Categorie archief: Geschiedenis

In memoriam Valentin Vermeersch (1937-2020)

Valentin Vermeersch was een veelzijdig kunsthistoricus die van 1980 tot 2000 de hoofdconservator was van de Stedelijke Musea van Brugge.

In 1960 studeerde hij aan de Rijksuniversiteit Gent af als licentiaat in de kunstgeschiedenis en oudheidkunde en werd in 1960-1961 wetenschappelijk medewerker in het Bijlokemuseum (Gent) en was in 1963-1964 de assistent van prof. J. Duverger (RUG). In 1964 werd hij in Brugge aangeworven als adjunct-conservator, later conservator (1972) van het Gruuthusemuseum. Aquilin Janssens de Bisthoven (1915-1999), in dienst bij de Brugse musea van 1954 tot 1980, had hem voorgesteld aan het Brugse stadsbestuur.

Valentin Vermeersch bezat een encyclopedische kennis over de kunstgeschiedenis en stelde zich als taak om de cultuureducatie te bevorderen. Tussen 1967 en 1971 publiceerde hij hoogstaande bijdragen over het Brugs kunstpatrimonium in het “Brugsch Handelsblad” wat resulteerde in zijn tweedelige publicatie Brugges Kunstbezit 1 en 2 uit 1969 en 1973.

In 1971 promoveerde hij aan de RUG tot doctor in de kunstgeschiedenis met als onderwerp “Grafmonumenten te Brugge voor 1578”. In 1976 werd dit uitgegeven bij de Brugse uitgeverij “Raaklijn” in drie volumes. Wij hielden bij de officiële presentatie ten stadhuize op 29 maart 1977 de feestrede. In 1980 werd hij bevorderd tot hoofdconservator (algemeen directeur) en dat gaf hem de gelegenheid om volledig tot ontplooiing te komen. Het Gruuthusemuseum kwam vanaf 1 april 1982 in de veilige handen van Stéphane Vandenberghe. Reeds in 1981 startte hij met een Informatiebulletin, later Museumbulletin. Ook zette hij toen een prestigieus jaarboek op waarvan er 10 volumes verschenen. Dat Jaarboek van de Stedelijke Musea, nu nog altijd de voornaamste bron van de museumgeschiedenis, werd op ondoordachte wijze door zijn opvolger Manfred Sellink afgeschaft.

In 1981 verscheen ook zijn rijk geïllustreerd Mercatorfondsboek Brugge: duizend jaar kunst. Van Karolingisch tot Neogotiek 875-1875. Hij lette bijzonder op de typografische verzorging van de tentoonstellingscatalogi zoals Pieter Pourbus (1984) door Paul Huvenne, Meesterwerken van de Brugse tapijtkunst (1987) door E. Duverger en G. Delmarcel en het zeer mooi uitgegeven Meesterwerken van de Edelsmeedkunst (1993) van Dominique Marechal. Hij was bijzonder goed ingewerkt in de wereld van de uitgevers en coördineerde belangrijke boeken zoals Brugge en de zee (1982), Vlaamse kunst van de oorsprong tot heden (1985) en Brugge en Europa (1992). Hij hield uitstekende relaties met de “Vrienden van de Musea” (museumvoordrachten, Jaarboek, Museumbulletin, de museumpromenades) en de door hem georganiseerde buitenlandse museumreizen waren legendarisch. Ook voorzitter Anne-Marie Meire had daarin een groot aandeel alsmede secretaris Daniël Declerck.

De Dienst Musea groeide onder hem uit tot een groot cultuurbedrijf. De Dienst Archeologie spreidde zijn vleugels uit (Hubert De Witte, stadsarcheoloog sinds 24.11.1977, vanaf 1.12.1989 ook Bieke Hillewaert) en op 1.1.1990 kwamen ook de OCMW-Musea (Sint-Janshospitaal-Memlingmuseum en Museum van de Potterie) over naar de Stedelijke Musea. Voordien bestond er al een hechte samenwerking. In 1985 waren het Belfort en het Gezellemuseum al ondergebracht bij de Dienst Musea. Hij trok ook externe deskundigen aan zoals Martine Bruggeman voor de kantcollectie en de numismatisch adviseur Juliaan Taelman (1922-2019). Voortdurend moest hij diplomatisch overleggen met zijn collega-conservators maar ook met het stadsbestuur en sponsors.

Er werden niet minder dan 69 tentoonstellingen georganiseerd in de periode 1980-2000 waaronder het belangrijke evenement “Vlaamse kunst op perkament” (1981), het werk van Willy Le Loup en de spraakmakende Memling tentoonstelling in 1994 met als drijvende kracht Dirk De Vos, de toenmalige conservator van het Groeningemuseum die ook instond voor de uitbreiding van de sectie hedendaagse kunst. Veel werd gerealiseerd in teamverband.

Zelf ontmoette ik Valentin Vermeersch voor het eerst in 1969 tijdens de tentoonstelling “Anonieme Vlaamse Primitieven” in het Groeningemuseum. Daarna zouden wij elkaar terugzien in 1971 in het kader van zijn doctoraat. Valentin was de laatste doctoraatsstudent van prof. J. Duverger (1899-1979) en ikzelf de laatste thesisstudent (1970). Ook dat schiep een band.

In 1972 kwam hij me opzoeken in Gent omdat men in Brugge op zoek was naar een conservator voor het Museum voor Volkskunde. Hij was zeer blij dat ik interesse betoonde want men was van plan om hem dat in de schoenen te schuiven. Hij stelde me voor aan A. Janssens de Bisthoven en aan cultuurschepen Fernand Traen (1930-2016) die dat beschrijft in zijn Brugse memoires (Brugge, 2015, p. 90). Op 1 februari 1973 kon ik in Brugge beginnen en al op 29 juni 1973, in een recordtempo, opende het nieuwe museum zijn deuren. Voor de twee bouwcampagnes (er volgde nog een derde in 2003) die daarna nog zouden gebeuren, verkreeg ik de volledige steun van de hoofdconservator. In 1982 ontstond de museumherberg “De Zwarte Kat” als onderdeel van het museum. Met dankbaarheid kijk ik terug maar dat had ik reeds laten blijken bij zijn vertrek toen ik op 21 september 2000 de laudatio hield op de afscheidsplechtigheid. Zijn opvolger Manfred Sellink zou in 2001 verklaren dat er de laatste twintig jaar niets gedaan werd in de musea. Een grovere belediging voor Valentin én het stadsbestuur valt er niet te bedenken, te meer omdat hij zelf met de staart tussen de benen vertrok in 2014.

