Tag Archives: Napoleon

De invoering van de burgerlijke stand in de Zuidelijke Nederlanden en in de Noordelijke Nederlanden

In het tijdschrift Biekorf (1), aflevering 4, 2022, lezen we op p. 494 de volgende zin: Napoleon heeft de burgerlijke stand opgericht en alle burgers verplicht om zich te laten registreren. Dat is wat kort door de bocht.

Met het Eeuwig Edict van 1611, uitgevaardigd door de aartshertogen Albrecht en Isabella, werd de eerste aanzet gegeven tot een algemeen wetboek in de Zuidelijke Nederlanden. In dit Eeuwig Edict (3) wordt ook vastgelegd dat doopsels, huwelijken en begrafenissen in de Zuidelijke Nederlanden verplicht moeten geregistreerd worden. Dat gebeurde door de R.K. Kerk in de parochieregisters. Dat was al eerder bepaald op het concilie van Trente (1545-1563) en werd vanaf omstreeks 1600 algemeen toegepast. De parochieregisters van Brugge zijn tegenwoordig digitaal raadpleegbaar op archiefbankbrugge.be (4).

Tijdens de Franse Revolutie (1789-1799) was er een politieke omwenteling waarbij in Frankrijk de absolute monarchie werd afgeschaft en de macht van adel en geestelijkheid werden teruggedrongen. Napoleon Bonaparte (1769-1821) pleegde in 1799 een staatsgreep en installeerde zichzelf als eerste consul; in 1804 liet hij zich tot keizer van Frankrijk uitroepen. Maar nog tijdens de Franse Revolutie werd met de Franse wet van 20 september 1792 de burgerlijke stand tot stand gebracht. Die wet zorgde er voor dat de gemeentebesturen de taken overnamen van de parochies. De ambtenaar van de burgerlijke stand nam het over van de parochiepriester inzake de registratie van geboortes, huwelijken en overlijdens. Die secularisatie was zonder meer revolutionair te noemen. In Engeland zou de burgerlijke stand pas ontstaan in 1837.

De wet uit 1792 tastte de godsdienstbeleving niet aan, de dooppraktijk werd immers niet afgeschaft en het bleef de Joden toegestaan om de besnijdenis uit te voeren. Die overgang verliep trouwens nergens vlekkeloos. Het is niet omdat een wet kracht van uitvoering krijgt dat het ook direct in praktijk kan gebracht worden. Een evaluatie uit 1820 bracht aan het licht dat zo’n proces meer dan dertig jaar in beslag kon nemen (5). Pas op het einde van het keizerrijk begon het min of meer routine te worden maar met grote verschillen tussen de steden en het platteland.

Op 1 oktober 1795 werden de Oostenrijkse Nederlanden, het prinsbisdom Luik, Maastricht en de omgeving van het Pruisische Kleef officieel als départements belgiques (Belgische departementen) door de Franse Republiek geannexeerd. Het gebied wordt in negen Franse departementen verdeeld. De Franse tijd in België wordt eigenlijk al gemarkeerd door de Slag bij Fleurus op 26 juni 1794 toen de Fransen de Oostenrijkers dwongen om de Zuidelijke Nederlanden te verlaten. Bij decreet van 17 juni 1796 werd ook in de Belgische departementen de burgerlijke stand ingevoerd.

Dat gold dus ook voor Zeeuws-Vlaanderen en in enkele delen van Nederlands Limburg. Van 1795 tot 1814 was het huidige Zeeuws-Vlaanderen (voorheen Staats-Vlaanderen) een onderdeel van Frankrijk. Het maakte deel uit van het Scheldedepartement (Département de l’Escaut, met hoofdstad Gent). Brugge werd de hoofdstad van het Departement van de Leie (Département de la Lys).

De noordelijke departementen tijdens het Franse Keizerrijk in 1811. Commons.wikimedia.org.

