{"id":660,"date":"2017-07-27T13:47:25","date_gmt":"2017-07-27T12:47:25","guid":{"rendered":"http:\/\/willydezutter.be\/?p=660"},"modified":"2017-07-27T21:56:49","modified_gmt":"2017-07-27T20:56:49","slug":"de-steedse-bollen-in-brugge-flambeeuwdragers-in-de-lijkstoet","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/willydezutter.be\/?p=660","title":{"rendered":"De &#8220;Steedse Bollen&#8221; in Brugge: flambeeuwdragers in de lijkstoet"},"content":{"rendered":"<p><strong>Deel I &#8211; De periode 1672-1883<\/strong><\/p>\n<p>De \u201cSteedse Bollen\u201d waren kinderen van stedelijke scholen die een brandende flambeeuw droegen en, onder het klagend zingen van het \u201cDe profundis\u201d, in de begrafenisstoet meeliepen naast de kist, van het sterfhuis tot de kerk en daarna van de kerk tot aan het kerkhof. \u00a0Dit gebeurde altijd bij testamentaire beschikking.<\/p>\n<p>In het Ancien R\u00e9gime zijn de leerlingen van de Bogardenschool daarbij het bekendst. \u00a0De Bogardenschool (Arme Knechtjens Stede School) was een stedelijke onderwijsinstelling voor kansarme kinderen in Brugge (Katelijnestraat, nu Stedelijke Academie). \u00a0Het is oorspronkelijk een stichting van de broeders Bogarden die zich ontfermden over weeskinderen. \u00a0Vanaf 1513 werd de school overgenomen door de Stad Brugge. \u00a0In 1796 (het jaar V) kwam de school onder beheer van de stedelijke Commissie van de Burgerlijke Godshuizen en bleef functioneren als weeshuis en lagere jongensschool. \u00a0In 1883 werd de school gesloten (1). \u00a0A. Duclos veronderstelde (2) dat de leerlingen van de Bogardenschool reeds flambeeuwdragers-begeleiders waren sinds het midden van de 16<sup>de<\/sup> eeuw en steunt daarvoor op de &#8220;Inventaire&#8221; van L. Gilliodts-van Severen. \u00a0Deze laatste verwijst naar een testament uit 1551 waarbij een schenking wordt gedaan aan de Bogardenschool &#8220;met conditi\u00ebn dat de Gouverneurs vanden aermen scholieren ghehouden werden te commene met zwarte kerle (3) ende capproenen ten overlydene van Heer Inghelbert, voorn. Tzynder vigili\u00ebn en de yutvaart met een zeker ghetal kinderen&#8221; (4). \u00a0Dit bewijst enkel dat de kinderen gevorderd werden om deel te nemen aan de avondwake (vigili\u00ebn) en de begrafenisplechtigheid in de kerk, maar niet dat ze al optraden als flambeeuwdragers van de lijkstoet.<\/p>\n<p>We kunnen dat verder illustreren aan de hand van de begrafenis van de Spaanse koopman Lopez de la Corona die op 27 april 1555 werd bijgezet in de kloosterkerk van de Paters Augustijnen in Brugge. \u00a0Zijn echtgenote Fran\u00e7oise van Pamele stichtte toen (5) een fundatie met de verplichting om elke dag de H. Mis op te dragen en op het graf diende de celebrant het \u201cMiserere mei Deus\u201d en het \u201cDe profundis\u201d te reciteren. \u00a0Tijdens het jaargetijde diende de H. Mis opgedragen te worden aan het hoofdaltaar gevolgd door het \u201cMiserere\u201d en het \u201cDe profundis\u201d aan het graf. \u00a0Op het altaar dienden er vier grote kaarsen geplaatst te worden en ook op het graf. \u00a0Ook werd het graf opnieuw bewierookt en met wijwater besprenkeld. \u00a0Tijdens die jaarlijkse herdenking werden er in totaal 80 prebenden uitgedeeld aan verschillende kloosterorden (met een preferentie voor de Augustijnen) maar ook drie aan elke arme leerling van de Bogardenschool en de arme meisjes \u201cin de Ezelstrate\u201d (Sint-Elisabeth). \u00a0Per kloostergemeenschap dienden er minimaal twee monniken deel te nemen of ze verloren hun prebende ter waarde van 4 schellingen (6), uitgekeerd in 2 broden en 2 schellingen in contanten. \u00a0Van de beide voornoemde scholen dienden er minstens zes jongens en zes meisjes aanwezig te zijn. \u00a0Nergens staat dat de jongens ook al optraden als flambeeuwdragers-begeleiders maar het ligt wel voor de hand aangezien de &#8220;meyskens&#8221; van de Sint-Elisabethschool die functie ook uitoefenden op begrafenissen van vrouwelijke overledenen. \u00a0Er was een speciale band tussen de Augustijnen en de Bogardenschool. \u00a0De beste leerlingen konden de humaniora volgen bij de Augustijnen of de Jezu\u00efeten en daarna nog filosofie en theologie studeren in Leuven of Douai. \u00a0Na hun priesterwijding droegen ze hun Eerste Mis op in de Bogardenkapel (7). \u00a0Wanneer men in zijn kindertijd al heel wat jaren heeft opgetreden als uitvoerder van de katholieke rituelen is men alleszins voldoende gekneed voor een roeping. \u00a0De vereiste genade stroomt dan ongehinderd binnen in het onderbewuste. \u00a0De uitdeling van prebenden onder de vorm van mondkost was ook een probaat middel om meer volk naar de kerkdiensten te lokken.<\/p>\n<p><strong>De &#8220;Stedelijke Arme Meisjesschool&#8221; (Sint-Elisabeth)<\/strong><\/p>\n<p>Het Elisabethklooster behoorde oorspronkelijk tot de Derde Orde van Sint-Franciscus en werd rond het midden van de 15<sup>de<\/sup> eeuw gesticht in de Ezelstraat te Brugge. \u00a0In 1515 besloten de Sint-Elisabethzusters tot de orde der Annuntiaten toe te treden en verhuisden drie jaar later naar het pas opgerichte Annuntiatenklooster buiten de Ezelpoort. \u00a0De Stad nam toen hun gebouwen in de Ezelstraat over om er de \u201cStedelijke Arme Meisjesschool\u201d in onder te brengen. Het werd ook wel het &#8220;Huys der scamele maegdekens&#8221; genoemd of Sint-Elisabethschool. \u00a0Het werd beschouwd als de tegenhanger van de Bogardenschool. \u00a0In 1781 was de school verhuisd naar de leegstaande gebouwen van het voormalig Engels Jezu\u00efetencollege aan de Spiegelrei (nu Basisschool Brugge Centrum). \u00a0In 1802 verhuisde men naar de gebouwen van de zusters van het gasthuis van Sint-Magdalena op de Garenmarkt (8). \u00a0De school werd gesloten in 1884, zoals de Bogardenschool dit al het jaar voordien overkwam (9).<\/p>\n<p>Op 6 december 1712 overleed in Brugge (de ongehuwde) Isabelle van Vyve. De &#8220;Staat van Goed&#8221; laat zien hoe ze de uitvaart wilde regelen: &#8220;Myn lichaem moet gedraghen worden door d\u2019aerme kynderen van de meyskens stede schoole, 36 int getal: 24 om de flambeeuwen te draghen, 6 om te draghen het lyk, ende 6 om drye stroeymandekens te draghen in de kerkcke&#8221; (10). \u00a0Het betreft hier een rijke begrafenis en het aantal flambeeuwdragers kon verschillen naargelang de begrafenisklasse (bijv. 24 of 12). \u00a0Er is ook een verband tussen de begrafenis en het klokluiden, maar dit aspect kunnen we hier niet behandelen. \u00a0De familie Van Vyve was welgesteld. \u00a0Die invloedrijke beenhouwersfamilie was verknoopt met talrijke patrici\u00ebrsfamilies (11).<\/p>\n<p>Ook de vermelding van de \u201cstroeymandekens\u201d is interessant. \u00a0Dit wijst op een lijkprocessie in de kerk. \u00a0Dergelijk strooigoed van bloemen en groen werd in het algemeen gestrooid op de processieweg. \u00a0Het mocht door de kerkgangers meegedaan worden naar huis; die bloemen en het groen waren als het ware geheiligd. Dergelijk ritueel was ook typisch voor de begrafenis van een ongehuwde vrouw, de &#8220;vrome maagd&#8221; en ook bij een kinderbegrafenis werden er bloemen gestrooid. Ook de kleur van de pelder (baarkleed) werd in beide gevallen aangepast. \u00a0De kleur wit overheerste (12), de kleur van zuiverheid en onschuld. \u00a0De toestand in 1712 zegt natuurlijk niets over het gebruik in het midden van de 16<sup>de<\/sup> eeuw maar met A. Duclos sluiten we niet uit dat de ontwikkeling vanaf de 16<sup>de<\/sup> eeuw analoog verliep en dat zowel mannen als vrouwen separaat werden vergezeld door flambeeuwdragers van beide weesscholen wanneer dat testamentair was bepaald. \u00a0Het was inherent aan het totaalgebeuren.<\/p>\n<p><strong>De &#8220;sotkens&#8221;<\/strong><\/p>\n<p>Het uitnodigen van vrienden en kennissen om bij sterfgevallen de uitvaartdienst bij te wonen gebeurde in Brugge door de &#8220;Bidders&#8221;. \u00a0Die Bidders werden ook wel reeuwers (13) genoemd en waren in feite ook lijkverzorgers en vooral de lijkdragers. \u00a0Het dragen van de flambeeuwen, op dezelfde wijze als later de &#8220;Steedse Bollen&#8221; gebeurde v\u00f3\u00f3r 1672 echter door oude mannetjes die men de &#8220;sotkens&#8221; noemde. \u00a0H Stalpaert, die het begrip &#8220;sotkens&#8221; niet kon verklaren, publiceerde een &#8220;Staat van Goed&#8221; uit 1665 van Louis Maes, in 1665 overleden te Brugge en begraven in de Sint-Salvatorskerk. \u00a0In de eindafrekening (14) worden de volgende kosten vermeld: &#8220;Betaelt aen Staesen Reubens over de leverynghe van 24 sotrocken (15), cruysen ende candelaers\u2026Item betaelt aende XXIIIJ &#8220;sotkens&#8221; over \u2019t draghen van de flambeausen jinde synkynghe \u2026(16). \u00a0Er waren 24 ouderen (Sotkens) met 24 flambeeuwen die ook 24 stuks (wellicht zwarte) bovenkleding (sotrocken) ter beschikking kregen om de misschien al te sjofele kledij voor de duur van de plechtigheid te uniformiseren (17). \u00a0We zagen reeds bij de &#8220;Scamele maegdekens&#8221; dat het aantal 24 een constante vormt. In een tijd dat er nog geen staatspensioen bestond en &#8220;Onderstandsmaatschappijen&#8221; kon dit voor iemand op hoge leeftijd en al of niet met gezondheidsproblemen (de &#8220;Zotjes&#8221;) een welkome bijverdienste betekenen al bedroeg het maar een paar schellingen of een gratis brood.<\/p>\n<p>Hiermee hebben we niet gezegd dat oud gelijkstaat aan zwakzinnig of &#8220;sottigheyt&#8221;. \u00a0De boer in het kaartspel noemt men ook &#8220;de zot&#8221;. \u00a0Bejaarden werden ten onrechte nog al snel gelijk gesteld met het &#8220;Oud Zothuys&#8221; (18). \u00a0Onze &#8220;Sotkens&#8221; waren hun verstand niet kwijt maar gedroegen zich misschien wat vreemd; men kan zot doen zonder het te zijn. \u00a0Sot\/Sotte als bijvoeglijk naamwoord betekent &#8220;vreemd op een grappige manier&#8221;. \u00a0Door gedrag en uitzicht werden oude volksmensen wellicht snel als &#8220;Sotkens&#8221; gekwalificeerd en dat gold zeker na het nuttigen van een hoeveelheid brandewijn.<\/p>\n<p>Overdreven aandacht voor het uiterlijk en schoonheidszorgen is van recentere datum en de &#8220;aqua vitae&#8221; behoort nu eenmaal bij de begrafenis, ook nu nog. \u00a0Dat onze begripsomschrijving juist is weten we uit een mededeling uit 1672 in de &#8220;Brugse Kroniek&#8221; van J.P. Le Doulx (1730-1807), de bekende tekenaar, schilder en schrijver (19): &#8220;Tot nog toe was het de gewoonte dat men beroep deed op oude mannen om bij begravingen en uitvaarten de flambeeuwen te dragen. eSommige onder hen waren dikwijls onder de invloed van de drank en gaven veel ergernis. \u00a0Daarom gebood het magistraat in het vervolg voor dergelijke plechtigheden beroep te doen op de knechtjes van de &#8220;Arme stedeschole&#8221;. \u00a0Op 8 februari bij de begrafenis van Michiel de Waele hebben de knechtjes voor de eerste maal de flambeeuwen gedragen naast het lijk, dit in vervanging van de oude mannetjes, die men de &#8220;Zotjes&#8221; noemde. \u00a0Voor ieder kind moest een schelling betaald worden\u201d (20).<\/p>\n<p>Het gebruik van flambeeuwen wordt voor het eerst vermeld in een rekening van 1674 &#8220;\u2026 de flambeeuwen ghedraghen by kinderen van deze schole in de begravinghen\u2026&#8221; (21). \u00a0Het is ook vanaf dat jaar dat er een &#8220;Noticieboek van \u2019t dragen van flambeeuwen in de begravingen door de knechtjes van de Bogaerdeschool. 