Willy Dezutter 

Naschrift – Tweemaal een smadelijke aftocht

Valentin Vermeersch verliet de Stedelijke Musea officieel op 1 november 2000. Op sterk aandringen van cultuurschepen Yves Roose werd beslist om de leiding van de musea voortaan toe te vertrouwen aan een tweeledig directieteam, bestaande uit een hoofdconservator voor de inhoudelijke aspecten (algemeen museumbeleid, behoud en beheer van de collecties, tentoonstellings- en aankoopbeleid ) en een zakelijk directeur (management, personeelszaken, financiën). Dat werd grotendeels een fiasco met vergaande nefaste gevolgen zowel voor de goede werking als voor de motivatie van het personeel.

De nieuwe hoofdconservator werd Manfred Sellink (° 1962) die officieel van start ging op 1 februari 2001 i.p.v. op 1 januari. Als voormalig hoofdconservator van het Prentenkabinet van het Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam had hij zich nog geëngageerd voor de Pieter Breughel-tentoonstelling in het kader van Rotterdam Culturele Hoofdstad 2001. De zakelijk directeur Walter Rycquart (° 1961), voorheen kabinetssecretaris van de Antwerpse cultuurschepen Eric Antonis, begon wel op 1 januari 2001. Na verloop van tijd boterde het niet meer tussen Manfred en Walter. Ze stonden hiërarchisch op dezelfde hoogte en iedereen die iets kent van bestuurskunde weet dat zoiets niet werkt. Walter Rycquart wilde weg en solliciteerde eerst nog vruchteloos naar de post van directeur Culturele Zaken in Gent om in november 2008, na 7 jaar en 11 maanden,  uiteindelijk terug te keren naar Antwerpen. Eén dag later hing Manfred Sellink al het bordje “Artistiek Directeur” aan zijn deur op de Dyver 12. Exit de duobaan.

Daar waar Valentin Vermeersch het alleen deed had men er plots twee voor nodig. En dit op basis van hooggeleerd en dik betaald advies. v Prof. Guido De Brabander ( Universiteit Antwerpen) ontving voor zijn audit de som van 2 miljoen frank. Vooraf een audit laten uitvoeren is voor de politiek altijd een duur maar handig middel om de uitkomst, die toch al vast ligt , zonder tegenwerpingen te kunnen valideren.

Het parcours van Sellink verliep niet erg vlot. Er kwam kritiek op vergissingen bij infrastructurele ingrepen en op de verwaarlozing van collecties ( o.a. de koetsenverzameling). Van in het begin was het al duidelijk dat hij zeer asociaal omging met het personeel en in het bijzonder gedroeg hij zich deloyaal tegenover zijn directe medewerkers van het wetenschappelijk kader. Dat zou zich wreken en uiteindelijk koos hij eieren voor zijn geld. Hij verliet de Brugse musea en begon op 1 december 2014 als directeur-hoofdconservator van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. Dat was alleen maar mogelijk omdat niemand vanuit Brugge het had nodig gevonden om Brussel (Vlaamse Gemeenschap) en Antwerpen te alarmeren. Zo blij was iedereen dat hij weg was. Ze zouden het zelf maar moeten ondervinden. Ze kwamen er voldoende achter, van Antwerpen tot in Wenen (tentoonstelling Breughel) en in februari 2020 werd hij in Antwerpen “aan de deur gezet”. Officieel heette het “dat er geen draagvlak meer is voor Sellink” (Gazet van Antwerpen en De Standaard). Er werd zelfs over geïnterpelleerd in het Vlaams parlement (12.3.2020) en daar viel het woord “wanbeleid”. Tweemaal een smadelijke aftocht ? Eigenlijk driemaal want toen hij vertrok uit Rotterdam heeft men daar in het museum de vlag uitgestoken! 

Le méchant tombe dans le piège qu’il a tendu à un autre.      

Jan van Eyck achterstevoren gelezen

Het zal een druk “Jan van Eyck-jaar” worden met de grote tentoonstelling ” Van Eyck. Een optische revolutie” in Gent (Museum voor Schone Kunsten 1.2.-30.4.2020) en de tentoonstelling “Jan van Eyck in Bruges” (Groeningemuseum, Brugge  12.3.-12.7. 2020).

Wereldwijd zijn van Jan van Eyck slechts een twintigtal werken bewaard en de helft daarvan komt naar Gent. In Brugge zullen twee werken bijzonder in de kijker geplaatst worden: de Madonna met kanunnik Joris van der Paele en het portret van Margaretha van Eyck, de echtgenote van de schilder. Het zal uitkijken zijn naar de begeleidende publicaties maar we verwachten geen grote tegenspraak over zijn leven en werk. Degenen die over de “Vlaamse Primitieven” publiceren vormen een hechte aaneengesloten groep.

Nog voordat die spraakmakende tentoonstellingen van start gaan verschijnt er een magistraal boek (in het Nederlands !) dat een ruime synthese brengt over het onderwerp: Jean Luc Meulemeester, Jan van Eyck en Brugge, uitgever Stichting Kunstboek, Oostkamp, 2019, 320 p. Prijs 59,90 euro omdat 60 net iets harder klinkt. Van deze Brugse kunsthistoricus zijn we gewoon dat hij grondig en met kennis van zaken te werk gaat en daarbij altijd zijn bronnen opgeeft en geen literatuurverwijzing schuwt. Het is om die reden dat we het boek achterstevoren hebben gelezen. De inhoudstafel staat achteraan (p. 319) en dan volstaat één blik om te beseffen dat in dit boek de hele kunst- en cultuurgeschiedenis van Brugge in de 15de eeuw wordt belicht en niet één enkel schilderij. Er is ook aandacht voor de uitlopers tot in de 19de eeuw wanneer allerlei Van Eyckherdenkingen (bijv. het standbeeld e.d.) aan bod komen. Het uitgangspunt is nochtans maar één cruciaal schilderi,j namelijk het olieverfschilderij op paneel “Onze Lieve-Vrouw met het Kind Jezus, Sint-Joris, Sint-Donaas en kanunnik Joris van der Paele”, het pronkstuk uit het Groeningemuseum.