Op 20 juli 1814 werd Zeeuws-Vlaanderen officieel bij de provincie Zeeland gevoegd (6). Op 1 augustus 1814 wordt Willem I de nieuwe koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (de bufferstaat Nederland, België en Luxemburg), hoewel de echte Nederlandse tijd in België pas begint op 21 september 1815. Dat wil zeggen nadat Napoleon definitief verslagen werd op 18 juni 1815 in de Slag bij Waterloo. Na een revolutionaire opstand maakte België zich op 4 oktober 1830 onafhankelijk van Nederland en ontstond het Voorlopig Bewind. Op 4 juni 1831 werd Leopold van Saksen-Coburg tot koning der Belgen gekozen.

In Nederland was er van 1795-1806 de Bataafse Republiek en in 1806 ontstond het Koninkrijk Holland met Louis Bonaparte (Koning Lodewijk), de broer van Napoleon, als koning. Lodewijk trad zelf af in 1810 en heel het Koninkrijk Holland werd geannexeerd door het Eerste Franse Keizerrijk. Pas vanaf 1 januari 1811 werd de burgerlijke stand ingevoerd in Nederland. De feitelijke invoering verschilt van plaats tot plaats.

Vlissingen

In Vlissingen (Walcheren) werd de burgerlijke stand al ingevoerd op 1 april 1808. Bij het “Verdrag van den Haag” in 1795 werd beslist dat Frankrijk een garnizoen militairen in Vlissingen mocht stationeren. In 1807 werd Vlissingen al ingelijfd bij het Franse keizerrijk van Napoleon Bonaparte. Dat was te danken aan haar strategische ligging ten opzichte van erfvijand Engeland. Vlissingen had een aparte status. Pas op 15 mei 1810 werd Zeeland een afzonderlijk departement: het Département des Bouches de l’Escaut (het departement van de Monden van de Schelde).

Code civil, burgerlijke stand en achternamen

Door een arrest van het Directoire van 16 frimaire van het jaar V (6 december 1796) werd België onderworpen aan de Franse wetten. Op 21 maart 1804 werd de Code Civil of Burgerlijk Wetboek afgekondigd. In 1807 werd de titel veranderd in Code Napoléon. Deze Code Napoléon was een codificatie van het privaatrecht die ook buiten Frankrijk van grote invloed bleef. Er ontstond rechtseenheid en er kwamen belangrijke wijzigingen in de burgerlijke staat. Onder meer het huwelijk werd onttrokken aan het kerkelijk recht.

De Code Civil werd al in 1804 in zijn oorspronkelijke vorm van kracht in Brussel (7). Gelijktijdig verscheen er ook een Nederlandse vertaling. Gedurende heel de Franse tijd maar ook de periode van het Verenigd Koninkrijk bleef die versie van kracht ondanks alle commissiewerk van koning Willem I om tot een vernieuwde en aangepaste uitgave te komen (8). De Franse Code Civil werd in Nederland van kracht op 1 mei 1809. Het nieuwe Nederlandse Burgerlijk Wetboek zag het licht op 1 oktober 1838 (9).

De invoering van de burgerlijke stand in Frankrijk, België, Nederland en in andere veroverde gebieden, had in feite een tweeledig doel: het makkelijker maken van de belastingheffing en de oproeping voor de dienstplicht (de conscriptie). Na de val van Napoleon heeft dan ook niemand de burgerlijke stand weer afgeschaft !

In Nederland stelde zich nog een ander probleem. In tegenstelling tot Vlaanderen beschikten heel wat inwoners nog niet over een vaste achternaam en gebruikten nog altijd een vadersnaam (de patroniemen). Napoleon zag zich dus genoodzaakt om voor Nederland een apart decreet af te kondigen. Met dit decreet van 18 augustus 1811 werd iedereen die nog geen familienaam had verplicht om een vaste achternaam te kiezen. Niet iedereen was gehaast om dat te doen en daarom kwam er een nieuw decreet op 17 mei 1813 waarin werd bepaald dat men nog de tijd kreeg tot 1 januari 1814 om aan die eis te voldoen (10).  

