau Statbel, maart 2018.

5 Musea Brugge/Jaarverslag 2016 (p.12 bezoekcijfers). www.visitbruges.be/jaarverslag-musea-brugge- 2016. Het jaarverslag 2017 hebben wij op internet niet kunnen vinden.

6 Museum collection gets QR-codes. Visitor scan objects to share comments and memories. https://www.theguardian.com/edinburgh/2011In het National Museum of Scotland, Edinburgh.

7 FARO, het steunpunt voor het roerend en immaterieel cultureel-erfgoedveld (Priemstraat 51, 1000 Brussel) heeft over dit onderwerp al veel expertise opgebouwd.  Zie ook: H. Lensink, Virtuele toegankelijkheid van musea.  Toepassing van mobiele media. 2013, 14 p. [online]

8 Willy Dezutter, Vollaards en patacons. In: Brugs Ommeland, 2016, 3, p.192-193.

9 Willy Dezutter, De museale verbeelding tussen realiteit en fictie. Het museum als bewaarplaats van het originele object.  Te raadplegen op onze blog willydezutter.be (januari 2017).

10 ETWIE. Expertisecentrum voor Technisch, Wetenschappelijk en Industrieel Erfgoed. www.etwie.be

11 Zie: Closer to Van Eyck. The Ghent Altarpiece Restored. closertovaneyck.kikirpa.be

12 Bram Wiercx, Ontdek meer met de erfgoedapp. De erfgoedapp DIY [Do it yourself], 2015, 19 p. [online] over ErfgoedBeacons.

13 De toepassingen zijn nu vooral nog afgestemd op supermarkten. Er zijn ook nog privacy aspecten die dienen onderzocht te worden.

14 Geert Souvereyns, Naar een meer eigentijds Volkskundemuseum. In: Nieuwsbrief Volkskunde West-Vlaanderen-Mengelmaren. 2016, 2, p. 6-20 ook online raadpleegbaar.

Exit de tv-antenne

In 2006 schreven wij in het tijdschrift Biekorf (1) een artikel over het verdwijnen van de klassieke tv-antenne.  Je moet al een jonge lezer zijn om je dat woud aan tv-antennes niet te herinneren die het dakenspel domineerden.  Op sommige foto’s worden die nu met Photoshop weggewerkt.  Een grove geschiedvervalsing!

In 2006 keek al 97% van de Vlaamse gezinnen televisie via de kabel.  Over het verdwijnen van de vuilnisemmer, de tv-antenne en de komst van de digitale tv schreven we onder de titel “De snel veranderde wereld” in augustus 2013 op deze blog.  In heel Europa dienden de analoge tv-signalen tussen 2010 en 2012 uit de ether te verdwijnen.  Per 1 december 2018 zal men niet meer gratis naar de VRT-uitzendingen kunnen kijken.  Door middel van een DVB-T antenne kon men voordien het digitale signaal nog ontvangen.  De basisfuncties van tv krijg je op alles wat een scherm heeft zoals de smartphone, tablet, laptop en dat om het even waar je je bevindt.  De iPad (de tablet computer van Apple Inc.) kwam op de markt in april 2010 en in maart 2018 kwam het model uit van de 6degeneratie.

De opkomst van de mobiele telefonie zorgde voor het verdwijnen van de telefooncellen (telefoonhokjes).  De laatste Belgische telefooncel werd symbolisch verwijderd op 1 juni 2015.  Die ontwikkelingen vallen nauwelijks bij te houden maar toch moet men niet denken dat iedereen altijd maar online is.  Behalve in de wachtzaal bij de dokter.  Daar zit iedereen, jong en oud, zonder op te kijken en met een vieze smoel, op zijn smartphone of tablet te swipen en wordt er niet meer gegroet.  De (bacteriële) stapel tijdschriften op de leestafel blijft reeds lang onaangeroerd.  In sommige wachtzalen (banken, dokters) speelt men nu natuurfilms.  Wel zonder geluid maar met ondertiteling.

Het mediagebruik evolueert zeer snel maar campingbewoners en schippers zullen niet meer via antenne naar de VRT kunnen kijken.  U kent die zender wellicht; ze wordt met belastinggeld betaald. Na 1 december 2018 zal men niet meer gratis naar de drie zenders van de VRT (Eén, Canvas en Ketnet) kunnen kijken, maar door een overeenkomst met TV Vlaanderen komt er wel een abonnementsformule.  TV Vlaanderen moet daarvoor wel het aanbod voor Nederland schrappen.  De drie zenders van de Nederlandse openbare omroep (NPO 1, NPO 2 en NPO 3) verdwijnen.  Vlaanderen vindt het niet meer nodig om zich te richten op het taalverwante Nederland maar wel op Franstalige commerciële zenders en nu, door de omstandigheden, ook de eigenste VRT (2).  Commercie heeft niets met partijpolitiek te maken.  Maar er is een troost: de erotiekzender Penthouse zit in het pakket !

Willy Dezutter

1 W.P. Dezutter, De klassieke tv-antenne verdwijnt. In: Biekorf, 106, (2006), p. 342-343.

2 TV Vlaanderen heeft overigens niets met de deelstaat Vlaanderen te maken. Het is een misleidende naam die gebruikt wordt voor de aanbieder van digitale satelliettelevisie die zich vooral richt op abonnees in Vlaanderen. Het is via de in Luxemburg gevestigde M7 Group S.A., eigendom van het Nederlandse CDS Coöperatieve U.A. in Hilversum dat gecontroleerd wordt door de Nederlandse Airfield Holding BV, een financiële holding.  Het is voor hen dus mooi meegenomen om de Nederlandse openbare omroep concurrentie aan te doen.  TV Vlaanderen is, laat dat duidelijk zijn, geen filantropische instelling!

De installatie van de loge “L’Amitié” in Kortrijk (1803)

Recent verscheen er een gedegen boek over de geschiedenis van de maçonnieke chansons (19de eeuw) zoals die in onze loges ten gehore werden gebracht (1).

De auteur David Vergauwen is een specialist ter zake en brengt met betrekking tot Kortrijk een tot nu toe onbekend gebleven liedtekst die door een delegatie vrijmetselaars van de Brusselse loge “Les Amis Philanthropes” bij de installatie van “L’Amitié” werd gepresenteerd.  De auteur situeert die uitvoering op de officiële installatie van de werkplaats op 4 september 1803 (2).  Over de Kortrijkse vrijmetselaarsloge “L’Amitié” kan men niks meer schrijven zonder kennis genomen te hebben van de monografie van Andries Van den Abeele (3) die de oprichting zeer gedetailleerd en juist uit de doeken heeft gedaan. Dat begon met de aanvraag op 14 maart 1803 en de uiteindelijke installatie op 4 november 1803.

D. Vergauwen nam de publicatie van A. Van den Abeele niet op in zijn bibliografie en trapte in de klassieke valkuil van de maçonnieke jaartelling waar de eerste maand van het jaar begint op 1 maart.  Nu we sinds 1989 (en al vroeger) zeker weten dat de juiste datum 4 november is hoeven we in 2018 niet meer op het verkeerde been gezet te worden.  Onze correctie lijkt op scherpslijperij maar wil alleen voorkomen dat 4 september een eigen leven begint te leiden.  Maar met alleen het jaartal 1803 zijn we ook al ruimschoots tevreden.

Willy Dezutter

  1. D. Vergauwen, Maçonnieke chansons in negentiende-eeuws België. Uitgeverij ASP, Brussel, 2017, 257 p., inclusief CD.
  2. D. Vergauwen, Maçonnieke chansons, p.66-67.
  3. A. Van den Abeele, De Kortrijkse vrijmetselaarsloge L’Amitié 1803- 1833., in: De Leiegouw, 31, (1989 ), p. 3-134.  Ook uitgegeven als afzonderlijke monografie, 134 p.