1674&#8221; werd bijgehouden. \u00a0Het was laatst in het bezit van kanunnik Charles Coppieters Stochove (1846-1917). \u00a0Deze kanunnik van Sint-Salvators in Brugge is overleden op 30\u00a0januari 1917 (22) en op 15 juli 1917 schonken zijn erfgenamen het &#8220;Noticieboek&#8221; aan het Stadsarchief van Brugge (23). \u00a0Wat in de 17<sup>de<\/sup> eeuw werd beslist hoeft daarom nog niet direct in praktijk gebracht te worden. \u00a0Nog eind 18<sup>de<\/sup> eeuw komen we een mengvorm tegen. \u00a0Op 30 juni 1789 vond er een begrafenis plaats in Sint-Walburga met &#8220;eenige stedeballen met waschlicht, gelijk ook 24 oude mannen&#8221; (24).<\/p>\n<p><strong>De kisteklopper<\/strong><\/p>\n<p>De Bruggeling zat niet om een originele naam verlegen. \u00a0Behalve de &#8220;Sotkens&#8221; kende men ook de benaming &#8220;kistecloppere&#8221; dat, zo bewees A. Schouteet, synoniem was voor &#8220;biddere&#8221;, nog een naam die verwijst naar de functie van de lijkbidder. \u00a0De kisteklopper was niet alleen aanzegger maar droeg ook het kruis, het vaandel en de pelder als assistent bij begrafenissen.<\/p>\n<p>De volgende rekening uit 1509 werpt meer licht op de functieomschrijving: &#8220;Betaelt Jacob Destiers, kistecloppere, voor zynen aerbeyt by hem gedaen in \u2019t bedienen vanden sterfhuuse, voor de huere van den raukeerlekins (25) van den twintich aerme mannen, die de tortsen drouhhen, ende \u2019t doen becondighen van der uutvaert van den overleden, tsamen, per billet en quitancie, de somme van: 35 s. 11 d.gr. (26). Brugge, Stadsarchief, fonds van de ambachten, rekeningen van het librari\u00ebrsgilde 1454-1523, rekening over het dienstjaar 1509 jan.1-dec.31,fol.162.<\/p>\n<p>De kistenklopper huurde dus voor elk van de twintig (27) arme mannen een rouwmantel die de tortsen (flambeeuwen) droegen. \u00a0In de 16<sup>de<\/sup> eeuw had de kistenklopper dus zowel de taak van aanzegger (het uitnodigen tot bijwonen van de begrafenis) als het uitvoeren van allerlei taken in het sterfhuis. \u00a0In Ieper heette in de 16<sup>de<\/sup> eeuw zo\u2019n bezoldigd rouwklager een &#8220;Slovaert&#8221; (28). \u00a0Op 17 november\u00a01505 overleed in het Augustijnenklooster van Brugge de gewezen pater-provinciaal en in zijn lijkstoet liep een &#8220;Rauwsleper&#8221; mee. \u00a0Dat is een persoon die in een plechtig rouwgewaad het lijk volgde op de uitvaart en naar de laatste rustplaats. \u00a0Zijn &#8220;rock ende rauwcapproen&#8221; kostte 6 s. 3 gr. (29).<\/p>\n<p><strong>Merkwaardige begrafenisstoeten (18<sup>de<\/sup>\u00a0eeuw)<\/strong><\/p>\n<p>De &#8220;Merckenweerdigste voorvallen&#8221; van de kroniekschrijver Jozef van Walleghem (1757-1801) zijn een onmisbare bron voor de geschiedenis van de 18<sup>de<\/sup> eeuw in Brugge. \u00a0Het beslaat de periode 1787-1797 en werd door het Gemeentebestuur van Brugge in acht delen uitgegeven o.l.v. prof. dr. Y. Van den Berghe (30). \u00a0J. van Walleghem beschreef misdaden en terechtstellingen maar had ook veel aandacht voor de optochten van schuttersgilden en grote begrafenisstoeten. \u00a0We zullen dat illustreren aan de hand van een drietal voorbeelden.<\/p>\n<p>Op 17 januari 1787 overleed Fran\u00e7ois-Xavier Simon de Ville (1737-1787), de schout van Brugge. \u00a0Twee dagen later vond de begrafenis plaats waarbij de stoet vertrok om vijf uur \u2018s avonds richting St.-Donaaskathedraal. \u00a0Zoals bij Charles Lauwereyns (zie verder) moesten al de stedeballen (stedebollen) aanwezig zijn &#8220;elck met eene flambeeu, versiert met zijne waepens&#8221;. Aangezien hij begraven werd in Sint-Michiels werd hij vergezeld tot aan de Smedenpoort (31).<\/p>\n<p>Verder is daar de begrafenis van Charles Lauwereyns de Roosendaele de Diepenhede (1724-1789), hoofdman van de St.-Jorisgilde, schepen van de Stad en zoveel meer (32). \u00a0Die stierf op 3 juni en werd begraven op 5 juni 1789. \u00a0Het lijk werd in de namiddag opgebaard in het &#8220;Oudhof&#8221; van de schuttersgilde en pas om zes uur \u2019s avonds vertrok de stoet naar de Sint-Jacobskerk voor de lijkplechtigheden. \u00a0De stoet werd geopend door de vaandeldragers van de verschillende verenigingen geflankeerd door de koorheren van de St.-Jacobsparochie en &#8220;alle de stedeballen deser stadt met brandende flambeeuwen verciert&#8221; die naast het lijk liepen. \u00a0Daarachter liepen zijn vrienden-edellieden met de wapenschilden en de schutters in gewoon uniform. \u00a0Na de kerkdienst werd het lijk in een karos vervoerd, door de Steenstraat, tot aan de Smedenpoort (33) &#8220;onder het geduerig singen&#8221; van de stedeballen (34).<\/p>\n<p>Tot slot volgen we de begrafenis van Joannes de Caesemaecker op 27 januari 1790. Hij was sire of koning van de St.-Sebastiaansgilde van Sint-Kruis (1752-1790) (35) en van 1749 tot 1755 directeur van het Brugse Munthuis. \u00a0Dit muntatelier sloot in 1755 en hiermee werd hij de laatste muntmeester van Brugge. \u00a0We laten Van Walleghem zelf aan het woord: &#8220;Op den 27 januarij wiert het lijk van den heer Kaesemaecker, overleden koning van de gilde van St.-Kruijs, zeer pligtig ter aerde bestelt, \u2019s avons om vijf uren op de volgende order: voorop gingen eenige vaenen, dan volgden 30 stedeballen singende de Miserere, agter dese de leden der zelve gilde met brandende flambeeuwen, tusschen dese ging het truermusik in vollen rouw omhangen, gelijk ook den standaert omhangen met rouwlinten, dan volgde het lijk, liggende op hetzelve het blasoen met den eerevogel waermede den koning geduerende zijn leven hadde omhangen geweest (36), liggende op een verheven kussen. Eenige carossen volgden het lijk \u2019t welk desen avond zeer pligtig op \u2018t kerkhof van St.-Kruijs begraven wiert\u201d (37).<\/p>\n<p><strong>Commentaar<\/strong><\/p>\n<p>Bij die plechtige begrafenissen vertrok men pas \u2019s avonds om vijf uur, soms zes uur. \u00a0In de winter betekende dat dat de lijkstoet in het duister zijn weg baande. \u00a0Die lijkstoet werd niet alleen door de flambeeuwdragers van de stedebollen vergezeld, maar soms ook nog eens door anderen zoals gildeleden met flambeeuwen. \u00a0Naast de religieuze betekenis en een vorm van eerbetoon kunnen we ook concluderen dat we hier te maken kregen met een echte fakkeloptocht. \u00a0De flambeeuw was op dat moment ook lichtbron. \u00a0Dat late uur schijnt geen uitzondering te zijn. \u00a0Wilhelmus Herinckx, 12<sup>de<\/sup> bisschop van Ieper, werd begraven op 20 augustus\u00a01678 \u201cten seven uren \u2019s avons\u201d (Rond den Heerd, X, 1875, p. 300). \u00a0We zien verder dat er niet 24 stedebollen opgeroepen werden maar dat men soms rekende op 30 deelnemers en in twee gevallen op ALLE stedebollen. \u00a0Dat gold natuurlijk alleen voor de plechtige en dure begrafenissen. \u00a0In de dood is iedereen gelijk maar de ongelijkheid komt natuurlijk duidelijk tot uiting in de verschillende begrafenisklassen en de testamentaire voorbereidingen die men treft om dat te veruiterlijken (38). \u00a0In de dood bestond er wel degelijk een sociale hi\u00ebrarchie. J. Van Walleghem schrijft steeds stedeballen i.p.v. stedebollen. \u00a0De betekenissen van bol en bal liggen dicht bij elkaar en zijn bijna synoniem. \u00a0Zo zijn oogbal en oogbol synoniemen van elkaar. \u00a0Bal en bol betekenen beide \u201crond voorwerp\u201d. \u00a0Bol is oorspronkelijk een variant van bal. \u00a0Bal en bol komen al minstens zeven eeuwen naast elkaar voor (39). \u00a0In ons geval slaat de volkse benaming bolle ( = hoofd) op het kortgeknipte hoofdhaar van de leerlingen van de stadsschool (40).<\/p>\n<p><strong>De kledij van de Steedse Bollen<\/strong><\/p>\n<p>Vanaf 3 januari 1513 werd de Bogaerdeschool (Bogardenschool) officieel de &#8220;knechtjens Stedeschool&#8221;. \u00a0De Magistraat benoemde negen (later teruggebracht tot zes) voogden of gouverneurs die elk een gift deden van 12 Philippus guldens (41). \u00a0Er waren toen 30 kinderen in de school. \u00a0J.B. Gailliard schrijft in zijn bekende &#8220;Kronyk of Tydrekenkundige beschryving der stad Brugge&#8221; (Brugge, 1849) dat de stadsmagistraat van Brugge door die gift in staat gesteld werd om voor die kinderen degelijke kledij te voorzien.<\/p>\n<p>&#8220;De kinderen werden al met eene vest, broek en koussen van wit wollen laken gekleed, hun overrok of habit, ook van wol, was aen de ene zyde rood en aen de andere zyde blauw, welke kleuren het wapen van der stad verbeelden; op het hoofd droegen zy eene ronde platte gebreide muts\u201d (42). \u00a0J.B. Gailliard laat hier uitschijnen dat dit de kledij was uit het begin van de 16<sup>de<\/sup> eeuw maar in feite slaat het op een latere periode maar het beantwoordt wel grosso modo aan de algemene opvatting. \u00a0Deze &#8220;Kronyk&#8221; van boekbinder Bernard Joseph Gailliard (5.9.1771-18.4.1848) werd in 1849 postuum uitgeven door zijn zoon Jean-Jacques Gailliard (1801-1867) (43). \u00a0Het werd gedrukt bij C. De Moor in de Philipstockstraat maar de uitgever was J.J. Gailliard die het nagelaten manuscript heeft &#8220;verrykt met aenbelangende aentekeningen&#8221;. \u00a0Die voetnoot 2 op p. 202 kan dus ook van hem afkomstig zijn. \u00a0Het werd in 1937 in ieder geval nog altijd overgenomen door A. Maertens in zijn standaardwerk over &#8220;Onze Lieve Vrouw van de Potterie&#8221; (44). \u00a0In 1551 werden ze, zo zagen we reeds eerder, in ieder geval verwacht in &#8220;zwarte ke(e)rle en met capproen&#8221; en dat wijst er op dat kleurrijke kledij niet gewenst was op een begrafenis. \u00a0De folia 449r-467r met het &#8220;Officie voor de doden&#8221; uit het Grimani-Brevier geven ons een beeld van de zwarte funeraire kledij. \u00a0Dit verluchte Vlaamse handschrift uit 1510-1520 is een primaire schilderkunstige bron (45). \u00a0Een archivalische bron die van eerste rangorde is voor ons onderwerp is &#8220;Den Speghel Memoriael sprekende van \u2019t gouvernement van den godshuuse ten Bogaerde anno XV\u2019-LV&#8221; van de kroniekschrijver Zeger van Male. \u00a0Dit handschrift uit 1555 werd uitgegeven door A. Schouteet en handelt over het beheer van de Bogardenschool (46). \u00a0Zeger van Male (Brugge 1504-Brugge 1601) was van 1550 tot 1554 gouverneur van de Bogardenschool (47) en dus een belangrijke eigentijdse getuige. \u00a0Het was hij die het voorstel deed om de leerlingen een uniform te laten dragen in de twee kleuren \u201cblaeu ende root\u201d(48): &#8220;Daernaer metten eersten den tresorier te sprekene ende hem vriendelicken te biddene, dat hem beliefven zoude de lakenen te coopene, ofte doen coopene, van twee dese couleuren, te wetene: blaeu ende root, ofte graemintsel (49) ende Rowaensch (50), updat de twee colueren altyts daerwaert up dat couleur trecke, ende genouch gelyck zy, ter causen dat onsen kinderen altyts by een gelyck coluer mueghen ghekent werden als aerme kinderen van de Bogaerde te Brugghe, gelyck dat men kendt een schotter van den ouden ofte jonghen boghe an zyn pareure&#8221; (51) Zeger van Male, mersenier (handelaar in garen en band) en bokraanverver (52) nam als gouverneur van de school veel initiatieven o.m. bij de bestrijding van de luizenplaag (53). \u00a0Het is maar de vraag of men snel is ingegaan op zijn voorstel om laken te kopen en kledij te vervaardigen in twee kleuren. \u00a0Dat blijkt in elk geval niet uit de bewaard gebleven loterijkaart van de schilder Pieter Pourbus (1523-1584) uit 1574. \u00a0Deze &#8220;chaerte&#8221; of houtsnede was getiteld &#8220;Loterie voor de schamel schoolkinderen van de knechten ten Bogaerde binnen Brugghe&#8221; en de opbrengst van deze loterij diende voor het aanleggen van waterwerken om de hygi\u00ebne van de school te verbeteren (54). \u00a0Op de rechterhelft van de houtsnede zien we de leerlingen die de schoolpoort verlaten . De &#8220;jonghe clercken&#8221; dragen een &#8220;scriftoris&#8221; (pennekoker en inktpotje) aan de riem en houden een bonnet in de hand maar hun uniform vertoont niet de blauw-rode combinatie. \u00a0Op het uniform is de Brugse B in stof geborduurd. \u00a0Veel later, in 1745, zien we die blauw-rode combinatie wel op het schilderij &#8220;Gaaischieten in de Bogardenschool&#8221; door de schilder Jan Antoon Garemijn (1712-1799) (55). \u00a0Dit doek werd in opdracht van enkele weldoeners aan de Bogardenschool geschonken op 12 december 1745, wat blijkt uit een inschrijving in de registers van de Burgerlijke Godshuizen (56). \u00a0De halvering is hier duidelijk: de linker helft is blauw, de andere donkerrood. \u00a0Het rood en blauw waren ook de kleuren van de historische uniformen van de Gentse weeskinderen, beter gekend onder de naam &#8220;kulders&#8221; (57). \u00a0Toen de school in 1796 overging naar het bestuur van de Burgerlijke Godshuizen werd gedacht aan verandering van uniform maar een beschrijving vonden we niet terug. \u00a0We vinden terug een houvast in een reglement uit 1844 (58) waar hoofdstuk vier over de kledij handelt. \u00a0Daarin zegt art. 26 &#8220;Iedere leerling heeft zijn eigen genummerde uitzet: de lange jassen (redingotes) met een groot geel nummer aan de buitenzijde. \u00a0Art.27 Op de gewone werkdagen draagt iedere leerling de kledij van elke dag. Op de gewone zon- en feestdagen wordt het uniform 2<sup>de<\/sup> klasse gedragen; op de grote feestdagen (de uitgangsdagen en andere aangeduide dagen) het uniform 1<sup>ste<\/sup> klasse. \u00a0Het is niet toegelaten een andere kledij te dragen dan deze hierbij aangegeven&#8221;.