Tagarchief: kerkfabriek

De maandwedde van meneer pastoor

De katholieke kerk in België publiceerde (2018) voor het eerst een volledig overzicht van haar activiteiten.  De cijfers hebben voornamelijk betrekking op 2016 (1).  Alle kranten hebben daarover bericht.  Een 52,76 procent van de inwoners noemt zich nog katholiek en 9,42 procent noemt zich nog praktiserend katholiek.

Een opvallend cijfer betrof de wedde van de parochiepriesters.  Dat zou 1549 euro netto per maand bedragen.  We hebben nooit de behoefte gevoeld om de wedde van meneer pastoor uit te rekenen maar voordat we tranen in onze ogen krijgen zouden we toch enige duiding willen geven.  Wat men er in de krant niet bij vertelt, is dat het hier om een gemiddelde gaat.  Zelf zijn ze daar in hun rapport op p. 32-33 al veel eerlijker over.  Indien een “bedienaar van de eredienst” verantwoordelijk is voor meer dan één parochie wordt de wedde verhoogd tot een maximum van 150 %.  Dat is het geval voor 58 %.  Hun bruto jaarwedde bedraagt 32.995 euro ofwel 2.794 euro bruto per maand.  Aangezien iedereen altijd graag weet wat dat netto bedraagt: dat is een maandwedde van 1.855 euro.  Dat begint er al beter op te trekken, temeer omdat wij nooit een conservator of een archivaris hebben gekend die meer begon te verdienen toen hij er een museum of een archief bijkreeg.  Maar hier houdt de openheid van de katholieke kerk dan ook op.

Zo vergeten ze onder meer te vertellen dat de pastoor het genot heeft van een gratis woning (de pastorij) of een woonstvergoeding.  Die kosten worden ten laste genomen door de gemeentebesturen via de kerkfabrieken (Kerkenraad).  Dat gaat allemaal nog terug op een keizerlijk decreet uit 1809 !  Datzelfde decreet voorziet ook nog altijd in de bisschoppelijke residenties die ten laste vallen van de provinciebesturen.  Maar er is nog een punt dat men graag verzwijgt en dat is het casueel.  Dat omhelst alle inkomsten die men krijgt voor het opdragen van herdenkingsmissen, het deel van de collecten en offerblokken (denk aan de kaarsenverkoop in bedevaartkerken !), het geld dat men krijgt bij huwelijken en begrafenissen.  Er bestaan zelfs pastoors van pittoreske plattelandskerken die extra inkomsten genereren bij ongelovige bruiden en bruidegoms die toch in de kerk willen trouwen maar liever hebben dat het niet algemeen gezien wordt.  En dat allemaal om ouders en grootouders een plezier te doen (men kan onterfd worden !).  En dat gaat dan om forse zwarte bedragen (2).  Ook nog een weetje: op de wedde van de pastoor kan geen loonbeslag gelegd worden. En natuurlijk betaalt hij geen afdrachten voor het overlevingspensioen.  Door het verplichte celibaat ontspringt hij aan het solidariteitsprincipe van de sociale zekerheid.  We kunnen iedereen dus geruststellen: een gestroopt konijntje is nog altijd welkom op de pastorij maar echt noodzakelijk is het niet meer.  Want net als alle ambtenaren krijgt hij in mei of juni vakantiegeld en ontvangt hij het extralegaal voordeel van de eindejaarspremie (ook gekend als “de dertiende maand”).

Tot slot nog iets over het pensioen van de bisschop. De in ongenade gevallen bisschop van Brugge Roger Van Gheluwe streek wel nog altijd een vet pensioen op.  Omdat het over seksueel misbruik ging werd daar van verschillende zijden hard tegen geprotesteerd.  De Minister van Justitie (die moet zorgen voor de uitbetaling van de wedden) suste toen de goegemeente door te zeggen dat Roger Van Gheluwe als ambtenaar 75% van zijn wedde zou krijgen als pensioen.  Je kunt het geen leugen noemen maar eerder onkunde.  Een R.K. bisschop valt onder het preferentieel stelsel en dat betekent dat de pensioenuitkering gelijk staat aan de laatst verdiende wedde.  Om een volksopstand van de “gele hesjes” te voorkomen zullen we dat voor u niet uitrekenen.  Er werden in ieder geval nooit vragen over gesteld in de Kamer.  In de Pensioentoren weet men het precies en daar kent men ook het adres waarop het maandelijks gestort moet worden.

