Tagarchief: kerkhof

Hangjongeren op de kerkhoven van Brugge in 1785

Hangjongeren zijn jongeren die langdurig op een bepaalde plaats in de openbare ruimte blijven rondhangen en overlast veroorzaken.  In onze moderne tijd gaat het dan vooral over het achterlaten van rommel (kauwgom, peuken, kapotte flessen, enz., maar ook drugsnaalden) en besmeuren van muren en straatmeubilair.  Het wordt vooral de laatste decennia als een probleem gedefinieerd (1) maar dat was honderden jaren geleden ook al het geval.

In 1425 klaagden de inwoners van Leuven al over rondhangende studenten en in een ordonnantie uit 1659 in Antwerpen was men ook niet te spreken over groepjes jongeren die op zondag rondslenterden in plaats van braaf naar de zondagsschool te gaan (2).  In 1785 waren er in Brugge klachten over jongeren die op de kerkhoven gedruis verkochten en schreeuwden en geen eerbied betoonden voor het lijkentransport vanuit de lijkkapellen (zie bijlage).

De Zuidelijke Nederlanden zijn in het begin van de 18deeeuw in handen van Spanje, maar hierin komt verandering in 1713 met de Vrede van Utrecht die een einde maakte aan de Spaanse successieoorlog.  De Zuidelijke Nederlanden kwamen onder Oostenrijks bewind en dit zou zo blijven tot 1794. Keizer Karel VI (1685-1740) voorzag in de Pragmatieke Sanctie (1713) dat zijn oudste dochter, Maria Theresia van Oostenrijk, hem zou opvolgen maar pas bij de Vrede van Aken in 1748 werd dat door de Europese machten aanvaard.  Haar oudste zoon, keizer Jozef II (1741-1790), volgde haar op bij haar dood in 1780.  Hij was een verlicht monarch maar zijn moderniserende hervormingen veroorzaakten veel tegenstand.

In de Advertentie van 26 april 1785 wordt verwezen naar het Edict van 26 juni 1784 betreffende het verbod om nog in en rond de kerken te begraven.  De kerkhoven dienden uit de steden te verdwijnen en in Brugge werd op 1 november 1784 een nieuw Algemeen Kerkhof in gebruik genomen.  Hoe één en ander evolueerde werd al uitstekend behandeld door André Vandewalle (3).

Het kerkhof schijnt nu eenmaal al altijd een favoriete plek geweest te zijn voor allerlei activiteiten die men er niet zou verwachten.  Denken we maar aan de verboden op de prostitutie in Utrecht (1403) en Amsterdam (1413).  Ontelbaar zijn eigenlijk de Placaeten, gaande van de Middeleeuwen tot eind 18deeeuw, waarbij het verboden werd om allerlei volksspelen en kansspelen te beoefenen op de kerkhoven (4).  Ook moderne politiereglementen leggen nog altijd beperkingen op zoals in het geval van onze Vlaamse kustgemeente Middelkerke, waar art. 35 onder meer bepaalt dat het verboden is “handelingen te begaan die in strijd zijn met de welvoeglijkheid, te zingen of muziek te maken, te spelen en te roken” (5).

Op een voormalig kerkhof kan de rust ook verstoord worden door een plotse hype.  In de zomer van 2016 werd dat op verschillende plaatsen vastgesteld.  Op het oud kerkhof van Roeselare liepen de fervente Pokémon-Go-spelers met hun smartphones te jagen op die Japanse monstertjes (6).  Ook in 1785 in Brugge nam de overheid dus maatregelen.  En dat gebeurde door uitroeping en afficheren.  In Brugge gebeurde de mondelinge afkondiging van de Hallegeboden vanaf het balkon, het Gebodtsveynstere in die Halle, van het Belfort of Halle.  Vanaf 1769 gebeurde dat vanaf de pui van het stadhuis.  De oorspronkelijke Advertentie van 26 juni 1769 zegt dat in het toekomende de Publicatiën sullen gebeuren in den Balcon van de Vierschaere van het Stads-huys. Men zegt ook uitdrukkelijk dat die wijziging er kwam omdat de uitroeping vanaf de Halle dikwijls niet verstaanbaar was.