In elk hoofdstuk wordt de tekst ondersteunt door passende illustraties. Uit de fotocredits (p. 318) blijkt dat de auteur ook zelf een goede documentaire fotograaf is. Het boek is voorzien van een plaatsnamenindex (p. 316-318) en een personenindex (p. 312-315). Op het voordeel daarvan hoeven we niet extra te wijzen. De bibliografie (p. 298-311) bevat alle werken die er toe doen, zowel historisch als kunsthistorisch. En van één ding zijn we zeker: Jean Luc Meulemeester heeft die allemaal gelezen. Dat ziet men aan de noten (p. 272-297) waar je merkt dat hij de literatuur doorwrocht heeft en dikwijls van commentaar voorziet. Dat notenapparaat is indrukwekkend en bevat talrijke publicaties die niet extra werden opgenomen in de bibliografie. Sommige auteurs verzwijgen uit verstrooidheid of opzettelijk hun bronnen maar die worden door J.L. Meulemeester feilloos ontbloot door te verwijzen naar de archivalische bron waarop zij steunden. Hij is een auteur die zelf geen archiefonderzoek uit de weg gaat en zich bij het synthetiseren niet beperkt tot het samenvatten van de geldende opinies maar ook een eigen mening heeft. Zijn grote sterkte is alleszins zijn kennis van de christelijke symboliek en de liturgische gebruiken maar ook de kunstopvattingen an sich.

We zullen daar slechts één voorbeeld van geven. Het betreft de functie van het schilderij. In 1965 maakte A. Viaene in het tijdschrift Biekorf het aannemelijk dat het schilderij Madonna met kanunnik Van der Paele een grafpaneel was dat in functie stond van zijn graf in het hoogkoor van de Sint-Donaaskerk (1). Dat werd sindsdien overal nagevolgd. Tenzij men in het buitenland onwetend bleef. Er wordt immers zeer veel over onze Vlaamse Primitieven gepubliceerd in het Engels en een Nederlandstalig artikel dat verschijnt in een lokaal tijdschrift blijft lang onder de radar. Die stelling over het grafpaneel wordt niet meer bijgetreden door Till-Holger Borchert (directeur Groeningemuseum, Brugge) die al sinds 2006 en recent nog beweert dat het om een altaarstuk gaat (2). Jean Luc Meulemeester maakt het zonder meer duidelijk dat het wel degelijk om een grafepitaaf gaat. Dat maakt hij zeer overtuigend duidelijk van p. 159 t/m 174. Wij volgen hem totaal in zijn argumentatie.

Een auteur van een boek van dergelijke omvang staat altijd op de schouders van reuzen. Denken we slechts aan James Weale (3) en Elisabeth Dhanens (4). Het siert hem dat hij vol lof spreekt over het basiswerk van A. Janssens de Bisthoven (1915-1999), de toenmalige hoofdconservator van het Groeningemuseum (5). Jean Luc Meulemeester heeft hier een monumentale studie neergezet. Een monografie die hoofdzakelijk handelt over het beroemde schilderij van Joris Van der Paele maar met beschouwingen die verder reiken (6).

Willy Dezutter

1 A. Viaene, Het grafpaneel van kanunnik Van der Paele voltooid in 1436 door Jan van Eyck (Groeningemuseum Brugge), in: Biekorf, 66 (1965), 9, pp.257-264.

2 Till-Holger Borchert, De Vlaamse Primitieven in Brugge. Ludion, Brussel, 2019, p. 74. Deze paperback (128 p.) verscheen ook in het Engels zodat die omstreden opinie nu de wereld rond gaat.

3 W.H.J. Weale, Hubert and John van Eyck. Their Life and Work. Londen-New York, 1908. Heruitgave 2012 maar origineel ook online raadpleegbaar.

4 E. Dhanens, Hubert en Jan van Eyck. Antwerpen, 1980.

5 A. Janssens de Bisthoven, M. Baes-Dondeyne en D. De Vos, Corpus van de vijftiende- eeuwse schilderkunst in de Zuidelijke Nederlanden. Stedelijk Museum voor Schone Kunsten (Groeningemuseum) Brugge. Brussel, 1981.

6 Zie: Willy Dezutter, De rolbezetting bij kunstschilder Jan van Eyck en Rogier van der Weyden (15de eeuw), Brugge, 5 sept. 2018, op: www.willydezutter.be

Door de coronacrisis werd de tentoonstelling in Gent definitief gesloten. In Brugge kon herstart worden vanaf 18 mei 2020, na reservatie. De tentoonstelling in het Groeningemuseum wordt verlengd tot en met 6 september 2020. 

Handen schudden, exit van een cultureel bepaald ritueel

In 2018 was het de bedoeling dat Anton Bergen de 9de plek zou krijgen op de CD&V-lijst voor de gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen. Het zou voor de eerste keer in de geschiedenis geweest zijn dat een ultraorthodoxe jood deelnam aan de verkiezingen. Binnen de CD&V-rangen ontstond daarover controverse en het ging uiteindelijk niet door. Uiteraard was hij voor ritueel slachten (dat onwrikbare standpunt kennen we ondertussen voldoende) maar hij wilde ook vrouwen niet de hand schudden. Dat heeft te maken met de culturele achtergrond van zijn geloof. Volgens zijn eigen zeggen weigert hij een vrouw de hand te schudden, niet uit gebrek aan respect voor die vrouwen, maar omdat hij geen andere vrouwen wenst aan te raken uit respect voor zijn eigen echtgenote.

Michael Freilich, modern-orthodox en toen nog hoofdredacteur van Joods Actueel en dikwijls de woordvoerder van de joodse gemeenschap (en sinds 2019 volksvertegenwoordiger voor de N-VA) schoot hem te hulp door te stellen: “Die regels zijn voor de chassidische joden zelf, ze gaan dat niet opleggen aan anderen”. Dat zou er nog aan mankeren. Wanneer het juist is dat bij een joodse man seksuele begeerte kan opgewekt worden door plichtsmatig de hand van een vrouw kort vast te houden dan stellen we voor om alle joodse mannen geblinddoekt over straat te sturen zodat ze ook niet meer naar een vrouw kunnen kijken. De verleidingen van het kijken versus die van het voelen. Dat laatste natuurlijk in alle eer en deugd, dat wil zeggen strikt beperkt tot het schudden van de hand.