\u00a0 Er wordt hier niets gezegd over de kleur maar alles wijst toch op een meer moderne snit. \u00a0Ze beschikten over een &#8220;uniforme de deuxi\u00e8me classe&#8221; en voor het feesten en uitgaan over een &#8220;uniforme de premi\u00e8re classe&#8221;. Uit de registers met inkomsten en uitgaven (59) vernemen we dat de uniformen blauw waren (serge bleu, drap bleu, drap bleu militaire) en er is zelfs een post over het opnieuw blauw verven van 100 broeken. \u00a0De aangekochte stoffen moeten dienen tot het maken van broeken, ondervesten, jassen en overjassen (pantalons, gilets, vestes, paletots). \u00a0Er werd ook een lederen riem gedragen. \u00a0De eerste vermelde hoofddeksels uit die periode zijn &#8220;zwarte lederen mutsen&#8221;, maar later wordt rood (amarant, rode kleurstof ) laken aangekocht voor het vervaardigen van mutsen. \u00a0Die mutsen waren voorzien van linten. \u00a0Er werden ook rode uniformmutsen aangeschaft die al kant en klaar waren. \u00a0Er werden ook kepies gedragen en soms hersteld. \u00a0Er was ook een overvloedige aankoop van witte handschoenen en die hoorden ongetwijfeld bij het uitgaanskostuum. \u00a0Daar hoorde dan weer een witte das bij terwijl de leerlingen die een beroep aanleerden een gekleurde das kregen. (Er was ook een verschil tussen de binnen- en buitenleerlingen). \u00a0In de gymnastieklessen was er veel aandacht voor de &#8220;stokoefeningen&#8221;. \u00a0Flink recht opzitten en uiteraard goed zijn catechismus kunnen opzeggen waren uitermate belangrijk. \u00a0Uniformen in &#8220;drap militaire&#8221; en kepies wijzen alleszins in de richting van lichaamsoefeningen die konden voorbereiden op een eventueel (tijdelijk) soldatenbestaan. \u00a0Er bestonden wel meer scholen waar met houten geweren bepaalde vaardigheden werden aangeleerd.<\/p>\n<p><strong>De flambeeuw<\/strong><\/p>\n<p>De benaming flambeeuw is eigenlijk het West-Vlaams voor flambouw. \u00a0Het komt van mnl. flambeeu (ook nog de schrijfwijze in de 18<sup>de<\/sup> eeuw), in het Frans flambeau, dat toorts of fakkel betekent (60). \u00a0Flambeeuwdragers waren natuurlijk niet exclusief verbonden met de &#8220;Steedse Bollen&#8221;. \u00a0Ze komen bij alle processies voor, denken we slechts aan de priester met het H. Sacrament onder een baldakijn, omringd door flambeeuwdragers. \u00a0Ook kaarsen op een grote kandelaar worden flambouwen genoemd. \u00a0Er bestonden ook wel flambouwen of toortsen met katoen en was maar die hadden niet de symbolische betekenis van &#8220;het ware licht&#8221;, de metafoor van waarheid en leven.<\/p>\n<p>De grote processiekaarsen (die in de R.K. liturgie ook toorts worden genoemd) werden altijd in de hand gedragen en aan de buitenzijde van de processie. \u00a0In de 19<sup>de<\/sup> en 20<sup>ste<\/sup> eeuw werd de flambeeuw de klassieke processielantaarn, maar in de late Middeleeuwen waren het steevast grote kaarsen waarbij het gewicht van de was uitgedrukt werd in ponden (61). \u00a0De dikke wassen kaars werd ook omschreven als flambeeuw zoals we onder meer lezen in het testament van vicaris-generaal Petrus De Pauw (1727-1810) opgemaakt op 18 augustus 1805 (62). \u00a0Bij kaarsen is de brandtijd het aantal minuten dat de kaars kan branden. \u00a0De brandtijd is afhankelijk van het gewicht van de kaars maar ook de prijs is afhankelijk van het gewicht.<\/p>\n<p>Het gewicht van de kaarsen in voornoemd testament wordt al uitgedrukt volgens het metriekstelsel voor gewichtsmaten. \u00a0Met het decreet van 18 Germinal An III (7 april 1795) werd het metrieke stelsel ingevoerd in de Franse Republiek (dus ook in de voormalige Oostenrijkse Nederlanden) maar het maakte dit systeem nog niet verplicht. \u00a0Iedereen is het er over eens dat de invoering van het metriekstelsel een van de belangrijkste verwezenlijkingen was van de Franse Revolutie en het napoleontische tijdperk (63). \u00a0De beoogde kaarsen, &#8220;flambeau&#8221; genoemd, werden heel precies opgegeven en wogen precies 9278 decigram (64) wat er op wijst dat het een standaardmaat was voor een bijzonder forse kaars van meer dan 9 kilo. \u00a0En dan voorzag De Pauw een dienst van tweede klas en niet eerste klas! \u00a0Dat lijkt overdreven veel maar ook tegenwoordig zijn er nog paaskaarsen te verkrijgen van 10 kilo en met een lengte van 120 cm (65). De paaskaars wordt heden ten dage (bij een katholieke begrafenis) opgesteld bij de lijkbaar als verrijzenissymbool. \u00a0Zo\u2019n grote kaars (&#8220;waschlicht&#8221;) van de Steedse Bollen brandde niet volledig op gedurende de plechtigheid en werd daarom toebedeeld aan andere religieuze instanties die daar hun voordeel mee konden doen. \u00a0Een prijzenswaardig duurzaam beleid. \u00a0Maar dat was geen uitzondering. \u00a0Het hergebruiken van goederen was in de pre-industri\u00eble maatschappij gebruikelijk in verschillende sectoren (66).<\/p>\n<p><strong>Besluit<\/strong><\/p>\n<p>Het ligt niet voor de hand dat de Stad, na de afschaffing van de Bogardenschool in 1883, zich nog zou inlaten met de Steedse Bollen. \u00a0De Stad heeft na de afschaffing nog inkomsten uit de Bogardenschool, die genoteerd worden in de stadsrekeningen, maar nergens is er een spoor van ontvangsten voor het begeleiden van begrafenissen. \u00a0Als begeleiders van begrafenisstoeten diende er later overgeschakeld te worden naar vrijwilligers en werd de bedrijvigheid geprivatiseerd. \u00a0De laatste stuiptrekkingen van die revival liepen dood in 1920-1921. \u00a0In de 16<sup>de<\/sup>&#8211; 17<sup>de<\/sup> eeuw werden de leerlingen van de Bogardenschool \u00e8n van de St.-Elisabethschool ook opgeroepen om deel te nemen aan de gewone processies. \u00a0In de 18<sup>de<\/sup> eeuw werden de jongens eveneens gevorderd om te helpen blussen bij brand. \u00a0In de 19<sup>de<\/sup> eeuw ontstond er een andere situatie voor de flambeeuwdragers. \u00a0Toen stond er een kleine financi\u00eble vergoeding tegenover en de kinderen, zowel in de Bogardenschool als in de St.-Elisabethschool, mochten het geld weliswaar niet zelf bewaren maar het werd wel bij hun spaargeld gevoegd. \u00a0Het is de reden waarom de kinderen stonden te popelen om te worden opgeroepen. \u00a0Het schoolreglement voerde zelfs het niet mogen deelnemen in als een offici\u00eble straf zodat men inteerde op zijn spaargeld. \u00a0In de 20<sup>ste<\/sup> eeuw, na de heroprichting, werd het hele gebeuren gecommercialiseerd onder het mom van een oude traditie (67).<\/p>\n<p>We kunnen dit onderwerp natuurlijk niet ten gronde uitdiepen voor heel Vlaanderen. \u00a0Er waren ook nog wel andere steden in Vlaanderen waar tot v\u00f3\u00f3r 1940 oude mannen meeliepen in de lijkstoet. En de &#8220;Steedse Bollen&#8221; kwamen ook in andere steden voor onder andere namen zoals &#8220;De Heilig-Geest jongens&#8221; in Kortrijk die leren broeken en rode mantels droegen (68), in Ieper de &#8220;Sloetsen&#8221; (uit de Knechtenweesschool), zo genoemd omdat ze sluitende lederen petten (&#8220;sloetsen&#8221;) droegen (69), in Gent de &#8220;Kulders&#8221;, in Antwerpen werden ze gewoon de &#8220;Knechtjesjongens&#8221; (70) genoemd. En het bleef niet beperkt tot ons land alleen. In Londen vervulden de &#8220;Blue-Coats&#8221; (leerlingen van de zgn. &#8220;charity schools&#8221;, gesticht vanaf de 16<sup>de<\/sup> eeuw) dezelfde functie; de anglofiel Guido Gezelle (1830-1899) noemt ze de Steedse Bollen van Londen (71). \u00a0En uiteraard kunnen we Frankrijk niet onvermeld laten. \u00a0Daar liepen arme kinderen en wezen (of verlaten kinderen) mee in de begrafenisstoet m\u00e8t toortsen van de 13<sup>de<\/sup> eeuw tot de 18<sup>de<\/sup> eeuw (72) en in de grote begrafenissen tot begin 19<sup>de<\/sup> eeuw (73). \u00a0En er was nog een constante: er werd testamentair altijd een gift voorzien voor de kinderen die deel uitmaakten van &#8220;le convoy&#8221;. \u00a0We nemen aan dat dit bij ons niet anders was. \u00a0We gebruiken daarvoor het argument van de extrapolatie. \u00a0Brugge was in de 13<sup>de<\/sup> eeuw de economische hoofdstad van Noordwest-Europa met een bevolking van 40.000 tot 45.000 mensen. \u00a0Tijdens de veertiende eeuw kende de middeleeuwse handel zelfs zijn hoogtepunt (74). \u00a0De algemene kenmerken en praxis van de christenheid uit het Westen zullen ook hier wel hebben gegolden. \u00a0Het imponeren nam af maar het dreigen met eeuwige verdoemenis en hellestraffen bleef tot in de jaren vijftig van de 20<sup>ste<\/sup> eeuw. \u00a0In feite is het een verhaal over toenemende machtsinlevering van de kerk na vele eeuwen monopolie op dood en begrafenis. \u00a0In feite gold dat voor de hele levensloop: van de wieg tot het graf (75). \u00a0Beetje bij beetje brokkelde dat af (eind 18<sup>de<\/sup> eeuw ingezet met verbod op het begraven in het kerkgebouw; kerkhof buiten de stad), zodat het pompeuze als exponent van macht en intimidatie (76) plaats maakte voor versobering en aalmoezen vervangen werden door betere sociale ondersteuning door de burgerlijke overheid.<\/p>\n<p>Willy Dezutter<\/p>\n<p><strong>Noten<\/strong><\/p>\n<ol>\n<li>G. Dewaele, Geschiedenis van de Bogardenschool. In: W.P.Dezutter en M. Goetinck (red.), 125 jaar Stedelijke Nijverheidsschool. Techniek als hefboom voor wetenschap en cultuur. Brugge, 1979, pp. 13-57.<\/li>\n<li>A. Duclos, Bruges. Histoire et Souvenirs. Brugge, 1910, p. 283. \u201cSteedsche Bollen\u201d.<\/li>\n<li>Kerle = keerle. Een tabbaard of wijde lange mantel. Een bovenkleed zowel gedragen door mannen als vrouwen. Vgl. Middelnederlands Woordenboek. \u00a0De \u201ccapproen\u201d is een hoofddeksel voor de man. \u00a0Zie ook: Wetkeerlen=tabbaard, lange statierok, bij L. De Bo, Westvlaamsch Idioticon, Brugge, 1873, p. 1395.<\/li>\n<li>L. Gilliodts-Van Severen, Inventaire diplomatique des archives de l\u2019ancienne Ecole Bogarde \u00e0 Bruges. Brugge, 1899, deel I ,p. 172. \u00a0De gouverneurs (bestuurders) en de kinderen werden zowel verplicht deel te nemen aan de avondwake (de vigili\u00ebn) als de uitvaart. \u00a0Dergelijke verplichtingen werden dikwijls contractueel vastgelegd. Vgl. de fundatiesteen van Josijne Reynaerts, weduwe Pieter Gillis uit 1517 nu nog altijd te zien in de Sint-Gilliskerk, Brugge.