Het belang van de mondelinge bekendmaking

Vóór de Franse Tijd werden de algemene en plaatselijke verordeningen bekendgemaakt door openbare omroeping en door aanplakking.  Door P. De Win en F. Moens wordt ingegaan op de rechtshistorische betekenis van de orale bekendmakingen in het verleden (7).  Wij willen in dit verband een aanvulling geven door te wijzen op het algemeen verspreide analfabetisme, dat de mondelinge instructie levensnoodzakelijker maakte dan de schriftelijke communicatie.  Bij de burgerij (en Franstalige adel), de toplaag van de maatschappij, bestond er geen analfabetisme.  Albert Martens onderzocht voor de periode 1779-1796 de huwelijksakten van Hansbeke en uit zijn onderzoek bleek dat 72,7 % van de totale groep betrokken personen ongeletterd waren en de overige 27,3 % kunnen als min of meer geletterd aangezien worden (8).  Voor Brugge beschikken we over de volgende cijfers. In 1797-1815 was nog 28 % van de middenklasse van Brugge analfabeet, bij de geschoolde werklui 55 % en bij de ongeschoolde werklui 84 % (bron: H. Callewaert, Bijdrage tot de studie van het analfabetisme en het lager onderwijs te Brugge,  1963, onuitgegeven – geciteerd bij W. Vandenbussche (9), p. 144, grafiek 1).  In 1815-1830 was dit gezakt tot 18 %, 41 % en 75 %, voor de periode 1830-1840 was dit 13 %, 27 % en 59 %.

Mensen die niet konden lezen en schrijven waren zeer gebaat met een duidelijke mondelinge afkondiging, ook uitroeping genoemd.  En dan nog lijkt ons dit meer een juridische formaliteit dan een efficiënt middel.  Een beetje in de zin van “iedere Belg wordt geacht de wet te kennen”.  We moeten wel beseffen dat de reguliere afkondiging centraal staat om te vermijden dat men aan strafvervolging zou ontkomen door te beweren dat men een wet niet kent.  Het gaat op de eerste plaats om voorkomen van straffeloosheid.  Elk zegge het voort !

Bij de ordeverstoring op het kerkhof is er ook duidelijk sprake van jongens. Het is nu eenmaal een vaststaand feit dat vrouwen een geringer aandeel hebben in de criminaliteit dan mannen, dat is nu nog het geval maar was dit ook vroeger (10).  Er is ook een verband tussen laaggeletterdheid en criminaliteit.  In de achttiende eeuw was de geletterdheid van de misdadigers in het Brugse Vrije aanmerkelijk lager dan die van de doorsnee plattelandsbewoners (11).  In de Advertentie wordt ook een uitdrukkelijk beroep gedaan op het ouderlijk gezag.  Privaatrechtelijk waren de ouders verantwoordelijk voor de minderjarige kinderen en die kinderen waren verplicht hun ouders te gehoorzamen.  We mogen ons daar niet op verkijken; nu is men meerderjarig vanaf 18 jaar maar tijdens het Ancien Régime was men minderjarig tot de leeftijd van 25 jaar.