Die aanrakingsvoorschriften uit Leviticus, 12-16 (over reiniging en hygiëne) komen in coronatijden goed van pas. Leviticus is het derde boek van de Hebreeuwse Bijbel en dateert van omstreeks 450 voor onze jaartelling. Zowel de orthodoxe joden als de orthodoxe christenen geloven dat de inhoud van het boek rechtstreeks aan Mozes werd gedicteerd door god zelf op de berg Sinaï. Dat het mensenwerk zou zijn, zoals overigens heel de Bijbel, wordt dus niet in vraag gesteld. Ook wordt het aan iedere gelovige opgelegd hoewel het eigenlijk vooral uit regels bestaat voor het Levitische priesterschap. Alleen de Levieten (de geslachtslijn van Levi) werden aanvaard voor het priesterschap van Jahweh (god).

De uitbraak van het coronavirus is in december 2019 begonnen in de Chinese stad Wuhan, hoofdstad van de provincie Hubei en kreeg heel de wereld in zijn greep. In België werd de eerste vaststelling gedaan op 4 februari 2020 en op 29 april 2020 telde men in ons land 7.501 doden. In de Verenigde Staten waren er op die datum al meer dan 1 miljoen besmettingen en 59.266 doden (1). Dat zijn er meer dan de 58.000 doden in de Vietnamoorlog. Sinds maart 2020 werd de uitbraak van Covid-19 erkend als een pandemie. Sinds de uitbraak van het coronavirus Covid-19 gelden als algemene regels: geen handen meer schudden, het houden van 1,5 meter afstand tussen fysieke personen (social distancing), veelvuldig handen wassen, thuis blijven (de lockdown), de deurklinken ontsmetten.   Later genomen maatregelen zijn het dragen van een mondmasker op het openbaar vervoer, in de scholen, e.a.

De ultraorthodoxe joden hebben de gewoonte om de deurlijst (de “chambrang”) aan te raken telkens men een kamer betreedt. Ook dan zal men rekening moeten houden met regelmatige ontsmetting. Maar dat zal geen probleem stellen want er is gebleken dat de joodse gemeenschap in Antwerpen zeer pragmatisch heeft gereageerd op de coronamaatregelen van de Nationale Veiligheidsraad. Net als de kerken en de moskeeën werden ook de synagogen direct gesloten. Het motto luidde: “Ons geloof is duidelijk: nood breekt wet” (2). Ook de moslims hadden er geen problemen mee om de “ramadan”, de vastenperiode, aan te passen door niet met grote groepen samen te komen tijdens de maaltijd (de iftar) na zonsondergang. De coronamaatregelen werden gedicteerd ter bescherming van de volksgezondheid en zijn niet ondergeschikt bevonden aan religieuze opvattingen.

Het afwijken van star dogmatisme kan dus blijkbaar toch wanneer men angst heeft om te sterven. Het eigenbelang als overlevingsstrategie zonder de hulp van hierboven. Niets is voor altijd. Het virus raakt arm en rijk maar houdt ook geen rekening met geloofsopvattingen. De tien plagen van Egypte uit het Oude Testament waren al even reëel. Die plagen waren geen straf van god maar werden volgens wetenschappers veroorzaakt door klimaatverandering en vulkanische uitbarstingen (3). Uit onwetendheid over de oorzaak van de ziekte werd ook de pestepidemie uit 1349 gezien als een “gesel Gods”, een straf voor het zondige gedrag van de mens (4). Die Zwarte Dood nam een derde van de hele Europese bevolking mee in het graf. Het coronavirus is geen straf van god maar valt evolutionair te verklaren. Het is in de natuur ontstaan en werd niet geschapen. Het zat dus niet op de Ark van Noach al verstopt in de vacht van vleermuizen!

Het “Ik geef vrouwen geen hand, behalve mijn eigen vrouw” is natuurlijk ook bekend van bij de ultraconservatieve, wahabitische moslims. Die radicaal islamitische ideeën zullen we altijd eerder veroordelen dan wanneer dit voorkomt in de joodse gemeenschap. Dat heeft te maken met de angst om de joodse gemeenschap objectief te bekritiseren en dan weggezet te worden als antisemiet (5). Dat is not done gezien onze toegenomen kennis over de Holocaust. Die afschuwelijke oorlogsmisdaad van de nazi’s kan niet hard genoeg veroordeeld worden maar dat betekent niet dat we godsdienstkritiek dan maar hoeven op te bergen. En vergeten we niet dat er ook zeer veel seculiere joden bestaan met een brede kijk op de wereld. Toch zien we ook bij de beoordeling van de islam veel terughoudendheid want je zult het maar wagen om de Profeet te beledigen. Daar kan dan onmiddellijk een fatwa op volgen. Het is nog het veiligst om af en toe iets minder leuks te zeggen over het christendom maar wel in de wetenschap dat je eeuwig zult branden in de hel. Dan kom je alleen nog op een zwarte lijst, maar één die nooit meer verdwijnt en waarvan je onwetend wordt gehouden. Men predikt de vergeving van de zonden maar met de wraak in gedachten.  La vengeance est boiteuse, elle vient à pas lents, mais elle vient (Victor Hugo). 

Handen schudden

Of joden en moslims (ook boeddhisten) nu wel of niet de hand willen schudden van een vrouw of wie dan ook is vanaf heden van ondergeschikt belang. Het handen schudden zal in het post-coronatijdperk facultatief worden tenzij business as usual weer de regel wordt. Als kind werden we door onze moeder aangeleerd dat we altijd “een mooi handje” moesten geven. En dat was dan de rechterhand. In de westerse samenleving is dit de gebruikelijke manier van begroeting. Het weigeren van een uitgestoken hand wordt als een belediging aanzien. Er wordt verteld dat een hand geven in de Middeleeuwen is ontstaan en dat men hiermee wilde laten zien dat men ongewapend was. Dat is een mythe. Het werd pas ingevoerd in de 17de eeuw (met het geven van een hand benadrukte men de vriendschap) en veralgemeend in de 19de eeuw. Het werd ook standaard bij de bekrachtiging van een overeenkomst. Voor een veekoopman uit de 20ste eeuw had het ook juridische waarde. De handslag tussen koper en verkoper. Dat bepaalde joden en moslims daarvan afwijken heeft niet zozeer te maken met respect voor hun eigen vrouw maar met de religieuze categorieën rein en onrein. Het heeft niets te maken met geestelijke hygiëne maar met godsdienst.

