Categorie archief: Cultuurgeschiedenis

Een Folkloremuseum voor Brugge: een eerste poging in 1911

In 1865 werd in Brugge de Société d’ Archéologie opgericht met als doel het oprichten van een Oudheidkundig Museum.  Dat zou er komen in 1866 maar het duurde toch tot het jaar 1900 vooraleer het Gruuthusemuseum tot volle wasdom kwam (1).  Toch was er al een visionaire bestuurder die inzag dat de aangroei van de collecties selectiever diende te gebeuren. De toevloed van typische volkskundige objecten diende gekanaliseerd te worden om meer de nadruk te kunnen leggen op de oudere periodes uit de stadsgeschiedenis.

In 1911 werd een poging ondernomen om tot de oprichting van een Folkloremuseum (2) over te gaan, naast het bestaande museum van het Oudheidkundig Genootschap.  Het Folkloremuseum van Antwerpen, gesticht in 1907, zal daarbij wel inspirerend gewerkt hebben.  Dit initiatief kwam van Robert Coppieters ’t Wallant (1871-1955), bestuurslid van het Oudheidkundig Genootschap, die de stichting van een vereniging met als doel de oprichting van een Museum voor Folklore bepleitte.  Bij monde van voorzitter Albert Visart de Bocarmé werd dit voorstel se rapportant à la constitution d’une société ayant pour objet la formation d’un musée de Folklore besproken op 2 februari 1911 tijdens de bestuursvergadering van de Société d’Archéologie (3).  Robert Coppieters wenste, alvorens van start te gaan, dit eerst in alle collegialiteit voor te leggen aan het Comité directeur.  De meeste leden zagen er de noodzaak niet van in en wezen op het dubbel gebruik dat zou kunnen ontstaan met het reeds bestaande museum.  Onder meer A. Duclos (4) deelde die mening en hij beloofde la donation de quelques objets de confection primitive que les folkloristes rangent ordinairement parmi leurs collection.

Hij heeft de daad bij het woord gevoegd.  We zullen daarvan slechts één voorbeeld aanhalen.  In 1919 schonk A. Duclos een twaalftal patacons (5), daterend uit de eerste helft van de 19deeeuw, aan het Oudheidkundig Museum (6).  Het betrof mooie grote en zeldzame exemplaren die sindsdien berustten in de reserves van het Gruuthusemuseum en op ons verzoek in 1973 werden overgemaakt aan het nieuwe Stedelijk Museum voor Volkskunde dat op 29 juni 1973 ingehuldigd werd.

Sociologisch valt het te verklaren dat die initiatieven genomen werden door de toenmalige elite (adel en burgerij) die Franstalig waren.  Dit spanningsveld tussen Frans, het gebruik van Standaardnederlands en dialect is voer voor de socio-linguïstiek (7).  De Vlaamse volkscultuur werd gered door Franstaligen die de Franse taal als de lingua franca beschouwden maar niet Vlaams onvriendelijk waren.  In een andere stad nl. Antwerpen was het precies zo verlopen.  Het Folkloremuseum van Antwerpen, geopend op 18 augustus 1907, dankt zijn ontstaan aan een groep Franstaligen met o.m. de dichter Max Elskamp en de advocaat Edmond de Bruyn (de eerste conservator), die een Kring stichtten onder de benaming Conservatoire de la Tradition Populaire Flamande.

De eerste nawijsbare getuigenis van deze vereniging valt terug te voeren op het jaar 1901 (8).  Robert Coppieters ’t Wallant was in 1902 penningmeester van het organisatiecomité van de tentoonstelling over de Vlaamse Primitieven en in 1907 was hij commissaris van de Gulden Vlies tentoonstelling.  Hij werd ook de voorzitter van de Vrienden van het Prinselijk Begijnhof (zie afbeelding) waar kanunnik  Rodolphe Hoornaert (1886-1969) de rector was van de door hem gestichte kloostergemeenschap van Benedictinessen die in 1927 de plaats innamen van de begijnen (9).  Robert Coppieters was zeer actief in het culturele leven en een dynamische organisator van feesten en stoeten.  Van 1929 tot 1954, dus 25 jaar was hij onbezoldigd conservator van het Gruuthusemuseum.  Hij overleed op 15 december 1955, op 83-jarige leeftijd (10).  De overname van het Gruuthusemuseum door de Stad Brugge op 1 januari 1955 heeft hij dus nog kunnen meemaken.

Wijding van het kloosterbeluik in het Begijnhof van Brugge. V.l.n.r. grootjuffrouw Geneviève de Limon Triest, priorin van de Benedictinessen, mgr. Henri Lamiroy, bisschop van Brugge, Robert Coppieters ’t Wallant, voorzitter van de Vrienden van het Prinselijk Begijnhof, rector-pastoor Rodolphe Hoornaert (foto A. Bruselle, Stadsarchief Brugge, fotoverzameling Beeldbank Brugge).

Een nieuwe poging

In Gent werd op 2 mei 1926 de Bond der Oostvlaamse Folkloristen opgericht.  Zij liggen aan de basis van het Gentse Folkloremuseum dat op 16 juli 1932 werd geopend.  Dat schudde de Bruggelingen weer wakker.  Onder impuls van Guillaume Michiels, Karel De Wolf en Evarist Vanheulenbrouck werd in november 1936 een Bond der Westvlaamsche Folkloristen gesticht.  De werking begon op 1 januari 1937 en de statuten verschenen in het Staatsblad van 22 oktober 1938.  Ze traden een eerste keer naar buiten met een grote Folkloretentoonstelling die van 27 maart tot 11 april 1937 plaatsvond in de Concertzaal (Boterhuis) in de Sint-Jacobsstraat.  Robert Coppieters ’t Wallant was toen eregast op de opening en staat prominent op de foto samen met hoofdman (voorzitter) Karel De Wolf (1883-1948) die het woord voert, burgemeester Victor Van Hoestenberghe en schepen L. Ryelandt (11).

De eerste doelstelling van de Bond was de oprichting van een permanent Folkloremuseum en in de schoot van de vereniging was Guillaume Michiels (1909-1997) aangesteld als conservator die met dit project onmiddellijk van wal stak (12).  De hulp van het Brugse stadsbestuur was daarbij onontbeerlijk.  Het College van Burgemeester en Schepenen liet aan de Bond weten dat men met ingang van 1 november 1938 zou kunnen beschikken over de Schermzaal op de eerste verdieping van de Halletoren.  Op 1 juli 1939 werd het Museum van Folklore in het Belfort officieel geopend.  Het waren slechte tijden om met een museum van start te gaan want twee maanden later op 26 augustus werd de mobilisatie afgekondigd en op 23 mei 1940 drongen de Duitse troepen de stad binnen.  Het museum zal pas officieel heropend worden op 6 nov. 1948.  Guillaume Michiels bleef conservator tot 14 okt. 1951.  Met die datum zijn we al ver verwijderd van ons uitgangspunt uit 1911 (13).

Willy Dezutter

1 Willy Dezutter, De stichting van het Gruuthusemuseum van Brugge in 1865. In: Brugs Ommeland, 2018, 3, p. 181-184.

2 Het woord folklore werd in 1846 geïntroduceerd in Engeland en had betrekking op the traditional beliefs, legends and customs.  In het derde kwart van de 19deeeuw duikt het woord Volkskunde op in het Duitse taalgebied in de betekenis van de studie van de traditionele volkscultuur.  In 1888 stichtten Pol de Mont (1857-1931) en August Gittée (1858-1909) in Gent het tijdschrift Volkskunde dat als ondertitel tijdschrift voor Nederlandse folklore meekreeg.  Dit toonaangevend cultureel tijdschrift bestaat nog steeds en is aan zijn 119de jaargang toe.  Het compositum volkskunde dat toen in onze taal werd ingevoerd wordt in het Nederlands en in het Duits op dezelfde wijze geschreven.  De oudheidkunde (archeologie) was een containerbegrip en had toen nog geen betrekking op de archeologie als oudheidkundig bodemonderzoek.

3 Procès-verbal de la séance du Comité directeur de la Société d’Archéologie le jeudi 2 février 1911. Register 1904-1912. Directie Stedelijke Musea, Brugge.

4 Adolf Duclos (1841-1925), priester-historicus en schrijver van het bekende boek Bruges, histoire et souvenirs (1910).

5 Een patacon was oorspronkelijk een Spaanse munt (17de-18deeeuw) ter waarde van ca. 50 stuivers. Die naam ging waarschijnlijk over op de schijven in gebakken aarde, die kleurrijk werden beschilderd, en die dienden als versiering van de kerst- en nieuwjaarsbroden (vollaards). Zie: Willy Dezutter, Vollaards en patacons. In: Brugs Ommeland, 2018, p. 192-193.

6 Gemeenteblad der Stad Brugge, 1920, bijvoegsel 5, p. 274. Aanwinsten Oudheidkundig Genootschap,1919.

7 W. Vandenbussche, Eeuwig zagen voor de Vlaamsche taal. De invloed van Eugeen Van Steenkiste op de vernederlandsing van de Brugse stadsadministratie. In: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal-en Letterkunde, jg.1995, nr.2-3, p. 264-284.

8 W. Van Nespen, Het Volkskundemuseum te Antwerpen. In: Gemeentekrediet van België, jg. 28,nr.108, 1974, p. 87.

9 Rik C.F. Dhondt, Problemen bij het omvormen van het Brugse begijnhof tot een parochie. In: Brugs Ommeland, 2009, p. 51-59.