<\/li>\n<li>L. Gilliodts-Van Severen, Inventaire, op.cit. p. 508-511. Gilliodts had de onhebbelijke gewoonte om vreemde familienamen te vertalen. \u00a0Hij heeft het dan ook niet over Lopez de la Corona maar Loupes de la Couronne.<\/li>\n<li>1 pond Vlaams was 20 schellingen of 240 penningen (denier); 1 schelling=12 penningen of groten , dus 1\/20 van een pond of livre. Pond (lb), schelling (s.), groot (gr.).<\/li>\n<li>G. Dewaele, op.cit. p. 21<\/li>\n<li>L. Devliegher, De huizen te Brugge. Tielt-Amsterdam, tweede herziene uitgave, 1975, p. 79 en de interessante deur afb. 186; J.A. Van Houtte, De geschiedenis van Brugge, Lannoo, Tielt, 1982, p. 388; M. Ryckaert, Brugge. Historische Stedenatlas van Belgi\u00eb. Brussel, 1991, p. 187 en A. Vandewalle, Beknopte inventaris van het Stadsarchief van Brugge. Deel I: Oud Archief. Gemeentebestuur Brugge, 1979, p. 160 nr. 439.<\/li>\n<li>Voor de perikelen rond de sluiting van beide scholen zie: G. Dewaele, op.cit. p. 30-31.<\/li>\n<li>H. Stalpaert, Volkskunde van Brugge. Brugge, 1974, p. 172.<\/li>\n<li>A. Van den Abeele, De familie van (H)Outryve en Van Vyve. In: Biekorf, 85 (1985), p. 310.<\/li>\n<li>R. Van Uytven, Rood-wit-zwart: kleurensymboliek en kleursignalen in de middeleeuwen, in: Tijdschrift voor geschiedenis, CVII (1984), pp. 447-469.<\/li>\n<li>De \u201creeuwers\u201d (West-Vlaams) konden verschillende functies bekleden maar daarover werd al voldoende gepubliceerd o.m. in Biekorf, 61 (1960), p. 179 e.v. \u00a0Zie voor de dragers: Magda Cafmeyer, Van doop tot uitvaart. Brugge, 1958, p. 148-149. Magda Cafmeyer (1899-1983) maakt geen melding van de Steedse Bollen.<\/li>\n<li>H. Stalpaert, Volkskunde van Brugge. Brugge,1974 eveneens p. 172. \u00a0Zie voor het belang van deze Brugse volkskundige: Stefaan Top, Herv\u00e9 Stalpaert (1914-1981), een belangrijke schakel in de (West)vlaamse volkskunde, in: Arsbroeck. Kring Herv\u00e9 Stalpaert. Jaarboek I,1984, pp. 46-50.<\/li>\n<li>Een rock is een bovenkleed voor mannen. Vgl. A.Viaene, Kleine Verscheidenheden uit Vlaamse Bronnen I-II, Biekorf, Brugge, 1960-1965, p. 30 Sotrocken= de bovenkleding van de \u201cZotjes\u201d. Zotrock komt ook voor als narrenkleed, de narren van de rederijkerskamers. A. Viaene, ibidem, derde reeks, Biekorf, 1969-1974, p. 297.<\/li>\n<li>Zinken, Middelnederlands sinkinge, is het geleidelijk naar beneden laten zakken van de kist in het graf. Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), lemma zinking. De zinking werd veralgemeend tot begrafenis.<\/li>\n<li>Een beetje zoals de toga\u2019s van onze hedendaagse advocaten waar dan de witte of blauwe &#8220;turnpantoffels&#8221; vanonder steken !<\/li>\n<li>Jaak A. Rau, Van \u201cOud Zothuys\u201d tot Sint-Dominicusgesticht te Brugge, in: Brugs Ommeland, 1995, 3-4, p. 131 e.v.<\/li>\n<li>J.P. Le Doulx liet heel wat handschriften na. Zie: Ludo Vandamme, De papieren wereld van Pieter Le Doulx (1730-1807): handschriften en tekeningen op <a href=\"http:\/\/www.historischebronnen.be\">www.historischebronnen.be<\/a><\/li>\n<li>Uit Kroniek J.P. Le Doulx. Brugse Kroniek over 865-1797 in het Nederlands overgezet en van een inleiding voorzien door J. Penninck. Brugge, 1967, p. 105.<\/li>\n<li>L. Gilliodts-Van Severen, Inventaire, deel I, p. 172.<\/li>\n<li>B. Janssens de Bisthoven, Kanunnik Charles Coppieters Stochove (1846-1917), in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, jg. 133 (1996), p. 193-197.<\/li>\n<li>Gemeenteblad der Stad Brugge 1919, bijvoegsel 3, p. 36.<\/li>\n<li>Jozef van Walleghem, Merckenweerdigste Voorvallen. Brugge 1789. (editie Y. Van den Berghe), Brugge, 1984, p.46.<\/li>\n<li>Voor de huur van de rouwmantels (raukeerlekins)<\/li>\n<li>A. Schouteet, Wat is een kistklopper ? In: Biekorf 84 (1984), p. 404.<\/li>\n<li>Het Arbeidersofficie van de &#8220;Bidders&#8221; telde in 1673 24 be\u00ebdigde bidders. A. Van de Velde, De Arbeidersoffici\u00ebn der Stad Brugge. z.p. en z.j. (Druk Brugsch Handelsblad), p. 11. \u00a0In 1509 waren het &#8220;twintich&#8221; arme mannen hoewel 24 frequenter voorkomt. \u00a0Dit ambt werd in 1673 ingesteld als officie en kon men kopen aan de stad. A. Vandewalle, Beknopte inventaris van het Stadsarchief van Brugge. Deel I:Oud Archief. Brugge,1979,p.147, nr.394.<\/li>\n<li>Slovaert, van \u201cgeslooft\u201d, met een overgeslagen zwarte kaproen. \u00a0A. Viaene, Kleine Verscheidenheden, deel I-II, p. 86<\/li>\n<li>A. Viaene, idem, p. 103.<\/li>\n<li>Jozef van Walleghem, Merckenweerdigste Voorvallen en Daegelijcksche Gevallen. Brugge, 1787-1797, 8 dln. Uitgegeven door het Gemeentebestuur van Brugge tussen 1982-1997 o.l.v. Y. Van den Berghe. Onontbeerlijk voor de studie van de late 18<sup>de<\/sup> eeuw in Brugge.<\/li>\n<li>J. van Walleghem, Merckenweerdigste Voorvallen. Brugge 1787. Brugge, 1982, p. 37.<\/li>\n<li>Andries Van den Abeele, In Brugge onder de acacia. De vrijmetselaarsloge &#8220;La Parfaite Egalit\u00e9&#8221; (1765-1774) en haar leden. Brugge, 1987, pp. 159-201 biografie van Charles Lauwereyns en p. 171 voor de begrafenis. Bespreking door W.P. Dezutter, De vrijmetselarij te Brugge in de 18<sup>de<\/sup> eeuw, Biekorf, 88 (1988), 2, pp. 187-200.<\/li>\n<li>Charles Lauwereyns werd begraven op het kerkhof van Oostkamp. Aangezien de brug van Steenbrugge afgebroken was om hersteld te worden reed men via Sint-Michiels.<\/li>\n<li>J. van Walleghem, Merckenweerdigste Voorvallen. Brugge 1789.Brugge,1982, p.38.<\/li>\n<li>Fons Dewitte, 500 jaar vrye archiers van mynheere sint sebastiaen te Sint-Kruis-Brugge. Brugge, 1975, p. 73-76.<\/li>\n<li>Fons Dewitte, op.cit. p. 76 afbeelding van het schilderij van Jan Beerblock (1734-1806) met J. de Caesemaecker als Sire.<\/li>\n<li>J. van Walleghem, Merckenweerdigste Voorvallen. Brugge 1790. Brugge, 1985, p. 17 en p.160 noot 72.<\/li>\n<li>J. Dumolyn en K. Moermans, Distinctie en memorie. Symbolische investeringen in de eeuwigheid door laatmiddeleeuwse hoge ambtenaren in het graafschap Vlaanderen. In: Tijdschrift voor geschiedenis, 116 (2003), pp. 332-349.<\/li>\n<li><a href=\"https:\/\/onzetaal.nl\/taaladvies\/bol-bal\">https:\/\/onzetaal.nl\/taaladvies\/bol-bal<\/a><\/li>\n<li>In het nog te verschijnen deel II van onze bijdrage over de periode 1883-1921 gaan we dieper in op de betekenis van de naam \u201cSteedse Bollen\u201d op basis van de mededelingen van de volkskundige Maurits Van Coppenolle (1910-1955).<\/li>\n<li>De Philipsgulden ( geslagen 1496-1520) was een goudgulden geslagen door Philips de Schone en Karel V. De beeldenaar toont St.-Philippus.<\/li>\n<li>B.J. Gailliard, Kronyk of Tydrekenkundige beschryving der stad Brugge, sedert derzelven oorsprong tot op heden. Brugge, 1849, p. 202, noot 2. Dit werk lijkt ons schatplichtig aan de \u201cJaer-Boecken der Stadt Brugge behelsende de Gedenckweerdigste Geschiedenissen\u201d van Charles Custis (1704-1752), Brugge, 1765 (tweede druk met toevoeging door drukker Joseph Van Praet). Charles Custis, die ook gouverneur was van de Bogardenschool, raadpleegde het hs. van Zeger van Male, \u201cMemoriael van de Bogaerdeschole\u201d (1555) en liet het midden 18<sup>de<\/sup> eeuw voor zichzelf kopi\u00ebren.<\/li>\n<li>J.J. Gailliard (1801-1867) was o.m. de schrijver van \u201cInscriptions fun\u00e9raires et monumentales de Bruges\u201d (1861-1867). Zijn zoon was de archivaris, historicus en taalkundige Edouard (Edward) Gailliard (1841-1922).<\/li>\n<li>A. Maertens, Onze Lieve Vrouw van de Potterie. Brugge, 1937, p. 285 met verwijzing naar Gailliard.<\/li>\n<li>Voor de miniaturen uit de Lage Landen zie: Maurits Smeyers, Vlaamse Miniaturen van de 8<sup>ste<\/sup> tot het midden van de 16<sup>de<\/sup> De middeleeuwse wereld op perkament. Leuven, Davidsfonds, 1998.<\/li>\n<li>Een beschrijving van de Bogardenschool te Brugge omstreeks 1555 door Zeger van Male, naar het oorspronkelijke hs. uitgegeven voorzien van een inleiding en alfabetisch register. Albert Schouteet, Stadsarchief Brugge, 1960, 255 pp.<\/li>\n<li>A. Schouteet, Zeger van Male, in: Nationaal Biografisch Woordenboek, deel 2, Brussel, 1966, kol. 503-504.<\/li>\n<li>A. Schouteet, Beschrijving Bogardenschool op.cit. p. 121.<\/li>\n<li>De blauwe kleur verkrijgt men volgens Zeger van Male door het gebruik van \u201cgraemintsel\u201d. Dat is de botanische naam voor \u201cGramineae\u201d, de grassenfamilie. De blauwgrassen, met blauwachtig gekleurde aren konden als verfstof gebruikt worden. Normaal is de wede (Isatis tinctoria) de bekendste verfplant voor blauw. Maar Zeger van Male, die ook bokraanverver was, wist waarover hij het had. In de plantentuin van het MIAT (Museum over Industrie, arbeid en textiel) te Gent groeien er een veertigtal planten die gebruikt werden voor het natuurlijk verven van textiel.<\/li>\n<li>Rowaensch = uit Rouan (Normandi\u00eb). Veel kleurstoffen voor de lakennijverheid kwamen uit Rouan (Rouaan, Rowaan). Uiteraard werd bij ons veel meekrap (Rubia tinctorum) gebruikt als rode verf maar W. Brulez, De firma della Faille in de internationale handel van Vlaamse firma\u2019s in de 16<sup>de<\/sup> Brussel, 1959,p. 453, noot 2 vermeldt in 1562 Rouen en Dieppe als leveranciers van verfstoffen.<\/li>\n<li>De parure was het uniform van de boogschutters (hier Sint-Jorisgilde) met de versierselen. \u00a0Vgl. het Parurenboek van de Confr\u00e9rie van het H.Bloed met de ingekleurde tekeningen van de toga\u2019s of paruren van de proosten uit de periode 1449-1600. \u00a0In dat parurenboek staan ook enkele aantekeningen over de toortsen. \u00a0Het betreft de 4 flambeeuwen met de zilveren pelikanen en de 4 zogeheten \u201cpareerkaarsen\u201d. \u00a0Een origineel exemplaar van de pareerkaars (hout, 16<sup>de<\/sup> eeuw) is nu te zien in de Schatkamer van het H.Bloed.<\/li>\n<li>Bocraen was in de 16<sup>de<\/sup> eeuw een stevig linnenweefsel van middelmatige kwaliteit o.a. gebruikt voor wimpels en banieren en stof voor voeringen. \u00a0Zie: A.Viaene, Kleine Verscheidenheden, in: Biekorf, 66 (1965), p. 31.<\/li>\n<li>A. Viaene, Luizenplaag in de Bogardenschool. Brugge 1550. \u00a0In: Biekorf, 76 (1975-1976), p. 207-214.<\/li>\n<li>W.P. Dezutter en M. Goetinck, De loterijen van 1549 en 1574 ten voordele van de Bogardenschool, in: W.P. Dezutter en M. Goetinck (red.), 125 jaar Stedelijke Nijverheidsschool. Techniek als hefboom voor wetenschap en cultuur. Stedelijk Museum voor Volkskunde. Brugge, 1979, pp. 135-155. Twee houtsneden (104 x 38 cm.) in het bezit van A. Viaene (1900-1979), hoofdredacteur van Biekorf en na zijn overlijden door bemiddeling van conservator W.P. Dezutter bij de Erven A. Viaene verworven voor de Stedelijke Musea van Brugge.<\/li>\n<li>Olieverf op doek, 278 cm h. x breedte 188 cm. Niet gesigneerd. Gedateerd onderaan 1745. Collectie O.C.M.W.-Brugge. Zie: G. Michiels, Iconografie der Stad Brugge, deel 2, Brugge, 1966, p. 55 en Bea De Prest, Directeur Jan Garemijn als kunstschilder, met een kritische analyse van enkele schilderijen, in: 250 jaar Academie voor Schone Kunsten te Brugge. Brugge, 1970, p. 120-122.<\/li>\n<li>L. Gilliodts-Van Severen, Inventaire o.c. deel 3, p. 1085.<\/li>\n<li>Zie: Marcel de Bleecker en Willy Devos, Verweesd, verwezen. Vier eeuwen kulders, rode lijvekens en blauwe meisjes in Gent. (Gemeentebestuur van Gent), 1990, 243 pp.<\/li>\n<li>Archief O.C.M.W. (Brugge) Een geschreven tekst, gevoegd bij het geschreven register met de beschrijving van de Bogardenschool. \u00a0Het merendeel van het archief van de Bogardenschool bevindt zich in het Stadsarchief maar er worden ook stukken bewaard in Archief O.C.M.W. \u00a0Zie: A. Vandewalle, Overzicht van het archief van de Bogardenschool en van de Nijverheidsschool, in: W.P. Dezutter en M. Goetinck (red.), 125 jaar Nijverheidsschool op.cit. p. 157-161.