Het aspect lichamelijke hygiëne treedt recent wel sterk op de voorgrond door het infectiegevaar van Covid-19. Over die transmissie van micro-organismen van de ene persoon naar de andere is natuurlijk al decennia eerder onderzoek gedaan en we gaan hier het werk van de epidemiologen en virologen niet dunnetjes overdoen (6). Handen geven is een kunst. De juiste duur, de juiste sterkte en de juiste houding zijn van belang. Door de coronapandemie wordt sterk aangeraden om het geven van handen achterwege te laten en de handen ook regelmatig te wassen. We moeten wel oppassen voor het ongewild ontwikkelen van smetvrees want dan moeten we de rest van ons leven doorbrengen in bad. Smetvrees is het dwangmatig en veelvuldig wassen van de handen en wordt aanzien als een dwangstoornis die past in het rijtje van de obsessief-compulsieve stoornissen. Regelmatig de handen wassen (ook na toiletbezoek) zal in Brugge iets makkelijker te realiseren zijn dan in het vluchtelingenkamp Moria op het Griekse eiland Lesbos of in een sloppenwijk in India. Niet alleen water en zeep maar zeker een dispenser met ontsmettende handgel zijn niet overal evident. Een wereldwijd probleem met twee snelheden.

In 1439 droeg de Engelse koning Henry VI de bevolking op om te stoppen met kussen om zo de verspreiding van de pest tegen te gaan. In zuidelijke landen is het kussen (op de wang) als begroeting al even gewoon als het geven van een hand. Denken we aan Frankrijk, Italië en bij ons in Wallonië. Ook dat zal misschien moeten herdacht worden zelfs als het zich beperkt tot een “broederlijke accolade”, de omhelzing. De verspreiding van virussen en bacteriën gebeurt immers nog altijd via druppeltjes. Waarden en normen zijn niet alleen cultureel bepaald maar zijn ook tijdsgebonden. Zo zullen de mondmaskers niet langer met uitsluitend Aziatische landen geassocieerd worden maar ook bij ons gemeengoed worden. Desnoods maken we ze zelf wanneer de overheid in gebreke blijft. Die huisvlijt zorgt wel voor mooie patroontjes en een economische boost voor de stoffenwinkels.

Het geven van handen is sociaal wenselijk maar is het medisch verantwoord om deze traditie verder te zetten ? Een medisch onderzoek van de Aberystwyth University of Wales (UK) uit 2014 is wat dat betreft duidelijk: “To fight the spread of germs, doctors should ditch the handshake and greet their patients with a fist bump instead” (7). Een hallucinant onderzoek naar de verspreiding van de E. colli door handen schudden. Met als aanbeveling: doe dat niet en geef een vuistje. Intussen weten we dat elkaar een lichte elleboogstoot geven beter is. Het is maar de vraag of dat elegant genoeg is om cultureel-maatschappelijk aanvaard te worden. Tenzij koning Filip er ook blijvend mee aan de slag gaat. De elite die het voorbeeld geeft waarna het als “gesunkenes kulturgut” overal ingang vindt. Het handen schudden zal dus voor iets anders moeten ingeruild worden. In China heeft men al een alternatief gevonden. Daar leg je nu een vuist in de palm van je andere hand. Dat zal hier nooit overgenomen worden alleen al om ideologische redenen. We vallen nog liever dood dan iets over te nemen van een communistische volksrepubliek.

Het “namaste” is een Hindoe-begroeting. Men legt de handen bij elkaar en maakt een lichte buiging. Het heeft iets vertederends. Het is alleszins beter dan een kruisteken maken met twee opgestoken vingers. Men kan ook een lichte buiging maken en de hand op het hart leggen. De verschillende Japanse buigingen gaan we in West-Europa niet invoeren. Tegen de informele buiging van 15 graden hebben we nog het minst bezwaar maar onze voorkeur gaat eerder naar de kleine knik van 5 graden. Maar oogcontact maken en glimlachen kan ook al voldoende zijn. We veronderstellen dat diegenen die nu mondmaskers aan het naaien zijn ook nog een voorstel kunnen doen. Het valt dus af te wachten wat het wordt: individueel te bepalen (wat nog zo slecht niet is) of collectief en naar Belgische gewoonte verschillend in Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Zeker is dat er alleszins gedragswijzigingen zullen komen in de sport. De “high-fives” zullen achterwege blijven en voetballers mogen zeker niet meer naar elkaar spuwen en krijgen bij overtreding een gele kaart.

We herinneren ons nog de beelden van de ontmoeting tussen president Trump en premier Abe van Japan in 2019. Daar kwamen geen buigingen aan te pas. Donald Trump deed aan “shake hands” en wel op zo’n overdreven wijze dat premier Shinzo Abe zichtbaar pijn leed. Daar werd meteen duidelijk gemaakt wie er de baas blijft in Japan. Veel zal dus afhangen van hooggeplaatste figuren die de trend zullen zetten. De vicepresident van de VS Mike Pence geeft in volle coronatijd een elleboogje maar zal hij dat ook de volgende jaren blijven doen ? Zal het stabiele genie (zoals hij zichzelf noemt) Donald Trump handen blijven schudden of niet ? Indien dat bij het oude blijft is de handshake overal in de wereld gered. Het imperatief van de voorbeeldfunctie zoals dat ook werkt in de mode. Gezien zijn houding tegenover de coronacrisis, die ongelegen kwam en hij nogal onderschat in tegenstelling tot de gouverneurs, ziet het er naar uit dat dit zal gebeuren. Ook bij ons zal de verslapping van de aandachtsboog er voor zorgen dat we zoveel mogelijk tot de orde van de dag zullen overgaan. Nu heeft Trump één ding tegen en dat is dat zijn corona-adviseur viroloog dr. Anthony Fauci een groot tegenstander is van het handen schudden wegens het bekende besmettingsgevaar. Maar die kan hij eenvoudig ontslaan. Dat zou de zoveelste in de rij zijn.