10  E. Coppieters de ter Zaele en Ch. Van Renynghe de Voxvrie, Histoire professionelle et sociale de la famille Coppieters 1550-1965. Deel II. Tablettes des Flandres, deel 8, Brugge, 1968, p. 165-168.

11 Foto collectie Volkskundemuseum, Brugge.

12 Willy P. Dezutter, In memoriam Guillaume Michiels (1909-1997). Stichter-conservator van het Museum voor Volkskunde van Brugge, in: Biekorf, 97 (1997), 3, p. 294. De volkskundige Maurits Van Coppenolle (1910-1955), lid van de Bond sinds 1942, werd op 19 okt. 1947 verkozen in het nieuw bestuur van de Bond.

13 Schrijver dezes werd op 1.2.1973 conservator van het Stedelijk Museum voor Volkskunde in de Balstraat 27 dat op 29 juni 1973 officieel werd ingehuldigd. In een volgende bijdrage komen we terug op de periode 1937-1973.

Dit artikel verscheen in het tijdschrift Brugs Ommeland, 2019, 1, p. 53-57.

 

Denkend aan prof. dr. Herman Uyttersprot (1909-1967)

Herman Uyttersprot was destijds de befaamde hoogleraar Duitse taal -en letterkunde aan de Rijksuniversiteit Gent (RUG).  Over hem handelt de kloeke biografie van Joris Dedeurwaerder, die een gedetailleerd beeld geeft van zijn leven en werk (1).

Prof. Uyttersprot was een kenner van Kleist, Heine, Kafka, Rilke, Goethe en zoveel meer.  Doordat hij een nieuwe volgorde in “Der Prozess” van Franz Kafka (1883-1924) voorstelde, die niet overeenkwam met de oorspronkelijke uitgave van Max Brod, zette hij zich als literatuurhistoricus breed op de kaart.  Terecht wijdt zijn biograaf Joris Dedeurwaerder, een oud-thesisstudent,  daar zo veel aandacht aan (p. 517-657).  De knap geschreven biografie leest als een detectiveroman. Dat kan er ook mee te maken hebben omdat we zelf zoveel bewondering hadden voor de lesgever Uyttersprot.  Er ging dan ook een schok door ons heen toen we in het boek de foto zagen van “Het laatste college van Herman Uyttersprot, in een auditorium op de Blandijnberg” (13 februari 1967).  We waren er bij, maar ook nog zeshonderd anderen.  Het was een plezier om zijn lessen bij te wonen omdat hij niet stokstijf vanachter een katheder zijn cursus voorlas maar als een echte stand up comedian heen en weer liep op het podium en laaiend enthousiast zijn kennis overbracht.  En dat anderhalf uur lang.  Ernstige leerstof op humorvolle wijze direct kunnen overbrengen op je jong studentenpubliek was slechts weinigen gegeven.  Mocht het tegendeel waar geweest zijn was er nooit een mei ’68 gekomen (2).  Aan afstandelijke grote geleerden was er toen geen gebrek.  Helaas verliep dat laatste college, wegens gezondheidsproblemen, niet zoals gewenst.  Regelmatig moest hij even onderbreken wegens een lichte hoest.  Maar de zware en fatale hoestbui kon niet uitblijven.  Gedurende enkele minuten zat hij toen aan zijn tafel en hield de handen voor het gezicht.  In het overvolle auditorium was het muisstil, je kon een speld horen vallen.  Een indrukwekkende stilte, ook een moment van machteloosheid en ontroering.  Maar de feniks herrees uit zijn as en zette de les gewoon verder.  Dat hoorcollege ging trouwens niet over Duitse schrijvers maar over de Franse schrijver Marcel Proust.  Niemand kon na het eindigen van het college ook maar bevroeden dat dit de laatste keer zou zijn.  Herman Uyttersprot overleed op 12 november 1967 in het AZ van Gent.

Een medisch dossier hoeft in een biografie niet uit de doeken gedaan te worden maar uit het boek kunnen we vernemen hoe familie en vrienden hem al vroeg op het hart drukten om te stoppen met roken.  Hij was een kettingroker.  Hoe zijn wij in de les van prof. Uyttersprot verzeild geraakt ?  Op 4 oktober 1966 begonnen wij aan de RUG aan de studie kunstgeschiedenis en oudheidkunde.  Het was de bedoeling om archeologie te studeren maar dat verliep via de richting geschiedenis (bij prof. S.J. De Laet) maar totaal onwetend kwamen wij terecht in het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde of HIKO en we waren daar al een tijdje bezig voordat we doorkregen dat we werden misleid.  We zijn er dan maar gebleven en met grote onderscheiding als licentiaat afgestudeerd in 1970.  Wel op een gemengd archeologisch-kunsthistorisch onderwerp.  Onze promotor was prof. dr. J. Duverger (1899-1979) (3).  En ja,  het heeft ons niet gespeten.  In 1958-1959 kreeg prof. Uyttersprot er een leeropdracht bij.  Als opvolger van prof. Franz De Backer (1891-1961), hoogleraar Engelse taal -en letterkunde, doceerde hij voortaan voor honderden eerstejaars in de Faculteit Wijsbegeerte en Letteren de cursus “Inleiding tot de geschiedenis van de moderne letterkunden” (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 381).  Ook voor ons was dat een verplicht vak, net als “Inleiding tot de Nederlandse Letterkunde” bij Antonin Van Elslander (1921-1999), de “Inleiding tot de wijsbegeerte” bij Etienne Vermeersch (1934-2019) (die toen pas aantrad – ook een briljant lesgever) en ““De Inleiding tot de psychologie” bij William De Coster (1920-2001).  En die dappere proffen moesten al die studenten van de eerste democratische golf ook nog eens mondeling examineren!  Dit betekende voor hen het einde van het ongestoord vorsen.  Lesgeven en veel administratieve taken, zoals decaan worden, werden hun deel.

Ook prof. Uyttersprot leed onder die toenemende druk (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 510).  Men wordt natuurlijk niet per direct hoogleraar aan een universiteit.  Zijn onderwijsloopbaan begon hij zelfs in een Waals atheneum maar op 10 oktober 1935 werd hij leraar Nederlands aan het Koninklijk Atheneum van Aalst.  J. Dedeurwaerder geeft een overzicht van zijn gewaardeerde collega’s (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 55-56) en stipt daarbij ook de leraar Duits Jef Van de Wiele aan zonder er verder iets over te zeggen.  Nu is dat wel een naam die een belletje doet rinkelen. We zullen ook kort blijven bij het situeren van deze latere collaborateur.  Jef Van de Wiele (1903-1979) werd hoofdredacteur van het tijdschrift DeVlag.  Hij leidde tijdens W.O. II de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap of DeVlag in de richting van de Waffen SS.  Hij werd SS-Obersturmführer.  In 1945 ter dood veroordeeld, in 1946 omgezet in levenslang.  Vrijgelaten in 1966, overleden in 1979. Daar kan men niet achteloos aan voorbijgaan.

Theo Macharis (1902-1945)

Herman Uyttersprot was bevriend met zijn dorpsgenoot Theo Macharis. Over zijn tegenpool Jef Van de Wiele is al zeer veel geschreven maar wij staan liever even stil bij de verzetsman Macharis. Theodule Placide Antoon Macharis werd geboren op 13 december 1902 in Denderbelle en is omgekomen in Neustadt (Holstein) op 3 mei 1945.  Herman Uyttersprot werd eveneens geboren in Denderbelle en wel op 16 april 1909.  Theo Macharis behaalde op 30 juni 1928 zijn diploma van onderwijzer aan de rijksnormaalschool van Gent.  Hij werd onderwijzer aan de gemeentescholen van Sint-Gillis-Dendermonde, Kortrijk, Denderbelle, Hoboken en aan de rijksmiddelbare school van Pecq.  Op 24 oktober 1931 werd hij benoemd als leraar aan de rijksmiddelbare school van Brugge.  Op 23 september 1939 werd hij gemobiliseerd en bleef tot 26 augustus 1940 onder de wapens.

Tijdens de bezetting stichtte Theo Macharis de Brugse afdeling van het Onafhankelijkheidsfront (OF) dat uit twee afdelingen bestond: de Patriottische Milities en het Partizanenleger.  Uit getuigenissen uit 1948 blijkt dat in de woning van Uyttersprot in de Acaciastraat in Aalst op 20 augustus 1942 de afdeling Denderbelle van het Onafhankelijkheidsfront werd opgericht (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 95).  In 1944 werd Theo Macharis in het partizanenleger aangeduid als instructeur voor Limburg en daar werd hij door de Duitsers aangehouden en op transport gesteld naar het concentratiekamp Neuengamme.  Op 3 mei 1945 werden duizenden gevangenen van Neuengamme in schepen geladen, waaronder de Cap Arcona en achtergelaten in de baai van Lübeck.  Op die manier probeerden de nazi’s het bestaan van het kamp te maskeren.  De geallieerden (Royal Air Force) zagen de schepen aan voor troepentransport en brachten ze tot zinken.  Zesduizend gevangenen kwamen om.  Zoals Theo Macharis kregen ze als plaats van overlijden Neustadt (Holstein) dat in de Lübeckerbocht ligt.  Daar staat ook een herdenkingsmonument (4).

