{"id":437,"date":"2013-10-09T20:54:59","date_gmt":"2013-10-09T19:54:59","guid":{"rendered":"http:\/\/willydezutter.be\/?p=437"},"modified":"2013-10-09T22:37:20","modified_gmt":"2013-10-09T21:37:20","slug":"de-rouwdracht-in-brugge","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/willydezutter.be\/?p=437","title":{"rendered":"Rouwdracht en rouwtijd in Brugge (1900 &#8211; 1945)"},"content":{"rendered":"<p>Over de duur van de rouwdracht bestaat nog altijd veel onduidelijkheid (1). \u00a0Nochtans bestond er voor Brugge een duidelijke richtlijn die in 1933 door de Brugse Kleermakersbond in een Nederlandstalige versie werd verspreid. \u00a0We zeggen eerst iets over deze Bond en focussen vervolgens op zijn richtlijn.<\/p>\n<p><strong>De Kleermakersbond<\/strong><\/p>\n<p>In Brugge bestonden in 1851 meer dan 40 gemeenzaamheden (beroepsverenigingen). \u00a0Deze van de kleermakers, die in 1804 opgericht werd, was \u00e9\u00e9n van de belangrijkste. \u00a0In 1904, bij het honderdjarig bestaan, vroeg de kleermakersgemeenzaamheid de grondwettelijke erkenning aan, maar door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verdween deze vereniging. \u00a0In 1919 werd een nieuwe beroepsvereniging gesticht onder de benaming \u201cDe Brugsche Kleermakers\u201d. \u00a0Het eerste bestuur bestond uit voorzitter Alo\u00efs Anseeuw, ondervoorzitter Charles De Poot, schrijver-penningmeester Serafien Lust, bestuursleden J. Vanderhaeghen en R.Wittezaele. \u00a0De proost, die ook deel uitmaakte van het bestuur, was Paul Allosery (2).<\/p>\n<p>In 1923 telde de vereniging 24 leden, in 1934 telde men 64 leden. \u00a0Op 22 oktober 1944 werd de eerste naoorlogse vergadering gehouden, waarop naast het voltallig bestuur ook 78 leden (uit Brugge en omliggende) aanwezig waren. \u00a0Op 19 oktober 1969 werd het vijftigjarig bestaan nog op grootse wijze gevierd en op 18 februari 1979 was de viering van het zestigjarig bestaan. \u00a0De zelfstandige meester-kleermakers waren wegens de concurrentie van de confectiekleding met uitsterven bedreigd en wegens gebrek aan actieve leden werd de vereniging in 1983 ontbonden. \u00a0Op voorstel van de laatste secretaris, Joseph De Poot (1905-1998), besloten de vier overgebleven leden in 1992 om hun archief te schenken aan het Stedelijk Museum voor Volkskunde van Brugge (3).<\/p>\n<p><strong>Een aansporing tot rouwplicht (1933)<\/strong><\/p>\n<p>In 1933 verspreidde de beroepsvereniging \u201cBrugse Kleermakers\u201d een rondzendbrief met richtlijnen over de rouwdracht en rouwtijd. \u00a0De graad van verwantschap bepaalt de duur en de wijze van rouw dragen. \u00a0De richtlijnen uit 1933, die ook gepropageerd werden via persartikels, gaan onveranderd terug op de raadgevingen van de \u201cFederatie der Belgische Meesterkleermakersverenigingen\u201d die ze omstreeks 1900 ook in brochurevorm liet verschijnen. \u00a0De rouwplicht, zoals het genoemd werd, zag er uit als volgt:<\/p>\n<p>De kleur van de rouwgewaden is zwart.<\/p>\n<p>Men onderscheidt de grote rouw (\u00e9\u00e9n jaar), de halve rouw (half jaar) en de kleine rouw (drie maanden).<\/p>\n<p>Een weduwe dient gedurende twee volle jaren rouwkleding te dragen (4).<\/p>\n<p>Het eerste jaar grote rouw, dan zes maanden halve rouw en nog eens zes maanden (niet drie) kleine rouw.