Willy Dezutter

Noten

  1. https://nl.wikipedia.org/wiki/Hangjongere
  2. We haalden deze voorbeelden uit de brochure van de Stad Brugge die maar liefst 33 blz. wijdde aan “Het Brugs hangjongerenbeleid” (2010).  Die voorbeelden haalde men uit het boek van J. Van Weringh, Overlast en onrust is van alle tijden. Meppel, Boom, 1978.  Denk nu ook aan het fenomeen van de GAS-boetes (gemeentelijke administratieve sancties).  Wet van 13 mei 1999 met rondzendbrief 2001, reparatiewet in 2005, verstrengde wet per 1 januari 2014.
  3. André Vandewalle, De 19de-eeuwse centrale begraafplaats van Brugge in historisch perspectief, in: Brugs Ommeland, 1986, 4, pp. 201-224.
  4. In het algemeen: H.L. Kok, De geschiedenis van de laatste eer in Nederland. Lochem, 1970 (tweede editie 1990), pp. 85-88, kerkhofontwijding en Sophie Balace en Alexandra De Poorter, Tussen Hemel en Hel. Sterven in de middeleeuwen, 600-1600, Brussel, 2010.
  5. Politiereglement op het gemeentelijk kerkhof. middelkerke.be/reglementen/gemeentelijkkerkhofbegraafplaats.html
  6. Het Laatste Nieuws 16 juli 2016.  Dit fenomeen deed zich in verschillende gemeenten voor en na enige regelgeving op verschillende locaties verboden.
  7. De Win en F. Moens, De “roepstenen” en “kerkpuien” in de provincie Oost-Vlaanderen. Bijdrage tot de orale bekendmakingen in het verleden. Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, N.R. XLII, 1988, pp. 5-68.  Inventaris voor Oost-Vlaanderen maar ook voorbeelden uit West-Vlaanderen.
  8. Albert Martens, Peiling naar het analfabetisme omstreeks het einde van de XVIIIde eeuw aan de hand van de parochiale huwelijksakten van Hansbeke (1779-1796), in: Het Land van Nevele, jg. III (1972), 4 op landvannevele.com/nl/peiling-naar-het-analfabetisme
  9. Wim Vandenbussche, Verbinden, verdelen en overheersen.  Taal, identiteit en macht in de 19deeeuw: Brugge als casus. In: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 27, (2001) 4, pp. 437-458.
  10. Vanhemelryck, Misdaad en straf.  Recent onderzoek naar de geschiedenis van de criminaliteit.  Bijdragen en Mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, 93, (1978),2, p. 186. Digitaal raadpleegbaar.
  11. Vanhemelryck, op.cit. p. 189 met verwijzing naar E. Huys, De criminaliteit in het Brugse Vrije in de tweede helft van de XVIII eeuw op grond van de “crimiboeken”.  Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Vrije Universiteit Brussel, 1976.

Dit artikel verscheen in het tijdschrift Brugs Ommeland, 2019, 1, pp. 58-64 inclusief de bijlage met woordverklaring.

Den Heere ende Wet der stad van Brugge klagten bekomen hebbende, dat’er dikwils verscheyde Perzoonen, ende naementlyk Jongens hun op de gewezen Kerk-hoven ontrent de Lyk-Kapellen (2) in de respectieve Prochien binnen deze Stad verzaemelen, ten tyde dat des avonds den Lyk-wagen aldaer, agtervolgens ’s MAJESTEYTS Edict van den 26 Juny 1784, komt haelen de doode Lighaemen, om die uyt de Lyk-Kappellen te transporteren naer het nieuw Kerk-hof, ende dat de zelve Perzoonen ende Jongens hun aldaer onbehoorelyk draegen, jae (3) zelfs tot stooring, zoo van de gemeente ruste als van de geleyders van den gezeyden Lyk-wagen, groot gedruys ende geschreeuw maeken, omme waer inne kragtelyk te worden voorzien, zoo is ‘t, dat den Heere ende Wet dezer stad aen een-ieder ferieuzelyk verbied zig op eene onbehoorlyke wyze ontrent de gezeyde Lyk-kapelle te laeten vinden, om ten tyde dat de doode Lighaemen op de Lykwaghens beweegt ende naer het Kerk-hof worden vertransporteert, eenig gedruys ofte geschreeuw te maeken, op de boete van 12 ponden paresis, waer vooren de Ouders van de minderjaerige zullen responsabel zijn, ofte op pene van andere arbitraire straffe, in cas van insolventhede (4).

Ordonnerende alle Officieren, Schaedebeletters (5) ende borgerlyke Soldaeten (6) daer op strictelyk te letten ende deze te doen onderhouden. Ende op dat niemand hier van en zoude pretexëren cauze van ignorantie (7), wierd gerezolveert deze te laten publiceren ten Stadhuyze, mitsgaeders bekent te laeten maeken bij Trommelinge (8), zoo in de oude als nieuwe Stad, ende by affixie (9) ter gecostumeerde plaetzen.

Actum in Kamer den 21 April 1785.  My prezent P. DE LA RUE (10).