De stichting van het Gruuthusemuseum van Brugge in 1865

In september 2014 begon men met de restauratie van het Gruuthusepaleis en in 2018 werd eindelijk het gerestaureerde gebouw opgeleverd.  Nu kan begonnen worden met de inrichting en de opening van het vernieuwde museum wordt voorzien in 2019 (1).

Verschillende Musea voor Schone Kunsten hebben een geschiedenis die teruggaat tot de 18deeeuw.  De Oudheidkundige Musea ontstonden voornamelijk in de tweede helft van de 19deeeuw.  De autonome volkskundige musea kwamen pas in de periode 1900-1940 tot stand.  Nochtans mogen we niet uit het oog verliezen dat de eerste Oudheidkundige Musea niet alleen voorwerpen en documenten verzamelden over de geschiedenis van hun stad, maar daarnaast ook archeologische vondsten en volkskundige objecten.  Zo werd de oprichting van het Oudheidkundig Museum van Gent, het latere Bijlokemuseum, reeds goedgekeurd in 1833.  In 1847 werden de verzamelingen ondergebracht in enkele kamers van het stadhuis; van 1884 tot 1927 in de oude kerk van de Geschoeide Karmelieten en in 1928 vond het museum zijn onderkomen in de oude Abdij van de Bijloke (2).  Het Stadsmuseum Gent (STAM), dat in 2010 zijn deuren opende, ligt nog altijd op de site van de Bijloke (3).  Dat was beslist een vroeg initiatief wanneer men weet dat het oudste en belangrijkste cultuurhistorisch- en volkskundig museum in Duitsland, het Germanisches Nationalmuseum in Nürnberg, gesticht werd in 1852 (4).  Het “Antiquiteitenmuseum” van Antwerpen werd geopend op 4 augustus 1864.  De Oudheidkundige Kring van het Land van Waas nam vanaf zijn stichting in 1861 het initiatief tot het bijeenbrengen van collecties afkomstig uit Sint-Niklaas en omgeving.

Het Gruuthusemuseum

Met hetzelfde doel, maar dan met betrekking tot Brugge, werd op 23 maart 1865 door een twaalftal historici en oudheidkundigen, de “Société d’Archéologie” gesticht (5).  Onder de stichters treffen we de namen aan van Guido Gezelle en James Weale, de eerste conservator.  Dit Oudheidkundig Genootschap bracht de verzamelingen bijeen van het Gruuthusemuseum.

Het Oudheidkundig Museum werd geopend op 6 mei 1866 en vond zijn eerste onderkomen in de tesaurierskamer op de eerste verdieping van het Belfort.  Op 14 juni 1880 vond de heropening van het museum plaats.  De collecties werden toen tentoongesteld in de oostvleugel van de Halletoren op het gelijkvloers.  Naar aanleiding van een volledig nieuwe presentatie vond op 5 mei 1894 weer een heropening plaats.  Deze nieuwe inrichting was het werk van de conservator Alfons Naert, provinciaal architect (6), en van adjunct-conservator Charles De Wulf, stadsarchitect.  De lokalen in het Belfort waren te klein geworden en het Genootschap vroeg op 22 maart 1873 of de stad Brugge het Gruuthusehof zou willen aankopen dat toen werd gebruikt door de Berg van Barmhartigheid.  Dit gebeurde inderdaad op 5 oktober 1874 maar de restauratiewerken duurden van 1883 tot 28 september 1895 (voltooiing hoofdgevel).  De aanpassingswerken aan de omliggende terreinen sleepten zelfs aan tot 1911 (7).  De architecturale aanpassing van het interieur duurde eveneens zeer lang terwijl ook een aarzeling viel vast te stellen aangaande de uiteindelijke bestemming van het gebouw.  Vanaf 1900 werden dan toch enkele collecties van het Oudheidkundig Genootschap opgesteld o.a. de kantcollectie van Baron Liedts.  In 1902 vond een tentoonstelling plaats over weef – en borduurkunst alsmede over handschriften en miniaturen en dit naar aanleiding van de baanbrekende tentoonstelling over de Vlaamse Primitieven.  In 1905, dit naar aanleiding van 75 jaar onafhankelijkheid van België, vond een grote tentoonstelling plaats in tien verschillende zalen (8) met overwegend stukken uit eigen bezit.  De bestendiging van deze tentoonstelling verschafte aan het Gruuthusemuseum zijn permanent karakter.

Nog gedurende vijftig jaar zou het Genootschap zich bijzonder inspannen voor het beheer van het museum, maar na W.O. II werd het steeds duidelijker dat hier een taak weggelegd was voor de overheid.  Het stadsbestuur stelde trouwens het Gruuthusehof reeds gratis ter beschikking en zorgde als eigenaar voor de restauratiewerken terwijl daarnaast nog een forse subsidie nodig was om de exploitatiekosten te helpen dekken.  In de algemene ledenvergadering van 25 november 1954 werd het Oudheidkundig Genootschap ontbonden en per 1 januari 1955 werd het Gruuthusemuseum door de Stad overgenomen.

De eerste stedelijke conservator van Gruuthuse werd dr. A. Janssens de Bisthoven (1915-1999) die per 1 oktober 1954 reeds te Brugge in functie was als “Directeur voor Schouwburg, Kunst en Cultuur” (9).  Het Gruuthusemuseum was van bij het begin een duidelijk voorbeeld van het gemengde type (geschiedenis, archeologie, volkskunde) en de keuken van Gruuthuse (zaal 3) vormde op den duur een volkskundig museum op zichzelf en bleef in de loop der tijd een echte publiekstrekker.  In 1964 kwam Valentin Vermeersch (° 1937) het museum versterken als adjunct-conservator, in 1972 conservator en vanaf 1 december1980 hoofdconservator tot het jaar 2000 (10).  Hij werd en bleef de grote behoeder van Gruuthuse.  Op 1 april 1982 trad Stéphane Vandenberghe aan als adjunct-conservator met in 1984 een herinrichting en heropening van Gruuthuse (11).

Het Gruuthusemuseum treedt nu weer een nieuwe fase binnen van haar ontwikkelingsgeschiedenis.

Willy Dezutter

Noten

1 www.verrijkjekijkopbrugge.be

2 A. De Schryver, Historiek van het Stedelijk Oudheidkundig Museum te Gent. In: A. De Schryver en C. Van de Velde, Catalogus van de schilderijen. Oudheidkundig Museum, Gent, 1972, p. 15-29.

3 www.stamgent.be

4 Peter Strieder en Leonie von Wilckens, (red.), Germanisches Nationalmuseum Nürnberg. Führer durch die Sammlungen. 1977, p. 10-11.

5 J. De Smet, Het Oudheidkundig Genootschap van Brugge, in: Stad Brugge-Gruuthuse. z.j. (1957), p. 14 . De bijdrage van dr. Jos. Desmet verscheen eerst in het tijdschrift West-Vlaanderen, jg. 6 (1957). Idem het artikel van L. Devliegher over de bouwgeschiedenis van het Gruuthusepaleis. Zie verder: V. Vermeersch, Gids Gruuthuse. Brugge, 1979, p. 11-12 en Stéphane Vandenberghe, Gruuthusemuseum Brugge. Een overzicht. Brugge, 1984,p. 7-8.

6 Zie voor A. Naert: Jeroen Cornilly, Architect en ambtenaar. De West-Vlaamse provinciaal architecten en de 19e-eeuwse architectuurpraktijk. Universitaire Pers Leuven, 2016.

7 K. Wittewrongel, De restauratie van Gruuthuse te Brugge- 1883-1911. Gentse Bijdragen tot de kunstgeschiedenis. Gent, XXIII, 1973-1975, p. 139-166. K. Wittewrongel=Katia Norro.