<\/p>\n<p>De rouwsluier of voile dient negen maanden gedragen, zes weken hangende voor het gezicht, nadien achterwaarts op de rug. \u00a0Na het afleggen van de sluier volgt nog negen maanden halve rouw. \u00a0De kleur blijft zwart.<\/p>\n<p>Voor de zes maanden kleine rouw mogen de kleren versierd worden met witte kraagjes en ook de hoeden mogen aangevuld worden met witte versieringen. \u00a0Donker grijze kleren, wit of zwart gestreept, voldeden ook aan de rouwplicht van de kleine rouw.<\/p>\n<p>De weduwnaar, maar ook de vader en moeder, zijn aan rouw onderworpen voor achttien maanden, nl. zes maanden zware, zes maanden halve en zes maanden kleine rouw. \u00a0Voor kinderen, schoonouders en schoonkinderen geldt \u00e9\u00e9n jaar, nl. zes maanden zware rouw en zes maanden kleine rouw. \u00a0Broers, schoonzusters en schoonbroers, grootouders en kleinkinderen moeten rouw dragen gedurende tien maanden nl. zes maanden zware rouw, drie maanden halve rouw en \u00e9\u00e9n maand kleine rouw.<\/p>\n<p>Ooms en tantes, broers- en zusterskinderen dragen zes maanden rouw. \u00a0Neven en nichten dragen rouw van drie tot zes weken. \u00a0Kinderen jonger dan vier jaar zijn vrijgesteld tenzij voor vader en moeder. Het dragen van witte kleedjes in plaats van zwart heeft de voorkeur. \u00a0Witte, grijze, of wit met zwart gemengde stoffen, hebben de voorkeur voor kinderen tot twaalf jaar.<\/p>\n<p>De \u201cFederatie der Belgische Meesterkleermakersverenigingen\u201d ondersteunde dergelijke richtlijnen, ingegeven door commerci\u00eble motieven, door het versturen van tweetalige rondzendbrieven. \u00a0In 1911 vond het Nationaal Congres voor Meesterkleermakers plaats in Charleroi en in 1913 te Gent ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling. \u00a0Deze richtlijnen werden overgenomen door de Provinciale Kleermakersbonden en op hun beurt weer door de lokale verenigingen voor meester-kleermakers. \u00a0Het betrof een landelijk netwerk en om die reden golden deze richtlijnen ook voor Brussel en Walloni\u00eb. \u00a0In Walloni\u00eb stemt de rouwtijd, de grand deuil, de demi-deuil en de petit deuil of deuil simple overeen met wat we vaststellen in Vlaanderen (5). \u00a0De richtlijnen van de \u201cBrugse Kleermakers\u201d uit 1933 vindt men identiek terug bij de \u201cLeuvensche Meesterkleermakers Vereeniging\u201d in 1915 (6) !<\/p>\n<p>Dezelfde etiquette gold bij de Belgische adel (7) en men kan zich wellicht afvragen of deze rouwdwang niet voortvloeide uit de imitatie van de toonaangevende klasse nl. adel en hogere burgerij door de middenklasse (8). \u00a0Het is in ieder geval een feit dat men het \u201cverzonken cultuurgoed\u201d bijna nergens zo sterk terugvindt als in de klederdrachten. \u00a0De mode van Parijs werd in de Belgische stedelijke (en Franssprekende) milieus retardair nagevolgd. \u00a0De dienstboden waren doorgaans rouwplichtig aan hun meesters. \u00a0Ook hier een dwangmatige afstraling van hoog naar laag. \u00a0Het rouwen volgens voorschrift benadrukte sterk het standsverschil. \u00a0Vooral in de 19<sup>de<\/sup> eeuw waren er overdreven uitingen van rouw (9) en om commerci\u00eble redenen hebben de kleermakersverenigingen geprobeerd om dit te laten duren tot een flink stuk van de 20<sup>ste<\/sup> eeuw. \u00a0Eind de jaren vijftig was het omzeggens gedaan met de zwarte rouwjaponnen. \u00a0Het dragen van zwarte rouwkleding was voor 1850 trouwens een luxe (10) en op het platteland deed de boer op een begrafenis weer zijn trouwkostuum aan. \u00a0De rouwplicht gold overigens vooral voor vrouwen en hield nog lang stand ten gevolge van sociale controle. \u00a0In de 19<sup>de<\/sup> eeuw ontstonden ook allerlei rouwsieraden (in git), rouwhoeden, rouwparasols en zelfs rouwzakdoeken.