Gepubliceert ten Stadhuyze den 26 April 1785. My prezent T. KESTELOOT de jonge (11).

Tot BRUGGE, by JOSEPH VAN PRAET, Drukker der Stad en Lande van den Vryen (12).

Commentaar en woordverklaring

Men kan zo’n stuk papier (H 40,5 cm x B 32 cm;  privé-verzameling Brugge, ook in openbare verzamelingen bv. Stadsarchief Brugge, Oud Archief, reeks 122. Plakkaten, 2de reeks, reg. 36, nr. 59) kapot analyseren maar één ding zal men nooit weten: hoe klonk die taal ?  Dat is het fonologisch aspect, zeg maar de uitspraak van de taal.  Bij de officiële voorlezing vanaf de pui van het stadhuis zal de toonhoogte zeker verschild hebben van de dagelijkse omgangstaal.  En ook die omgangstaal verschilt tot op de dag van vandaag.  Er is een groot verschil tussen de uitspraak van het “Poldernederlands” in het Noorden en de “Vlaamse tussentaal” in het Zuiden.  Wat grasduinen op www.neerlandistiek.nl kan helpen om meer te vernemen.

  1. Niet in de betekenis van “annonce” of om reclame te maken maar als bekendmaking van een wetgevende verordening.  Met het Wapen van Brugge (kopergravure 12 x 9 cm).  De klimmende leeuw heeft een kroon maar geen halsband.  Dat is typisch detailverlies van een graveur.  Boven het wapenschild staat de kroon op de gotische letter b en niet in de kroon.  Als slecht uitgevoerde schildhouders zijn er de leeuw en de beer met een halsband.  Onderaan op het lint het motto S.P.Q.B. of Senatus PopulusQue Brugensis (“bestuur en bevolking van Brugge”).  Deze afbeelding komt uit het staalboek van de drukker en werd, in overleg met het stadsbestuur, gebruikt voor de officiële aankondigingen.  Het geheel is van middelmatige kwaliteit zoals dit dikwijls het geval is bij overheidsdrukwerk.
  2. Op elk kerkhof van iedere parochie stond er een lijkkapel.  Op het afzonderlijke kerkhof van het St.-Janshospitaal (Brugge), dat ook een eigen parochie was, stond er een laatgotische lijkkapel.  Op dit kerkhof werd er nog begraven tot in 1805 (het Franse decreet dateerde van 1804).  In 1806 werd de lijkkapel omgevormd tot leslokaal ontleedkunde.  In 1856 afgebroken bij de bouw van de nieuwe ziekenzalen (1856-1858) naar ontwerp van architect Isidore Alleweireldt.  De laatgotische lijkkapel komt voor op het bekende caritastafereeltje uit de 18de eeuw.  Zie: A. Dewitte, Dood en devotie in het Brugse Sint-Janshuis, in: Biekorf, 89 (1989), 1, p. 149-153.
  3. Men zou ook de linguïstiek erbij kunnen betrekken.  Maar er zijn er ongetwijfeld anderen die dat beter kunnen.  Gijsbert Rutten m.m.v. Rik Vosters, Een nieuwe Nederduitse spraakkunst. Taalnormen en schrijfpraktijken in de Zuidelijke Nederlanden in de achttiende eeuw. VUB Press, Brussel, 2011 en Roland Willemyns, Het Verhaal van het Vlaams. De geschiedenis van het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden. Standaard Uitgeverij/Het Spectrum, 2003, Idem, Dutch. Biography of a Language. Oxford University Press, 2013.
  4. Insolventhede = insolventie, financieel onvermogend; het niet kunnen betalen.  De term “insolventhede” komt men in de 18deeeuw overal tegen in de “Placcaet-boecken” : “…..by vluchtte of insolventhede vanden afgaende Pachter…..”.
  5. Schaedebeletter is de Brugse naam voor politieagent.  E.Verwijs en J. Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek, ’s-Gravenhage, 1889, dl. VII, kol. 209 en Andries Van den Abeele, Uit het leven van schadebeletter Carolus Coucke. Brugge,1984.
  6. Borgerlyke Soldaeten = de Burgerlijke Wacht van Brugge.  Hun voornaamste taak was de rust te bewaren in de stad.  Zie: Yvan Vanden Berghe, Jacobijnen en Traditionalisten.  De reacties van de Bruggelingen in de Revolutietijd (1780-1794) Pro Civitate Historische Uitgaven, 32, 1972, deel I, p. 178-182.