Na corona zal niets nog hetzelfde zijn beweert men nu alom. Laten we hopen dat het waar is en dat het zorgpersoneel in ziekenhuizen en woonzorgcentra een redelijke loonopslag zal krijgen. Maar de politiek zal er op wijzen dat dit nu om budgettaire redenen niet het goede moment is om dat te vragen. Er is nu immers een economische crisis en recessie en dan zal er alleen belangstelling over blijven voor produceren en winst maken. Het beschermingsmateriaal zal overal overvloedig aanwezig zijn met de permanente levering van allerlei soorten mondmaskers (aanleggen van grote stocks) en spatmaskers in plexiglas, latex handschoenen, schorten, plexiglas schermen, ontsmettingsalcohol en gels, ruimtelijke herschikkingen in ziekenhuizen, winkels, fabrieken, enz. Overal zullen er ontsmettingskits geplaatst worden ter ondersteuning van de anderhalve meter economie. Grote gedragsveranderingen zullen er niet komen maar wel blijvende technische toepassingen. De schermen in plexiglas zullen nooit meer verdwijnen. Ook de ontsmettingszepen zullen aan de ingang blijven staan. De tijd van het wachten en aanschuiven lijkt aangebroken.   Men zal het zorgpersoneel (hospitalen, rusthuizen, thuiszorg, poetshulpen) goed materieel omkaderen om ze (en hun afgevaardigden van de verschillende vakbonden) daarmee te sussen door deze veiligheidsinvesteringen voor te stellen als een toeslag op het loon. Zie toch eens hoe goed we voor jullie zorgen, zal er geargumenteerd worden. Een slaaf die gratis goed gekleed wordt laat zijn looneisen vallen. Maak dan met je hand het “fuck you” gebaar en ontketen een nooit geziene “witte woede”. Kom massaal op straat en ontmasker de onoprechtheid van het goedkope applaus dat je te beurt viel toen je je leven waagde op de Covid-afdeling. We  moeten afwachten in hoeverre “onze helden” financieel zullen gecompenseerd worden. Voor één keer nog zullen we dat bezegelen met een ferme handdruk.

Willy Dezutter

1 De officiële cijfers van de Amerikaanse Johns Hopkins University die een coronavirus monitor bijhoudt. hub.jhu.edu Men spreekt daar over “six feet of social distancing”. Dat is volgens de omrekentabel 182,88 centimeter. Dat is meer dan de bij ons gepropageerde 1,5 meter.

2 Gazet van Antwerpen 26.3.2020.

3 The Science of the 10 Plagues. Live Science Staff, 11 april 2017. livescience.com en Lilian Ahlers, Bijbelse plagen wetenschappelijk verklaard. historiek.net

4 Joren Vermeersch, 1349 Hoe de Zwarte Dood Vlaanderen en Europa veranderde. Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2019, p. 30. Ten gevolge van de coronacrisis beleefde dit uitstekende boek in april 2020 al een vierde druk.

5 Zie daarvoor het boek van Ludo Abicht, De eeuwige kop van Jood. Een geschiedenis van het antisemitisme. Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2019.

6 Zie: Transmission (medicine) op en.wikipedia.org en de bijhorende instructieve video How does Sars Cov 2 spread.

Baron Auguste Jean Baptiste de Herckenrode (1789-1837)

Deze telg uit een bekende adellijke familie was ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) een tijdlang kapitein van het Corps der Maréchaussée met standplaats Brugge.

Hij werd geboren op 22 juni 1789 in Leuven.  Zijn ouders waren baron Joseph de Herckenrode (1756-1801) en jonkvrouw Jeanne d’Udekem (1762-1821).  Auguste was de derde van zeven kinderen. Hij doorliep een militaire carrière die in 1808 begon bij de dragonders van Napoleon.  Hij nam in 1809 deel aan de campagne in Oostenrijk en werd op 7 september 1812 gewond bij de Slag aan de Borodino (Rusland).  Toen Napoleon definitief verslagen werd bij Waterloo in 1815 bood hij zich aan bij het Nederlandse leger waar hij terecht kwam bij het onderdeel van de Koninklijke Maréchaussée.  Dit korps werd op 26 oktober 1814 door koning Willem I opgericht ter vervanging van de Franse gendarmerie.  Hij deed dienst in Huy (Hoei) en Luik.

Op 26.3.1817 huwde hij in Gent met Pauline de Berlaere de Trivières.  Hun enige zoon Jacques, de later bekende genealoog en heraldicus, werd geboren in Huy op 15 maart 1818.  In mei 1818 werd Auguste bevorderd tot kapitein en was gekazerneerd in Luik.  In 1822 werd hij kapitein van de Koninklijke Maréchaussée (ook Marechaussee geschreven) in West-Vlaanderen.  De compagnie gendarmen in Brugge behoorde tot de tweede afdeling van het korps met als hoofdplaats Gent.  De “Luitenance” van Brugge telde 21 gendarmen waarvan 8 te paard.  Als kersvers kapitein in Brugge begon hij met zijn inburgering door datzelfde jaar lid te worden van de Brugse kruisbooggilde van Sint-Joris.  Daar ontmoette hij wellicht Charles Doudan, lid sinds 1820.  In 1822 werd hij eveneens lid van de Koninklijke Maatschappij van Vaderlandsche Taal-en Letterkunde, opgericht in Brugge in 1819 en dat van duidelijk “Hollandse” strekking was.  Daar ontmoette hij een groot aantal bestuursleden en gewone leden die ook lid waren van de Brugse vrijmetselaarsloge “La Réunion des Amis du Nord” (gesticht in 1803).  Die wezen hem waarschijnlijk terug de weg naar de tempel.

Op 1 januari 1824 werd hij geaffilieerd bij La Réunion des Amis du Nord.  Zijn entreegeld bedroeg 12,70 frank, een zelfde som dat normaal voor een semester lidgeld werd aangerekend.  Hij was dus al vrijmetselaar en bezat de graad van rozenkruiser.  Voor hetzelfde jaar 1824 betaalde hij ook nog voor twee semesters lidgeld, idem voor 1825 en het eerste semester van 1826.  De penningmeester Charles Doudan (1773-1861) noteerde hem in het kasboek als “Baron Vanherkenrode”. In 1826 gaf Baron de Herckenrode ontslag in zijn loge en Charles Doudan vermeldde: “Ce frère a donné sa démission”.  Dat had niets met een vertrek uit Brugge te maken, iets dat wel gold voor militairen wiens regiment of divisie verplaatst werd, maar wellicht alles met de omgeslagen sfeer binnen de loge die evolueerde van regeringsgezind naar een streven om België onafhankelijk te maken van Nederland.  Het was Constantin Rodenbach (1791-1846), later Belgisch volksvertegenwoordiger, die daarin het voortouw nam en om alles beter te kunnen voorbereiden begin 1827 ontslag nam bij La Réunion des Amis du Nord waar hij in 1821-1823 nog Voorzittend Meester was.  Na 1830 leidde La Réunion des Amis du Nord een zeer moeizaam bestaan en hield op 1 maart 1832 op te bestaan.