<\/li>\n<li>Archief O.C.M.W. (Brugge). Een reeks registers met inkomsten en uitgaven van de Bogardenschool na 1800.<\/li>\n<li><a href=\"http:\/\/www.etymologiebank.nl\/trefwoord\/flambouw\">etymologiebank.nl\/trefwoord\/flambouw<\/a><\/li>\n<li>Ester Vink, Laat-middeleeuwse stedelijke keuren en het ritueel rond de dood, in: Albert Van der Zeijden (red.), De cultuurgeschiedenis van de dood. Amsterdam, 1990, p. 37-39.<\/li>\n<li>Andr\u00e9 Vanhulle, Van Vicaris-Generaal De Pauw en zijn testament, in: \u2019t Schrijverke (Heemk. Kring Sint-Anna), jg.24, 1995, 9-12, p. 4-12.<\/li>\n<li>J. Mertens, De maten en de gewichten, in: De erfenis van de Franse Revolutie 1794-1805. Brussel, 1989, pp. 167-174.<\/li>\n<li>1 dg = 0,1 g. Dan bedraagt het gewicht 9278 x 0,1 = 9.278 gram of een kaars van meer dan 9 kilo.<\/li>\n<li>Een mooi overzicht in alle maten en gewichten op <a href=\"http:\/\/www.kaarsen-sente.be\">kaarsen-sente.be<\/a><\/li>\n<li>Alle bouwmaterialen (stenen, hout, lood, enz) werden gerecupereerd maar er was ook een levendige handel in kledij. Vgl. A. Schouteet, Het ambacht van de oudkleerkopers te Brugge, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, 107 (1970), pp. 45-87 en M. Danneel, Handelaarsters in oude kleren in de 16<sup>de<\/sup> eeuw te Brugge, in: Brugs Ommeland, 1985, pp. 205-209.<\/li>\n<li>Daarover zal onze bijdrage \u201cSteedse Bollen\u201d deel II handelen. Wij konden in 1981 als museumconservator een uitgebreid interview afnemen van de laatste \u201cSteedse Bol\u201d die toen in het rusthuis Jeruzalem (Brugge) verbleef.<\/li>\n<li>Briefkaart van Guido Gezelle (1830-1899) aan A. Duclos (1841-1925) verzonden vanuit Kortrijk waar hij kapelaan was van 1872 tot 1889. In 1871 volgde A. Duclos Guido Gezelle op als redacteur van het weekblad \u201cRond den Heerd\u201d (1871-1902). Briefkaart door Els Depuydt (Gezellearchief) gedateerd tussen 1874-1882. Guido Gezellearchief (Stadsbibliotheek, Brugge) nr. 8645. Digitaal raadpleegbaar Catalogus van het Guido Gezellearchief.<\/li>\n<li>G. Gezelle, ibidem als noot 68.<\/li>\n<li>J. Cornelissen, Doods-, begrafenis- en rouwgebruiken. Een Folkloristische Studie. In: Tijdschrift voor Geschiedenis en Folklore, III (1940), p. 37.<\/li>\n<li>G. Gezelle, ibidem als noot 68.<\/li>\n<li>Philippe Ari\u00e8s, L\u2019 Homme devant la Mort. Paris, 1979, p. 165 en 164-167.<\/li>\n<li>Philippe Ari\u00e8s, op.cit. p. 485 en Pierre Chaunu, La Mort \u00e0 Paris 16<sup>e<\/sup>, 17<sup>e<\/sup>, 18<sup>e<\/sup> si\u00e8cles. Paris, 1978, p. 359-360.<\/li>\n<li>W. Blockmans, Brugge als Europees handelscentrum, in: V. Vermeersch (red.), Brugge en Europa. Antwerpen,1992, pp. 41-55.<\/li>\n<li>De registratie van de geboorten gebeurde tot 1796 door de pastoors bij het doopsel van het kind. Zie: N. Geirnaert, Inventaris van de doop- trouw- en begraafboeken bewaard in het Stadsarchief van Brugge. Brugge, 1982, p. 15-19.<\/li>\n<li>In het Ancien R\u00e9gime ging het uitgaan van de H. Sacramentsprocessie (Brugge) gepaard met groot militair vertoon.<\/li>\n<\/ol>\n<p>Dit artikel verscheen in Brugs Ommeland, 57 (2017), 1, pp. 3-20.<\/p>\n<p><strong>Deel II : \u00a0De periode 1884-1921<\/strong><\/p>\n<p>De weeskinderen die meeliepen als flambeeuwdragers in de lijkstoet en het <em>Miserere<\/em>\u00a0en het <em>De profundis<\/em>\u00a0zongen hebben wij in deel I behandeld vanaf 1672 tot 1883 (1).<\/p>\n<p>Sinds de 18<sup>de<\/sup> eeuw worden ze expliciet vermeld als de stedeballen of stedebollen. \u00a0In feite betrof het zowel meisjes van de Elisabethschool als jongens van de Bogardenschool. \u00a0Bij de afschaffing van de Elisabethschool in april 1884 staat het vast dat deze leerlingen niet meer optraden bij begrafenissen van vrouwen. \u00a0Zij namen niet meer deel aan de <em>lykconvoyen<\/em>. De meisjes werden tot hun 21 jaar in wezengestichten (weeshuizen) opgenomen. \u00a0De meisjes stonden immers tot hun 21<sup>ste<\/sup> onder voogdij, de jongens tot 18 jaar. In november 1883 werd de Bogardenschool na heel wat juridisch getouwtrek opgeheven (2). \u00a0Dit werd door een uitspraak van het Hof van Beroep van Gent van 22\u00a0januari 1885 bevestigd (3) en in 1889 besliste het stadsbestuur van Brugge definitief om de Bogardenschool niet meer herop te richten of door een gelijkaardige onderwijsinstelling te vervangen (4).<\/p>\n<p>In 1883 waren er nog 78 leerlingen die door de Burgerlijke Godshuizen geplaatst werden bij familie en particulieren. \u00a0Eind 1886 waren er nog 47 onder de voogdij van de Burgerlijke Godshuizen, in 1890 waren dat er nog twee (5). \u00a0In het schooljaar 1883-1884 werd de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten in de gebouwen ondergebracht en sinds 1886 het Museum voor Schone Kunsten. \u00a0Pas in 1930 ontstond rond die collecties het Groeningemuseum (6). \u00a0Het Stadsbestuur hield in 1886 ook geen rekening meer met het laten lezen van missen overeenkomstig de bestaande fundaties (stichtingen) van de school. \u00a0Voorheen zorgde immers een priester van de school voor de jaarmissen (7). \u00a0Voor alles wat fout liep bij de overname van de Bogardenschool geeft men heel graag de schuld (8) aan de liberale gouverneur Th\u00e9odore Heyvaert (1834-1907), maar hier moeten we toch opmerken dat kwelduivel Heyvaert reeds weg was sinds 1883 en dat op dat ogenblik (1886) de katholiek Amed\u00e9e Visart de Bocarm\u00e9 (1835-1924) burgemeester was en de katholiek Leon Ruzette (1836-1901) gouverneur. \u00a0Het ligt voor de hand dat het stadsbestuur er geen zin meer in had om de &#8220;Steedse Bollen&#8221; te handhaven. \u00a0De Stad heeft nog inkomsten uit de eigendommen van de Bogardenschool en die worden in de stadsrekeningen opgenomen. \u00a0Nergens is er echter een spoor van ontvangsten voor het begeleiden van begrafenissen. \u00a0De inventaris van 1896 (9) geeft de gedetailleerde inkomsten aan, zelfs van 2,50 fr. voor rente van een obligatie en een uitgave van 0,81 fr. voor verschuldigde interesten, maar over de begeleiding van lijkstoeten staat er niets genoteerd. \u00a0Men kan dus gerust stellen dat de echte eeuwenoude traditie van de &#8220;Steedse Bollen&#8221; had opgehouden te bestaan. \u00a0Aangezien we weten dat tot de winter van 1920-1921 er sprake is van de &#8220;Steedse Bollen&#8221; dienden we op zoek te gaan naar de wortels van die heropstart en stootten we ook nog op de onmiddellijke voorganger.<\/p>\n<p><strong>Kring der Oud-Leerlingen der Bogaardeschool<\/strong><\/p>\n<p>Deze Kring werd gesticht in 1879 (10), dus nog v\u00f3\u00f3r de opheffing van de school (opheffing K.B. van 16 mei 1881, uitspraak Burgerlijke Rechtbank te Brugge 8 augustus 1883). \u00a0Het bestuur bestond uit een erevoorzitter, voorzitter, ondervoorzitter, geheimschrijver en schatbewaarder. De eerste erevoorzitter was de oud-regent van de school Desiderius Bierre. \u00a0Er waren leden (de oud-leerlingen) en ereleden. \u00a0Die laatste waren de onderwijzers van de school en andere personeelsleden. \u00a0De leden betaalden 25 centimes en de ereleden 3 frank jaarlijks lidgeld.<\/p>\n<p>In 1894 nam de Kring deel aan het eerste Wezen-congres te Antwerpen en sloot men zich aan bij de pas opgerichte &#8220;Algemeenen Weezenbond van Belgi\u00eb&#8221;. Een jaar later, in 1895, stichtte men in de schoot van die koepelorganisatie een &#8220;Weezenbond van Brugge&#8221;. \u00a0Zowel de oud-leerlingen van de Bogardenschool als alle wezen die sinds hun 18 jaar hun vader of moeder verloren konden lid worden van de Weezenbond. Van die Oud-Leerlingen Bond bleef heel wat bewaard dank zij schenkingen van de laatste leden. \u00a0Het betreft o.m. het reglement, het Gulden Boek met 124 namen van de leden, de vlag van de Bond en enkele notaboekjes (11). \u00a0Deze Kring zorgde er enkele jaren voor dat de &#8220;Steedse Bollen&#8221; nog bleven optreden zoals voorheen maar al snel diende men over te schakelen naar een nieuw systeem van uitsluitend vrijwilligers, een priv\u00e9 initiatief van Emiel Van Holm.<\/p>\n<p>De Kring der Oud-Leerlingen liet op 2 november 1939 nog een rouwmis opdragen in de H. Magdalenakerk. \u00a0Op zondag 3 december 1939 vierde men het zestigjarig bestaan in hun lokaal &#8220;De Roode Poort&#8221; (12) in de Hallestraat. \u00a0Het laatste notaboek werd bijgehouden tot 31 december 1945. \u00a0Over het jubelfeest van 3\u00a0december 1939 verscheen er een verslag in het Weezenblad (Leuven, december 1939) en daarin staat een interessante passage van de feestredenaar over de turnoefeningen: &#8220;Lichaamsoefeningen, zoo ook militaire schermen, gebruik van het geweer, enz. werden er ook goed aangeleerd, zoo dat de leerlingen, wanneer ze moesten soldaat (13) worden, reeds de eerste begrippen van den militairen dienst kenden. Ook muziek en zang stonden op het programma. Zelfs het zoo gezond als nuttig zwemmen werd er beoefend.&#8221; \u00a0Dit leert ons iets over de systemenstrijd binnen het turnen of gymnastiek: het &#8220;\u201cDuitse turnen&#8221; met driloefeningen en wapenbeheersing in tegenstelling met de Zweedse gymnastiek die meer gericht was op de bevordering van de gezondheid en vanaf 1908 algemeen aanvaard werd in het Belgisch onderwijs (14).<\/p>\n<p>Emiel Van Holm (1848-1929)<\/p>\n<p>Het is Emiel Van Holm die de traditie van de Steedse Bollen heeft geprivatiseerd. Hij wilde daarmee de continu\u00efteit bewerkstelligen. \u00a0Er is nochtans een tijdshiaat, er is geen sprake van een ononderbroken verloop. Continu of discontinu (15) in ieder geval handelt het over een heroprichting volgens een commercieel concept. \u00a0Emiel Van Holm werd geboren in Brugge op 30 oktober 1848 en werd in 1884 voorzitter van de in 1879 opgerichte &#8220;Kring der Oud-Leerlingen der Bogaarde-school&#8221;. \u00a0In 1909 vierde men zijn 25 jarig jubileum als voorzitter en bij die gelegenheid kreeg hij zijn portret aangeboden geschilderd door Edward de Jans (Sint-Andries-Brugge 1855-Antwerpen 1919). \u00a0Deze portretschilder was zelf oud-leerling en oud-leraar van de Bogardeschool (16). In 1879 was E. Van Holm bezoldigde bewaker van de Bogaardeschool. Later werd hij er \u00e9\u00e9n van de twee onderwijzers (17). Hij bleef in dienst tot de afschaffing net als muziekleraar Fran\u00e7ois Everaert, zanger tijdens de kapeldienst en Leopold Dumolin, organist. \u00a0Het engagement van E. Van Holm blijkt ook uit het feit dat hij voorzitter werd van de &#8220;Weezenbond van Brugge&#8221;. Hij woonde in de Witte Leertouwersstraat 15 in het huis &#8220;Den Blauwen Steenput&#8221; waar in 1904 een ingewikkelde verbouwing plaatsvond, waardoor de twee huidige burgerwoningen Witte Leertouwersstraat 11 en 13 ontstonden. In 1907 verkrijgt hij de toelating voor het verbreden van een venster van Witte Leertouwersstraat 15 tot \u201cvitrien\u201d (= etalageraam). In dat pand was de kruidenierswinkel van E. Van Holm en zijn echtgenote Adolphina Striehn. \u00a0Er werd hen geen leed bespaard. \u00a0Op 6 april 1883 overleed hun enige kind, de 18-jarige Marguerite, na een &#8220;langdurige en smartvolle&#8221; ziekte. \u00a0Het huis van de Witteleertouwersstraat werd in 1919 verkocht (18). \u00a0Emiel Van Holm, inmiddels weduwnaar, overleed op 2 juni 1929.