  7. Dat is de al eeuwen vaststaande uitdrukking gebruikt door de vorsten en die tot een klassieke formule uitgroeide: “…..afin que nul ne puisse pretendre cause d’ignorance…..”” (brief van Maximiliaan van Oostenrijk aan Brugge anno 1494). L. Gilliodts-Van Severen, Inventaire des archives de la Ville de Bruges, VI, Brugge, 1885, p. 395-397.
  8. De overheid kondigde de berichten aan met tromgeroffel.  Dit heeft oorspronkelijk een militaire achtergrond.  In de Middeleeuwen gebeurde de afkondiging van de Hallegeboden “metter clocke” dat wil zeggen dat er voorafgaand geluid werd met de stedeklok.  De belleman of uitklinker stond in voor het omroepen van de private berichten.  A. Vandewalle, Klinkers met de bel en met het bekken.  De omroepers van boodschappen te Brugge, voornamelijk in de zeventiende eeuw.  In: Van Middeleeuwen tot Heden.  Bladeren door de Brugse Kunst en Geschiedenis. Brugge, 1983, p. 115-119.
  9. Affixie = aangeplakte bekendmaking.  Op de gecostumeerde of gebruikelijke plaatsen.
  10. De La Rue, advocaat, rechter (1787), vanaf 11.12.1789 stadspensionaris. Yvan Vanden Berghe, Jacobijnen op.cit. 1972, deel II, p.24-25 en p.40. Actum = treedt in werking/wordt van kracht.
  11. Deze advertentie werd op 26 april openbaar afgekondigd of afgeroepen aan het stadhuis, zie SAB, nr.120. Hallegeboden 1775-1786, folio 230. Theodore-Joseph Kesteloot sr. (1710-1790) was advocaat bij de Raad van Vlaanderen vanaf 1731 en werd raadpensionaris en griffier van de tresorie van de stad Brugge.  Hij overleed te Brugge op 16 december 1790.  Zijn zoon Theodore de jonge, geboren op 17.12.1736 trad in de voetsporen van zijn vader.  Zo was hij vanaf 1761 advocaat bij de Raad van Vlaanderen, griffier van de Voogdijkamer van de Stad Brugge en gouverneur van de Bogardenschool. Hij stierf te Brugge op 10.11.1793.  Zie: Yvan Vanden Berghe, Jacobijnen, op.cit. 1972, deel I, p. 246 en deel II p.24-25.
  12. Drukker Joseph Van Praet (1704-1792) werd vanaf 1767 de officiële drukker voor het stadsbestuur van Brugge.  Zie: A. Van den Abeele, De Brugse drukker-uitgever Joseph Van Praet (1724-1792) en zijn tijd, in: Handelingen Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, 1996, pp. 196-238.

 

Bijlage:  Advertentie

Den Heere ende Wet der stad van Brugge klagten bekomen hebbende, dat’er dikwils verscheyde Perzoonen, ende naementlyk Jongens hun op de gewezen Kerk-hoven ontrent de Lyk-Kapellen (2) in de respectieve Prochien binnen deze Stad verzaemelen, ten tyde dat des avonds den Lyk-wagen aldaer, agtervolgens ’s MAJESTEYTS Edict van den 26 Juny 1784, komt haelen de doode Lighaemen, om die uyt de Lyk-Kappellen te transporteren naer het nieuw Kerk-hof, ende dat de zelve Perzoonen ende Jongens hun aldaer onbehoorelyk draegen, jae (3) zelfs tot stooring, zoo van de gemeente ruste als van de geleyders van den gezeyden Lyk-wagen, groot gedruys ende geschreeuw maeken, omme waer inne kragtelyk te worden voorzien, zoo is ‘t, dat den Heere ende Wet dezer stad aen een-ieder ferieuzelyk verbied zig op eene onbehoorlyke wyze ontrent de gezeyde Lyk-kapelle te laeten vinden, om ten tyde dat de doode Lighaemen op de Lykwaghens beweegt ende naer het Kerk-hof worden vertransporteert, eenig gedruys ofte geschreeuw te maeken, op de boete van 12 ponden paresis, waer vooren de Ouders van de minderjaerige zullen responsabel zijn, ofte op pene van andere arbitraire straffe, in cas van insolventhede (4).

