Tag Archives: chef-œuvre

Compagnonnage – een historisch overzicht

Drie legenden

(1) Les Enfants de Salomon

Volgens bepaalde, soms erg verwarrende legenden hebben de wortels van de compagonnage een Bijbelse oorsprong. De geschiedenis van de bouwgezellen zou opklimmen tot koning Salomon (omstreeks 965-926 vóór onze tijdrekening), de bouwer van de Tempel van Jeruzalem.

Volgens het boek der Koningen (V,27 – 30,VI), met de geschiedenis van de Israëlische monarchie, liet koning Salomon uit dank aan Jahweh een tempel bouwen. Dertigduizend bouwvakkers stonden onder leiding van Hiram Abif, ook Adoniram genoemd. Zeventigduizend lastdragers en tachtigduizend steenhouwers stonden in voor het reusachtige werk, onder toezicht van drieëndertighonderd man. Leerlingen en gezellen werkten onder leiding van de meesters. Jaloerse gezellen wilden van de bouwmeester Hiram het meesterwoord vernemen. Omdat hij weigerde dit bekend te maken, vermoordden ze hem en begroeven hem op een veld buiten de tempel. Ze werden ontmaskerd en door koning Salomon terechtgesteld. Hiram werd met grote eer in de tempel begraven.

De bouwgezellen – les Compagnons du Devoir de Liberté– beschouwden deze tempelbouwers als hun historische voorgangers en noemden zich les enfants de Salomon. In dit verhaal, met het benadrukken van het hoge aantal deelnemers om de belangrijkheid te onderstrepen, herkennen wij elementen die we ook aantreffen in de meestergraad van de vrijmetselarij.   

(2) Les Enfants de Maître Jacques

Les Compagnons du Devoir noemden zich Les Enfants de Maître Jacques, verwijzend naar de steenhouwer uit Gallië die aan de bouw van de tempel van Jeruzalem had meegewerkt na de belangrijkste plaatsen in Griekenland en Egypte te hebben bezocht.

Na de bouw van de Tempel verliet hij Juda samen met Père Soubise, met wie hij in onmin raakte. Hij ontscheepte in Marseille en vormde een groep van dertien compagnons en veertig discipelen, met wie hij drie jaar lang rondreisde. Hij trok zich in eenzaamheid terug in Sainte-Baume-en-Provence. Hij werd er verraden door één van zijn leerlingen en door een groep gewapende mannen vermoord. In deze legende vertoont het leven van Maître Jaxques treffende gelijkenissen met dat van Jezus Christus.

Sainte-Baume is voor de compagnons een bekend bedevaartsoord waaraan ook de legende van Maria-Magdalena is verbonden. Maria-Magdalena speelt eveneens een belangrijke rol in de compagnonnage. De uitbeelding van de verschijning van Christus aan Maria-Magdalena, de dag na de kruisiging en de graflegging en de dag vóór de verrijzenis, en de woorden Noli me tangere (wil mij niet aanraken) worden in de symboliek van de compagnonnage gebruikt. Anderen zien in Maître Jacques de laatste grootmeester van de Tempeliers, met name Jacques de Molay, die in 1314 in Parijs op de brandstapel stierf. De Tempeliers hebben een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling en de verspreiding van de West-Europese bouwkunst in de periode na de kruistochten. Nog anderen zien in Maître Jacques een zekere Jacques Moler, tijdens de middeleeuwen een meester van de bouwgezellen. Ook steenhouwers (of loups-garous), schrijnwerkers en slotenmakers (of dévorants) volgden de ritus van de Kinderen van Maître Jacques.

(3) Les Enfants du Père Soubise

Volgens een derde opvatting had de benedictijnermonnik Père Soubise, samen met zijn vriend Maître Jacques, aan de bouw van de Tempel van Salomon meegewerkt. Nadien kwam hij terug naar Gallië. Beiden raakten in onmin wat aanleiding gaf tot onenigheid tussen hun volgelingen. De timmerlieden die zich Enfants du Père Soubise noemden, werden aangeduid met de naam drilles.

Compagnons du Tour de France. v.l.n.r. Koning Salomon, Maître Jacques, Père Soubise.

Historische achtergronden

De juiste oorsprong van de compagnonnage blijft duister daar historische gegevens en documenten schaars zijn. In Frankrijk ontwikkelde de compagnonnage zich los van (en soms in conflict met) het ambachtswezen en leidde, zeker vanaf het einde van de middeleeuwen, een afzonderlijk en discreet bestaan met eigen gebruiken en riten. Later, vooral sinds het 19deeeuwse mysterieuze romantisme, heeft deze discretie bijgedragen tot de geheimzinnige reputatie van de beweging.

De Compagnonnage ontwikkelde en verspreidde zich vooral in Frankrijk. Ten noorden van de Seine kwam ze pas vanaf de 16de-17de eeuw voor en dan nog in veel mindere mate. Het corporatief groeperen van werklieden met gelijke beroepsspecialiteiten was een uitgesproken stedelijke aangelegenheid. Een degelijke beroepsopleiding, onderlinge bijstand en de beleving van een gemeenschappelijke ethiek waren de oogmerken.