8 Hotel de Gruuthuse. Exposition d’ Art Ancien. Guide de Visiteur. Bruges, 1905.

9 V. Vermeersch, Aquilin Janssens de Bisthoven. Een bio-bibliografische schets. In: Museumleven, 7-8, 1980, p. 6-24. Zie ook: Jaak Fontier, Aquilin Janssens de Bisthoven. VWS-Cahiers, jg. 23, 1988, 16 p.

10 W.P. Dezutter, Valentin Vermeersch ere-hoofdconservator van de Stedelijke Musea van Brugge. Een biografische schets. In: Jaarboek van de Stedelijke Musea Brugge, 1997-1999, Brugge, 2000, p. 19-63 en Willy Le Loup, Valentin Vermeersch. VWS-Cahiers, jg. 49, 2013, 48 p.

11 St. Vandenberghe, De herinrichting en heropening van het Gruuthusemuseum in 1984. Jaarboek van de Stedelijke Musea Brugge, 2, 1983-1984, p. 102-105.

Dit artikel verscheen in het tijdschrift Brugs Ommeland, 2018, 3, p. 181-184.

De rolbezetting bij kunstschilder Jan van Eyck en Rogier van der Weyden (15de eeuw)

De beste emanatie van de standenmaatschappij in de 19de en 20ste eeuw vormde de H. Bloedprocessie in Brugge.  De figuranten werden zorgvuldig uitgekozen, hun rol kwam overeen met de maatschappelijke status die vader of moeder bekleedden in het dagelijks leven.  Een volksjongen kwam nooit te paard te zitten maar werd uiterst geschikt bevonden als Romeins soldaat of herder.

Die standenmaatschappij was nog meer uitdrukkelijk aanwezig in de 15deeeuw.  Milo Rau, de artistiek directeur NT Gent, zegt (in Knack, nr. 30, 2018) “Voor mijn Lam Gods-bewerking wil ik de werkwijze van de gebroeders Van Eyck volgen.  Ze namen hun buren als model voor hun portretten van Jezus, Adam en Eva of de kruisvaarders”.  Dat stemt niet overeen met de werkelijkheid.  Jan van Eyck (ca.1390 – Brugge, 9 juli 1441) en zijn collega’s, zoals Rogier van der Weyden (Doornik 1399/1400 – Brussel, 18 juni 1464) werden door de opdrachtgever gedwongen om zeer selectief te zijn.  Allerlei kandidaten uit de adel en hogere burgerij dienden zich aan als model om een glansrol in het schilderij te kunnen vervullen.  En wie betaalt, bepaalt.  Zo kan een hoge functionaris de gedaante aannemen van zijn favoriete heilige.  Zelfs het Jezuskind op de arm van de Madonna werd uitgekozen in die hogere kringen.  Vandaar de dikwijls wat oudere fysionomie.  Er werd trouwens niet gecast op esthetische gronden maar op de belangrijkheid van de persoon of zijn entourage.  Het draaide niet om compositie maar om ijdelheid.  Het streven naar adelverheffing stond voorop.  Voor deze personificaties kwam niemand uit de lagere stand in aanmerking.

Op het Lam Gods is God de Vader, theologisch gekoppeld aan het begrip Drie-eenheid, ook nog eens tegelijkertijd de Christusfiguur.  Het is een mengfiguur geflankeerd door een zittende Maria en zittende Johannes de Doper.  Maria en Johannes die men in de traditionele iconografie, voor en na Van Eyck, overal aantreft staand onder het kruis van de Verlosser.  Men ziet dat ook in de graffresco’s, glasramen en boekverluchting van de 14deeeuw (1).  Johannes onder het kruis staat  dikwijls met een boek in de linkerhand en grijpt met de rechter naar zijn hoofd.  Het verstand is onder het kruis in verlegenheid en ontoereikend.

In 2020 zal Gent een jaar lang hulde brengen aan Van Eyck met in het voorjaar een grote tentoonstelling in het Museum voor Schone Kunsten.  Nogmaals zullen de kunstwerken op reis gaan en versleept worden.  Bij recente restauratie (2018) van “De aanbidding van het Lam Gods” werd bij het blootleggen van een 16deeeuwse overschildering bij het originele lam vastgesteld dat het kijkt als een mens.  Het is een bijzonder detail maar we zitten alleszins niet te wachten op het verwijderen van overschilderingen van kledij om dan te weten te komen dat de plooienval enigszins anders uitvalt dan tot nu toe geweten is.  In de stijlanalyse staan we ver genoeg.  Iconografisch valt alles nog te heroverwegen omdat kunsthistorici er nog altijd te veel van overtuigd zijn dat alles valt te herleiden tot typologie en schema’s.

Een meesterwerk (ook wanneer het door iemand anders geschilderd werd blijft dat zo !) van Rogier van der Weyden is zijn “Kruisafneming”” (Madrid, Museo del Prado).  Op dat schilderij wordt het lichaam van Christus vastgehouden door Jozef van Arimathea en door Nicodemus (2).  Nicodemus was een rijk man (zoals Jozef van Arimathea) en als farizeeër lid van het Sanhedrin (de Joodse raad).  De persoon die hier door van der Weyden wordt uitgebeeld draagt een overdadig versierd gewaad in brokaat en is baardloos.  Jozef van Arimathea wordt doorgaans afgebeeld met een grijze baard.  Het brokaat, een zijdeweefsel met goud -en zilverdraden, was voorbehouden aan de rijken en machtigen.  Hier zien we het portret, ten lange lijve, van een profane persoon in de glansrol die hij voor zichzelf weggelegd zag, imposanter dan die van de traditioneel afgebeelde Jozef van Arimathea maar ook de dominante figuur in heel het schilderij.  Nicodemus vormt slechts het voorwendsel om vals bescheiden op de voorgrond te treden.  De eigenhandige afneming van het lichaam van de Verlosser weet hij zich zo toe te eigenen (3).

De psychologie van de kunst werd tot op heden te sterk verwaarloosd. Niet de psychologie van de kunstenaar maar die van de figuranten die bepaalden wie er diende afgebeeld te worden.  De kunstenaar stond in voor de compositie maar dat was niet geheel vrijblijvend.  De theaterrol van machtige heren en jonkvrouwen die met hun geld geen blijf wisten en dan maar een geheel nieuwe stad bouwden met een eigen kasteel.  Het draaide om macht, status, ijdelheid en doodsangst, angst voor het oordeel.  In 1435 beslisten Judocus Vijd (+1439) en Elisabeth Borluut (+ 1443) om een fundatie te stichten om zeker te zijn dat er na hun dood dagelijks een mis zou worden opgedragen in de Vijdkapel.  Om zich daarvan te verzekeren schonken ze een stuk land aan de Sint-Janskerk van Gent.  Altijd vroom, maar ook altijd berekend.  Zij vreesden niet de dood maar wel het oordeel.  Volgens de kerkelijke leer wordt bij de dood de ziel van het lichaam gescheiden en wordt de ziel terstond geoordeeld, dan wachtte de hemel, de hel of het vagevuur.  Daarvoor moest men wel zeer te goedertrouw zijn.  Het gebeurde dikwijls dat dergelijke misverplichtingen bij fundaties verwaarloosd werden.  In Brugge werd eind 15deeeuw in de Sint-Donaaskerk een nieuwe lijst opgesteld van missen die moesten opgedragen worden.  Dit gebeurde naar aanleiding van de klachten van stichters van fundaties omdat de misviering niet werd uitgevoerd (4).  Nog voor men tot stof was vergaan werd er al contractbreuk gepleegd.  Maar aangezien de dood een straf was voor de zonde had men niet veel keuze te over.