<\/p>\n<p>In Nederland werd de rouwtijd al snel ingekort tot een jaar en zes weken voor zware rouw, een half jaar voor halve rouw en drie maanden of zes weken voor lichte rouw (11).<\/p>\n<p>In dat land probeerden calvinistische predikanten en vanaf eind 18<sup>de<\/sup> eeuw ook sommige burgers om de rouwdracht te vereenvoudigen. \u00a0Het ging om een voorstel om alle openbare rouw achterwege te laten, met uitzondering van een rouwband waaruit de graad van bloedverwantschap met de overledene zou zijn af te lezen (12). \u00a0We zien hier de tegenstelling tussen het sobere protestantisme en het barokke katholicisme wat ook al af te lezen valt uit de verschillen van het kerkinterieur.<\/p>\n<p>Vroeger was sterven en begraven een publieke aangelegenheid (met een sacramenteel ceremonieel) maar nu is het sterven dikwijls een technisch-medische priv\u00e9zaak geworden.<\/p>\n<p>Dit laatste geldt zowel voor katholieken als vrijzinnigen. De vroegere overdadige en kostelijke rouwgebruiken behoren tot de barokke cultuur van het katholicisme.<\/p>\n<p><strong>Theorie en praktijk<\/strong><\/p>\n<p>De strenge regels die de \u201cBrugse Kleermakers\u201d wilde opleggen werden in de praktijk niet toegepast. \u00a0Uit de enqu\u00eate van M. Van Coppenolle (1910-1955) voor de periode 1940-1950\u00a0blijkt dat de grote rouw eindigt zes weken na de uitvaart (13). \u00a0In Kortrijk (14) en in het arrondissement Dendermonde (15) duurde de volle rouw \u00e9\u00e9n jaar en zes weken. \u00a0In de praktijk kwam dit, zoals in Midden-Brabant (16), neer op zes weken volle rouw en \u00e9\u00e9n jaar halve rouw. \u00a0Deze duur komt overeen met wat K.C.Peeters vermeldt (17).<\/p>\n<p>De rouwtijd benadert sterk de wettelijke wachttijd. \u00a0De vrouw mag geen nieuw huwelijk aangaan dan na verloop van driehonderd dagen sinds de ontbinding van het vorige huwelijk ingevolge de dood van de man (Burgerlijk Wetboek, art. 228, eerste lid). \u00a0De vrouw moest eerst maar eens aantonen dat ze niet in verwachting was van haar inmiddels overleden partner alvorens snel te hertrouwen om economische redenen !<\/p>\n<p>Onze stelling is dat de kleermakersbonden in het hele Vlaamse land hebben gepoogd om de lange rouwtijden kunstmatig in stand te houden uit commerci\u00eble overwegingen. \u00a0Het segment rouwkleding was voor hun sector zeer belangrijk. \u00a0Deze laatste stuiptrekkingen hebben de teloorgang van de maatkleding niet kunnen verhinderen en hebben al evenmin ingegrepen op het cultuurproces. \u00a0Dit achterhoedegevecht steunde op te veel economische motieven en hield geen rekening met de gewijzigde collectieve psychologie van de burgerij. \u00a0Het statisch wereldbeeld, de vertrouwde piramidale samenleving met haar zinvolle ordening, brokkelde snel af om meer dan ooit plaats te maken voor individualisering. \u00a0De onveranderlijke samenleving is na 1945 overgegaan in een moderne dynamische samenleving.