Er was een duidelijk onderscheid tussen enerzijds de ambachtsbesturen, met een protectionistisch corporatief systeem, die maatschappelijke en economische doelstellingen nastreefden, en anderzijds de compagnonnage, die enkel werklieden verenigde en louter gericht was op technische en spirituele waarden. De liefde voor het kwaliteitsvolle werkstuk was primordiaal. Zo’n werkstuk, als meesterproef, werd een chef-d’œuvre genoemd. Zij staan op tentoonstellingen en in de gespecialiseerde musea (Tours, Parijs, Arras) nog altijd in de grote belangstelling.

Chefs-d’œuvre. Musée du Compagnonnage, Tours.

Tijdens de bloeiperiode van de kathedralenbouw telden de gezellenorden enkel ambachtslui uit de bouwwereld: metselaars, steenhouwers, timmerlieden, schrijnwerkers, slotenmakers, dakdekkers e.a. Later kwamen daar andere beroepslui bij maar steeds lag de klemtoon op het bewerken van een of ander materiaal, hetzij steen, hout, leder of metaal. Ook het verwerven, verbeteren en doorgeven van beroepskennis stond centraal. Aan de stipte naleving van de reglementen werd streng de hand gehouden. Deze hadden betrekking op de opleiding van de leerling, het bekomen van de graad van meester, de indeling van de werkdag, de verplichtingen op de feestdagen en niet in het minst de kwaliteit van het geleverde werk. De leertijd bedroeg gemiddeld drie tot vijf jaar. Dan kon de gezel, na het afleveren van een wel omschreven werkstuk – het meesterwerk – het meesterschap verwerven.

De Compagnons du Devoir, benaming die reeds voorkomt in de 13de eeuw, hebben een oudere geschiedenis dan de corporaties. De term devoir betekent het geheel van reglementen, riten en codes eigen aan de vereniging. Reeds in 1276 vormde zich in Straatsburg onder de bouwvakkers een loge van vrijmetselaars (Frei-Mauer). Menig metselaar, steenhouwer en timmerman werkte daadwerkelijk mee aan de bouw van talrijke kathedralen. De bloeiperiode situeerde zich in de 12de en 13de eeuw.

De meest gekwalificeerden noemden zich Compagnons du Saint Devoir de Dieu. Ze waren vrij om van de ene bouwwerf naar de andere te trekken (men noemt dat de franchise). Hun beroepskennis werd doorgegeven van meester op leerling. Deze hoofdzakelijk mondelinge kennisoverdracht versterkte nog het discrete karakter van het meesterschap. De beroepssolidariteit werd steeds hoog geprezen.

Pas in de 15de eeuw werd in de archiefstukken melding gemaakt van de compagnonnage. Tot in de 17de eeuw kende ze een eerder clandestien en discreet karakter. Om aan de voogdij van de ambachten te ontsnappen werd toevlucht gezocht tot het zich in het geheim organiseren. Dit werd door de overheid getolereerd. Deze handelwijze versterkte nog het samenhorigheidsgevoel en het bevorderde het esoterische karakter. De Franse Revolutie bracht de compagnonnage een zware slag toe. In 1791 verbood de wet Le Chapelier het verder bestaan ervan. Dit leidde tot ongenoegen en veroorzaakte opstootjes. Clandestien bleef ze bestaan. 

De compagnonnage in de 19de eeuw en heden ten dage

De compagnonnage maakte in de 19de eeuw een versnelde evolutie door. Agricol Perdiguier (1805-1875), Avignon la Vertu, de grote promotor van de compagnonnage in Frankrijk vanaf het tweede kwart van de 19de eeuw, streefde naar een samensmelting van de verschillende Devoirs. In 1839 publiceerde hij zijn Livre du Compagnonnage dat een groot succes kende en meermaals werd herdrukt. Het inspireerde onder meer George Sand tot haar roman Compagnon du Tour de France (1841).

Portret van Agricol Perdiguier (1805-1875), Avignonais la vertu, de grote promotor van de Compagnonnage in Frankrijk. Olie op paneel, ca.1860-1865.

Onder koning Louis-Philippe (1830-1848) was er opnieuw een tendens om beroepsverenigingen op te richten. Op 21 maart 1848 organiseerden de Compagnons de tous les devoirs een mars naar Parijs waaraan ongeveer tienduizend leden deelnamen. De revolutie van 1848 had in zekere zin een gunstige invloed op deze opflakkering.

Onder keizer Napoleon III (1848-1851 president, keizer 1852-1870) werden werknemerssyndicaten gescheiden van werkgeversorganisaties. In 1889 werd de Union Compagnonnique des Devoirs Unis opgericht; zij bracht de verschillende beroepen samen. De Union stond open voor beroepen waar de winkelhaak niet te pas komt, zoals bakker en kok.

In 1900 waren er in Frankrijk drie ritussen actief: l’Ancien Devoir, die de ritus van Maître Jacques en Père Soubise volgde en verder de timmerlieden, schrijnwerkers en slotenmakers van de Devoir de Liberté en tenslotte de Union Compagnonnique.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd onder bescherming van maréchal Pétain in 1941 een Association ouvrière opgericht. Na de Tweede Wereldoorlog konden de timmerlieden zich opnieuw organiseren.