Willy Dezutter

1 www.kerknet.be voor de meest relevante cijfers. Het volledige rapport kan ook volledig gedownload worden.  Het is een mooie propagandabrochure van 87 p. met opvallend veel foto’s van jonge mensen.  Dat werd met opzet zo gedaan om de vitaliteit te benadrukken, maar in werkelijkheid gaat het natuurlijk vooral over grijze hoofden !

2 Het verhaal over de pastoor die zich liet betalen om de overleden hond op het R.K. kerkhof te mogen begraven hebben we al eerder gepubliceerd.  We gaan daar nu niet te veel meer de aandacht op vestigen. Hij was per slot een vriend van mij.

De verpachting van stoelen en banken in de kerk

Artikel 64 van het keizerlijk decreet op de kerkfabrieken van 30 december 1809 voorziet dat voor de stoelen en banken die door de kerkfabriek in de kerk worden opgesteld door de gebruikers een huurprijs moet betaald worden.

De artikels 64 t/m 67, die tot 2004 geldig waren, sommen we hier voor de duidelijkheid nog eens op.

Art. 64 “Het stoelgeld wordt, voor de verschillende diensten bepaald door een beraadslaging van het bureau; deze beslissing wordt in de kerk uitgehangen”.

Art. 65  “Het wordt uitdrukkelijk verboden, om het even welke reden, iets te ontvangen voor de toegang van de kerk, noch in de kerk iets meer te ontvangen dan het stoelgeld.  Meer nog, er worden in alle kerken een plaats voorzien van waarop de gelovigen die noch stoelen noch banken huren, gemakkelijk de goddelijke dienst kunnen bijwonen en de onderrichtingen aanhoren”.

Art. 66  “Het kerkmeestersbureau kan door de raad er toe gemachtigd worden de verhuring van de banken en de stoelen in eigen beheer te verrichten ofwel ze te verpachten”.

Art. 67  “Als de verhuring der stoelen verpacht wordt, heeft de aanbesteding plaats na drie aanplakkingen met telkens acht dagen tussenruimte; de aanbiedingen worden op het bureau der fabriek bij inschrijving ontvangen en in het bijzijn van de kerkmeesters wordt de aanbesteding aan de meestbiedende toegekend; dit alles wordt in het pachtceel vermeld en de beraadslaging waarbij het bedrag van het stoelgeld werd vastgelegd, wordt er bij gevoegd”.  (1)

De kerkfabriek kon zelf zorgen voor de inning van dat stoelgeld maar kon ook een stoeltjeszetter aanstellen.  In de 19de eeuw was dat dikwijls een stoeltjeszetster, een oudere vrouw (een ongehuwde alleenstaande, een weduwe) die dat combineerde met de job van poetsvrouw in de kerk. Indien het een man was, oefende hij dikwijls reeds het beroep uit van grafdelver.  Die aangestelde kreeg dan een vaste vergoeding of een deel van de opbrengst van de stoelgelden.  De kerkfabriek kon ook via een openbare aanbesteding overgaan tot verpachting.

P. Arnou, die de casus Zedelgem uit 1888 uitvoerig behandelde, geeft in bijlage het voorbeeld van het lastencohier met 17 artikelen waarin de voorwaarden worden opgesomd (2).  L.V.A[cker] gaf zijn indrukken weer over de verpachting in Ardooie (3).  Zo’n lastencohier werd standaard gebruikt door de kerkfabrieken en men mag er vanuit gaan dat men in elke Vlaamse parochie over dat onderwerp gegevens zal vinden.  We geven als voorbeeld Stalhille (4) en Oostende (5).  Dat was ook al algemeen voordat dit Franse decreet van kracht werd.  Dit is onder meer in 1727 het geval voor de kerkfabriek van de Sint-Jacobskerk in Brugge (6).