A. de Herckenrode, die daartoe een eed had afgelegd, bleef trouw aan koning Willem I en bleef in Brugge kapitein van de Marechaussee tot in 1831.  In het onafhankelijk België werd de Marechaussee omgevormd tot “Gendarmerie Nationale” en A. de Herckenrode werd in Brugge door het Voorlopig Bewind (de tijdelijke regering vanaf 28 sept. 1830) nog één jaar gehandhaafd nu als kapitein van de Nationale Gendarmerie in Brugge. Daar werd hij in 1832 opgevolgd door majoor G.N. Leboutte.  A. de Herckenrode werd kapitein-commandant van de Nationale Gendarmerie in Limburg met standplaats Hasselt.  Een overstap van officieren binnen het leger bij regimewisseling van Frans, naar Nederlands en dan Belgisch was toen nog heel normaal.  Om gezondheidsredenen werd hij in augustus 1836 op non-actief geplaatst.  Op 25 januari 1837 overleed hij in Luik (maar was gedomicilieerd in Mons).  Ook Charles Doudan overleefde de regimewissel succesvol.  Die werd in het nieuwe België in 1831 gemeenteraadslid van Brugge en in 1832 schepen.

Tot slot nog iets over het wedervaren van zijn zoon Jacques de Herckenrode. Die werd geboren op 15 maart 1818 in Huy en bracht wellicht zijn prille jeugdjaren (van 1822 tot 1831) door in Brugge. Deze Jacques (ook Léon genoemd) zal later belangrijke werken publiceren over genealogie en heraldiek.  In 1841 was hij gehuwd met zijn volle nicht Thérèse Marie Désirée de Herckenrode (1811-1848).  Zij was zeven jaar ouder en het enig kind van Théodore de Herckenrode, de oudere broer van zijn vader Auguste.  Het neef-nichthuwelijk kwam in adellijke kringen betrekkelijk veel voor.  In principe was dit door de katholieke kerk verboden maar de bisschop kon dispensatie verlenen.  En als het niet vlot, lukte was er nog een hogere instantie: de paus!  Dergelijke allianties dienden de versnippering van het familiebezit tegen te gaan.  Het echtpaar kreeg drie kinderen maar zijn vrouw stierf al op 2 maart 1848 in Sint-Truiden op de leeftijd van 36 jaar.  In 1851 was Jacques de Herckenrode kandidaat om stadsarchivaris van Brugge te worden maar het stadsbestuur gaf geheel onverwacht op 1 maart 1852 de voorkeur aan de handelsbediende Pieter Bossaert (1796-1868) die later werd opgevolgd door de meer bekende Louis Gilliodts-Van Severen.

Zijn voorliefde voor Brugge laat zich wellicht niet terugvoeren naar zijn kindertijd maar wel naar de datum van 28 december 1850 toen hij om vier uur in de namiddag op het Brugse stadhuis zijn jawoord gaf aan Désirée Louise De Craene, geboren te Brugge op 25 juni 1822.  De bruid was 28 jaar en de oudste dochter van Boniface De Craene en Cathérine Maes, beiden woonachtig in Brugge. De bruidegom was “homme de lettres”, 32 jaar en een weduwnaar die bij zijn 55-jarige moeder woonde in Gent maar rechtens in Sint-Truiden.  Het echtpaar zou drie kinderen krijgen.  Er hangt hier nog wel een apart verhaal aan vast want volgens de huwelijksakte (Stadsarchief Brugge, Akten burgerlijke stand, huwelijken 1850 no. 386) konden de vader en de moeder van de bruid de akte niet ondertekenen wegens ongeletterdheid.  Dat paste waarschijnlijk niet in het plaatje.  Dat kunnen we afleiden uit het feit dat de moeder van de bruidegom Pauline de Berlaere de Trivières ( 1796-1861) niet op de huwelijksvoltrekking aanwezig was maar wel haar toestemming gaf per notariële akte.  Baron Jacques de Herckenrode overleed in Gent op 22 oktober 1880.

Willy Dezutter

Jean Brunon Rudd (1792-1870), architect en vrijmetselaar

Jean Brunon Rudd (Brugge 13.12.1792 – Brugge 22.2.1870) was van 1830 tot aan zijn overlijden in 1870 de stadsarchitect van Brugge.  In die veertig jaar kon hij zijn stempel drukken op het Brugse stadsbeeld. Zijn favoriete stijl was het neoclassicisme (1).

Als één van zijn realisaties vernoemen we het concertgebouw in de Sint-Jacobsstraat (1830).  Naar aanleiding van de aanleg van de spoorweg (1838) ontwierp hij op ‘t Zand (toen Stationsplein)  een uniforme neoclassicistische gevelwand waarvan er slechts vier werden gerealiseerd o.m. het hoekhuis (nu hotel Singe d’Or) uit 1839.  Hij was ook belangrijk voor talrijke restauratieprojecten (2). Maar we blijven graag kritisch.  In 1847 deed hij een voorstel om de Spiegelrei tot aan de Koningsbrug te dempen om op die manier een groot rechthoekig plein te kunnen realiseren waarop dan een nieuwe Stadsschouwburg zou moeten verrijzen.  Gelukkig kwam er veel verzet en het plan werd niet uitgevoerd.  Ook de Blinde Ezelbrug werd in 1855 gebouwd naar zijn ontwerp. Na zijn overlijden (3) werd hij als stadsarchitect opgevolgd door Louis Delacenserie (1838-1909).

Vrijmetselaar

De vrijmetselaarsloge “La Réunion des Amis du Nord” (R.A.N.) kreeg op 23 mei 1803 haar constitutiebrief van het Grand Orient de France en bleef na de val van het Franse keizerrijk verder bestaan tijdens de Hollandse tijd (4).  Die overgang verliep volgens een vast stramien: de Franse militairen en ambtenaren vertrokken uit de loge en hun plaats werd ingenomen door ambtenaren die het nieuwe landsbestuur genegen waren.  Pas toen we zelf revolutie ontketenden, liep het fout.