<\/p>\n<p><a href=\"http:\/\/willydezutter.be\/wp-content\/uploads\/2017\/07\/Demonie-en-Van-Holm_d.jpg\"><img loading=\"lazy\" decoding=\"async\" class=\"wp-image-675 aligncenter\" src=\"http:\/\/willydezutter.be\/wp-content\/uploads\/2017\/07\/Demonie-en-Van-Holm_d-180x300.jpg\" alt=\"\" width=\"333\" height=\"555\" srcset=\"https:\/\/willydezutter.be\/wp-content\/uploads\/2017\/07\/Demonie-en-Van-Holm_d-180x300.jpg 180w, https:\/\/willydezutter.be\/wp-content\/uploads\/2017\/07\/Demonie-en-Van-Holm_d-768x1280.jpg 768w, https:\/\/willydezutter.be\/wp-content\/uploads\/2017\/07\/Demonie-en-Van-Holm_d-615x1024.jpg 615w, https:\/\/willydezutter.be\/wp-content\/uploads\/2017\/07\/Demonie-en-Van-Holm_d-624x1040.jpg 624w\" sizes=\"(max-width: 333px) 100vw, 333px\" \/><\/a><\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><strong>Joseph Demonie (1896-1988), een bevoorrechte getuige<\/strong><\/p>\n<p>Op 31\u00a0maart 1981 konden wij een uitgebreid interview afnemen van Joseph Demonie, die toen verbleef op kamer 31 van het Rustoord Jeruzalem, Stijn Streuvelsstraat 1bis, Brugge.<\/p>\n<p>Vanaf 1905, als kind van 9 jaar, liep hij mee als &#8220;Steedse Bol&#8221; in de groep die gevormd werd door Emiel Van Holm. \u00a0Joseph Demonie werd op 20 juli 1896 geboren in het woonhuis Rolweg 51. \u00a0Zijn vader was klompenmaker, eerst in de Rijkepijndersstraat, daarna in de Timmermansstraat 25 en tenslotte Rolweg 51. \u00a0Hij ging naar de parochiale jongensschool in de Venkelstraat beter bekend onder de naam Sint-Jan Berchmansschool. \u00a0Hij was oorlogsvrijwilliger 1914-1918 en diende bij het 10<sup>de<\/sup> Linieregiment, eerste compagnie. \u00a0Hij zat vier jaar aan het front! \u00a0Op 1 maart 1920 werd hij politieagent bij de stedelijke politie van Brugge. \u00a0Op 30 december 1930 muteerde hij naar de Stedelijke Gezondheidsdienst en vanaf 1950 was hij nog zeven jaar deurwaarder op het stadhuis om per 1 mei 1957 met pensioen te gaan.<\/p>\n<p>Toen wij hem bezochten begonnen wij eerst over de priester Leopold Demonie (1871-1963), omdat die een boek schreef over de Bogardenschool. \u00a0Dat was een voltreffer. \u00a0Het bleek zijn heeroom te zijn (broer van zijn vader) en het was zijn dooppeter. \u00a0Leopold Demonie werd op 18\u00a0mei 1871 geboren in Brugge, priester gewijd in Brugge in 1894 en overleed in Menen op 22\u00a0mei 1963. In opdracht van de Burgerlijke Godshuizen (Hospices Civiles) stelde Petrus Van Lede in 1805 een handschrift op : &#8220;Description historique de L\u2019 Ecole Bogarde&#8221; waarvan in 1907 een Nederlandse vertaling verscheen van L. Demonie,\u00a0&#8220;Geschiedkundige Beschrijving der Bogaerdeschool door Petrus Van Lede&#8221; door hem voorzien van een eigen historisch overzicht (19).<\/p>\n<p>De kleine Joseph werd ingelijfd bij de Steedse Bollen op de leeftijd van 9 jaar in 1905. Hij bleef dit doen tot de leeftijd van 11 jaar want toen hij 12 jaar werd moest hij gaan werken in &#8220;La Brugeoise\u201d (20) en was hij niet meer voldoende beschikbaar. \u00a0De leiding berustte bij Emiel Van Holm. \u00a0J. Demonie noemde hem de \u201cchef\u201d. \u00a0Joseph werd meestal opgeroepen voor de begrafenissen in de Sint-Annakerk maar Van Holm deed beroep op kinderen uit de zeven verschillende parochies om ze overal te kunnen inzetten. \u00a0Joseph was ook misdienaar in de Sint-Annakerk en in de Jeruzalemkerk (21). \u00a0Dat hij vooral opgeroepen werd voor de begrafenissen in de Sint-Annakerk had te maken met het feit dat hij leerling was in de St.-Jan Berchmansschool. \u00a0Die lagere school startte in 1880 (in volle schoolstrijd) en werd in 1885 erkend door het stadsbestuur. \u00a0Richard Witteryck (1838-1916) werd toen schoolhoofd en ging met pensioen in 1902 (22). \u00a0In 1900 had de school zes klassen en zes onderwijzers. \u00a0De kinderen begeleidden de lijkstoet vanaf het sterfhuis tot de kerk en daarna tot aan de Katelijnepoort, waar ze hun kaarsen moesten afgeven. \u00a0De kaars werd niet aan E. Van Holm gegeven maar aan de \u201cwasman\u201d. \u00a0Dat is de kaarsenverkoper. \u00a0Die waslichten konden immers opnieuw gebruikt worden (in kloosters, particulier: van een grote kaars maakte men enkele kleinere modellen, enz.). \u00a0J. Demonie benadrukte dat ze een grote brandende kaars droegen en geen flambeeuw (metalen koker met binnenin een waskaars). \u00a0Bij de begrafenis van een edelman werd zijn familiewapen als schildje aan de kaars bevestigd (23). \u00a0In deel I hebben we er reeds op gewezen dat de dikke wassen kaars in Brugge ook flambeeuw genoemd werd. \u00a0We vinden dat ook beschreven door Maurits Sabbe (Brugge 1873 \u2013 Antwerpen 1938) in zijn roman &#8220;\u2019t Kwartet der Jacobijnen&#8221; (C.A.J. van Dishoeck, Bussum, eerste druk, 1920), p. 257, waar hij een begrafenis met 24 &#8220;Steesche Bollen&#8221; beschrijft tijdens een plechtige lijkdienst eerste klas in de Sint-Walburgakerk (24).<\/p>\n<p><strong>De kledij<\/strong><\/p>\n<p>De standaard kledij bestond uit een lange zwarte broek en een donkerblauwe tuniek met \u00e9\u00e9n rij koperen knopen in het midden. \u00a0Daarover werd een kort schoudermanteltje gedragen zonder kap. Dat manteltje was zowat het pars pro toto voor het hele uniform. \u00a0Het gebeurde wel dat er kinderen meeliepen in de begrafenis zonder tuniek en in korte broek maar dan droeg men wel altijd het schoudermanteltje. \u00a0Als hoofddeksel droeg men een donkere schotse muts met twee afhangende linten (25). \u00a0De kledij werd thuis bewaard maar was eigendom van E. Van Holm. \u00a0Men diende de kleding zelf te onderhouden en dat was geen sinecure omdat er regelmatig kaarsvet werd gemorst. Men diende dan \u201cgrauw papier\u201d op te leggen en te strijken. \u00a0Naar moderne begrippen zou men kunnen zeggen dat Van Holm zorgde voor de verplichte bedrijfskleding en dat die werkkleding om praktische redenen mee naar huis mocht en later weer diende ingeleverd te worden. \u00a0Men kon de kledij dus niet afdragen. \u00a0De ouders hadden meer lasten dan lusten.<\/p>\n<p><strong>Het vergoedingsysteem<\/strong><\/p>\n<p>Joseph Demonie verklaarde dat men voor de begrafenisdienst een beroep kon doen op zes, acht of twaalf &#8220;Steedse Bollen&#8221;. \u00a0Het was dus begin 20<sup>ste<\/sup> eeuw niet meer evident om 24 deelnemers te kunnen samenbrengen. \u00a0Dat moet voor E. Van Holm een hele logistiek geweest zijn want dat ging niet per brandweersirene en ook niet per sms! \u00a0Ook diende Van Holm bij elke begrafenis aanwezig te zijn als een soort ceremoniemeester. \u00a0Welke vergoeding Van Holm ontving van de families die een beroep op hem deden is ons onbekend. \u00a0Wel kennen we de financi\u00eble vergoeding die Van Holm betaalde aan de kinderen. \u00a0Er waren drie klassen diensten. \u00a0De gewone dienst om 9.00 u waarmee elk kind 20 centimes verdiende (niet ontving !) en dan de dienst om 10.00 u met een vergoeding van 50 centimes. \u00a0De dienst om 11.00 u was voor de rijken en voorzag 60 centimes per kind. \u00a0In zo\u2019n geval was er ook wel eens een meevaller door de voorziene brooduitdeling. \u00a0In de Sint-Annakerk was er brooduitdeling met een zgn. &#8220;stenen brood&#8221; van 1,5 kg en de kinderen kregen dan elk een half brood mee naar huis (26). \u00a0In Belgi\u00eb werd de kinderarbeid in 1889 verboden voor alle kinderen onder de 12 jaar en nadien voor iedereen die aan de leerplicht onderworpen is. \u00a0Maar voor alle duidelijkheid: werk in het huishouden en een bijbaantje voor wat extra zakgeld valt niet onder de noemer kinderarbeid. \u00a0De manier waarop de kinderen uitbetaald werden kunnen we wel laakbaar noemen.<\/p>\n<p><strong>Het trucksysteem<\/strong><\/p>\n<p>Naar de uitbuiting van de fabrieksarbeiders in de 19<sup>de<\/sup> eeuw werd al veel onderzoek verricht. \u00a0De werkomstandigheden waren slecht en de lonen laag. Om de arbeiders nog meer onder controle te houden ontwikkelde de rijke burgerij bovendien ook nog het <em>trucksysteem<\/em>\u00a0(27). \u00a0De arbeiders werden voor een deel uitbetaald met producten uit de winkel van de fabriekseigenaar of ze werden met geld uitbetaald, maar waren verplicht om hun boodschappen te doen in de winkel van de fabriek. \u00a0Aangezien de fabriekseigenaars ook de prijzen in hun eigen winkels bepaalden, betekende dit nog meer winst voor de industri\u00eble elite. \u00a0In Belgi\u00eb werd dit zogenaamde <em>trucksysteem<\/em>\u00a0verboden in 1887 (28). \u00a0De kinderen van de &#8220;Steedse Bollen&#8221; werden ook vergoed via het <em>trucksysteem<\/em>.<\/p>\n<p>Het echtpaar Van Holm-Striehn had in de Witteleertouwersstraat 15 een kruidenierswinkel en de kinderen en ouders werden verplicht om daar hun aankopen te doen. \u00a0E. Van Holm hield daartoe een kasboek bij en maandelijks kreeg men een overzicht. \u00a0Dat gold voor alle deelnemers uit de verschillende parochies. \u00a0Het was ook een geraffineerde klantenbinding want men kon natuurlijk ook meer boodschappen doen door bij te betalen. \u00a0Het is niet omdat iets wettelijk verboden wordt dat dit ook onmiddellijk in de praktijk wordt omgezet. \u00a0In Nederland werd de kinderarbeid al bij wet verboden in 1874 maar het zou tot 1901 duren, bij de invoering van de leerplicht, dat het ook daadwerkelijk stilaan verdween.<\/p>\n<p><strong>Tussencommentaar<\/strong><\/p>\n<p>Bij de &#8220;Mondelinge Geschiedenis&#8221; staat en valt alles bij de betrouwbaarheid van je zegsman. \u00a0Joseph Demonie gaf heel heldere antwoorden en was zeker van zijn stuk. \u00a0Wij gingen ook niet zonder voorkennis op bezoek dus waren we op tegenspraak voorbereid. \u00a0Over \u00e9\u00e9n zaak was hij echter zeer formeel: de &#8220;Steedse Bollen&#8221; zijn opgehouden te bestaan in 1914. \u00a0Dat is wel in tegenspraak met de enqu\u00eate van Maurits van Coppenolle die we nu zullen bespreken. \u00a0Joseph Demonie is op 11 oktober 1988 uitgeleide gedaan met een dienst in zijn geliefde Sint-Annakerk. \u00a0Hij werd 92 jaar.<\/p>\n<p><a href=\"http:\/\/willydezutter.be\/wp-content\/uploads\/2017\/07\/overlijdensbericht-Joseph-Demonie_a.jpg\"><img loading=\"lazy\" decoding=\"async\" class=\"size-medium wp-image-674 aligncenter\" src=\"http:\/\/willydezutter.be\/wp-content\/uploads\/2017\/07\/overlijdensbericht-Joseph-Demonie_a-300x265.jpg\" alt=\"\" width=\"300\" height=\"265\" srcset=\"https:\/\/willydezutter.be\/wp-content\/uploads\/2017\/07\/overlijdensbericht-Joseph-Demonie_a-300x265.jpg 300w, https:\/\/willydezutter.be\/wp-content\/uploads\/2017\/07\/overlijdensbericht-Joseph-Demonie_a-768x679.jpg 768w, https:\/\/willydezutter.be\/wp-content\/uploads\/2017\/07\/overlijdensbericht-Joseph-Demonie_a-1024x905.jpg 1024w, https:\/\/willydezutter.be\/wp-content\/uploads\/2017\/07\/overlijdensbericht-Joseph-Demonie_a-624x552.jpg 624w\" sizes=\"(max-width: 300px) 100vw, 300px\" \/><\/a><\/p>\n<p style=\"text-align: center;\">Overlijdensbericht van J. Demonie (Brugsch Handelsblad 7.10.1988)<\/p>\n<p><strong>De onderzoeksresultaten van Maurits Van Coppenolle<\/strong><\/p>\n<p>In 1951 verscheen de onvolprezen studie van Maurits Van Coppenolle (1910-1955) (29) over de &#8220;Uitvaartgebruiken in West-Vlaanderen&#8221; (30). \u00a0Maurits Van Coppenolle was een monument van de plaatselijke geschiedenis en de volkskunde. Z ijn studie over de uitvaartgebruiken, die tot op heden onge\u00ebvenaard bleef, omschreven wij eerder als een &#8220;meesterwerk&#8221; (31). Het onderzoek werd door hem in 1947 uitgevoerd met de hulp van tachtig correspondenten volgens de directe enqu\u00eatemethode met nacontrole ter plaatse.