De Franse tijd eindigde in Noord-Nederland toen Napoleon  op 16-19 oktober 1813 bij Leipzig werd verslagen. In november verjoegen geallieerde troepen (een coalitieleger van Rusland, Pruisen, Oostenrijk en Zweden) de Fransen uit Nederland. Op 21 juni 1814 besloten de geallieerde overwinnaars tot het samengaan van de Zuidelijke met de Noordelijke Nederlanden onder Willem I die trouwens op 30 november 1813 al teruggekeerd was vanuit Engeland. Het aandringen van de Fransen om een achternaam te kiezen werd opeens voor veel Nederlanders niet meer dringend. Er zijn er die menen dat dit een stille verzetsdaad was tegen Napoleon maar wij menen te weten dat, zelfs nu nog, veel Nederlanders niet zoveel op hebben met overheidsregistratie (11).

Onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was die zaak nog altijd niet geregeld. Koning Willem I zag zich genoodzaakt om op 8 november 1825 een Koninklijk Besluit uit te vaardigen waarin nogmaals werd aangedrongen op het laten vastleggen van een achternaam. Men kreeg daarvoor nog zes maanden de tijd. In Nederland gebeurde de invoering van de burgerlijke stand in 1811 door toedoen van Napoleon maar in de Zuidelijke Nederlanden (vanaf 1830 Koninkrijk België) werd de aanzet al gegeven met het decreet van 1796 (12).

Willy Dezutter

Dit artikel verscheen in Tijd/Schrift, Bulletin van de Heemkundige Kring West-Zeeuws-Vlaanderen, 2023, 3, p. 8-12.

Noten

1 Biekorf. West-Vlaams Archief voor geschiedenis, archeologie, taal- en volkskunde, 122, (2022), 4, p.494.

2 G. Martyn, Het  Eeuwig Edict van 12 juli 1611: zijn genese en zijn rol in de verschriftelijking van het privaatrecht. Algemeen Rijksarchief, Brussel, 2000. Dit Edict had minder invloed in de Noordelijke Nederlanden dan in de Zuidelijke Nederlanden omdat het Noorden zo goed als onafhankelijk was.

3 Eeuwig in de betekenis van zeer belangrijk.

4 Het Stadsarchief van Brugge zorgt voor een enorm aanbod aan online informatie. De ontsluiting o.l.v. hoofdarchivaris Jan D’hondt is fenomenaal te noemen.

5 Gérard Noiriel, L’ identification des citoyens. Naissance de l’état civil républicain, in: Genèses. Sciences sociales et histoire, 13, (1993), p.3 -28, p. 8. In Corsica (Frans eiland) werd dertig jaar na de afkondiging de wet nog altijd niet correct toegepast (G.Noiriel, p. 9). In twee derde van de gemeenten beschikte men over geen registers van de burgerlijke stand !

6 André Bauwens en Hans Krabbendam (red.), Scharnierend Gewest. 200 jaar Zeeuws-Vlaanderen 1814-2014. Bijdragen tot de geschiedenis van West-Zeeuws-Vlaanderen, 42, (2014).

7 Code Civil, édition parfaitement conforme à l’édition originale, Bruxelles, chez Huyghe, 950 p.

8 Daniel Polverelli, Le rayonnement des institutions napoléoniennes à travers le monde. Parijs, 2022, p.32.

9 Daniel Polverelli, Le rayonnement des institutions napoléoniennes , p.59.

10 R.F. Vulsma, Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister. Centraal Bureau voor Genealogie (Den Haag, 1988), p. 10 en lemma Burgerlijke stand op nl.wikipedia.org

11 Denk aan het persoonsbewijs voor de Nederlandse Joden, het beste voor heel Europa, ontwikkeld door de Nederlandse ambtenaar Jacobus Lambertus Lentz. Het werd duizenden fataal tijdens de Tweede Wereldoorlog. Herinvoering van de identificatieplicht lag in Nederland daardoor lang moeilijk. De algemene identificatieplicht is er nu van kracht sinds 1 januari 2015.