In Nederland bestond dit systeem van stoelenverhuur in de R.K. kerken maar ook in de 18de-20ste eeuw onafgebroken in de kerken van de Nederlandse Hervormde Gemeente.  In Nederland golden dezelfde pachtcondities als in België (Vlaanderen, Brussel, Wallonië).  De Napoleontische wetgeving uit 1809 is bijna twee eeuwen richtinggevend gebleven maar kwam natuurlijk niet uit de lucht vallen. In Frankrijk stemde het Franse parlement over alle kerkelijke aangelegenheden en al die decreten en ordonnanties werden steeds gedetailleerd gepubliceerd zoals “Le prix des chaises sera réglé pour les differens Offices et instructions de chaque tems de l’Année” uit 1749 (7).  Dat zijn bijna letterlijk dezelfde bewoordingen als art. 64 van het decreet van 1809, alleen de orthografie van het Frans is geëvolueerd: differens= différents, tems=temps.

Door de staatshervorming bestaat er nu een apart decreet in Brussel (ordonnantie), Wallonië en Vlaanderen (8). In Vlaanderen wordt alles geregeld door het decreet van 7 mei 2004 (9).  In Adegem (Oost-Vl.) ontving in 1845 stoelzetter Francies Martens twee centiemen per stoel.  Hierbij gaat het steeds om een jaarcontract.  De verpachtingsvoorwaarden werden in een reglement gegoten van 14 artikelen (10).  De verpachting in 1845 ging er door krachtens art. 66 van het decreet van 1809.  De pachters probeerden om zoveel mogelijk stoelgelden te innen maar heel wat parochianen probeerden daaraan te ontsnappen.  Daarom werd in Zedelgem het reglement aangepast want er waren er te veel die zich schuilhielden op het doksaal als zanger ! (11).  De zondagsplicht vervullen was een ernstige aangelegenheid en misverzuim was een doodzonde.  Maar voor een gezin met volwassen kinderen was het stoelgeld al een behoorlijke uitgave.

Zo werd in ieder van ons een kleine fraudeur geboren dat zich al vroeg uitte in het werpen van “slecht geld” in “de schale” tijdens de collecte en in het meegeven van afgesleten munten in de graven van overledenen (12).  De veerman van het schimmenrijk accepteerde kennelijk ook geld dat al lang uit omloop was. Men hoefde geen arme parochiaan te zijn om te besparen op het stoelgeld. De Brugse grootgrondbezitter Andries Van den Bogaerde (1726-1799) trok het stoelgeld dat hij betaalde voor zijn kinderen af van hun zakgeld (13).  Het stoelgeld bestaat nog steeds en wordt overeenkomstig de richtlijnen van het bisdom overgemaakt aan de kerkfabriek en dat dikwijls na het inhouden van een bedrag voor een goed doel.  Het stoelgeld in het bisdom Brugge bedraagt thans 20 eurocent.  De stoeltjeszetster als kleurrijke figuur kreeg veel aandacht in zowel de literatuur (Gerard Walschap) als de beeldende kunst (Jules De Bruycker) en werd bezongen door regionale historici zoals G.P. Baert (14) en de onvolprezen Magda Cafmeyer (15).  Ook lexicografisch bleef ze bestaan (16). Ze behoorde bij het “meubilair” van de kerk zoals de koster en hulpkoster, de roedrager, de suisse, de organist, de zangmeester, de grafdelver, pastoorsmeid en andere beoefenaren van kleine officies.  De stoeltjeszetster kon als het moest ook optreden als kerkwachter. Maar vooral was zij een onderdeel van de sociale economie.  Voor een weduwe was het naast toewijding eerst en vooral een aanvullend inkomen.