Theo Macharis bleef ongehuwd.  Hij was in Brugge lid van de vrijmetselaarsloge La Flandre (G.O.B.), gesticht in 1881.  Op het rouwbord van zijn loge kreeg hij een speciale vermelding.  De laatste zitting van La Flandre vóór de oorlog vond plaats op 10 maart 1940.  Op 1 maart 1943 nam de DeVlag haar intrek in het logegebouw en bleef daar tot 10 september 1944.  Op 12 september werd Brugge bevrijd.  Na de oorlog was vanaf 3 maart 1945 de tempel weer bruikbaar (5).  Herman Uyttersprot was geen gewapend weerstander maar men zou hem burgerlijk weerstander kunnen noemen.  Het is niet omdat men veel Duitse boeken leest dat men tijdens de oorlog pro-Duits hoeft te zijn.

De kwestie prof. Frank Bauer

Frank Bauer had al een grote invloed op Herman Uyttersprot in het Gentse atheneum waar hij zijn leraar Nederlands was.  Als student in de Germaanse filologie aan de RUG kreeg hij hem als professor.  In 1930 was hij promotor bij zijn doctoraat over Heinrich Heine.  Bauer, de oud-seminarist was een uitgesproken katholiek (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 38).  Prof. Bauer was zijn leermeester voor wie hij grote bewondering had.  Om hoogleraar aan een universiteit te worden moet je volgens de wet van 21 mei 1929 de titel van “geaggregeerde voor het hoger onderwijs” hebben behaald.  Eind 1944, na de bevrijding, dient hij als aggregatiedissertatie zijn studie over Heinrich von Kleist in.  De verslaggevers zijn de professoren F. Bauer, F. De Backer en R. Foncke.  Bauer dringt zelfs aan om het werk te laten publiceren in de “Recueil”; die beslissing valt op 10 november 1945 (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 109).  Eindelijk vindt de deliberatie over de dissertatie plaats op 27 november 1947 en dat met gunstig resultaat.  Men had geen haast.  Op 29 december 1948 wordt Herman Uyttersprot benoemd tot docent en op 8 april 1951 tot gewoon hoogleraar.

Hier moeten we even terugkeren naar de grote Heinrich Heine studie die Herman Uyttersprot in 1948 indiende bij de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.  Het onderwerp voor die prijsvraag was nota bene door F. Bauer zelf op de agenda geplaatst, hoewel hij als conservatief-katholiek niet hoog opliep met Heinrich Heine (1797-1856) vanwege zijn liberalisme.  De studie van Uyttersprot “Heinrich Heine en zijn invloed in de Nederlandse letterkunde”, ingediend onder kenspreuk, had als jury Frank Bauer, Lode Baekelmans en Franz De Backer.  Op levensbeschouwelijke gronden kraakt Bauer het werk van Heine helemaal af en treft ook de auteur.  Dat “Verslag” werd gepubliceerd (6) maar de verrassende conclusie was uiteindelijk dat de studie van Uyttersprot diende bekroond te worden (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 187) (7).  Het is voor ons duidelijk dat Frank Bauer, die Uyttersprot altijd had gesteund, het moeilijk kreeg met de verhouding leermeester-leerling.  Hij zag zijn leerling ook duidelijk evolueren in de richting van het liberalisme en het vrijzinnig humanisme.  Uyttersprot was een vaste waarde in het lezingencircuit van het Willemsfonds.  De kwestie van het “Verslag”, zeg maar de dolk in de rug, bleef bij Uyttersprot zijn hele leven lang opspelen.  Dat werd door J. Dedeurwaerder op treffende wijze behandeld (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 161-214).  Het conflict met Bauer bleef onverteerbaar (J. Dedeurwaerder, 2018, p. 509).

Besluit

Deze boeiend geschreven biografie behandelt natuurlijk nog meer facetten van het academisch leven en schenkt ook aandacht aan zijn vroege contacten met schrijvers als Louis Paul Boon en de blijvende vriendschap met Johan Daisne.  Het is ook een tijdsdocument.  Na zijn overlijden in 1967 werd zijn cursus “Moderne letterkunden” verdergezet door prof. Alex Bolckmans (1923-1990).  Bolckmans was van 1967 tot 1981 de titularis van de leerstoel Scandinavische talen en literatuur.  Bij hem dienden we dus examen te doen over de leerstof van prof. Uyttersprot.  Daar stond de prof voor een dilemma dat hij verstandig oploste door aan iedereen dezelfde vraag te stellen: “Welke boeken heeft u gelezen en vertel me daar eens over”.  Zo kon iedereen zich uit de slag trekken.

Willy Dezutter, ereconservator Stedelijke Musea, Brugge

1 Joris Dedeurwaerder, Herman Uyttersprot. Een biografie. Liberaal Archief/Liberalis, Gent, 2018, 723 p. Prijs 40 euro.

2 Aan de RUG was de studentencontestatie pas in 1969.  In het  academiejaar 1968-1969 was schrijver dezes preses van de faculteitskring “Kunsthistorische Kring” (KHK) en lid van het Faculteitenkonvent (FK).

3 W.P. Dezutter, In memoriam Prof. J. Duverger, in: Biekorf, 79, (1979), p. 254.

4 In totaal kwamen 1571 Belgen om in Neuengamme. www.KZ-gedenkstaette-neuengamme.de/geschichte/totenbuch/

5 Willy Dezutter, De Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVlag) in Brugge (1940-1944), in: Brugs Ommeland, 2018, 2, p. 60-64.

6 Verslagen en Mededelingen van de Academie 1947 (gedrukt einde 1949). Vgl. J. Dedeurwaerder, 2018, p. 456.

7 Bij de studies die bekroond en uitgegeven worden door de Academie is er meestal sprake van doorgestoken kaart.  Dat geldt voor alle wetenschappelijke Academies.  De kandidaat dient onder kenspreuk het werk in te leveren maar alles is van tevoren bekend en het resultaat ligt vast.  Het is een begrijpelijke schijnvertoning.

Exit de tv-antenne

In 2006 schreven wij in het tijdschrift Biekorf (1) een artikel over het verdwijnen van de klassieke tv-antenne.  Je moet al een jonge lezer zijn om je dat woud aan tv-antennes niet te herinneren die het dakenspel domineerden.  Op sommige foto’s worden die nu met Photoshop weggewerkt.  Een grove geschiedvervalsing!

In 2006 keek al 97% van de Vlaamse gezinnen televisie via de kabel.  Over het verdwijnen van de vuilnisemmer, de tv-antenne en de komst van de digitale tv schreven we onder de titel “De snel veranderde wereld” in augustus 2013 op deze blog.  In heel Europa dienden de analoge tv-signalen tussen 2010 en 2012 uit de ether te verdwijnen.  Per 1 december 2018 zal men niet meer gratis naar de VRT-uitzendingen kunnen kijken.  Door middel van een DVB-T antenne kon men voordien het digitale signaal nog ontvangen.  De basisfuncties van tv krijg je op alles wat een scherm heeft zoals de smartphone, tablet, laptop en dat om het even waar je je bevindt.  De iPad (de tablet computer van Apple Inc.) kwam op de markt in april 2010 en in maart 2018 kwam het model uit van de 6degeneratie.

De opkomst van de mobiele telefonie zorgde voor het verdwijnen van de telefooncellen (telefoonhokjes).  De laatste Belgische telefooncel werd symbolisch verwijderd op 1 juni 2015.  Die ontwikkelingen vallen nauwelijks bij te houden maar toch moet men niet denken dat iedereen altijd maar online is.  Behalve in de wachtzaal bij de dokter.  Daar zit iedereen, jong en oud, zonder op te kijken en met een vieze smoel, op zijn smartphone of tablet te swipen en wordt er niet meer gegroet.  De (bacteriële) stapel tijdschriften op de leestafel blijft reeds lang onaangeroerd.  In sommige wachtzalen (banken, dokters) speelt men nu natuurfilms.  Wel zonder geluid maar met ondertiteling.

Het mediagebruik evolueert zeer snel maar campingbewoners en schippers zullen niet meer via antenne naar de VRT kunnen kijken.  U kent die zender wellicht; ze wordt met belastinggeld betaald. Na 1 december 2018 zal men niet meer gratis naar de drie zenders van de VRT (Eén, Canvas en Ketnet) kunnen kijken, maar door een overeenkomst met TV Vlaanderen komt er wel een abonnementsformule.  TV Vlaanderen moet daarvoor wel het aanbod voor Nederland schrappen.  De drie zenders van de Nederlandse openbare omroep (NPO 1, NPO 2 en NPO 3) verdwijnen.  Vlaanderen vindt het niet meer nodig om zich te richten op het taalverwante Nederland maar wel op Franstalige commerciële zenders en nu, door de omstandigheden, ook de eigenste VRT (2).  Commercie heeft niets met partijpolitiek te maken.  Maar er is een troost: de erotiekzender Penthouse zit in het pakket !

Willy Dezutter

1 W.P. Dezutter, De klassieke tv-antenne verdwijnt. In: Biekorf, 106, (2006), p. 342-343.

2 TV Vlaanderen heeft overigens niets met de deelstaat Vlaanderen te maken. Het is een misleidende naam die gebruikt wordt voor de aanbieder van digitale satelliettelevisie die zich vooral richt op abonnees in Vlaanderen. Het is via de in Luxemburg gevestigde M7 Group S.A., eigendom van het Nederlandse CDS Coöperatieve U.A. in Hilversum dat gecontroleerd wordt door de Nederlandse Airfield Holding BV, een financiële holding.  Het is voor hen dus mooi meegenomen om de Nederlandse openbare omroep concurrentie aan te doen.  TV Vlaanderen is, laat dat duidelijk zijn, geen filantropische instelling!

De installatie van de loge “L’Amitié” in Kortrijk (1803)

Recent verscheen er een gedegen boek over de geschiedenis van de maçonnieke chansons (19de eeuw) zoals die in onze loges ten gehore werden gebracht (1).