In materieel opzicht is het dan weer belangrijk om, via restauratie, helderheid te brengen over het zgn. quatrain (kwatrijn) op het Lam Gods.  Dat is de tekst op de lijst van het retabel dat melding maakt over zowel Hubertus als Johannes van Eyck en het jaartal 1432.  Die lezing blijft nog altijd onzeker hoewel we zelf tegen beter weten in er ons op blijven baseren.  Het restauratieprogramma ving aan op 1 oktober 2012 en zal duren tot 31 december 2019.  Misschien vernemen we in 2020 waar Jan van Eyck in Gent zoal heeft gewoond.  Hij komt in ieder geval in Gent in geen enkel ambtelijk stuk voor.  Hij was als diplomaat zoveel op reis dat het eerder voor de hand ligt dat hij lang kon blijven logeren bij de opdrachtgevers van “Het Lam Gods”, het echtpaar Judocus (Joos) Vijd en Elisabeth Borluut.  Dit kinderloze echtpaar had genoeg plaats om de schilder te herbergen én om het paneel gedurende enkele jaren in de eigen woning op te stellen zonder de aandacht te trekken, want dat was onveilig.  Zijn broer Hubert van Eyck was in Gent overleden op 18 september 1426 (5).  Daarna kwam het schilderwerk lange tijd stil te liggen.  Om slechts één voorbeeld te geven: Jan van Eyck was voor zijn reis naar het Iberisch schiereiland afwezig van 19 oktober 1428 tot 7 januari 1430.  Dat is meer dan een jaar.  Hij kocht op 17 juli 1432 een huis in Brugge en nam daar zijn intrek op 16 augustus van hetzelfde jaar (6).  Volgens het kwatrijn werd het “Lam Gods” voltooid op 6 mei 1432.  Pas vanaf dan kon het naar de Sint-Janskerk (later Sint-Baafskathedraal genoemd) overgebracht worden.  Jan van Eyck verbleef dus in die tussentijd in Gent, niet in een eigen huis met atelier, maar zeer waarschijnlijk bij het echtpaar Vijd dat al die jaren ook zelf kon instaan voor de beveiliging van dit belangrijke en omvangrijke (340 x 440 cm) kunstwerk.

Maar veel kan nog op losse schroeven komen te staan wanneer in 2019-2020 de nieuwe publicaties over Het Lam Gods zullen verschijnen.  In 2014 werd al een nieuwe studie aangekondigd maar in 2018 is die nog altijd “ter perse”. Gerenommeerde historici en kunsthistorici zijn voorzichtig en wachten liever het finale restauratierapport af.  Niet de publicatie van dit rapport (want dat zal lang op zich laten wachten) maar de voorkennis zullen hier de doorslag geven.  Het aandeel van de familie Vijd zou wel eens kunnen weggevaagd worden door de herinterpretatie van het kwatrijn dus zijn we even nieuwsgierig als ieder ander.  Er bestaat namelijk geen enkel geschreven document waarin de schildersopdracht beschreven staat (7).  Er is geen contract Vijd-Van Eyck teruggevonden.  De rol van Vijd zou wel eens grandioos kunnen overschat zijn.  Zo’n grote opdracht valt misschien eerder te situeren in de kring van hertog Filips de Goede (1396-1467) en zijn machtige hovelingen zoals de familie De Baenst en dan verlegt de aandacht zich ook naar het kasteel van Sluis en het Prinsenhof in Brugge. De rol van Sluis in de Bourgondische tijd wordt nog steeds onderschat.  In de 14deeeuw bezat het twee grote parochiekerken, de Maria- of O.L.Vrouwekerk en de Sint-Janskerk (8).  Brugge verzette zich tegen de centralisatiepolitiek van Filips de Goede en ten gevolge van die Brugse Opstand in 1437 onttrok Filips het Brugse Vrije (dus ook Sluis in het Oostvrije) aan de bevoegdheid van die stad.  Het Brugse Vrije werd officieel erkend als het Vierde Lid van Vlaanderen (naast de steden Gent, Brugge en Ieper) en kreeg daardoor beslissingsbevoegdheid over de zaken die het graafschap Vlaanderen aangingen. Die uitbreiding van meer autonomie voor Sluis werd zelfs vastgelegd in een charter uit 4 maart 1438 (9).  Dit charter van Arras werd in 1477 door Maria van Bourgondië ongedaan gemaakt.  Zij verleende Brugge opnieuw privileges en het Vrije bleef onderhorig aan Brugge, een toestand die zo zou blijven tot in 1795.

Een contract werd tot op heden enkel teruggevonden in het geval van de opdracht voor het “Altaarstuk van het Heilig Sacrament” door Dirk Bouts (ca.1410 – Leuven, 6 mei 1475) in de Sint-Pieterskerk van Leuven.  Vooral het middenpaneel met het “Laatste Avondmaal” staat iedereen voor de geest.   Het kan dus altijd nog alle kanten uit met de nieuwe onderzoeksgegevens over Van Eyck en het is ook wachten op een nieuwe invalshoek over de werkelijke identiteit van al die personages in zijn gehele oeuvre.  De essentie gaat niet over het theologisch programma en de plooienval maar over de portretten van levensechte personen die schuilgaan in de rolverdeling.  Dan komen we niet alleen terecht bij Van Eyck maar ook bij Hugo van der Goes (+ 1482) en anderen onder wie verschillende meesters met noodnamen.  Het onderzoek naar stijlontwikkeling is niet langer heilzaam: we willen gewoon weten wie er echt op die schilderijen staat !  De stijlanalyse zal altijd bemoeilijkt worden door het te geringe aantal werken dat bewaard bleef.  Honderden schilderijen gingen immers verloren.

Een andere benadering

We gaan hier geen propaganda maken voor beangstigende hulpmiddelen.  Aan het begrip “ras” een doorslaggevende betekenis toekennen bij het vaststellen of veronderstellen van karaktereigenschappen, fysieke capaciteiten en geestelijke vermogens is hier niet aan de orde.  Maar we herinneren hier wel graag aan de publicaties van prof. dr. Paul Van Uytvanck (1906-1983) die het begrip esthetische antropometrie introduceerde.  Hij was van 1954-1976 directeur-diensthoofd van het “Laboratorium voor biometrie en bijzondere fysiologie van de lichamelijke opvoeding” aan de Rijksuniversiteit Gent.  Sinds 1948 doceerde hij al “Menselijke Biometrie” en vanaf 1950 (10) verschenen van hem, buiten zijn strikte vakgebied, zeer verdienstelijke bijdragen over de canons en constitutietypen in de beeldende kunst.  Hij schonk daarbij ook aandacht aan de Adam en Eva van het Lam Gods in Gent.

Nu de digitale toepassingen zoveel verder staan zou de morfologie en antropometrie, toegepast op schilderijen uit de 15deeeuw, wel eens kunnen leiden tot verrassende resultaten.  Historische primaire en secondaire bronnen blijven natuurlijk de voorkeur genieten op de intuïtie van de kunsthistoricus, die de ontmoeting met het kunstwerk ziet als een “Verstehen”. Onder het mom van vroomheid werd vooral aan het imago gewerkt en onder een verborgen gedaante, maar herkenbaar voor de tijdgenoten, werd er via die schilderijen gecommuniceerd.  Kunsthistorici moeten die boodschap proberen te decoderen (11).  Zoals men begraven wilde worden in het hoogkoor om dicht bij de goddelijke macht te vertoeven, zo deed men bij leven al zijn uiterste best om hetzelfde na te streven door zo dicht mogelijk afgebeeld te worden bij Christus de Verlosser en zijn Moeder Maagd.  Of dit nu bij de Kerststal was of bij een Kruisafneming maakte niet uit.  Desnoods ging men “undercover” als één van de Drie Koningen.  We moeten eerst en vooral goed bij ons laten doordringen dat het theologisch programma van die schilderijen in functie stond van de opdrachtgever die zich niet alleen graag liet afbeelden op de zijluiken maar ook op het middenpaneel zijn rol wilde spelen indien daartoe maar enigszins de mogelijkheid bestond.  Wie staat er op die schilderijen en hoe verhouden zij zich tot elkaar ?  De centrale vraag draait rond identificatie.