Willy Dezutter

1  Vertaling van het Décret impérial concernant les fabriques des églises. 30 dec. 1809. www.ejustice.just.fgov.be

2  P. Arnou, Stoelgeldverpachting te Zedelgem in 1888. In: Biekorf, 87 (1987), p. 397-405.

3  L.V.A[cker], Verpachting van kerkstoelen. In: Biekorf, 117 (2017), p. 114-115 en vraagwinkel Biekorf (2016-4).

4  M. Desmedt, Inventaris van de kerkfabriek en de parochie Stalhille. Rijksarchief, Brussel, 2002, p. 8 nr. 33. Verpachting van kerkstoelen 1895 in de Sint-Jan-de- Doperparochie.

5  Overeenkomst tussen de kerkfabriek van de Sint-Petrus en Pauluskerk (Oostende) en Justine Persoons, weduwe Gheselle, i.v.m. ontvangsten van stoelgeld en het onderhoud van de kerk (1891). Stadsarchief Oostende, www.oostende.be/archief.

6  W. Rombauts, Het oud archief van de kerkfabriek van Sint-Jacob te Brugge (XIIIde – XIXde eeuw), deel I, Rijksarchief Brussel, 1986, Inventaris nr. 191. Stoeltjeszetter, 1727.

7  Les Loix ecclésiastiques de France dans leur ordre naturel et une analyse des livres du droit canonique conféres avec les Usages de L’Eglise Gallicane. Nouvelle edition, revue, corrigée et augmentée par feu Louis de Hericourt, Avocat en Parlement. Paris, MDCC.LVI. (1756), p. 914, art. XXXV (1749) en Traité des Bénéfices ecclésiastiques, dans lequel on concilie la Discipline de l’ Eglise avec les Usages du Royaume de France. Par feu P. Gohard, tome sixième, Paris , MDCCLX.V (1765), p. 572 art. XXIII en XXIV Le prix des chaises.

8  We kunnen dit hier niet allemaal ontleden; Biekorf is niet het “Rechtskundig Weekblad”.  Het is wel belangrijk op te merken dat het nu toegelaten is om toegangsgeld te vragen voor culturele evenementen in de kerk.

9  Decreet betreffende de materiële organisatie van de erkende erediensten (7 mei 2004). Art. 51 De opbrengsten en ontvangsten van de kerkfabriek. https://codex.vlaanderen.be Het kerkmeestersbureau heet nu “De raad”; kerkfabriek is nu kerkbestuur en kerkraad. De hoofdterm kerkfabriek bleef wel behouden.

10  P. Van Cleemput, Openbare verpachting van kerkstoelen te Adegem. In: Ons Meetjesland, 8 (1975), 2, p. 49-51.

11  P. Arnou, op.cit. p. 401-402.

12  W.P. Dezutter, Dodenmunt, penningkeerse en absolutiebrief. In: Miscellanea Prof. em. dr. K.C. Peeters, Antwerpen, 1975, p.193-206, i.c. p. 199-200.

13  Andries Van den Abeele, Andries Van den Bogaerde (1726-1799): politiek, botanica en grootgrondbezit in Brugge en omgeving tijdens de 18de eeuw, in: Handelingen van het genootschap voor geschiedenis te Brugge, 2002, p. 80-124.

14  G.P. Baert, Stoelgeld en stoelzetterij, in: Biekorf, 66 (1965), p; 117-120.

15  D. Callewaert, Magda Cafmeyer. Een halve eeuw (1933-1983) Biekorfbijdragen, in: Biekorf, 101 (2001), p. 210-214.

16  I.M. Calisch en N.S. Calisch, Nieuw Woordenboek der Nederlandsche taal. Tiel, 1864, p. 1281 en Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal. Utrecht-Antwerpen, veertiende, herziene uitgave, 2005, p. 3409.

Deze bijdrage verscheen in het tijdschrift BIEKORF, West-Vlaams Archief voor geschiedenis, archeologie, taal-en volkskunde. 117 (2017).