De auteur David Vergauwen is een specialist ter zake en brengt met betrekking tot Kortrijk een tot nu toe onbekend gebleven liedtekst die door een delegatie vrijmetselaars van de Brusselse loge “Les Amis Philanthropes” bij de installatie van “L’Amitié” werd gepresenteerd.  De auteur situeert die uitvoering op de officiële installatie van de werkplaats op 4 september 1803 (2).  Over de Kortrijkse vrijmetselaarsloge “L’Amitié” kan men niks meer schrijven zonder kennis genomen te hebben van de monografie van Andries Van den Abeele (3) die de oprichting zeer gedetailleerd en juist uit de doeken heeft gedaan. Dat begon met de aanvraag op 14 maart 1803 en de uiteindelijke installatie op 4 november 1803.

D. Vergauwen nam de publicatie van A. Van den Abeele niet op in zijn bibliografie en trapte in de klassieke valkuil van de maçonnieke jaartelling waar de eerste maand van het jaar begint op 1 maart.  Nu we sinds 1989 (en al vroeger) zeker weten dat de juiste datum 4 november is hoeven we in 2018 niet meer op het verkeerde been gezet te worden.  Onze correctie lijkt op scherpslijperij maar wil alleen voorkomen dat 4 september een eigen leven begint te leiden.  Maar met alleen het jaartal 1803 zijn we ook al ruimschoots tevreden.

Willy Dezutter

  1. D. Vergauwen, Maçonnieke chansons in negentiende-eeuws België. Uitgeverij ASP, Brussel, 2017, 257 p., inclusief CD.
  2. D. Vergauwen, Maçonnieke chansons, p.66-67.
  3. A. Van den Abeele, De Kortrijkse vrijmetselaarsloge L’Amitié 1803- 1833., in: De Leiegouw, 31, (1989 ), p. 3-134.  Ook uitgegeven als afzonderlijke monografie, 134 p.

De stichting van het Gruuthusemuseum van Brugge in 1865

In september 2014 begon men met de restauratie van het Gruuthusepaleis en in 2018 werd eindelijk het gerestaureerde gebouw opgeleverd.  Nu kan begonnen worden met de inrichting en de opening van het vernieuwde museum wordt voorzien in 2019 (1).

Verschillende Musea voor Schone Kunsten hebben een geschiedenis die teruggaat tot de 18deeeuw.  De Oudheidkundige Musea ontstonden voornamelijk in de tweede helft van de 19deeeuw.  De autonome volkskundige musea kwamen pas in de periode 1900-1940 tot stand.  Nochtans mogen we niet uit het oog verliezen dat de eerste Oudheidkundige Musea niet alleen voorwerpen en documenten verzamelden over de geschiedenis van hun stad, maar daarnaast ook archeologische vondsten en volkskundige objecten.  Zo werd de oprichting van het Oudheidkundig Museum van Gent, het latere Bijlokemuseum, reeds goedgekeurd in 1833.  In 1847 werden de verzamelingen ondergebracht in enkele kamers van het stadhuis; van 1884 tot 1927 in de oude kerk van de Geschoeide Karmelieten en in 1928 vond het museum zijn onderkomen in de oude Abdij van de Bijloke (2).  Het Stadsmuseum Gent (STAM), dat in 2010 zijn deuren opende, ligt nog altijd op de site van de Bijloke (3).  Dat was beslist een vroeg initiatief wanneer men weet dat het oudste en belangrijkste cultuurhistorisch- en volkskundig museum in Duitsland, het Germanisches Nationalmuseum in Nürnberg, gesticht werd in 1852 (4).  Het “Antiquiteitenmuseum” van Antwerpen werd geopend op 4 augustus 1864.  De Oudheidkundige Kring van het Land van Waas nam vanaf zijn stichting in 1861 het initiatief tot het bijeenbrengen van collecties afkomstig uit Sint-Niklaas en omgeving.

Het Gruuthusemuseum

Met hetzelfde doel, maar dan met betrekking tot Brugge, werd op 23 maart 1865 door een twaalftal historici en oudheidkundigen, de “Société d’Archéologie” gesticht (5).  Onder de stichters treffen we de namen aan van Guido Gezelle en James Weale, de eerste conservator.  Dit Oudheidkundig Genootschap bracht de verzamelingen bijeen van het Gruuthusemuseum.

Het Oudheidkundig Museum werd geopend op 6 mei 1866 en vond zijn eerste onderkomen in de tesaurierskamer op de eerste verdieping van het Belfort.  Op 14 juni 1880 vond de heropening van het museum plaats.  De collecties werden toen tentoongesteld in de oostvleugel van de Halletoren op het gelijkvloers.  Naar aanleiding van een volledig nieuwe presentatie vond op 5 mei 1894 weer een heropening plaats.  Deze nieuwe inrichting was het werk van de conservator Alfons Naert, provinciaal architect (6), en van adjunct-conservator Charles De Wulf, stadsarchitect.  De lokalen in het Belfort waren te klein geworden en het Genootschap vroeg op 22 maart 1873 of de stad Brugge het Gruuthusehof zou willen aankopen dat toen werd gebruikt door de Berg van Barmhartigheid.  Dit gebeurde inderdaad op 5 oktober 1874 maar de restauratiewerken duurden van 1883 tot 28 september 1895 (voltooiing hoofdgevel).  De aanpassingswerken aan de omliggende terreinen sleepten zelfs aan tot 1911 (7).  De architecturale aanpassing van het interieur duurde eveneens zeer lang terwijl ook een aarzeling viel vast te stellen aangaande de uiteindelijke bestemming van het gebouw.  Vanaf 1900 werden dan toch enkele collecties van het Oudheidkundig Genootschap opgesteld o.a. de kantcollectie van Baron Liedts.  In 1902 vond een tentoonstelling plaats over weef – en borduurkunst alsmede over handschriften en miniaturen en dit naar aanleiding van de baanbrekende tentoonstelling over de Vlaamse Primitieven.  In 1905, dit naar aanleiding van 75 jaar onafhankelijkheid van België, vond een grote tentoonstelling plaats in tien verschillende zalen (8) met overwegend stukken uit eigen bezit.  De bestendiging van deze tentoonstelling verschafte aan het Gruuthusemuseum zijn permanent karakter.

Nog gedurende vijftig jaar zou het Genootschap zich bijzonder inspannen voor het beheer van het museum, maar na W.O. II werd het steeds duidelijker dat hier een taak weggelegd was voor de overheid.  Het stadsbestuur stelde trouwens het Gruuthusehof reeds gratis ter beschikking en zorgde als eigenaar voor de restauratiewerken terwijl daarnaast nog een forse subsidie nodig was om de exploitatiekosten te helpen dekken.  In de algemene ledenvergadering van 25 november 1954 werd het Oudheidkundig Genootschap ontbonden en per 1 januari 1955 werd het Gruuthusemuseum door de Stad overgenomen.

De eerste stedelijke conservator van Gruuthuse werd dr. A. Janssens de Bisthoven (1915-1999) die per 1 oktober 1954 reeds te Brugge in functie was als “Directeur voor Schouwburg, Kunst en Cultuur” (9).  Het Gruuthusemuseum was van bij het begin een duidelijk voorbeeld van het gemengde type (geschiedenis, archeologie, volkskunde) en de keuken van Gruuthuse (zaal 3) vormde op den duur een volkskundig museum op zichzelf en bleef in de loop der tijd een echte publiekstrekker.  In 1964 kwam Valentin Vermeersch (° 1937) het museum versterken als adjunct-conservator, in 1972 conservator en vanaf 1 december1980 hoofdconservator tot het jaar 2000 (10).  Hij werd en bleef de grote behoeder van Gruuthuse.  Op 1 april 1982 trad Stéphane Vandenberghe aan als adjunct-conservator met in 1984 een herinrichting en heropening van Gruuthuse (11).

Het Gruuthusemuseum treedt nu weer een nieuwe fase binnen van haar ontwikkelingsgeschiedenis.

Willy Dezutter

Noten

1 www.verrijkjekijkopbrugge.be

2 A. De Schryver, Historiek van het Stedelijk Oudheidkundig Museum te Gent. In: A. De Schryver en C. Van de Velde, Catalogus van de schilderijen. Oudheidkundig Museum, Gent, 1972, p. 15-29.

3 www.stamgent.be

4 Peter Strieder en Leonie von Wilckens, (red.), Germanisches Nationalmuseum Nürnberg. Führer durch die Sammlungen. 1977, p. 10-11.

5 J. De Smet, Het Oudheidkundig Genootschap van Brugge, in: Stad Brugge-Gruuthuse. z.j. (1957), p. 14 . De bijdrage van dr. Jos. Desmet verscheen eerst in het tijdschrift West-Vlaanderen, jg. 6 (1957). Idem het artikel van L. Devliegher over de bouwgeschiedenis van het Gruuthusepaleis. Zie verder: V. Vermeersch, Gids Gruuthuse. Brugge, 1979, p. 11-12 en Stéphane Vandenberghe, Gruuthusemuseum Brugge. Een overzicht. Brugge, 1984,p. 7-8.

6 Zie voor A. Naert: Jeroen Cornilly, Architect en ambtenaar. De West-Vlaamse provinciaal architecten en de 19e-eeuwse architectuurpraktijk. Universitaire Pers Leuven, 2016.

7 K. Wittewrongel, De restauratie van Gruuthuse te Brugge- 1883-1911. Gentse Bijdragen tot de kunstgeschiedenis. Gent, XXIII, 1973-1975, p. 139-166. K. Wittewrongel=Katia Norro.