Ordonnerende alle Officieren, Schaedebeletters (5) ende borgerlyke Soldaeten (6) daer op strictelyk te letten ende deze te doen onderhouden. Ende op dat niemand hier van en zoude pretexëren cauze van ignorantie (7), wierd gerezolveert deze te laten publiceren ten Stadhuyze, mitsgaeders bekent te laeten maeken bij Trommelinge (8), zoo in de oude als nieuwe Stad, ende by affixie (9) ter gecostumeerde plaetzen.

Actum in Kamer den 21 April 1785.  My prezent P. DE LA RUE (10).

Gepubliceert ten Stadhuyze den 26 April 1785. My prezent T. KESTELOOT de jonge (11).

Tot BRUGGE, by JOSEPH VAN PRAET, Drukker der Stad en Lande van den Vryen (12).

Commentaar en woordverklaring

Men kan zo’n stuk papier (H 40,5 cm x B 32 cm;  privé-verzameling Brugge, ook in openbare verzamelingen bv. Stadsarchief Brugge, Oud Archief, reeks 122. Plakkaten, 2de reeks, reg. 36, nr. 59) kapot analyseren maar één ding zal men nooit weten: hoe klonk die taal ?  Dat is het fonologisch aspect, zeg maar de uitspraak van de taal.  Bij de officiële voorlezing vanaf de pui van het stadhuis zal de toonhoogte zeker verschild hebben van de dagelijkse omgangstaal.  En ook die omgangstaal verschilt tot op de dag van vandaag.  Er is een groot verschil tussen de uitspraak van het “Poldernederlands” in het Noorden en de “Vlaamse tussentaal” in het Zuiden.  Wat grasduinen op www.neerlandistiek.nl kan helpen om meer te vernemen.