De bekende kunsthistoricus Erwin Panofsky (1892-1968) voerde het begrip “disguised symbolism” in om te verwijzen naar verborgen symboliek in de schijnbaar alledaagse werkelijkheid van de Vlaamse Primitieven.  Daarbij dient men natuurlijk voorzichtig te blijven om niet in te vergezochte interpretatie terecht te komen.  Ditzelfde gevaar bestaat wanneer men standaardpersonages die duidelijk afgeleid zijn van geijkte modellen ook wil interpreteren als “dynamisch dubbelportret”.  Een clichématige heilige zal altijd afgebeeld worden met gangbare attributen en komt dus niet in aanmerking.  Men moet dus vooral letten op inventiviteit eerder dan op ontleningen.  Een portret is een afbeelding van een gezicht.  De fysionomie is dus zeer belangrijk, niet om de persoonlijkheid af te lezen (dat is pseudowetenschap), maar om na te gaan of het beantwoordt aan de criteria van een echt portret of dat het eerder een sjabloon is.  In de kunstwetenschap moet men meer ““out of the box” durven te denken en loskomen uit het dogmatisme van het groepsdenken.  Er wordt te weinig aan brainstorming gedaan.  Het is nochtans mogelijk.  Zo kon de Brugse kunsthistoricus Marc Goetinck op overtuigende wijze twee portretten van de 15deeeuwse drukker en zakenman William Caxton, die ook in Brugge actief was, identificeren (12).  Er zou meer plaats moeten zijn voor dergelijke onconventionele nieuwe en creatieve gedachten.

Willy Dezutter

1 W.P. Dezutter, Grafschilderingen. Iconografie en religieuze spiritualiteit.  In: H. De Witte (e.a.), Maria van Bourgondië. Brugge. Een archeologisch-historisch onderzoek in de Onze-Lieve-Vrouwekerk, Brugge, 1982, p. 180-204, vooral p. 192-193.

2 Wij volgen voor de namen van de personages Dirk De Vos, Rogier van der Weyden, het volledige oeuvre.  Mercatorfonds, 1999, p. 21.  Bij Lorne Campbell worden Jozef van Arimathea en Nicodemus omgewisseld.  Zie: Lorne Campbell en Jan Van der Stock, Rogier van der Weyden 1400-1464.  De passie van de meester. Davidsfonds, Leuven, 2009, p. 46.  Zie ook: Bernhard Ridderbos, Schilderkunst in de Bourgondische Nederlanden. Davidsfonds, Leuven, 2014, p. 90 over de plaatsing van Jozef van Arimathea en Nicodemus. Ibidem, p. 301, noot 15.

3 Op het gegeven dat Nicodemus als personage in de Vlaamse schilderkunst van de vijftiende eeuw  de opdrachtgever kan voorstellen werd reeds eerder gewezen door John Pope-Hennessy, The Portrait in Renaissance. London, Phaidon Press, 1966, p. 280-297.  Het werd een traditie om zich te laten portretteren als Nicodemus.  Soms beeldde de schilder zichzelf af als Nicodemus. Idem, The Portrait in the Renaissance (Bollinger Series XXXV), Princeton, 1979.

4 Hendrik Callewier, De Papen van Brugge. De seculiere clerus in een middeleeuwse wereldstad, 1411-1477. Universitaire Pers Leuven, 2014, p. 124.

5 J. Duverger, Het grafschrift van Hubrecht van Eyck en het quatrain van het Gentsche Lam Gods-retabel.  Met een aanhangsel: Natuurwetenschappelijk onderzoek van de opschriften en de lijst van het Lam Godsretabel door E. Bontinck. Brussel, 1945, p. 18.  Schrijver dezes was oud-student kunstgeschiedenis van Prof. J. Duverger (1899-1979) die ook zijn promotor was.  Oude liefde roest niet.  Zie: W.P. Dezutter, In memoriam Prof. J. Duverger, in: Biekorf, 79 (1979), p. 254.  In 2011 verschenen twee fundamentele artikels over het kwatrijn door V. Herzner en H. van der Velden (repliek) in het tijdschrift “Simiolus” 35 (2011).

6 W.H.J. Weale, Hubert and John Van Eyck. Londen-New York, 1908.  Dit is nog altijd de beste studie voor de historische data en archivalia.

7 Zie voor een overzicht: Till-Holger Borchert, Jan van Eyck. Mythe en documenten. In: S. Kemperdinck, F. Lammertse (red.), De weg naar van Eyck. Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam, 2012 en ook online raadpleegbaar op www.academia.edu

8 De geschiedenis van de belangrijke Mariakerk (met de grafmonumenten van de familie De Baenst) dient nog geschreven te worden.  Over de Sint-Janskerk verscheen: H. Hendrikse en A. Willeboordse, Brand in de kerk. De Sint-Janskerk en het Sint-Janskerkhof in Sluis. Gemeente Sluis, 2018, 86 p.

9 J. Dumolyn, De Brugse opstand van 1436-1438. Kortrijk, 1997, 381 p. (Reeks: Standen en Landen 101).

10 Theo Luyckx (red.), Liber Memorialis Rijksuniversiteit Gent, 1913-1960: 2. Faculteit der Geneeskunde, Gent, 1960, p. 448-449.

11 Voor de 17deeeuw werd dit uitstekend geanalyseerd door Peter Burke die de propaganda van Lodewijk XIV ontleedde. Peter Burke, The Fabrication of Louis XIV, Yale University Press, London, 1992 en de nieuwe editie in paperback, 1994.

12 Marc Goetinck, William Caxton (° ca. 1422 – + 1491/92) in Boergondisch vaarwater. In: Brugge die Scone, 1992, 3, p. 4-5.

 

Brugse kunstpublicaties en hun bibliografie

Het boek Anne van Oosterwijk (red.), Vergeten Meesters. Pieter Pourbus en de Brugse schilderkunst van 1525 tot 1625 (Groeningemuseum, Brugge, 2017, 347 pp.) is ongetwijfeld een standaardwerk voor de behandelde periode (1).  Vooral de ontrafeling van die hele schildersfamilie Claeissens is verhelderend.

De Brugse kunsthistoricus J.L. Meulemeester, de onbetwiste specialist inzake christelijke iconografie en liturgie, gaf in zijn bespreking reeds enkele iconografische aanvullingen (Brugs Ommeland, 2018, 1, p. 3-20).  Aanvullingen die allemaal juist zijn.  Er is echter een groot manco in de studie van A. van Oosterwijk en medewerkers, namelijk de weergave van een onvolledige bibliografie.  Wat baat het bijv. om naar Bartsch, Rembry en Brulliot te verwijzen wanneer die niet in de bibliografie staan ?  Om het notenapparaat te reduceren werd aan elke auteur overgelaten om bij de catalogusnotities zelf de bibliografische verwijzingen op te geven.  Dat gebeurde volgens de regels van de kunst.  Het was een goede oplossing om op het einde van het boek dan terug te koppelen naar de bibliografie (p. 338-347).  Maar dan moet men zijn huiswerk wel goed maken.  Tientallen bibliografische verwijzingen vanuit de notities (het wetenschappelijk bewijsmateriaal) kregen geen vermelding in de bibliografie.  Het wegvallen van een gedeelte van het notenapparaat maakt deze publicatie op slag onwetenschappelijk en moeilijk raadpleegbaar voor niet ingewijden.