8 Hotel de Gruuthuse. Exposition d’ Art Ancien. Guide de Visiteur. Bruges, 1905.

9 V. Vermeersch, Aquilin Janssens de Bisthoven. Een bio-bibliografische schets. In: Museumleven, 7-8, 1980, p. 6-24. Zie ook: Jaak Fontier, Aquilin Janssens de Bisthoven. VWS-Cahiers, jg. 23, 1988, 16 p.

10 W.P. Dezutter, Valentin Vermeersch ere-hoofdconservator van de Stedelijke Musea van Brugge. Een biografische schets. In: Jaarboek van de Stedelijke Musea Brugge, 1997-1999, Brugge, 2000, p. 19-63 en Willy Le Loup, Valentin Vermeersch. VWS-Cahiers, jg. 49, 2013, 48 p.

11 St. Vandenberghe, De herinrichting en heropening van het Gruuthusemuseum in 1984. Jaarboek van de Stedelijke Musea Brugge, 2, 1983-1984, p. 102-105.

Dit artikel verscheen in het tijdschrift Brugs Ommeland, 2018, 3, p. 181-184.

Brugse kunstpublicaties en hun bibliografie

Het boek Anne van Oosterwijk (red.), Vergeten Meesters. Pieter Pourbus en de Brugse schilderkunst van 1525 tot 1625 (Groeningemuseum, Brugge, 2017, 347 pp.) is ongetwijfeld een standaardwerk voor de behandelde periode (1).  Vooral de ontrafeling van die hele schildersfamilie Claeissens is verhelderend.

De Brugse kunsthistoricus J.L. Meulemeester, de onbetwiste specialist inzake christelijke iconografie en liturgie, gaf in zijn bespreking reeds enkele iconografische aanvullingen (Brugs Ommeland, 2018, 1, p. 3-20).  Aanvullingen die allemaal juist zijn.  Er is echter een groot manco in de studie van A. van Oosterwijk en medewerkers, namelijk de weergave van een onvolledige bibliografie.  Wat baat het bijv. om naar Bartsch, Rembry en Brulliot te verwijzen wanneer die niet in de bibliografie staan ?  Om het notenapparaat te reduceren werd aan elke auteur overgelaten om bij de catalogusnotities zelf de bibliografische verwijzingen op te geven.  Dat gebeurde volgens de regels van de kunst.  Het was een goede oplossing om op het einde van het boek dan terug te koppelen naar de bibliografie (p. 338-347).  Maar dan moet men zijn huiswerk wel goed maken.  Tientallen bibliografische verwijzingen vanuit de notities (het wetenschappelijk bewijsmateriaal) kregen geen vermelding in de bibliografie.  Het wegvallen van een gedeelte van het notenapparaat maakt deze publicatie op slag onwetenschappelijk en moeilijk raadpleegbaar voor niet ingewijden.

De bibliografie samenstellen is het laatste en lastige werkje maar vereist zorgvuldigheid omdat het de basis vormt.  Het is dan ook P. Roberts -Jones en niet Robert-Jones, en Duverger, Onghenae en Van Daelen = Van Daalen. P.K. van Daalen (1924-1986) was de directeur van het Zeeuws Museum in Middelburg (Ned.).  Die foute opgave werd dan weer geciteerd door J.L. Meulemeester (a.w. p. 6) waarmee we bewijzen dat slecht basiswerk toch het vertrouwen kan genieten.  In de dankbetuiging achterin het boek worden “de fijne collega’s” van Musea Brugge bedankt.  Dat is ooit anders geweest.  In 2002 was er in Brugge de tentoonstelling “De eeuw van Van Eyck” (2) en de catalogusnotities werden niet ondertekend.  Manfred Sellink was toen hoofdconservator van de Stedelijke Musea van Brugge (van 2001-2014) en commissaris van de tentoonstelling.  Het verzuimen om de notities te laten ondertekenen is intellectueel oneerlijk èn onwetenschappelijk .  Bij de “Vergeten Meesters” staan de initialen van de auteurs vermeld en de namen worden netjes verklaard in de lijst van afkortingen (p.116).  Dat is de verdienste van de nieuwe directeur Till-Holger Borchert die beseft dat men de vorser in zijn waarde moet laten.  In het mooie boek “Colard Mansion” (3) worden de auteurs onder elke notitie met de volledige naam vermeld: in typografisch rood.  Het mag terecht wat opvallen.  In de noten gebruikt men weliswaar afkortingen maar men blijft niet in de mist hangen want de bibliografie die het boek afsluit is compleet.

Het Engels is een wereldtaal

In 1999, het Keizer Karel-jaar, verscheen bij het Mercatorfonds een boek van 520 blz. in een Nederlandse, Franse en Engelse versie.  In 2000 volgde een Duitse en Spaanse vertaling.  Toen was dat nog heel gewoon.  Bij de Stedelijke Musea van Brugge (lees: het Stadsbestuur) was het altijd de gewoonte dat er bij een internationale tentoonstelling een catalogus verscheen in het Nederlands en in het Frans.  Daar kon ook nog een Engelstalige versie bij komen indien dit opportuun werd geacht.  De Colard Mansion-tentoonstelling vond plaats in het Groeningemuseum maar het boek verscheen exclusief in het Engels.  Alles verandert en wij veranderen mee.  Er waren geen betogingen in Brugge en ook elders niet.  Maar we vinden dat men toch wel een Nederlandstalige spin-off had kunnen voorzien voor een breder publiek.

Roberto Martinez is een Spaanse voetbalcoach die in 2016 door de unitaire voetbalbond, de Koninklijke Belgische Voetbalbond (KBVB) werd aangesteld als bondscoach van België.  We zagen hem voldoende in actie tijdens het WK voetbal in 2018.  Hij communiceert in de media niet in het Nederlands of in het Frans maar in het Engels.  De website van de KBVB is in het Nederlands, Frans, Engels en Duits.  In die volgorde, terwijl het Duits wettelijk de derde bestuurstaal is van België.  De bondscoach Gérard Linard spreekt enkel Frans.  This must be Belgium.  De taalwetten gelden voor de openbare besturen en niet voor privéondernemingen zoals de KBVB.  We gaan dat dan ook niet verder uitdiepen (4), het gaat hier op de eerste plaats om een boekrecensie.  En dan nog enkel over de incomplete bibliografie.  Maar de uitspraak van Jozef Deleu uit 1987 wordt weer eens bewaarheid: “Wij leven in het Vlaanderen van de twee snelheden: de technologisch-economische, die de grootste aandacht krijgt, en de sociaal-culturele, die zich tevreden moet stellen met de kruimels van de tafel.  Het mythische Vlaanderen van de flaminganten wordt ingeruild voor het cynische Vlaanderen der commerçanten” (5).  Ook daar speelt het Engels een rol als taal van de digitale ontwikkelingen en globalisering.  En dat valt niet meer te stoppen.

Het standaardwerk over de geschiedenis van Brugge van A. Duclos, Bruges:Histoire et Souvenirs verscheen in 1910 in het Frans.  Dan was het vele jaren wachten op het boek in het Nederlands van J.A. Van Houtte, De geschiedenis van Brugge (Tielt,1982).  En anno 2018 is het gedaan met het Nederlands.  Onlangs verscheen voor de prijs van 130 euro “Medieval Bruges, c.850-1550” van Andrew Brown en Jan Dumolyn (6).  Het werd uitgegeven door Cambridge University Press dus is het maar normaal dat dit in het Engels verscheen.  Het is goed voor de wereldwijde positionering van Brugge en dat geldt al evenzeer voor het boek over Colard Mansion.  Aangezien er nog geen Nederlandstalige spin-off verkrijgbaar is, betreft het ook hier weer een boek voor specialisten en blijft de geïnteresseerde Bruggeling die belangstelling heeft voor de geschiedenis van zijn stad op zijn honger zitten.  Maar bibliografisch, het uitgangspunt van onze beschouwingen, valt er enkel lof te rapen.  In de voetnoten gebruikt iedere auteur een volledige bibliografische verwijzing die nog eens wordt hernomen in de “Select Bibliography” achterin in het boek (p. 502-527).  Ook de index op p. 529-549 vergemakkelijkt het gebruik.  Had men maar hetzelfde gedaan in de “Vergeten Meesters”. Maar elk nadeel heeft zijn voordeel.  Anders waren we er niet toe gekomen om dit overzicht te maken.

Willy Dezutter

  1. Anne van Oosterwijk (red.), Vergeten Meesters. Pieter Pourbus en de Brugse schilderkunst van 1525 tot 1625. Uitgeverij Snoeck, Gent, 2017, 347 p.  Dit boek vormde de catalogus van de gelijknamige tentoonstelling in het Groeningemuseum van Brugge van 13 oktober 2017 tot 21 januari 2018. Deze tentoonstelling werd beperkter hernomen onder de titel “Pieter Pourbus meester-schilder uit Gouda” van 17 feburari tot/met 17 juni 2018 in het Museum Gouda.  Het is tegenwoordig de gewoonte om in een boek, om commerciële redenen, enkel goed verstopt te verwijzen naar de tentoonstelling.  Eigenlijk is een kunsttentoonstelling nog enkel het experimenteerterrein voor een boek.  De kunstwerken zijn de proefkonijnen die op allerlei mogelijke manieren technisch worden doorgelicht (radiografie, infraroodfotografie, e.d.)
  2. Till-Holger Borchert, De eeuw van Van Eyck 1430-1530. De Vlaamse Primitieven en het Zuiden. Ludion, 2002, 280 p.
  3. Evelien Hauwaerts, Evelien de Wilde en Ludo Vandamme (eds.), Colard Mansion. Incunabula, Prints and Manuscripts in Medieval Bruges. (Musea Brugge en Openbare Bibliotheek Brugge, Uitgeverij Snoeck), 2018, 253 p.  Prijs: 39 euro.  Het is zijn prijs dubbel en dik waard.
  4. We verwijzen daarvoor naar de website van de Vlaamse overheid. De “taalwet bestuurszaken” uit 1966.
  5. Jozef Deleu, De pleinvrees der kanunniken.  Uitgeverij Kritak, Leuven, 1987.
  6. Andrew Brown en Jan Dumolyn (eds.), Medieval Bruges c.850-1550. Cambridge University Press, 2018, 549 p.  En dan gaat dit alleen nog maar over de Middeleeuwen.  Er kan, voordat de 21ste eeuw verstrijkt, nog gewerkt worden aan een boek over Brugge in de 16deeeuw, de 17de, 18de, 19deen 20ste.  Zes afzonderlijke boeken over de geschiedenis van Brugge !