<\/p>\n<p>Op p. 26-27 behandelt hij de Steedse Bollen en daarbij is het duidelijk dat hij zich voor het verleden baseert op A. Duclos. \u00a0Hij verwijst daarvoor naar een artikel van Duclos dat verscheen in Rond den Heerd, X, 1875 (32). \u00a0Dat artikel heet niet &#8220;Steedsche Bollen&#8221; maar &#8220;Waar \u2019t Vliegen Wilt&#8221;\u00a0, een variarubriek aan het einde van elk nummer van Rond den Heerd, geschreven door toenmalig hoofdredacteur A. Duclos maar dat hij niet ondertekende. Die gegevens over de Steedse Bollen werden initieel aangeleverd door Guido Gezelle in een briefkaart door hem verzonden in 1874 vanuit Kortrijk naar A. Duclos in Brugge (33). \u00a0Duclos heeft dit gepubliceerd zonder naar Gezelle te verwijzen. Het was dus G. Gezelle, taalkundige en dichter, die er Duclos op attent maakte dat &#8220;Steedse Bollen&#8221; betrekking heeft op die jongens met <em>kort geschoren en bloote koppen<\/em>. \u00a0Bolle = hoofd. \u00a0Denk ook aan &#8220;iemand over zijn bol aaien&#8221;. De mededelingen van M. Van Coppenolle over de kledij slaan op de periode E. Van Holm (en bevestigen J. Demonie), later ook weer verwerkt door Michiel English (1885-1962) (34) en Herv\u00e9 Stalpaert (1914-1981) (35). Belangrijk in zijn onderzoek is dat hij aanhaalt dat de Steedse Bollen voor de laatste keer optraden in de winter van 1920-1921 en dat het gebruik uitstierf ten gevolge van de &#8220;verscherping van de schoolwet&#8221;. \u00a0Wij twijfelen niet aan de juistheid van de resultaten van zijn goed onderbouwde enqu\u00eate. \u00a0Het moet zijn dat men na de uiterste beproevingen van de Eerste Wereldoorlog 1914-1918 toch nog geprobeerd heeft om deze traditie verder te zetten. \u00a0Een revival bis. \u00a0E. Van Holm had nochtans in 1919 zijn winkel in de Witte Leertouwersstraat al verkocht. \u00a0Op 19 mei 1914 werd in het Belgisch parlement de wet op de leerplicht afgekondigd. \u00a0De wet hield in dat gezinshoofden voortaan verplicht waren hun kinderen naar school te zenden of hen huisonderwijs te geven. \u00a0De verplichting gold voor de periode van acht jaar namelijk van na de zomervakantie van het jaar waarin het kind de leeftijd van zes jaar bereikte tot zijn veertiende (36). \u00a0Door W.O. I bleef de toepassing van de wet uit tot 1919. \u00a0Velen bleven zich niettemin onttrekken aan de leerplicht. \u00a0Tijdens het schooljaar 1920-1921 was het schoolverzuim in Brugge nog steeds niet bestreden (37). \u00a0In 1947 deed M. Van Coppenolle in de Brugse kranten een vruchteloze oproep om een foto te bemachtigen van de Steedse Bollen. \u00a0Hij kon dus in zijn publicatie van 1951 geen afbeelding tonen en ook H. Stalpaert moest in 1974 vaststellen dat er tussentijds niets was opgedoken. \u00a0Tijdens onze museumloopbaan zijn we evenmin ooit op een dergelijke foto gestoten. \u00a0Ook in de gespecialiseerde werken van G. Michiels (38) en Jaak Rau (39) troffen we dit niet aan. \u00a0De beste beschrijving van de Steedse Bollen (en waar nooit iemand naar verwijst) treffen we aan bij de bekende Brugse apotheker en volks- en letterkundige Karel De Wolf (1883-1948) (40). Die schreef daarover, in zijn typische Gezelliaanse stijl, in 1933 (41) en het verscheen ook in zijn bekende boek \u201cBrugsch Volk\u201d (Brugge, 1942): &#8220;Iederen keer dat ze bij erflate, gevraagd waren, gingen ze mede in de begravingen. Dat was al wederskanten van de lijkkoetse een lange reke van 15-20 jongens, gekleed met een lang zwart broeksken, een kort donkerblauw manteltje dat openwaaide, een kaphoedje gelijk de schotten en ook twee lintjes van achter. In d\u2019hand droegen ze een flambeeuwtje met een wapentje op en ze trokken alzoome\u00ea al zingen.. \u2019k en heb nooit verstaan wat. \u2019t Was gelijk geen zingen, \u2019t was lijk bl\u00e8ten&#8221;\u00a0(42).<\/p>\n<p><strong>Zang en begeleidend muziekinstrument<\/strong><\/p>\n<p>In de bepalingen van de fundaties uit de 16<sup>de<\/sup> eeuw lezen we dat de priester tijdens een jaargetijde de H. Mis moest opdragen aan het altaar en daarna aan het graf het <em>Miserere<\/em>\u00a0en het <em>De profundis<\/em>\u00a0moest zingen. \u00a0Het waren ook de gezangen van de flambeeuwdragers. \u00a0Het <em>Miserere<\/em>\u00a0is een boetepsalm, het <em>Miserere mei, Deus\u00a0<\/em>of &#8220;God ontferm u over mij. Wees mij genadig, God, want bij u is mijn leven geborgen&#8221;. \u00a0Konden die kinderen die 19 versregels van psalm 51 in het Latijn van buiten opzeggen ? \u00a0De psalm <em>De profundis<\/em>\u00a0is een psalm die standaard werd gebeden voor een overledene.<\/p>\n<p>De profundis clamavi ad te, Domine. \u00a0Domine exaudi vocem meam.<\/p>\n<p>Uit de diepte roep ik Heere, \u00a0Hoort, ik bidde U, naar myn stem! (vert. Guido Gezelle)<\/p>\n<p>Ook hier de vraag: konden die kinderen die 15 regels van psalm 130 foutloos en verstaanbaar zingen in het Latijn ? \u00a0Joseph Demonie was formeel in zijn mondelinge mededeling dat zij enkel het <em>De profundis<\/em> dienden te zingen en niet het <em>Miserere.<\/em>\u00a0 Karel De Wolf vond het niet lijken op zingen en het deed hem eerder denken aan \u201cbl\u00e8ten\u201d. Het <em>De profundis<\/em> werd gezongen op een klagende slepende toon maar het was verre van toonvast. \u00a0Dat valt ook wel te vergeven want wanneer er nu nog gezongen wordt (of het nu de Vlaamse Leeuw is of de Internationale) eindigt het ook al na een paar zinnen op \u201cla, la,la\u201d. \u00a0Die kwaal van het onverstaanbaar zingen kennen we in Brugge ook van het &#8220;schremersmestje&#8221; (Schreeuwersmisje). \u00a0Hiermee bedoelde het volk een lijkdienst in de vroege morgenuren waarbij de liturgie haastig werd uitgevoerd en de zang meestal vals klonk (43). \u00a0De zang in de lijkstoet werd aanvankelijk ondersteund door de basklanken van de serpent, een slangvormig koperen blaasinstrument (44). \u00a0De begrafenisstoet van pastoor Joannes Ludovicus Billiau, pastoor van de St.Gilliskerk in Brugge en overleden op 28 mei 1827, zag er als volgt uit. \u00a0Het lijk werd aan het sterfhuis opgehaald door al de broederschappen die in de kerk actief waren (De confrerie van het H. Hart, de H. Drievuldigheid, de H. Antonius, de H. Barbara, e.a.). \u00a0Zij liepen langs weerszijden van de lijkbaar met hun vaandels en flambeeuwen en werden voorafgegaan door twee schadebeletters (politieagenten). \u00a0Dat was op 30 mei 1827 na 18.00 u, want eerst had men in de St.-Gilliskerk om 18.00 u al de <em>vigili\u00ebn<\/em>\u00a0gezongen. \u00a0Achter de lijkbaar liepen dertig kinderen van de &#8220;Stedeschool&#8221; met flambeeuwen en daarachter de koorzangers die muzikaal ondersteund werden door twee serpentspelers. \u00a0Daarachter volgde dan de geestelijkheid (45). \u00a0De serpent was geen exclusief instrument voor de begrafenissen maar de serpentspeler viel vestimentair wel op. \u00a0De serpentblazer, evenals de lekenzangers, droegen een zwarte soutane en een wit rochet of roket met uitgesneden, waaiende mouwen. \u00a0Hun roket, dat over de soutane gedragen wordt tot op de knie\u00ebn, was van een andere snit dan het koorhemd van de priester (46). \u00a0Het instrument was ook een vaste waarde in militaire kapellen; serpentspelers liepen mee in de H. Bloedprocessie (47) en het instrument werd ook gespeeld in vrijmetselaarsloges (48). \u00a0In het Gruuthusemuseum van Brugge worden twee mooie exemplaren van een serpent bewaard (49). \u00a0De serpent werd later stelselmatig verdrongen door de tuba, eveneens een koperen blaasinstrument in het bas-register. \u00a0Ten tijde van J. Demonie werden zij muzikaal begeleid door een tubaspeler. \u00a0Dat was een gewone burger zonder kerkelijke kledij.<\/p>\n<p><strong>Besluit<\/strong><\/p>\n<p>In 1921 eindigde in Brugge de 19<sup>de<\/sup> eeuw. \u00a0We hadden pas een moordende oorlog achter de rug en het voorspel voor een tweede wereldcatastrofe kondigde zich al aan want het Verdrag van Versailles bleek onuitvoerbaar. \u00a0Het werkelijke leven kan de historicus niet bespieden. \u00a0Toch geeft Andries Vanden Abeele ons een mooie inkijk in zijn herinneringen aan zijn kinderjaren. \u00a0Daarin beschrijft hij de begrafenis van zijn grootmoeder Clara Van den Abeele \u2013 Bidez op 30 april 1943. \u00a0Zijn grootvader was Auguste Van den Abeele (1881-1949). \u00a0De lijkkoets werd getrokken door vier paarden met zwarte dekkleden en de lijkendragers waren gekleed in hun typische mantels en hoofddeksels (50). Langs weerszijden van de lijkkoets liep een rij kinderen van het weeshuis &#8220;De Wijngaard&#8221;. \u00a0Auguste Vanden Abeele was weldoener van die school en terecht verwijst de auteur naar de gelijkenis met de &#8220;Steedse Bollen&#8221; (51). \u00a0Het Weeshuis &#8220;De Wijngaard&#8221; behoorde tot het klooster van de Zusters van de H. Vicenzo a Paolo. \u00a0Het gebouw aan het Wijngaardplein 1-3 is in 1856 ontworpen en in 1857 in gebruik genomen. \u00a0Het voorzag ook een bewaarschool (52). \u00a0De &#8220;Steedse Bollen&#8221; behoren als rouwgebruik tot de barokke cultuur van het katholicisme. \u00a0Bij dergelijke gebruiken wordt altijd zeer sterk het standsverschil benadrukt. \u00a0De middenklasse spiegelde zich aan de toonaangevende klasse van adel en burgerij. \u00a0Er doet zich een dwangmatige afstraling voor van hoog naar laag: de prelaten spiegelen zich aan de paus en Rome, de pastoors van de rijkere parochies imiteren de begrafenis van de bisschop. \u00a0De sociale herkomst van vormen en gedrag, zoals die ontwikkeld werden door de maatschappelijke bovenlagen, kunnen veel verklaren over de assimilatie door bredere lagen van de bevolking (53). \u00a0Nu zijn het nog alleen Amsterdamse criminelen die dwars door de stad een ereronde maken met een witte lijkkoets. \u00a0Die lijkkoets werd in 2003 voortgetrokken door acht met witte sierkleden en kopbekledingen bedekte Friese paarden, gevolgd door vijftien witte auto\u2019s van het merk Mercedes met familie en vrienden. \u00a0De onderwereld nam eventjes bezit van de bovenwereld. De stoet werd geopend door twee ruiters te paard. \u00a0De rekening van 250.000 euro werd betaald door een bevriende crimineel zodat die niet kon verdacht worden van de liquidatie (54). \u00a0Dat is wel een voorbeeld dat niet werd nagevolgd want de milde schenker zit nu uiteindelijk toch in de gevangenis op verdenking van die moord!<\/p>\n<p>Willy Dezutter<\/p>\n<p><strong>Noten<\/strong><\/p>\n<ol>\n<li>Willy Dezutter, De Steedse Bollen in Brugge: flambeeuwdragers in de lijkstoet. Deel I\u00a0&#8211; De periode 1672-1883. In: Brugs Ommeland, 2017, 1, pp. 3-20.<\/li>\n<li>G. Dewaele, Geschiedenis van de Bogardenschool. In: W.P. Dezutter en M. Goetinck (red.), 125 jaar Stedelijke Nijverheidsschool. Techniek als hefboom voor wetenschap en cultuur. Brugge, 1979, p. 30-31.<\/li>\n<li>Gemeenteblad der stad Brugge (Bulletin Communal de la Ville de Bruges), deel 31, (1887), p. 260.<\/li>\n<li>Gemeenteblad der stad Brugge, deel 33 (1889), p. 164.<\/li>\n<li>Zie voor de evolutie van het aantal uitbestede ex.-leerlingen van de Bogardenschool: G. Dewaele, op.cit. p. 56, noot 43.<\/li>\n<li>Zie voor heel die geschiedenis: Eg. I. Strubbe, Inleiding, in: H. Pauwels, Catalogus Groeningemuseum. Stedelijk Museum voor Schone Kunsten Brugge. Brugge, 1960, p. 9-11 en Dirk De Vos, Stedelijke Musea Brugge. Catalogus Schilderijen 15<sup>de<\/sup> en 16<sup>de<\/sup> Brugge, 1979, p. 9-17 en Willy Dezutter, Opening Groeningemuseum in Brugge. In: Brugs Ommeland, 2017,1, p. 49.<\/li>\n<li>Gemeenteblad van de stad Brugge, deel 30, (1886), p. 347.<\/li>\n<li>G. Dewaele, op.cit. p. 31.<\/li>\n<li>Stadsarchief Brugge. Bundel 6 (2<sup>de<\/sup> reeks), Instruction primaire. Comptes et budgets.<\/li>\n<li>Reglement van de Kring der Oud-Leerlingen der Bogaardeschool. 1879, 3 blz. Archief O.C.M.W.-Brugge.<\/li>\n<li>Archief O.C.M.W.-Brugge. Men zou dus een aparte studie kunnen maken over deze Kring.<\/li>\n<li>Caf\u00e9 De Roode Poort was vanaf 1919 ook het lokaal van de &#8220;Van Maerlant\u2019s Zonen&#8221;, een studentengenootschap van het Koninklijk Atheneum, Brugge. (Toen nog in het voormalig Jezu\u00efetenklooster langs de Verversdijk).<\/li>\n<li>In deel I, Brugs Ommeland,2017,1,p. 17 wezen we reeds op de uniformen van de leerlingen in &#8220;drap militaire&#8221;.