12 Vanaf 1 januari 1850 wordt in Nederland de bevolkingsregistratie (bevolkingsregister) doorlopend bijgehouden. In België officieel vanaf 1 januari 1847.

De voorbeschikking van vicaris-generaal Petrus de Pauw (1727-1810)

De mensen maken allerlei plannen maar het is niet aan hen of dat ook gebeurt.  Men zegt dan: “De mens wikt maar god beschikt” (Bijbel, boek Spreuken XVI,9).

Dat je in het leven niet alles kunt plannen omdat er altijd wel iets gebeurt dat je vooraf niet kunt voorzien, ondervond vicaris-generaal Petrus de Pauw (Torhout 1727-Parijs 1810). Die liet het volgende opnemen in zijn testament van 18 augustus 1805: “Mon corps devra être accompagné à L’ Eglise de Saint-Donatien par douze garçons de L’Ecole de la Ville, chacun portant un flambeau de 9278 décigrammes, lesquels flambeaux seront en après distribués, savoir trois aux cidevant pères Capucins, trois aux réligieuses cidevant Capucines, trois aux Colettines et trois aux religieuses de la cidevant abbaye de Ste-Godelieve” (1).  In de lijkstoet (volgens het testament 2de klas) dienden dus 12 Steedse Bollen mee te lopen met een flambeeuw, hier synoniem voor grote kaars.  Omgerekend volgens het pas ingevoerde metriekstelsel was dat een waslicht van meer dan 9 kilo.  Dat was geen abnormaal gewicht; ook nu bestaan er nog paaskaarsen van dergelijke omvang.  De Steedse Bollen waren leerlingen van de Bogardenschool (Katelijnestraat, Brugge) die vanaf 1672 de taak vervulden van flambeeuwdragers-begeleiders in de lijkstoet, indien dit voordien testamentair werd vastgelegd. Vanzelfsprekend gold dit alleen voor de dure begrafenissen.  De gewone man maakte geen testament en werd nooit in de kerk zelf begraven.  Er was dus sociale segregatie.

Petrus de Pauw was deken van de Sint-Donaaskathedraal maar die werd in de revolutietijd (1794-1802) verkocht en afgebroken.  Op 28 april 1799 werd de kerk openbaar verkocht en de volledige afbraak duurde zeker tot eind 1801 (2), hoewel de na-verkoop van bouwmaterialen op de werf zelf nog doorliep tot 1805 (3).  Petrus de Pauw stipuleert in 1805 nog dat hij wenst begraven te worden in Sint-Donaas maar hij is wel al zo realistisch om er tussen haakjes “Sint-Walburga” aan toe te voegen.

Bij de vermelding van de kloosterorden-begunstigers gebruikt hij ook telkens het woord “cidevant” of voorheen (4). Petrus-Jacob de Pauw, eerder al vicaris-generaal in Brugge, werd grootvicaris van Sint-Baafs in Gent, want het bisdom Brugge werd opgenomen en geïntegreerd in het concordataire bisdom Gent (5).  Hij kreeg wel het district Brugge onder zijn hoede.  Het Concordaat tussen de paus en Napoleon werd afgesloten in 1801 en op 6 juni 1802 werden de kerken in Brugge heropend.  De Pauw viel in de smaak van keizer Napoleon en toen die op 19 mei 1810 Brugge bezocht verleende hij hem het kruis van het Légion d’Honneur.  De Pauw hield een positieve lofrede op Napoleon en verzoende zich met de situatie, wat ook blijkt u het feit dat hij met het gewicht van zijn kaarsen al was overgestapt naar het metriekstelsel ! (dat nog niet eens verplicht was).  Napoleon had zonder overleg met de paus het bisdom ’s-Hertogenbosch opgericht en vroeg aan De Pauw om aldaar bisschop te worden.  De hoogbejaarde De Pauw stribbelde wat tegen want per slot van rekening behield hij het respect voor de grote baas in Rome en daarenboven was hij liever bisschop van Brugge geworden.  Over de heroprichting van het bisdom Brugge had hij immers tijdens de ontvangst op het Brugse stadhuis gesproken met Napoleon.  Hij zag zichzelf als een goede kandidaat.