Een onterechte wapenhandelaar

De bouwheer van het kasteel “Veltem” in Sint-Kruis was de reder, handelaar en grootgrondbezitter François-Xavier Bertram (1766-1826), beter bekend als Bertram-Boudeloot, afkomstig uit Nieuwpoort .  Hij bouwde begin 19de eeuw een mooi kasteel in Empirestijl (1) dat helaas in 1968 werd afgebroken om in 1970 plaats te maken voor Interbad.  Bertram was rijk geworden omdat hij als reder beschikte over een grote vissersvloot en in de Franse tijd licenties kreeg om over zee internationaal handel te drijven.

Hij werd ook ingewijd bij de Brugse loge “La Réunion des Amis du Nord” waar hij in 1813 Achtbare Meester was.  In 1825 betaalde hij nog zijn lidmaatschapsbijdrage.  In 1826 werd hij kerkelijk begraven op Sint-Kruis en een memorieplaat aan de zuidkant van de Kruisverheffingskerk herinnert daaraan.  We zullen hier zijn biografie niet schrijven – een goede aanzet is alvast gegeven in een recente publicatie van Marc Carlier (2) – maar enkel wijzen op de manier hoe hij afgeschilderd werd als een wapenhandelaar.

In 1990 verscheen er een artikel over de geschiedenis van Veltem waar de auteur M. Verbeke (3) François Bertram omtoverde tot een wapenhandelaar.  Het Franse woord “armateur” werd verkeerd vertaald en zo werd een reder een wapenhandelaar.  Die verkeerde vertaling werd door Otmar Delanote (4) overgenomen en zo verscheen onze wapenhandelaar op internet waar hij nooit meer zal verdwijnen.  Het onheil was geschied en vond ook zijn weg naar een wijd verspreide publicatie van de Stad Brugge uit 2011 (5).  Aan het beroep van wapenhandelaar kleeft nogal vlug de connotatie van illegale wapenhandel dus doen we er alles aan om dat bij Bertram weg te nemen. Zeker wanneer men zijn fortuin daar zou willen aan toeschrijven. Maar anderzijds was hij natuurlijk door een moderne bril bekeken ook niet brandschoon. Hij was opkoper van verbeurdverklaarde kerkelijke goederen (het zogenaamde “zwart goed”) en als Fransgezinde handelaar zou men hem nu een economische collaborateur noemen.

Onjuiste feiten die de geschiedenis hebben vervalst, zijn van alle tijden.  Ook nu spreekt men weer veel over “fake news”. We zwijgen dan nog over de Griekse vertaling van de Hebreeuwse bijbel waar men van een “jong meisje” een maagd maakt.  We weten allemaal wel wie uit die maagd geboren werd.

Willy Dezutter

1 Een foto in R. Duyck, Sint-Kruis.  Geschiedenis van de Brugse rand. Brugge, 1987.

2 Marc Carlier, De laatste Brugse rederijkers.  Brugge, 2017, p. 170-171.

3 Martin Verbeke, Bijdrage tot de geschiedenis van Veltem, in: Arsbroek, Kring Hervé Stalpaert, jaarboek 7, 1990, p. 11.

4 Otmar Delanote, De geheimen van Sint-Kruis ontsluierd via de oude buurtwegen.  Koninklijke Gidsenbond van Brugge, 2006, p. 57 en online users.skynet.be/fc 140012/pdf

5 Brigitte Beernaert en Patrick Cardinael, Brugge natuurlijk… Natuurgebieden, bossen en parken in de Brugse rand.  Stad Brugge, 2011, p. 87 bij bespreking Veltem.

 

Een onrustwekkende verdwijning (Brugge, 1829)

In “Den Landmansvriend” van 27 november 1829 (een Gents blad dat tweemaal per week verscheen op dinsdag en vrijdag), meldde men dat Joachim Antonio de Monteiro (1), een Portugese banneling, uit Brugge verdween.  Hij logeerde bij P. Verhelst, bakker in de Braembergstraat 20.  Hij verliet ’s morgens om 10 uur zijn logement om naar eigen zeggen een wandeling te maken, maar hij keerde niet meer terug.  De politie verspreidde zijn signalement: lengte 5 voet en 4 duim, tamelijk vol aangezicht, zwart haar, grote bakkebaarden, gewone mond en tandeloos, gekleed met blauwe jas met zwarte fluwelen kraag, zwarte vest, grijze broek, laarzen, ronde hoed, zwarte sjaal, wollen handschoenen.  Hij had een wandelstok in olmenhout.  Een tandeloze mond bij jonge mensen werd in die tijd nog als een “gewone mond” opgevat.  Veel Portugezen arriveerden in 1829 in Brugge en Oostende omdat zij zich keerden tegen koning don Miguel (1802-1866), een conservatief en reactionair vorst die Portugal regeerde van 1828 tot 1834. Een burgeroorlog leidde tot zijn afzetting. Wij schreven hier reeds over de casus van de Portugese banneling Guido de Bandella (2) maar algemeen verwijzen we naar de studie van L. Vandersteene (3).  Wij weten niet of ze onze Joachim nog hebben teruggevonden en wat er met hem gebeurde maar in “Den Landmansvriend” van 11 december 1829 waren ze in ieder geval niet mals voor koning Miguel die ze “dezen verachtelyken dwingeland” noemden.

Willy Dezutter

1 De originele schrijfwijze zal wel Joaquim António de Monteiro geweest zijn.  Dit bericht werd ongetwijfeld overgenomen uit een Brugse krant maar daar wordt niet naar verwezen.  Den Landmansvriend was van liberaal-orangistische strekking.

2 W. Dezutter, De Portugese banneling Guido de Bandella (1796-1873), in: Biekorf,116 (2016), 4, p. 480-486.

3 L. Vandersteene, “Met gemengde gevoelens: de houding tegenover politieke vluchtelingen vóór, tijdens en vlak na de Belgische revolutie: Portugese vluchtelingen in Brugge 1829-1834”, in: J. Art & L. François, Docendo discimus: Liber Amicorum Romain Van Eenoo. Gent, 1999, deel II, p. 829-852.

Charles of Karel ?

Op 27 april 1555 werd de Spaanse koopman Lopez de la Corona bijgezet in de kloosterkerk van de Paters Augustijnen in Brugge.  L. Gilliodts-Van Severen (1827-1915), sinds 1868 stadsarchivaris van Brugge, vond het nodig om die naam te vertalen als Loupes de la Couronne (1).  Gilliodts had de onhebbelijke gewoonte om vreemde familienamen in het Frans te vertalen op het potsierlijke af.  Benieuwd wat de historicus Bart Le Tisserand uit Antwerpen daar zou van vinden mocht dat ook nu nog gebeuren.

Sedert 11 oktober 2014 is Karel Michel (° 1975) de premier van ons land en de Vlaming Jan Jambon (!) is zijn minister van Binnenlandse Zaken.  Albert Schouteet (1909-1991), die ook stadsarchivaris werd in Brugge, schreef over de rechtsgeleerden in Brugge in de 18de eeuw (2) en heeft het daarbij over stadsprocureur Karel Donny, jonkheer Karel de l’Espée, basselier in de rechten, en over Karel Verhulst, advocaat bij de Raad van Vlaanderen.  Uit de bijlage die hij zelf afdrukt, blijkt overduidelijk dat die Karels zichzelf alle drie Charles noemden.  Het vertalen van die voornaam, om welke reden ook, is verwarrend voor het historisch onderzoek en ook totaal inefficiënt.