Momenteel zijn er in Frankrijk drie families:

(1) De Fédération Nationale Compagnonnique des Métiers du Bâtiment, die een tijdschrift verzorgt: Compagnon et Maîtres d’Oeuvre. Tot deze vereniging behoren ook Belgen.(1).

(2) Daarnaast bestaat de Union Compagnonnique des Compagnons du Tour de France des Devoirs Unis (ontstaan in 1889), met een eigen tijdschrift Le Compagnonnage (met zetel in Versailles).

(3) De Association Ouvrière des Compagnons du Devoir du Tour de France (ontstaan in 1941). Er is ook een internationale Confédération Compagnonnages Européens (Europäische Gesellenzünfte) (C.C.E.G.), die voor het eerst in 1953 samenkwam. In België bestaat de Conservatoire Compagnonnique des Métiers en Belgique (Dolhain, Wallonië). Toegankelijk voor mannen èn vrouwen. 

Spiegel van de Compagnonnage, 19de eeuw.

De initiatie

Een belangrijke gebeurtenis in de opleiding van de compagnons is het ondernemen van de Tour de France, waarbij gezellen in wijzerzin van de ene stad naar de andere trekken om zich bij een plaatselijke meester te bekwamen in hun vak. Ontstaan in een ver verleden werd deze gewoonte pas op het einde van de 16de eeuw goed georganiseerd.

Nu nog doen vele jongeren jaarlijks deze ronde en dit gedurende twee tot zes jaar. Zij verblijven dan in de lokale cayenne-herberg, waar de mère, een echtgenote van een meester, instaat voor hun logies. Na hun dagtaak krijgen de gezellen vervolmakingscursussen. Ze verblijven meestal zes maanden tot een jaar in dezelfde stad. Compagnons noemen zich onder elkaar pays (die hun beroep op de grond uitoefenen) of coterie (die hun beroep op de steigers uitoefenen). Net als vroeger kan men door het vervaardigen van een meesterstuk (een chef-d’œuvre) het meesterschap verwerven.

De inwijding gebeurt in 11 stappen. Bij de initiatie moet de compagnon beloven het geheim van de Devoir te bewaren. Deze belofte wordt met eigen bloed ondertekend. De aspirant-meester moet allerlei vragen beantwoorden en proeven doorstaan. Zuiveringsritussen door water en vuur geven aan de ceremonie een spirituele dimensie. Tenslotte krijgt de geïnitieerde een eigen symbolische naam. De naam bestaat uit twee delen: de naam van de streek of stad van herkomst en een hoedanigheid van de geïnitieerde. Ze kunnen de symbolische gouden oorringen (les joints) dragen en de wandelstok (la canne, zinnebeeld van rechtschapenheid en van steun op de lange tocht) ter hand nemen. De wandelstok kan op verschillende manieren vastgehouden worden, telkens met een eigen symbolische betekenis.

In de geest van de compagnons wordt sterk de nadruk gelegd op de menselijke vorming: broederlijkheid, vriendschap en gemeenschapsgevoel zijn waarden die onmiddellijk ermee kunnen worden geassocieerd. De compagnons koesteren een echte liefde voor goed uitgevoerd werk met groot respect voor de handenarbeid. De compagnonnage en de vrijmetselarij vertonen veel overeenkomsten in symboliek en werkwijze maar zijn organisatorisch totaal van elkaar gescheiden (2).

Willy Dezutter               

Noten

  1. De eerste compagnon in België was Arthur Vandendorpe (Brugge 1937 – Brugge 2025), sinds 1964 aspirant-lid en sinds 1969 compagnon van de Compagnons Charpentiers des Devoirs en bekende restaurateur van monumenten. Zijn symbolische naam was Brugeois le Soutien des Couleurs des Compagnons Charpentiers des Devoirs. Op de bouwwerf bracht hij altijd een groot publiciteitsbord aan met passer en winkelhaak, eveneens een bekend symbool van de compagnonnage. Menig vrijmetselaar die dit zag belde mij op met de overbodige vraag of hij vrijmetselaar was! De gedachte alleen al. Door onverdraagzaamheid en kans op broodroof is het in België nog altijd niet opportuun om zich op zo’n wijze te afficheren als vrijmetselaar-ondernemer. Ook Engelse toeristen/vrijmetselaars in Brugge raakten in de war. Arthur Vandendorpe overleed in Brugge op 30 juni 2025 en werd 88 jaar. De uitvaart vond plaats op zaterdag 5 juli in de Sint-Salvatorskathedraal van Brugge.
  2. Zeer bekend en het bezoeken waard is het Musée du Compagnonnage in Tours (Rue Nationale 8) (FR). Sinds 1994 is er ook Une maison des Métiers (Rue Maximilien Robespierre 9) van de Fédération Compagnonnique in Arras (FR.). De belangrijke Fédération Compagnonnique des Métiers du Bâtiment vindt men Av. Jean Jaurès 143 in Parijs. Algemene inlichtingen en bibliografie: www.compagnonnage.org .