De bibliografie samenstellen is het laatste en lastige werkje maar vereist zorgvuldigheid omdat het de basis vormt.  Het is dan ook P. Roberts -Jones en niet Robert-Jones, en Duverger, Onghenae en Van Daelen = Van Daalen. P.K. van Daalen (1924-1986) was de directeur van het Zeeuws Museum in Middelburg (Ned.).  Die foute opgave werd dan weer geciteerd door J.L. Meulemeester (a.w. p. 6) waarmee we bewijzen dat slecht basiswerk toch het vertrouwen kan genieten.  In de dankbetuiging achterin het boek worden “de fijne collega’s” van Musea Brugge bedankt.  Dat is ooit anders geweest.  In 2002 was er in Brugge de tentoonstelling “De eeuw van Van Eyck” (2) en de catalogusnotities werden niet ondertekend.  Manfred Sellink was toen hoofdconservator van de Stedelijke Musea van Brugge (van 2001-2014) en commissaris van de tentoonstelling.  Het verzuimen om de notities te laten ondertekenen is intellectueel oneerlijk èn onwetenschappelijk .  Bij de “Vergeten Meesters” staan de initialen van de auteurs vermeld en de namen worden netjes verklaard in de lijst van afkortingen (p.116).  Dat is de verdienste van de nieuwe directeur Till-Holger Borchert die beseft dat men de vorser in zijn waarde moet laten.  In het mooie boek “Colard Mansion” (3) worden de auteurs onder elke notitie met de volledige naam vermeld: in typografisch rood.  Het mag terecht wat opvallen.  In de noten gebruikt men weliswaar afkortingen maar men blijft niet in de mist hangen want de bibliografie die het boek afsluit is compleet.

Het Engels is een wereldtaal

In 1999, het Keizer Karel-jaar, verscheen bij het Mercatorfonds een boek van 520 blz. in een Nederlandse, Franse en Engelse versie.  In 2000 volgde een Duitse en Spaanse vertaling.  Toen was dat nog heel gewoon.  Bij de Stedelijke Musea van Brugge (lees: het Stadsbestuur) was het altijd de gewoonte dat er bij een internationale tentoonstelling een catalogus verscheen in het Nederlands en in het Frans.  Daar kon ook nog een Engelstalige versie bij komen indien dit opportuun werd geacht.  De Colard Mansion-tentoonstelling vond plaats in het Groeningemuseum maar het boek verscheen exclusief in het Engels.  Alles verandert en wij veranderen mee.  Er waren geen betogingen in Brugge en ook elders niet.  Maar we vinden dat men toch wel een Nederlandstalige spin-off had kunnen voorzien voor een breder publiek.

Roberto Martinez is een Spaanse voetbalcoach die in 2016 door de unitaire voetbalbond, de Koninklijke Belgische Voetbalbond (KBVB) werd aangesteld als bondscoach van België.  We zagen hem voldoende in actie tijdens het WK voetbal in 2018.  Hij communiceert in de media niet in het Nederlands of in het Frans maar in het Engels.  De website van de KBVB is in het Nederlands, Frans, Engels en Duits.  In die volgorde, terwijl het Duits wettelijk de derde bestuurstaal is van België.  De bondscoach Gérard Linard spreekt enkel Frans.  This must be Belgium.  De taalwetten gelden voor de openbare besturen en niet voor privéondernemingen zoals de KBVB.  We gaan dat dan ook niet verder uitdiepen (4), het gaat hier op de eerste plaats om een boekrecensie.  En dan nog enkel over de incomplete bibliografie.  Maar de uitspraak van Jozef Deleu uit 1987 wordt weer eens bewaarheid: “Wij leven in het Vlaanderen van de twee snelheden: de technologisch-economische, die de grootste aandacht krijgt, en de sociaal-culturele, die zich tevreden moet stellen met de kruimels van de tafel.  Het mythische Vlaanderen van de flaminganten wordt ingeruild voor het cynische Vlaanderen der commerçanten” (5).  Ook daar speelt het Engels een rol als taal van de digitale ontwikkelingen en globalisering.  En dat valt niet meer te stoppen.

Het standaardwerk over de geschiedenis van Brugge van A. Duclos, Bruges:Histoire et Souvenirs verscheen in 1910 in het Frans.  Dan was het vele jaren wachten op het boek in het Nederlands van J.A. Van Houtte, De geschiedenis van Brugge (Tielt,1982).  En anno 2018 is het gedaan met het Nederlands.  Onlangs verscheen voor de prijs van 130 euro “Medieval Bruges, c.850-1550” van Andrew Brown en Jan Dumolyn (6).  Het werd uitgegeven door Cambridge University Press dus is het maar normaal dat dit in het Engels verscheen.  Het is goed voor de wereldwijde positionering van Brugge en dat geldt al evenzeer voor het boek over Colard Mansion.  Aangezien er nog geen Nederlandstalige spin-off verkrijgbaar is, betreft het ook hier weer een boek voor specialisten en blijft de geïnteresseerde Bruggeling die belangstelling heeft voor de geschiedenis van zijn stad op zijn honger zitten.  Maar bibliografisch, het uitgangspunt van onze beschouwingen, valt er enkel lof te rapen.  In de voetnoten gebruikt iedere auteur een volledige bibliografische verwijzing die nog eens wordt hernomen in de “Select Bibliography” achterin in het boek (p. 502-527).  Ook de index op p. 529-549 vergemakkelijkt het gebruik.  Had men maar hetzelfde gedaan in de “Vergeten Meesters”. Maar elk nadeel heeft zijn voordeel.  Anders waren we er niet toe gekomen om dit overzicht te maken.

Willy Dezutter

  1. Anne van Oosterwijk (red.), Vergeten Meesters. Pieter Pourbus en de Brugse schilderkunst van 1525 tot 1625. Uitgeverij Snoeck, Gent, 2017, 347 p.  Dit boek vormde de catalogus van de gelijknamige tentoonstelling in het Groeningemuseum van Brugge van 13 oktober 2017 tot 21 januari 2018. Deze tentoonstelling werd beperkter hernomen onder de titel “Pieter Pourbus meester-schilder uit Gouda” van 17 feburari tot/met 17 juni 2018 in het Museum Gouda.  Het is tegenwoordig de gewoonte om in een boek, om commerciële redenen, enkel goed verstopt te verwijzen naar de tentoonstelling.  Eigenlijk is een kunsttentoonstelling nog enkel het experimenteerterrein voor een boek.  De kunstwerken zijn de proefkonijnen die op allerlei mogelijke manieren technisch worden doorgelicht (radiografie, infraroodfotografie, e.d.)
  2. Till-Holger Borchert, De eeuw van Van Eyck 1430-1530. De Vlaamse Primitieven en het Zuiden. Ludion, 2002, 280 p.
  3. Evelien Hauwaerts, Evelien de Wilde en Ludo Vandamme (eds.), Colard Mansion. Incunabula, Prints and Manuscripts in Medieval Bruges. (Musea Brugge en Openbare Bibliotheek Brugge, Uitgeverij Snoeck), 2018, 253 p.  Prijs: 39 euro.  Het is zijn prijs dubbel en dik waard.
  4. We verwijzen daarvoor naar de website van de Vlaamse overheid. De “taalwet bestuurszaken” uit 1966.
  5. Jozef Deleu, De pleinvrees der kanunniken.  Uitgeverij Kritak, Leuven, 1987.
  6. Andrew Brown en Jan Dumolyn (eds.), Medieval Bruges c.850-1550. Cambridge University Press, 2018, 549 p.  En dan gaat dit alleen nog maar over de Middeleeuwen.  Er kan, voordat de 21ste eeuw verstrijkt, nog gewerkt worden aan een boek over Brugge in de 16deeeuw, de 17de, 18de, 19deen 20ste.  Zes afzonderlijke boeken over de geschiedenis van Brugge !

Het krijgsgevangenkamp van Zedelgem (1945-1947)

De beste gegevens over het krijgsgevangenkamp van Zedelgem (vraag Biekorf, 2015, afl. 4, p. 506) vindt men in het boek “Brugge Garnizoensstad” (Brugge, uitgave  Vriendenkring Memoriaal Militaire Kapel, Brugge, 2008,184 p.) in het hoofdstuk “Militaire aanwezigheid te Zedelgem” (p. 77-100) geschreven door Ludo Meulebrouck, een gewezen officier met kennis van zaken.