Een particulier mag zichzelf Andries noemen ook al kwam hij ter wereld als André, idem voor Renaat die oorspronkelijk René heet.  Er is ook een verschil tussen de echte naam en de roepnaam (bijv. Henri= Rik).  Het is ook niet verboden om een pseudoniem aan te nemen, zoals dikwijls gebruikelijk in letterkundige kringen.  Bij historisch onderzoek dient men zich aan de naam te houden zoals vermeld in de doopregisters of in de akten van de Burgerlijke Stand of zoals ze in de bronnen voorkomen.  Men kan altijd nog de roepnaam vermelden.  Maar men houdt zich zeker aan de naam zoals die door de persoon zelf werd gebruikt.  De Franse president Charles de Gaulle (1890-1970) is en blijft Charles de Gaulle, tot in alle uithoeken van de wereld, en daar een Karel de Gaulle van maken in een Nederlandstalige publicatie zou alleen de lachlust opwekken.  Niettemin bestaat er een stadslegende die zegt dat de familie De Gaulle uit Vlaanderen komt; dus leve Karel Van de Walle!  Of gaan we van de Brugse kunstschilder, publicist en verzamelaar Guillaume Michiels (1909-1997) in de lexica een Willem Michiels maken ? Uiteraard blijft het wel Keizer Karel V (1500-1558) die in de andere talen zijn equivalent heeft: Charles Quint (Frans), Carolus (Latijn), Carlo (Italiaans), Carlos (Spaans), Karl (Duits) en Emperor Charles V in het Engels. De gelatiniseerde namen hebben natuurlijk ook verworven rechten: Kilianus (Cornelis van Kiel), Andreas Vesalius (Andries van Wesel), Nicolaus Copernicus (Nikolaus Koppernigk), Petrus Dathenus (Pieter Daets), Justus Lipsius (Joost Lips), Gerardus Mercator (Gheert de Cremer), enz.  We vinden het chique om er nog één aan toe te voegen: Sutorius (van sutor (Latijn)= de Sutter(e), de Zutter(e) of schoenmaker).  Nu hoor ik de onvolprezen dr.fil. Frans Debrabandere al denken: Sutor, ne ultra crepidam !  of schoenmaker blijf bij je leest.  Sutorius Brugensis klinkt ook niet slecht en Sutorius Rodanensis (Aardenburg) ligt me eveneens nauw aan het hart.

Ongevraagde naamsverandering

Mijn grootvader Bernardus Leonardus de Zutter werd in 1864 geboren in Middelburg (Oost-Vlaanderen, België, nu gemeente Maldegem) en huwde aldaar op 18 januari 1893 met Euphrasia Rabout (Middelburg (B) 1871 – Sluis 1940).  Zij vestigden zich datzelfde jaar in het net over de grens gelegen Sluis-Heille.  Daarmee was de stap naar Nederland gezet waar mijn grootvader in 1952 zal overlijden in het ziekenhuis in Oostburg.  Veel Zeeuws-Vlamingen werden geboren waar ze wilden (thuisbevalling), was dat nu Aardenburg, Breskens, Sluis of Cadzand, maar de kans was groot dat ze overleden in het toenmalige streekziekenhuis van Oostburg.  Mijn vader werd in 1913 geboren in Sluis-Heille als Achiel de Zutter maar zal in 1998 overlijden in Oostburg als Achiel Dezutter.  Op 20 mei 1943 was hij gehuwd met mijn moeder Anna Musson (Aardenburg 1917 – Aardenburg 1998).  Hij heette toen nog altijd Achiel de Zutter.  Mijn moeder had de Nederlandse nationaliteit maar omdat ze  huwde met een Belg kreeg zij zelf ook de Belgische nationaliteit !  Toen mijn broer Bernard (roepnaam Bennie) geboren werd in 1944 (overleden in 2010), heette hij uiteraard Bernardus de Zutter.  Daarin kwam verandering toen ik geboren werd in Sluis-Heille op 23 maart 1946: Willy Dezutter.  Na W.O. II namen de ambtenaren van de burgerlijke stand in Zeeuws-Vlaanderen de Belgische gewoonte over om het tussenvoegsel de en van op te nemen als onderdeel van de achternaam.  Dat gebeurde niet in andere delen van Nederland.  Mijn vader had de Belgische nationaliteit, mijn moeder de Nederlandse.  Zelf behield ik de Belgische nationaliteit maar kreeg de Nederlandse er bij door een wettelijke bepaling die stelde dat de derde generatie Belgen die op Nederlands grondgebied verbleven automatisch het Nederlanderschap verwierven en het ook konden behouden.  Dit verklaart waarom ik de dubbele nationaliteit bezit.  Voor het vervullen van de legerdienst werd men voor de keuze gesteld: Nederland of België.  Mijn broer deed zijn legerdienst in Nederland, ik zelf in België.  Vanaf dan was het helder: ik studeerde aan de Universiteit Gent, werd in 1973 conservator in Brugge en mijn zoon Jan (° Brugge 1975) is Belg zonder meer.  De betovergrootvader van mijn grootvader Bernardus de Zutter was Bernardus de Suttere (° Adegem (B) 1756) en diens vader Joannes de Suttere kwam uit Gent.  In 1966 stond ik zelf in Gent en zou er zeven jaar blijven wonen, eerst als student aan de R.U.G. en daarop aansluitend mijn eerste museumfunctie in Gent.  Hiermee was de cirkel rond.  In 1951 verhuisden mijn ouders naar Aardenburg (NL) en vanaf dan tot 1970 was ik ook ingezetene van die gemeente.  Die ongevraagde naamsverandering in 1946 heeft bij mij geen gezondheidsschade veroorzaakt.  Wel krijg ik nog altijd de vraag: aan elkaar of van elkaar ?  Dat is niet zo verbazingwekkend.  Een broer van mijn vader werd Julien De Zutter (1910-1975) en niet Dezutter.  Er was dus ook veel ondoordachte willekeur.  Wie vroeger in België van voornaam wilde veranderen moest daarvoor een lange weg afleggen via de FOD Justitie.  Sinds eind december 2017 kan dat in één dag geregeld zijn aan het gemeenteloket.  Dat kost 490 euro en voor transgenders 49 euro. Het wijzigen van de familienaam kan men niet zomaar verkrijgen aan het loket.  Om van Dezutter weer “de Zutter” te maken dient men een hele procedure te volgen en kost 740 euro.  Er vallen een resem redenen te bedenken om dat niet te doen en dat staat los van de kostprijs.  De koning kan ook nog een korting toestaan!  Zowel het veranderen van een voornaam als familienaam dient altijd gemotiveerd te worden.  In 1946 gebeurde de wijziging ongevraagd en volledig gratis op het gemeentehuis van Sluis.  En er was een onmiskenbaar voordeel: ik hoefde nooit lang in de rij te staan want alfabetisch stond ik gerangschikt onder de letter D en niet Z.  Maar dat was slechts schijn want het aantal familienamen dat met een D werd geschreven was plots spectaculair toegenomen omdat men dat trucje met iedereen had uitgehaald.

Willy Dezutter

1 L. Gilliodts-Van Severen, Inventaire diplomatique des archives de l’ancienne Ecole Bogarde à Bruges. Brugge, 1899, deel I, p.508-511.

2 A. Schouteet, De Sabbatine. Een Brugse vereniging van rechtsgeleerden in de 18de eeuw, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, CXVIII, 1981,1-2, p. 99-111.

Epicurus over god en het kwaad

Centraal in de filosofie van de Griekse wijsgeer Epicurus (ca. 341-270 v.o.t. = voor onze tijdrekening) staat het persoonlijk geluk dat men kan bereiken door zoveel mogelijk pijn en verdriet te vermijden.

Hij bezwoer ook de angst voor de dood: “Heb geen angst voor de dood, want zolang wij er zijn is de dood er niet en als de dood er is, zijn wij er niet meer”.  Hij heeft de mensen ook bevrijd van bijgeloof en vrees voor de goden.  De waarneming is volgens Epicurus de enige bron van kennis.  Natuurlijk beschouwden de kerkvaders (de leraren van de vroegchristelijke kerk) hem als een ketter.  Al 2300 jaar geleden ontwikkelde hij een filosofie die inging tegen de religie en mystiek.  Veel van zijn geschriften zijn verloren gegaan en andere, dikwijls slechts fragmenten, werden overgeleverd door latere schrijvers uit de oudheid.  Dat is niet zo uitzonderlijk want zoals iedereen weet, kennen we het werk van Socrates (toch de stichter van de westerse filosofie) voornamelijk via Plato.  Of denk aan de weinig bekende filosoof Celsus die rond 178 o.t. het “Ware woord” schreef, een kritisch boek over het christelijk geloof.  Dit boek bleef niet bewaard maar we kennen de hoofdlijnen omdat Origines het bestreed in zijn “Contra Celsum” uit 248.  Eén van die fragmenten van Epicurus handelt over zijn bekende stelling waar hedendaagse theologen nog altijd mee worstelen en dat terug te vinden is in de “De ira Dei” (“De toorn Gods”) van de vroegchristelijke schrijver Lactantius (ca. 250-320 o. t. = onze tijd).  Het luidt als volgt:

“Ofwel wil God het lijden wegnemen en kan Hij het niet.  Ofwel kan Hij het en wil Hij het niet wegnemen.  Ofwel wil Hij het niet en kan Hij het niet.  Ofwel wil Hij het en kan Hij het.  Indien Hij het wil en niet kan, is Hij onmachtig, wat niet overeenkomt met God.  Indien Hij het kan en niet wil, is Hij ongenadig, iets dat aan God evenzeer vreemd moet zijn.  Indien Hij het niet wil en niet kan is Hij zowel ongenadig als onmachtig en derhalve ook geen God.  Indien Hij wil en kan – en dat is het enige wat God past – vanwaar komt dan het kwaad en waarom neemt God het niet weg ?” (1)

Ter vergelijking geven wij hier ook de vertaling van prof. E. Vermeersch en voor alle duidelijkheid ook de weergave van de oorspronkelijke tekst zoals te vinden bij Lactantius.  E. Vermeersch tekent daarbij aan: “Dat is een volstrekt logische redenering waar je geen speld kan tussen krijgen” (Dirk Verhofstadt, op.cit. p. 85).