<\/li>\n<li>Mark D\u2019hoker en Erik Van Assche, Lichamelijke opvoeding in het katholiek onderwijs: een lange weg, een moeilijk parcours. In: Mark D\u2019hoker, Roland Renson en Jan Tolleneer, Voor lichaam &amp; geest . Katholieken, lichamelijke opvoeding en sport in de 19<sup>de<\/sup> en 20<sup>ste<\/sup> Kadoc-Studies 17. Leuven, 1994, p. 48 e.v. over de systemenstrijd: het Duitse school-turnen en het Zweedse gymnastieksysteem (p. 61-62). Tussen 1918-1968 was er een monopolie van het Zweedse model.<\/li>\n<li>Hermann Bausinger en Wolfgang Br\u00fcckner (red.), Kontinuit\u00e4t ? Geschichtlichkeit und Dauer als volkskundliches Problem. Berlin, 1969, vooral H. Bausinger, Zur Algebra der Kontinuit\u00e4t, pp. 9-30. H. Bausinger, Traditionale Welten. Kontinuit\u00e4t und Wandel in der Volkskultur, in: Zeitschrift f\u00fcr Volkskunde, 81 (1985), pp. 173-191.<\/li>\n<li>Maurits Van Coppenolle, Eduard de Jans, herdacht 16 juni 1935. Brugge, 1935, 40 pp. Voor Van Holm, p. 25, noot 27.<\/li>\n<li>In zijn overlijdensbericht staat leraar.<\/li>\n<li>Brigitte Beernaert (red.), Erfgoed vroeger, nu en in de toekomst. Stad Brugge. Openmonumentendag 2014, Witte Leertouwersstraat 15, huis \u201cDen Blauwen Steenput\u201d, p. 124-130.<\/li>\n<li>Geschiedkundige Beschrijving der Bogaerdeschool door Petrus Van Lede vertaald door L. Demonie, oud-leerling, onderpastoor te Lauwe. Boekdrukkerij We Verbeke- Loys, Brugge, 1907. Het bijvoegsel met de historiek opgesteld door P. Van Lede vertaalde hij niet maar schreef een eigen historisch overzicht wat het natuurlijk waardevoller maakt.<\/li>\n<li>In de nieuwe fabriek (gespecialiseerd in spoorwegmaterieel en metalen gebinten), in gebruik genomen in 1905, werkten weldra 1500 man. Jan D\u2019hondt, Industrialisatie: het voorbeeld van La Brugeoise, in: Marc Ryckaert en Andr\u00e9 Vandewalle (red.), Brugge. De geschiedenis van een Europese stad. Tielt, 1999, p. 197.<\/li>\n<li>Ook wel Jeruzalemkapel genoemd. Zie: Jean-Luc Meulemeester, De Jeruzalemkapel in Brugge, enkele summiere aanvullingen, in: Brugs Ommeland, 2012, p. 162-168.<\/li>\n<li>Richard Witteryck werd de schrijver van zeven boeken over Vlaamse spraakkunst. Hij was de vader van de bekende uitgever Antoon Witteryck (1865-1934). Na het overlijden van zijn enigste dochter Helena Witteryck (1898-1981) werd een groot gedeelte van de uitgaven van A.J. Witteryck geschonken aan het Stedelijk Museum voor Volkskunde. Wij hebben het toen overgedragen aan de Stadsbibliotheek van Brugge waar het deel uitmaakt van het Fonds Witteryck.<\/li>\n<li>Tijdens de begrafenis op 9 juni 1873 in de St.-Gilliskerk van de schatrijke Engelse baron John Sutton (1820-1873), die zich bekeerd had tot het katholicisme, waren er in totaal 108 brandende flambeeuwen die allemaal zijn wapenschild droegen. Dat was ongezien extreem. Ernest Rembry, De bekende Pastors van Sint-Gillis te Brugge (1311-1896) met aantekeningen over kerk en parochie. Brugge, 1890-1896 (anastatische herdruk Uitgaven West-Vlaamse Gidsenkring, Brugge, 1980), p. 646. Op de begrafenis van een adellijk persoon werden niet alleen de wapenschildjes bevestigd aan de flambeeuw van de &#8220;Steedse Bollen&#8221; maar ook aan de kaarsen die op het altaar staan en aan de kaarsen rond de lijkbaar. \u00a0Die kleine schildjes waren van beschilderd hout (later ook karton). \u00a0Het wapenschild werd ook meegedragen in de lijkstoet en daarna in de kerk geplaatst v\u00f3\u00f3r de lijkbaar.<\/li>\n<li>M. Sabbe, op.cit. vermeldt op een andere plaats p. 210 de flambeeuw als synoniem voor &#8220;\u2019t waschlicht&#8221;. Naast de schrijfwijze &#8220;Steedsche Bollen&#8221; treft men ook &#8220;Steesche Bollen&#8221; aan zoals hier bij M. Sabbe. \u00a0De roman van Sabbe speelt zich af in het Brugge van 1860-1870 maar hij maakt natuurlijk gebruik van zijn eigen herinneringen en waarnemingen die van recentere datum zijn.<\/li>\n<li>De beschrijving van de kledij werd ons op 7.3.1982 volledig mondeling bevestigd door &#8220;Steedse Bol&#8221; Julien Jonckheere (\u00b0 25.10.1904). Huisschilder. Jeruzalemstraat 59, Brugge. Hij werd door ons enkel ondervraagd over de kledij. Hij wist alleen toe te voegen dat iemand in korte broek geacht werd lange zwarte kousen te dragen. Er is ons geen foto bekend van een \u201cSteedse Bol\u201d in uniform.<\/li>\n<li>Op de begrafenis van baron John Sutton in 1873 werden er 1200 broden van elk 1,5 kilo uitgedeeld aan de armen. \u00a0Er vond enkele dagen later nog een tweede en gelijke brood-uitdeling plaats. \u00a0Achthonderd behoeftige families op Sint-Gillis ontvingen daarenboven \u00e9\u00e9n frank. \u00a0E. Rembry, op.cit. p.647.<\/li>\n<li>Trucksysteem van het Engels truck-system. \u00a0Een systeem waarbij de arbeiders in waren, in plaats van in geld worden uitbetaald. \u00a0Dit systeem werd in Duitsland al verboden in 1855.<\/li>\n<li>Jo Deferme, Uit de ketens van de vrijheid. Het debat over de sociale politiek in Belgi\u00eb 1886 \u2013 1914. Kadoc-Studies 32, Leuven, 2007, p. 102 e.v. Wet van 18 aug. 1887 met betrekking tot de onafstaanbaarheid en de onaantastbaarheid van het loon der werklieden. \u00a0Die wet bepaalde ook dat het loon niet mocht uitbetaald worden in drankgelegenheden en winkels.<\/li>\n<li>Ewald Van Coppenolle, Maurits Van Coppenolle (1910 \u2013 1955), in: Maurits Van Coppenolle, bezieler van de Brugse volkskunde. Stedelijk Museum voor Volkskunde, 1998, p. 7 \u2013 48 bio-bibliografie.<\/li>\n<li>Maurits Van Coppenolle, Uitvaartgebruiken in West-Vlaanderen. Overdruk uit Volkskunde, jg. 1951, 3, 38 pp.<\/li>\n<li>Willy Dezutter, in: Ewald Van Coppenolle, op.cit. Inleiding, p. 5-6.<\/li>\n<li>Rond den Heerd X, 7 maart 1875, p. 120.<\/li>\n<li>Guido Gezellearchief (Stadsbibliotheek Brugge) nr. 8645. Vgl. noot 68 in deel I (B.O. 2017,1) van de Steedse Bollen.<\/li>\n<li>Michiel English, Dagklapper. (gebundelde bijdragen verschenen in \u201cKerkelijk Leven\u201d, het parochieblad van Brugge periode 1945-1962), 6 vol. Editie Maria Van Caillie, vol. IV, jg.1955-1956-1957, p. 70-71 over het uniform van de Steedse Bollen.<\/li>\n<li>H. Stalpaert, Volkskunde van Brugge. Brugge, 1974, p. 171 volgt daar integraal M. Van Coppenolle voor alle aspecten.<\/li>\n<li>Voor een heldere uiteenzetting zie: K. De Clerck, Chronologisch overzicht van de Belgische onderwijsgeschiedenis 1830-1990. Centrum voor de Studie van de Historische Pedagogiek. Gent, 1991.<\/li>\n<li>Gegevens in het Bulletin Communal de la Ville de Bruges 1920 en 1921.<\/li>\n<li>Guillaume Michiels, Uit de wereld der Brugse mensen. De fotografie en het leven te Brugge 1839-1918. Brugge, 1978.<\/li>\n<li>Jaak A. Rau, Brugge, de memoires van een stad. Brugge, 1984 en Jaak A. Rau, Een eeuw Brugge, deel II, 1901-2000. Brugge, 2002, p. 221-224 wel begrafenisstoeten maar allen na 1920. Elk onderzoek heeft zijn teleurstellingen\u2026 wij vonden tot op heden ook het kasboek van E. Van Holm niet!<\/li>\n<li>Willy Muylaert (met een Inleiding door W.P. Dezutter), Karel De Wolf en zijn Brugsch Volk. Brugge, 1983, 95 pp.<\/li>\n<li>Karel De Wolf, Van \u2019t leventje op \u2019t Sin Zillis, in: Biekorf, 1933, p. 297. Een lange reeks vertellingen verschenen in verschillende nummers van Biekorf en later opgenomen in het boek &#8221; Brugsch Volk\u201d (Brugge, Cultura (H. Cayman-Seynave), 1942 met een Inleiding door A. Viaene. De herinneringen van K. De Wolf gaan in dit geval terug tot ca. 1920 want in 1933 bestonden de Steedse Bollen niet meer.<\/li>\n<li>Woordverklaring: erflate = testament, bl\u00e8ten = wenen; schotten = Schotten, inwoners uit Schotland.<\/li>\n<li>Mededeling van de volkskundige Walter Giraldo (Brugge 1926 \u2013 Aalst 2015).<\/li>\n<li>We gaan hier niet in op de musicologische en muziekhistorische aspecten, we verwijzen daarvoor naar: Ignace De Keyser, De serpent 1790 \u2013 1850. In: Musica Antiqua, jg. 4, 1987, 2, p. 35-42. Met dank aan mijn oud-studiegenoot en collega (conservator Instrumentenmuseum Brussel) Ignace De Keyser. Het is de serpent en niet het serpent !<\/li>\n<li>E. Rembry, De bekende Pastors op.cit. p. 367.<\/li>\n<li>M. Van Coppenolle, Uitvaartgebruiken op.cit. p. 26, noot 36.<\/li>\n<li>Georges Rodenbach, Bruges \u2013 la \u2013 Morte, Parijs, 1892 (eerste editie) hfst. XV; Georges Rodenbach, Bruges \u2013 la- Morte. Editions Jacques Antoine, Brussel, 1977, p. 97 \u201cLa musique des serpents et des ophicl\u00e9ides monta plus grave \u2026\u201d. G. Rodenbach, Brugge \u2013 die \u2013 Stille, 1992, p. 136.<\/li>\n<li>Roger Cott\u00e9, La musique ma\u00e7onnique et ses musiciens. 2<sup>e<\/sup> \u00e9dition revue et augment\u00e9e. Le Mans, 1991, p. 109.<\/li>\n<li>V. Vermeersch, Gids Gruuthuse. Brugge Stedelijke Musea. Brugge, 1969, p. 157.<\/li>\n<li>Wij verwierven op 28.11.1977 voor het Stedelijk Museum voor Volkskunde 16 hoeklantaarns van paardenlijkkoetsen, 11 bolvormige hoeden met linten, 6 paardendekkleden en 10 kopbekledingen voor paarden. De typische zwarte mantels van de lijkdragers waren er niet bij tijdens de overdracht. Dit materiaal was afkomstig van de Stedelijke Begrafenissendienst. Op 6.3.1981 werd deze collectie aangevuld met 1 lijkkoets begrafenis 1ste klas, 2 lijkkoetsen begrafenis 2<sup>de<\/sup> klas, 2 lijkkoetsen begrafenis 3<sup>de<\/sup> klas, 1 lijkkoets (Assebroek) 1<sup>e<\/sup> klas en 1 kinderlijkkoets. Dit patrimonium werd door ons beschermd en onderhouden maar werd na onze pensionering totaal verwaarloosd door de nieuwe museumdirectie. Het liep al zwaar fout in 2002 met de volledige koetsenverzameling van de Stedelijke Musea toen het Koetshuis (Arentspark) werd omgevormd tot museumshop. Zie: Brugge laat antieke koetsen verkommeren in vochtige loods. Het Nieuwsblad 26 februari 2014.<\/li>\n<li>Andries Vanden Abeele, Kinderjaren in Brugge. Brugge, 2016, p. 112-113.<\/li>\n<li>Brigitte Beernaert (red.), Zorg. Openmonumentendagen 2009. Brugge, 2009, p. 218-228 en K. Rotsaert, De eerste bewaarscholen in Brugge, in: Brugs Ommeland, 1999, 1, p. 5-17.<\/li>\n<li>W.P. Dezutter en R. Van de Walle (red.), Volkskunde in Vlaanderen. Brugge, 1984, Inleiding, p. 5-7.<\/li>\n<li>Verschillende filmpjes op YouTube. \u00a0Begrafenis Cor van Hout (1957-2003).<\/li>\n<\/ol>\n<p>Dit artikel verscheen in Brugs Ommeland, 57 (2017), 2, pp. 59-74.<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Deel I &#8211; De periode 1672-1883 De \u201cSteedse Bollen\u201d waren kinderen van stedelijke scholen die een brandende flambeeuw droegen en, onder het klagend zingen van het \u201cDe profundis\u201d, in de begrafenisstoet meeliepen naast de kist, van het sterfhuis tot de kerk en daarna van de kerk tot aan het kerkhof. \u00a0Dit gebeurde altijd bij testamentaire [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":3,"featured_media":0,"comment_status":"closed","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"footnotes":""},"categories":[14],"tags":[338,294,336,18,344,340,335,341,339,346,337,171,343,345,334,342],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/660"}],"collection":[{"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/3"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=660"}],"version-history":[{"count":21,"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/660\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":685,"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/posts\/660\/revisions\/685"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=660"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcategories&post=660"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/willydezutter.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Ftags&post=660"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}