<\/p>\n<p>Willy Dezutter<\/p>\n<p>(1) \u00a0Benoit Kervyn de Volkaersbeke, Tot het uur van onze dood. Funeraire rituelen en gebruiken in Brugge doorheen de tijd, in: Museumbulletin, extra editie, mei 2013, p.21<\/p>\n<p>In feite betreft het katholieke funeraire rituelen en gebruiken. Er bestaan ook vrijzinnig humanistische plechtigheden. Zie: <a href=\"http:\/\/www.deMens.nu\">www.deMens.nu<\/a><\/p>\n<p><span style=\"line-height: 1.714285714; font-size: 1rem;\">(2) \u00a0Een proost is een geestelijk leider van een rooms-katholieke instelling of vereniging.<\/span><\/p>\n<p>Paul Allossery (1875-1943) was R.K. priester en historicus. \u00a0Vanaf 1910 was hij bestuurder van de christelijke middenstandsorganisaties van het bisdom Brugge. \u00a0In 1926 werd hij conservator van het Guido Gezellemuseum. \u00a0Zie: A.Viaene, Dr. Paul Allossery, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, 1940-1946, p. 219-231.<\/p>\n<p>(3) \u00a0W.P. Dezutter, Archivalia en realia met betrekking tot het kleermakersberoep, in: Brugs Ommeland,1993, 4, p. 238-240<\/p>\n<p><span style=\"line-height: 1.714285714; font-size: 1rem;\">(4) \u00a0Na het overlijden van prinsgemaal Albert (GB) in 1861 bleef zijn weduwe koningin Victoria (1819-1901) in het rouwzwart gekleed. \u00a0Door juwelen uit Whitby-git bij de rouwkleding te dragen maakte ze in de 19<\/span><sup>de<\/sup><span style=\"line-height: 1.714285714; font-size: 1rem;\"> eeuw deze halfedelsteen populair bij de gegoede klasse.<\/span><\/p>\n<p>De meeste rouwjuwelen bij ons (een grote variatie halssnoeren, armbanden, kammen, oorbellen, haarspelden en broches) werden vervaardigd uit git. \u00a0Git is een organische amorfe delfstof. \u00a0De Nederlandse wetenschappelijke naam is gagaat. \u00a0In bakeliet, een synthetisch kunstharsproduct en een uitvinding van de Amerikaanse chemicus van Belgische origine Leo Baekeland (1863-1944) werden slechts twee rouwsieraden vervaardigd: een rouwbroche in 1910 en manchetknopen in 1915. \u00a0Voor de uitvinding van bakeliet, vooral toegepast in de elektrotechniek, werd in 1909 octrooi verleend.<\/p>\n<p>(5) \u00a0Marcel Pignolet, La mort et ses rites en Ardenne m\u00e9ridionale . Les vivants et leurs morts. \u00a0Art, croyances et rites fun\u00e9raires dans l\u2019 Ardenne d\u2019autrefois. Bastogne, 1989, p.182<\/p>\n<p>(6) \u00a0Practische Raadkamer voor Jonge Meesterkleermakers de leden der Leuvensche Meesterkleermakers Vereeniging. Leuven, 1915, p. 83-86<\/p>\n<p>(7) \u00a0Livre des Usages et Coutumes de la Noblesse. Publi\u00e9 sous les auspices de l\u2019 Association de la Noblesse du Royaume de Belgique. Bruxelles, 3e edition, 1963, p. 66-68<\/p>\n<p>(8) \u00a0Norbert Elias, Het civilisatieproces. Sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen. Utrecht-Antwerpen,1987 en de editie 2005.<\/p>\n<p>Het betreft hier de Nederlandse vertaling van het standaardwerk \u201cUeber den Prozess der Zivilisation\u201d (1939, uitgebreide 2<sup>de<\/sup> druk 1969) van de socioloog prof. N. Elias (1897-1990).