“Ofwel wil God het kwade uit de wereld wegnemen, maar kan hij het niet; ofwel kan hij het, maar wil hij het niet.  Ofwel wil hij het niet en kan hij het niet; ofwel wil en kan hij het. Indien hij het wil en niet kan , is hij onmachtig. Indien hij het kan en niet wil, heeft hij ons niet lief.  Indien hij het wil noch kan, is hij noch goed noch almachtig.  Indien hij het wil en kan – en dat is het enige dat God past -, vanwaar komt dan het feitelijk kwaad en waarom neemt hij het niet weg ?” (2)

“Deus, inquit, aut vult tollere mala et non potest, aut potest et non vult, aut neque vult neque potest, aut et vult et potest.  Si vult et non potest, inbecillus est, quod in deum non cadit; si potest et non vult, invidus, quod aeque alienum est a deo; si neque vult neque potest, et invidus et inbecillus est ideoque nec deus; si et vult et potest, quod solum deo convenit, unde ergo sunt mala aut cur illa non tollit ?”

Dit deductief argumentatieschema rekent men tot de formele logica en heet een “modus tollens”, het ontkennen door de ontkenning (3).  Men noemt het ook wel een “tetralemma”.  Prof. Victor J. Stenger geeft in zijn boek een groot aantal van dergelijke tegenbewijzen (4).  Volgens de Duitse klassieke filoloog prof. Reinhold F. Glei (Universiteit Bochum) is dat fragment niet van Epicurus maar komt het uit een andere academische bron (5) maar dat zegt natuurlijk niets over de geldigheid van de argumenten.  Het werk van Lactantius werd door Jacques-Paul Migne opgenomen in de Patrologia Latina (PL 7, 121) en de originele tekst is digitaal beschikbaar (6).  Lucretius, de Romeinse dichter uit de 1ste eeuw v.o.t. heeft in zijn “De Rerum Natura” de hele leer van Epicurus in dichtvorm uiteengezet.  Later heeft men gepoogd om Epicurus in een kwaad daglicht te stellen door het te laten voorkomen alsof alles draait rond het streven naar zinnelijk genot.  In feite streefde hij en zijn aanhangers naar een optimale gelukstoestand gespreid over een lange tijd: zoveel mogelijk genieten van het leven maar zonder overdaad te doen.  Het gaat niet over het maximaliseren van hedonisme maar het bereiken van gemoedsrust en onverstoorbaarheid (de “ataraxia”).  Nu zou hij tegen de ratrace zijn in onze maatschappij en aandacht hebben voor milieuproblemen.  In zijn tijd bestonden er nog geen auto’s en dus heeft hij het ook niet over de CO2-uitstoot.  Wij moeten hem dus interpreteren, iets dat we ook met de Bijbel moeten doen waarin ook niks te vinden is over kernenergie.  De hedendaagse theologen en (christelijke) filosofen hebben er niets beter op gevonden dan het godsbegrip te verruimen om zo te ontsnappen aan het dilemma van een almachtige, alwetende en moreel perfecte god.  De theïsten moeten dan ook steeds maar nieuwe strategieën bedenken.  Maar zelfs wanneer men het kwaad overlaat aan “de vrije wil” van de mens ontslaat dat god (die niet bestaat) daarmee nog niet van zijn goddelijke verantwoordelijkheid.  Voor het duiden van het persoonlijke kwaad zitten ze steeds in het defensief, maar voor het natuurlijk kwaad (bijv. een aardbeving) heeft men de oplossing gevonden: dat is het werk van Satan! (7)

Willy Dezutter

Deze bijdrage over Epicurus is een addendum bij ons artikel “God en de Holocaust” op deze blog.

1 Vertaling prof. dr. Palmyre Oomen, Radboud Universiteit Nijmegen. Palmyre M.F. Oomen, Lijden als vraag naar God.  Een bijdrage vanuit Whitehead’s filosofie, in: Tijdschrift voor Theologie 34 (1994), p. 248.  Oomen vertaalt “mala” de eerste keer als lijden en de tweede keer als kwaad.  Het is juister om “mala” (zelfst. nw. kwaad = malus) te vertalen als kwaad zoals E. Vermeersch doet.  Zie voor de Duitse vertalingen onze Bijlage over het “Dilemma Epicureum” waar het kwaad of het kwade iedere keer als “Übel” wordt vertaald.  In de Engelse vertalingen gebruikt men consequent twee maal het woord “evil”, idem in de Franse vertalingen “le mal” of “des maux”.

2 Dirk Verhofstadt, In gesprek met Etienne Vermeersch. Een zoektocht naar waarheid. Houtekiet, Antwerpen – Utrecht, 2011, p. 85.

3 Stanford Encyclopedia of Philosophy (editie 2015): Ancient Logic: The Stoics o.a. Epicurus.

4 Victor J. Stenger, God een onhoudbare hypothese. Ned. vert. Uitgeverij Veen, Diemen, 2008, p. 33-36 en met verwijzing naar M. Martin en R. Monnier (red.), The Impossibility of God. Amherst, New York, 2003, p. 59 voor het probleem van het kwaad. (zie hieronder)

  1. Als God bestaat, dan zijn de eigenschappen van God niet in tegenspraak met het bestaan van het kwaad.
  2. De eigenschappen van God zijn in tegenspraak met het bestaan van het kwaad.
  3. Daarom bestaat God niet en kan ook niet bestaan.

5 Reinhold Glei, Et invidus et inbecillus. Das angebliche Epikurfragment bei Laktanz, De ira Dei 13, 20-21, in: Vigiliae Christianae 42 (1988), 1, pp. 47-58.  Dit tijdschrift is “A Review of Early Christian Life and Language” uitgegeven door E.J. Brill, Leiden.

6 www.documentacatholicaomnia.eu /02m/0240-0320­,_Lactantius_De_Ira_Dei_MTL.pdf

7 Een goed verzamelwerk is M.M. Adams & R.M. Adams (red.) The Problem of Evil, Oxford University Press, Oxford, 1990 o.m. William Rowe, The Problem of Evil and Some Varieties of Atheism, pp. 126-137.

Bijlage

Hieronder volgt de Duitse vertaling van Prof. Reinhold Glei (p. 46 a.w. zie voetnoot 5).

“Entweder, so sagt er, will Gott die Übel aufheben, kann er aber nicht, oder er kann es zwar, will aber nicht, oder kann nicht und will auch nicht, oder will es und kann es.  Wenn er will und nicht kann, is er schwach, was Gott nicht zutrifft; wenn er kann und nicht will ist er miszgünstig, was mit Gott ebenso unvereinbar ist; wenn er weder will noch kann, ist er miszgünstig und schwach zugleich und daher kein Gott; wenn er aber will und kann, was allein Gott zukommt, woher kommen dan die Übel, oder warum hebt er sie nicht auf ?”

Ter vergelijking geven wij hier de Duitse vertaling van hetzelfde “argumentum Epicuri” uit de gepubliceerde dissertatie van Jan Baucke-Ruegg (Die Allmacht Gottes,1998, p. 39) (1).

“Entweder will Gott die Übel beseitigen und kann es nicht, oder er kann es und will es nicht, oder er kann es nicht und will es nicht, oder er kann es und will es.  Wenn er nun will und nicht kann, so ist er schwach , was auf Gott nicht zutrifft. Wenn er kann und nicht will , dann ist er miszgünstig, was ebenfalls Gott fremd ist.  Wenn er nicht will und nicht kann, dann ist er sowohl miszgünstig wie auch schwach und dann auch nicht Gott.  Wenn er aber will und kann, was allein sich für Gott ziemt, woher kommen dann die Übel und warum nimmt er sie nicht weg ?”

Bauke-Ruegg verwijst niet naar R. Glei en gaat er van uit dat het een tekst is van Epicurus zoals aangegeven door Lactantius.  Ook in de internationale literatuur houdt men vast aan Epicurus omdat het zo bekend staat.

We zullen hier niet grondiger ingaan op die Duitse vertalingen want dan dienen we ook Engelstalige en Franstalige equivalenten erbij te betrekken en wordt het een filologische studie.  Tot slot merken we op dat ook alle vertalingen van de Bijbel van elkaar verschillen.  De Rooms-Katholieke Kerk zag zeer lang de vertaling het liefst teruggaan op de Vulgaat (de vertaling in het Latijn door Hiëronymus, datering tussen 390 en 405 o. t.). In 1975 verscheen dan de Willibrordvertaling waar de godsnaam “Jahwe” werd vervangen door “Heer”.  Het boek Psalmen werd vertaald door de dichteres en classica Ida Gerhardt en haar partner de letterkundige Marie van der Zeyde.  De tweede, geheel herziene versie verscheen in 1995.  Daarin werd het vrouwonvriendelijk taalgebruik geweerd !   De gereformeerd-protestanten houden streng vast aan de Statenvertaling (Synode van Dordrecht 1618) hoewel er sinds 2014 ook een vertaling bestaat in “gewoon” Nederlands.  Die laatste van het Nederlands Bijbelgenootschap is echter minder plechtstatig en dan denken sommigen algauw dat god zelf niet aan het woord is (2).

Willy Dezutter

  • Jan Baucke – Ruegg, Die Allmacht Gottes. Systematisch-theologische Erwägungen zwischen Metaphysik, Postmoderne und Poesie. Uitgegeven door Walter de Gruyter, Berlin – New York, 1998, p. 39.
  • We vonden nog een leuk tetralemma, weliswaar niet van Epicurus en niet van dezelfde draagwijdte, maar gezien de weersomstandigheden bij ons valt het bijna dagelijks uit te testen:

Als het regent , word ik nat.

Ik word niet nat.

Dus: het regent niet.

Voor het deductief redeneren en de geldigheid van syllogismen, zie : Marc Brysbaert, Psychologie. Academia Press, Gent, 2006, pp. 364-369.