Op p. 85-87 handelt hij over de POW kampen (Prisoner of War).  Begin 1945 besloot het Britse leger om een krijgsgevangenkamp op te richten in het depot van Zedelgem.  Ook de kazernegebouwen werden bezet door de Britten.  Er waren drie onderkampen.  Een kamp voor hogere en lagere officieren, een kamp voor Duitse soldaten en onderofficieren en dan nog een kamp met verschillende nationaliteiten zoals Oostenrijkers, Armeniërs, Mongolen, Esten, Letten, Litouwers, Roemenen.

Er ontstond ook economische activiteit.  De bakkerij had een capaciteit van 80.000 broden waarmee de hele provincie werd bevoorraad.  De Duitse krijgsgevangenen hebben ook de weg in de duinen tussen Blankenberge en Zeebrugge aangelegd.  Het POW in Zedelgem was niet alleen een strafkamp maar ook militair hospitaal.  Er heersten ziektes en velen stierven door ondervoeding.  Op 9 juni 1945 bracht een delegatie van het Rode Kruis een bezoek aan het kamp en stelde een bezetting vast van 62.000 krijgsgevangenen.  Op 1 april 1947 nam het Belgisch leger het beheer van de kazerne weer over nadat de laatste krijgsgevangenen vertrokken waren.

In 1951 besliste de militaire overheid om er een militaire school voor onderofficieren te openen. Deze Nederlandstalige school en haar Franstalige tegenhanger in Dinant hielden in 2007 op te bestaan.  Vanaf het schooljaar 2007-2008 smolten beiden samen en verhuisde de opleiding naar Sint-Truiden (campus Safraanberg) waar men nog altijd de opleiding kandidaat-onderofficier kan volgen.

Willy Dezutter

De Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVLAG) in Brugge (1940-1944)

De organisatie die tijdens WO II haar intrek nam in boekhandel De Reyghere op de Markt te Brugge heette de DeVlag (uitspraak DéVlag) of voluit de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (1).

Even de geschiedenis opfrissen.  Op 28 mei 1940 capituleerde België.  Dezelfde dag om 8.00u ’s morgens stonden de Duitsers al op de Markt van Brugge.  De collaboratie kon nu ook uit het verborgene treden en haar ware gelaat tonen.  De DeVlag (Deutsch-Flämische Arbeitsgemeinschaft) was al in 1935-1936 ontstaan als een beweging die de uitwisseling trachtte te bevorderen tussen de Duitse en Vlaamse studenten. In de meidagen van 1940 was DeVlag even in verwarring maar vanaf juni herpakte men zich en onder leiding van Jef Van de Wiele (1903-1979), groeide DeVlag uit van een culturele tot een politieke organisatie volgens de principes van het nationaal-socialisme en vormde zij een belangrijk element in de politiek van de SS om België in zijn macht te krijgen (2). Daardoor kwam DeVlag in conflict met het Vlaams-Nationaal Verbond (VNV), tot dan toe de politieke uitdrukking van het Vlaams-Nationalisme. Die strijd zou de evolutie van de collaboratie in Vlaanderen in sterke mate beïnvloeden (3).

Het eerste slachtoffer van DeVlag was de Brugse uitgever-boekhandelaar Lucien De Reyghere (1898-1953) die in 1920 de boekhandel al verhuisd had van hoek Breidelstraat 2 naar het nu nog steeds vertrouwde adres Markt 12.  Lucien De Reyghere stond bekend als anglofiel en besefte het gevaar.  Hij was daarenboven lid van de Brugse loge La Flandre (G.O.B.).  Daar werd hij ingewijd in 1920 en in 1940 was hij er tweede secretaris.  Hij vluchtte in mei 1940, samen met zijn vrouw Yvonne Huybrechts (lid van de loge Aurore (DH) in Brugge sinds de stichting in 1930) en hun twee dochters, met de laatste nog beschikbare boot vanuit Calais naar Engeland.  Daar werkte hij gedurende de oorlog bij de BBC als vertaler Duits-Engels.  De winkel op de Markt werd ontruimd door de DeVlag en omgevormd tot een steunpunt.  Dat pand was natuurlijk zeer goed gelegen om als propaganda-uitstalraam te dienen.  Het was echter een andere Brugse uitgever-boekhandelaar die bij DeVlag een rol zal spelen en meteen een concurrent kon uitschakelen.  Dat was Hendrik Cayman (1894-1946) die eind 1940 op verzoek van Jef Van de Wiele was toegetreden en actief bleef tot eind 1942 (4).  Op 14 november 1940 werd hij inderdaad Celleider van de Cel Brugge van DeVlag.  De lokale zetel was gevestigd op het adres Albert I-plein 9a (nu ’t Zand).  Later vergaderde men nog in een geconfisqueerd café in de Vlamingstraat en bij Cayman thuis in de boekhandel “Cultura” (gesticht 1924) in de Niklaas Desparsstraat 13.

Maar al snel zou er een nieuw vergaderlokaal in zicht komen.  Bij Duitse verordening van 20 augustus 1941 werd de vrijmetselarij in ons land verboden en de bezittingen verbeurd verklaard (5). De “Geheime Feldpolizei” (GFP) deed al één dag na de capitulatie van het Belgisch leger (28 mei 1940), op 29 mei 1940, een inval in de Brugse loge.  Het was de Volksmacht, een andere vereniging uit de collaboratie, met hoofzetel in Gent, die in februari 1942 een antimaçonnieke tentoonstelling organiseerde in het logegebouw in de Beenhouwersstraat met als organisator de beruchte Joris Desbonnet (Gent 1914-Dadizele 1993).  Deze tentoonstelling liep van 7 februari tot 22 februari en telde 6.667 bezoekers.  De eerste week kwamen er 5.807 bezoekers waardoor de sensatielust meteen werd bevredigd.  Wel was het DeVlag die uiteindelijk daar haar intrek nam op 1 maart 1943. Daarover werd triomfantelijk bericht in het Brugsch Handelsblad dat overigens tijdens de oorlog bleef verschijnen en onder sekwester stond van de Duitsers (6).  De DeVlag kon op de volledige steun rekenen van het Brugsch Handelsblad door de figuur van Joe de Troetsel, een Antwerpenaar die in augustus 1941 werd aangesteld als hoofdredacteur (7).  Joe de Troetsel (1911-1994) kwam als oorlogsvluchteling vanuit Antwerpen terecht in Brugge waar hij een afdeling van de Volksverwering stichtte, een anti-joodse organisatie van extreemrechtse signatuur. Begin 1942 trad hij in Brugge toe tot de DeVlag (8).

Foto verzameling Willy Dezutter, Brugge

Het geconfisqueerde logegebouw Beenhouwersstraat 2, hoofdzetel van de DeVlag (1943-1944) (foto verzameling Willy Dezutter, Brugge)

Aan het hoofd van de Brugse DeVlag kwam Viktor (Zeger) Andries (1901-1967) te staan, een leraar van het Brugs Conservatorium.  Deze naaste medewerker van Hendrik Cayman was in juni 1942 zakelijk leider geworden van de Cel Brugge.  Elk kaderlid van DeVlag werd ook verplicht lid te worden van de Germaanse SS Vlaanderen.  Er werd ook een veiligheidskorps gehecht aan DeVlag dat deelnam aan razzia’s zoals die op het kasteel “Drie Koningen” in Beernem van burgemeester Hubert van Outryve d’Ydewalle (1909-1945, bezweken in Duitsland).  Die jacht op verzetsstrijders werd hen na de oorlog bij de berechting zwaar aangerekend met navenante zware straffen.  DeVlag-leider Zeger Andries was op 2 september 1944 met zijn familie gevlucht naar Duitsland maar keerde begin juni 1945 terug naar Brugge.  Hij werkte goed mee met het Krijgsauditoraat in de hoop het vege lijf te kunnen redden.  Op 24 januari 1946 kreeg hij niettemin de doodstraf, een vonnis dat op 7 mei 1946 werd bevestigd bij arrest van het Krijgshof in Gent.  Zijn echtgenote, ook een ijverige medewerkster van de DeVlag in Brugge, zou zich na haar vrijlating uit het interneringskamp van Sint-Kruis (Brugge), hardnekkig blijven inzetten voor de herziening van zijn proces. Via een genademaatregel van de Prins-Regent op 22 januari 1948 werd de doodstraf omgezet in levenslange hechtenis.  Na 1950 kwam hij vrij (9).