  1. Niet in de betekenis van “annonce” of om reclame te maken maar als bekendmaking van een wetgevende verordening.  Met het Wapen van Brugge (kopergravure 12 x 9 cm).  De klimmende leeuw heeft een kroon maar geen halsband.  Dat is typisch detailverlies van een graveur.  Boven het wapenschild staat de kroon op de gotische letter b en niet in de kroon.  Als slecht uitgevoerde schildhouders zijn er de leeuw en de beer met een halsband.  Onderaan op het lint het motto S.P.Q.B. of Senatus PopulusQue Brugensis (“bestuur en bevolking van Brugge”).  Deze afbeelding komt uit het staalboek van de drukker en werd, in overleg met het stadsbestuur, gebruikt voor de officiële aankondigingen.  Het geheel is van middelmatige kwaliteit zoals dit dikwijls het geval is bij overheidsdrukwerk.
  2. Op elk kerkhof van iedere parochie stond er een lijkkapel.  Op het afzonderlijke kerkhof van het St.-Janshospitaal (Brugge), dat ook een eigen parochie was, stond er een laatgotische lijkkapel.  Op dit kerkhof werd er nog begraven tot in 1805 (het Franse decreet dateerde van 1804).  In 1806 werd de lijkkapel omgevormd tot leslokaal ontleedkunde.  In 1856 afgebroken bij de bouw van de nieuwe ziekenzalen (1856-1858) naar ontwerp van architect Isidore Alleweireldt.  De laatgotische lijkkapel komt voor op het bekende caritastafereeltje uit de 18de eeuw.  Zie: A. Dewitte, Dood en devotie in het Brugse Sint-Janshuis, in: Biekorf, 89 (1989), 1, p. 149-153.
  3. Men zou ook de linguïstiek erbij kunnen betrekken.  Maar er zijn er ongetwijfeld anderen die dat beter kunnen.  Gijsbert Rutten m.m.v. Rik Vosters, Een nieuwe Nederduitse spraakkunst. Taalnormen en schrijfpraktijken in de Zuidelijke Nederlanden in de achttiende eeuw. VUB Press, Brussel, 2011 en Roland Willemyns, Het Verhaal van het Vlaams. De geschiedenis van het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden. Standaard Uitgeverij/Het Spectrum, 2003, Idem, Dutch. Biography of a Language. Oxford University Press, 2013.
  4. Insolventhede = insolventie, financieel onvermogend; het niet kunnen betalen.  De term “insolventhede” komt men in de 18deeeuw overal tegen in de “Placcaet-boecken” : “…..by vluchtte of insolventhede vanden afgaende Pachter…..”.
  5. Schaedebeletter is de Brugse naam voor politieagent.  E.Verwijs en J. Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek, ’s-Gravenhage, 1889, dl. VII, kol. 209 en Andries Van den Abeele, Uit het leven van schadebeletter Carolus Coucke. Brugge,1984.
  6. Borgerlyke Soldaeten = de Burgerlijke Wacht van Brugge.  Hun voornaamste taak was de rust te bewaren in de stad.  Zie: Yvan Vanden Berghe, Jacobijnen en Traditionalisten.  De reacties van de Bruggelingen in de Revolutietijd (1780-1794) Pro Civitate Historische Uitgaven, 32, 1972, deel I, p. 178-182.
  7. Dat is de al eeuwen vaststaande uitdrukking gebruikt door de vorsten en die tot een klassieke formule uitgroeide: “…..afin que nul ne puisse pretendre cause d’ignorance…..”” (brief van Maximiliaan van Oostenrijk aan Brugge anno 1494). L. Gilliodts-Van Severen, Inventaire des archives de la Ville de Bruges, VI, Brugge, 1885, p. 395-397.
  8. De overheid kondigde de berichten aan met tromgeroffel.  Dit heeft oorspronkelijk een militaire achtergrond.  In de Middeleeuwen gebeurde de afkondiging van de Hallegeboden “metter clocke” dat wil zeggen dat er voorafgaand geluid werd met de stedeklok.  De belleman of uitklinker stond in voor het omroepen van de private berichten.  A. Vandewalle, Klinkers met de bel en met het bekken.  De omroepers van boodschappen te Brugge, voornamelijk in de zeventiende eeuw.  In: Van Middeleeuwen tot Heden.  Bladeren door de Brugse Kunst en Geschiedenis. Brugge, 1983, p. 115-119.
  9. Affixie = aangeplakte bekendmaking.  Op de gecostumeerde of gebruikelijke plaatsen.
  10. De La Rue, advocaat, rechter (1787), vanaf 11.12.1789 stadspensionaris. Yvan Vanden Berghe, Jacobijnen op.cit. 1972, deel II, p.24-25 en p.40. Actum = treedt in werking/wordt van kracht.
  11. Deze advertentie werd op 26 april openbaar afgekondigd of afgeroepen aan het stadhuis, zie SAB, nr.120. Hallegeboden 1775-1786, folio 230. Theodore-Joseph Kesteloot sr. (1710-1790) was advocaat bij de Raad van Vlaanderen vanaf 1731 en werd raadpensionaris en griffier van de tresorie van de stad Brugge.  Hij overleed te Brugge op 16 december 1790.  Zijn zoon Theodore de jonge, geboren op 17.12.1736 trad in de voetsporen van zijn vader.  Zo was hij vanaf 1761 advocaat bij de Raad van Vlaanderen, griffier van de Voogdijkamer van de Stad Brugge en gouverneur van de Bogardenschool. Hij stierf te Brugge op 10.11.1793.  Zie: Yvan Vanden Berghe, Jacobijnen, op.cit. 1972, deel I, p. 246 en deel II p.24-25.
  12. Drukker Joseph Van Praet (1704-1792) werd vanaf 1767 de officiële drukker voor het stadsbestuur van Brugge.  Zie: A. Van den Abeele, De Brugse drukker-uitgever Joseph Van Praet (1724-1792) en zijn tijd, in: Handelingen Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, 1996, pp. 196-238.