<\/p>\n<p>Wij zijn altijd aanhanger geweest en gebleven van zijn onderzoek naar sociale herkomst van vormen en gedrag zoals die ontwikkeld werden in de maatschappelijke bovenlagen. \u00a0Cfr. W.P.Dezutter en R. Van de Walle (red.), Volkskunde in Vlaanderen. Brugge, 1984, Inleiding, p. 5-7.<\/p>\n<p><span style=\"line-height: 1.714285714; font-size: 1rem;\">(9) \u00a0D.P. Snoep, Dood en begraven, sterven en rouwen 1700-1900. Utrecht,1980, p. 56<\/span><\/p>\n<p>(10) \u00a0H. Vannoppen, Streekdrachten in onze gewesten. Gent, 1994, p. 59 en over de rouwmuts p. 179-180. \u00a0In de Zeeuwse streekdracht duurde de zware of doffe rouw eveneens twee jaar maar werd soms ingekort. \u00a0Cfr. J. De Bree, Kostuum en sieraad in Zeeland. Lochem,1967, p. 117-119.<\/p>\n<p>(11) \u00a0K. Ter Laan, Folkloristisch Woordenboek van Nederland en Vlaanderen. \u00a0\u2019s-Gravenhage, 1949, p. 326 (ongewijzigde herdruk in 1974) en Streekgebonden Kleding. \u00a0Onderzoek in Nederland en Vlaanderen. \u00a0Volkscultuur, 2, Utrecht, 1996, p.48<\/p>\n<p>(12) \u00a0J.L. de Jager, Volksgebruiken in Nederland. Een nieuwe kijk op tradities. Utrecht-Antwerpen, 1981, p.79<\/p>\n<p>(13) \u00a0Maurits Van Coppenolle, Uitvaartgebruiken in West-Vlaanderen. Overdruk tijdschrift Volkskunde, 1951, 3, p 37.<\/p>\n<p>(14) \u00a0L. Bekaert, Dood en uitvaart in het Kortrijkse volksleven, in: De Leiegouw, XIII, 1971, 1, p. 60-61.<\/p>\n<p>(15) \u00a0J. Pieters, Doods-begrafenis-en rouwgebruiken in het arrondissement Dendermonde. Gent, 1960, p. 99-103.<\/p>\n<p>(16) \u00a0Valeer Wouters, Rouwtijd en rouwkleding. Levend Land, 15 november 1983, p. 12 en H. Vannoppen, \u00a0Overlijden en begrafenis als elementen van sociale segregatie, in: Ons Heem,48, 1994, 1, p. 12-13.<\/p>\n<p>(17) \u00a0K.C. Peeters, Eigen Aard. Overzicht van het Vlaamse volksleven. Antwerpen, 1975, 4<sup>de<\/sup> uitgave, p. 417. \u00a0Cfr. Als de dood voor de dood. \u00a0Rituelen m.b.t. overlijden, begrafenis en dodenherdenking van 1945 tot nu in 13 Vlaams-Brabantse steden en gemeenten o.l.v. prof. dr. St. Top. \u00a0Uitgave van de Koninklijke\u00a0 Belgische Commissie voor Volkskunde, 1987, 48 p.<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Over de duur van de rouwdracht bestaat nog altijd veel onduidelijkheid (1). \u00a0Nochtans bestond er voor Brugge een duidelijke richtlijn die in 1933 door de Brugse Kleermakersbond in een Nederlandstalige versie werd verspreid. \u00a0We zeggen eerst iets over deze Bond en focussen vervolgens op zijn richtlijn. De Kleermakersbond In Brugge bestonden in 1851 meer dan [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":3,"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"footnotes":""},"categories":[14],"tags":[18,172,170,171,169,167],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/437"}],"collection":[{"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/3"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=437"}],"version-history":[{"count":4,"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/437\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":441,"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/437\/revisions\/441"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=437"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=437"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=437"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}