Brugge werd bevrijd op 12 september 1944 maar DeVlag had het gebouw al verlaten op 10 september 1944.  In het gebouw was er grote schade maar de vrijmetselaarstempel was niet verwoest.  De vrijmetselaarsloge La Flandre (gesticht in 1881) kon er pas opnieuw vergaderen vanaf 17 februari 1945 (10).  De eerste tempelzitting ging door op 3 maart 1945.  Het hoofdkwartier van DeVlag was dus in de Beenhouwersstraat 2.  Op de borstwering van het logegebouw hing het DeVlag-schild en op de zijgevel stond in grote witte letters “Vlaamsch-Duitsche Arbeidsgemeenschap”.  In de publiciteitskast tegen de buitenmuur maakte men uitsluitend propaganda voor de SS-Man, het propagandablad van de Algemene-SS Vlaanderen.  Het kan verkeren.  De geconfisqueerde boekhandel De Reyghere was dus uitsluitend  propagandakantoor maar niet het zenuwcentrum.

Willy Dezutter

1 Voor de algemene geschiedenis van de DeVlag zie: Frank Seberechts, Geschiedenis van de DeVlag. Van cultuurbeweging tot politieke partij 1935-1945. Gent, 1991

2 Jef Van de Wiele (1903-1979), hoofdredacteur van tijdschrift DeVlag. Hij leidde de DeVlag in de richting van de Waffen-SS. Hij werd SS-Obersturmführer. In 1945 ter dood veroordeeld, in 1946 omgezet in levenslang. Vrijgelaten in 1963, overleden in 1979.

3 Bruno De Wever, Greep naar de macht. Vlaams-Nationalisme en Nieuwe Orde: het VNV. Gent/Tielt, 1994 o.a. deel 2 hoofdstuk 8 Het VNV in de Belgische politiek (1936-mei 1940) en ook deel 3, hoofdstuk 5 Het VNV en de DeVlag. Een belangrijke nabeschouwing van B. De Wever: Van wierook tot gaslucht. De beeldvorming over de Vlaams-nationalistische collaboratie, in: Docendo discimus. Liber Amicorum Romain Van Eenoo, Gent, 1999, p. 607-614.

4 Zie voor Cayman: Andries Van den Abeele, H. Cayman-Seynave en Cultura. Brugse uitgever en boekhandelaar 1928-1944, in: Biekorf, 2008, p. 218-229.

5 Zie vooral: Jimmy Koppen, Passer en Davidster. De strijd van de Duitse bezetter en de collaboratie tegen de vermeende samenwerking van vrijmetselaars en joden in België (1940-1944), Brussel, 2000, p. 43-71.

6 L. Schepens, Brugge Bezet. 1914/1918 – 1940/1944. Lannoo, Tielt-Weesp, 1985, p. 192-195.

7 Kurt Ravyts en Jos Rondas, Het Brugse 1940-1945. Deel 1 Collaboratie en Verzet, Kortrijk, 2000, p. 274.

8 Lieven Saerens, Vreemdelingen in een wereldstad. Een geschiedenis van Antwerpen en zijn joodse bevolking (1880-1940), Lannoo, Tielt, 2000, p. 508.

9 K. Ravyts en J. Rondas, op.cit. p. 314-315. De auteurs baseerden zich op het strafdossier van Viktor (Zeger) Andries.

10 Willy Dezutter, De ledenlijst van de loge La Flandre in Brugge uit 1940. Een sociologische benadering. In: Biekorf, 116 (2016), 2, p. 321 en J. Tyssens en D. Dendooven, (red.) De Heeren Broederkes van den Moortelbak. 250 jaar vrijmetselarij in West-Vlaanderen. ASP-uitgeverij, 2015, p. 30.

Een onterechte wapenhandelaar

De bouwheer van het kasteel “Veltem” in Sint-Kruis was de reder, handelaar en grootgrondbezitter François-Xavier Bertram (1766-1826), beter bekend als Bertram-Boudeloot, afkomstig uit Nieuwpoort .  Hij bouwde begin 19de eeuw een mooi kasteel in Empirestijl (1) dat helaas in 1968 werd afgebroken om in 1970 plaats te maken voor Interbad.  Bertram was rijk geworden omdat hij als reder beschikte over een grote vissersvloot en in de Franse tijd licenties kreeg om over zee internationaal handel te drijven.

Hij werd ook ingewijd bij de Brugse loge “La Réunion des Amis du Nord” waar hij in 1813 Achtbare Meester was.  In 1825 betaalde hij nog zijn lidmaatschapsbijdrage.  In 1826 werd hij kerkelijk begraven op Sint-Kruis en een memorieplaat aan de zuidkant van de Kruisverheffingskerk herinnert daaraan.  We zullen hier zijn biografie niet schrijven – een goede aanzet is alvast gegeven in een recente publicatie van Marc Carlier (2) – maar enkel wijzen op de manier hoe hij afgeschilderd werd als een wapenhandelaar.

In 1990 verscheen er een artikel over de geschiedenis van Veltem waar de auteur M. Verbeke (3) François Bertram omtoverde tot een wapenhandelaar.  Het Franse woord “armateur” werd verkeerd vertaald en zo werd een reder een wapenhandelaar.  Die verkeerde vertaling werd door Otmar Delanote (4) overgenomen en zo verscheen onze wapenhandelaar op internet waar hij nooit meer zal verdwijnen.  Het onheil was geschied en vond ook zijn weg naar een wijd verspreide publicatie van de Stad Brugge uit 2011 (5).  Aan het beroep van wapenhandelaar kleeft nogal vlug de connotatie van illegale wapenhandel dus doen we er alles aan om dat bij Bertram weg te nemen. Zeker wanneer men zijn fortuin daar zou willen aan toeschrijven. Maar anderzijds was hij natuurlijk door een moderne bril bekeken ook niet brandschoon. Hij was opkoper van verbeurdverklaarde kerkelijke goederen (het zogenaamde “zwart goed”) en als Fransgezinde handelaar zou men hem nu een economische collaborateur noemen.

Onjuiste feiten die de geschiedenis hebben vervalst, zijn van alle tijden.  Ook nu spreekt men weer veel over “fake news”. We zwijgen dan nog over de Griekse vertaling van de Hebreeuwse bijbel waar men van een “jong meisje” een maagd maakt.  We weten allemaal wel wie uit die maagd geboren werd.

Willy Dezutter

1 Een foto in R. Duyck, Sint-Kruis.  Geschiedenis van de Brugse rand. Brugge, 1987.

2 Marc Carlier, De laatste Brugse rederijkers.  Brugge, 2017, p. 170-171.

3 Martin Verbeke, Bijdrage tot de geschiedenis van Veltem, in: Arsbroek, Kring Hervé Stalpaert, jaarboek 7, 1990, p. 11.

4 Otmar Delanote, De geheimen van Sint-Kruis ontsluierd via de oude buurtwegen.  Koninklijke Gidsenbond van Brugge, 2006, p. 57 en online users.skynet.be/fc 140012/pdf

5 Brigitte Beernaert en Patrick Cardinael, Brugge natuurlijk… Natuurgebieden, bossen en parken in de Brugse rand.  Stad Brugge, 2011, p. 87 bij bespreking Veltem.