Maar toch vertrok hij in 1810, samen met Frans Bulcke (1756-1825), de pastoor van Zwevezele die hem zou vergezellen, per koets naar Parijs.  Daar kwamen zij aan op 27 augustus en diende hij, nog dezelfde dag, onmiddellijk op audiëntie te komen bij de “Ministre des Cultes” om de aanvaarding van het bisschopsambt te bekrachtigen.  Deze minister, Félix Bigot de Préameneu (1747-1825), was een belangrijk man, want één van de vier juristen die op verzoek van Napoleon meewerkte aan de redactie van de “Code Civil” of Burgerlijk Wetboek.  Oververmoeid door de reis (met de koets over hobbelige wegen) en uitgeput door de ontvangsten en bezichtiging van Parijs overleed hij op 19 september 1810 in Parijs op de leeftijd van 84 jaar.  Maar hij was nu eenmaal de benoemde bisschop van ’s-Hertogenbosch en Napoleon zorgde daarom voor een pontificaal afscheid.  Hij werd begraven op Montmartre, samen met Père Lachaise één van de prestigieuze kerkhoven van Parijs.  De goddelijke Voorzienigheid had er zo over beslist.  Er is wel een (beschadigde) memoriesteen aan de noordzijde van de buitenmuur van de kerk van Sint-Kruis (6).

Willy Dezutter

Noten:

  1. André Vanhulle, Van Vicaris-Generaal De Pauw en zijn testament, in: ’t Schrijverke (Heemk. Kring St.-Anna), jg.24, 1995,9-12,p. 4-12.  Met dank aan J. D’hondt, Stadsarchief Brugge.
  2. Antoon Viaene, Het einde van een kathedraal. De Sint-Donaaskerk te Brugge verkocht en afgebroken, in:  Biekorf, 50 (1949), 9, p. 169-180.
  3. A. Van den Abeele, De langzame verdwijning van de Sint-Donaaskathedraal. 1799-1805, in: Biekorf, 84 (1984), 3,p.317
  4. E. Hélin, De val van twee reuzen op lemen voeten: adel en clerus, in: H. Hasquin (red.), België onder het Frans bewind 1792-1815. Brussel, 1993, pp. 99-140.
  5. Zie voor P. de Pauw vooral L. Preneel, het hfst. De Brugse clerus in de revolutietijd (1794-1802)  in: Michel Cloet (red.), Het Bisdom Brugge. Brugge,1984, p.288 e.v. en voor de ontmoeting tussen Napoleon en De Pauw, ibidem, p. 325-326.  En verder: J.G.M. Sanders (red.), Noord-Brabant in de Bataafs-Franse Tijd 1794-1814: een institutionele handleiding. ’s-Hertogenbosch-Hilversum, 2002.
  6. René Duyck, De memoriesteen van vicaris-generaal Pieter De Pauw in Sint-Kruis, in: Brugs Ommeland, 1997,3,p. 177 e.v.

Dit artikel verscheen in Brugs Ommeland, 2017, 1, p. 28-30 en in hetzelfde nummer ook Willy Dezutter, De Steedse Bollen in Brugge: Flambeeuwdragers in de lijkstoet. Deel I. De periode 1672-1883. In: Brugs Ommeland, 2017, 1, p. 3-20. Deel II over de periode 1883-1920 zal verschijnen in B.O. 2017, 2.