Meer en meer leden namen ontslag omwille van de Belgische revolutie (septemberrevolutie 1830).  De laatste penningmeester Charles Doudan (1773-1861), een voormalig Achtbare Meester (voorzitter) die ook eigenaar was van het logegebouw aan de Steenhouwersdijk 13 (nu nr. 3), weet dat duidelijk te maken met zijn aantekeningen in het bewaard gebleven kasboek (5) waar hij regelmatig aanstipt: “Parté par suite de la Révolution” en soms ook met de toevoeging “sans avoir payé son arrière“.  Een achterstallige bijdrage proberen te innen om de werkplaats overeind te kunnen houden, was niet vanzelfsprekend.  Hij verwijst zelf naar de revolutie en dat is dan ook de voornaamste oorzaak dat de loge niet meer levensvatbaar was.  De revolutionair Constantin Rodenbach (1791-1846 ), had R.A.N. reeds verlaten begin 1827 om zich voor te bereiden op het verzet tegen de autoritaire koning Willem I.  Normaal gezien bestond die loge van 1803 tot 1831 maar voor de maanden januari en februari 1832 werd er wel nog huur betaald voor het logelokaal, zodat Charles Doudan de boekhouding definitief afsloot op 1 maart 1832.  De huur bedroeg 50 frank per maand.  De zittingen vonden plaats op de eerste en de derde dinsdag van de maand.

Op de Wikipedia-pagina over Rudd lezen we dat hij slechts korte tijd lid was van R.A.N. en hij alleen maar werd ingewijd in de leerlingengraad.  Dat eerste is juist, het tweede niet.  Zijn logecurriculum valt mooi af te lezen uit de verrichtingen in het kasboek (6).  In 1821 werd hij ingewijd in de leerlingengraad en bevorderd tot gezel en verheven tot meester.  Op het tableau (ledenlijst) van 1821 komt hij voor met de meestergraad en de functie van derde expert.  De expert (keurmeester) droeg zorg voor de goede uitvoering van de ritualen.  De eerste expert was de militair Etienne Scheltens (7), Adjudant-Majoor van de 6de Divisie Infanterie.  Twee kapiteins en twee luitenants van de 6de Divisie Infanterie waren eveneens lid met de graad van meester.  De tweede expert Felix Forret, conducteur bij Waterstaat (8) en derde expert (J.B. Rudd) waren zijn assistenten.  Zo’n adjunct-functie was typisch voor een jonge meester om vertrouwd te worden met de rituele aspecten.  Die ledenlijst werd opgesteld op 12 augustus 1821 (In feite diende dat te gebeuren op 24 juni, de Zomer Sint-Jan) en in gedrukte vorm verspreid in brochurevorm (afm. 20,5 x 13 cm., 12 p.). Het werd gedrukt “À Bruges, de l’imprimerie de la loge“.  Uit de boekhouding blijkt dat dit drukker Emanuel-Jacobus Terlinck (1778-1836) is, lid van R.A.N. sinds 1812.  Als beroep van Rudd staat aangegeven “Professeur d’Architecture“, maar op het handgeschreven exemplaar in ABB (afm. 46×35 cm, 1 p.) staat “architecte“.  Een stadsarchitect had geen hoog loon en ter compensatie liet het stadsbestuur zo iemand bijverdienen als leraar bouwkunde aan de stedelijke Academie (9).  Wel werd Rudd in 1825 leraar maar pas in 1830 stadsarchitect.

In 1821 was hij dus nog particulier architect.  Constantin Rodenbach was toen Achtbare Meester en Charles Doudan redenaar.  De 1ste opziener was Louis Debeaune, bewaarder van de depot van de Douane (in 1824 Achtbare Meester), de 2de opziener was Ulric Kummer, conducteur van Bruggen en Wegen.  De secretaris was Jacques van Zuylen van Nyevelt (1776-1852), de penningmeester François Van Loo.  De loge telde in 1821 48 leden en 5 ereleden. We mogen aannemen dat ongeveer de helft regelmatig aanwezig was. Ulric Kummer en Felix Forret waren collega’s bij “Waterstaat”. Toen Felix Forret in 1857 overleed in Brugge was de begrafenisplechtigheid in de Sint-Walburgakerk. Omdat hij ridder in de Leopoldsorde was, verzorgde een detachement van het 7de Linie-regiment de muziek in de kerk.  Hij was toen ingenieur eerste klas bij de administratie van Bruggen en Wegen (10).  Het lidgeld werd altijd per semester betaald en bedroeg de som van 12,70 frank (11).  Hij betaalde in 1821 voor het eerste en tweede semester gelijktijdig de som van 25,40 fr.  In feite is dat een achterstallige betaling.  Pas in juli 1822 kreeg hij de rekening voor de meesterverheffing (pour l’initiation au 3e grade), eveneens de som van 25,40 fr., die hij betaalde op 30 januari 1823.  Dat is een afwijkend bedrag gelijkgesteld aan het lidgeld voor twee semesters.  De officiële initiatiebedragen lagen in die tijd anders.  Normaal was dat voor de derde graad 45 frank en 6 frank voor het meesterdiploma.  Men kan hem een gunsttarief verleend hebben wegens gebrek aan financiële middelen.  We herkennen in ieder geval een patroon van betalingsmoeilijkheden.  Hij was toen dertig jaar en nog niet de gerenommeerde architect die hij later zou worden.  Hij was niet de zoon van een rijke grootgrondbezitter maar van een schrijnwerker-timmerman met Britse roots, die met een Brugs meisje huwde.  Pas in 1825 werd hij leraar aan de Brugse academie, dat hem een vaster inkomen bezorgde.  Hij bleef dat tot 1838.  In 1822 betaalde hij voor het eerste semester 12,70 frank en nogmaals voor het tweede semester.  In 1823 betaalde hij op 1 maart (de start van het nieuwe maçonnieke jaar) enkel nog voor één trimester de som van 6,35 frank.  Dat was een uitzondering omdat ieder lid meestal per semester betaalde.  Dat was een veeg teken en de penningmeester Charles Doudan kon alles afsluiten met de mededeling: “ce frère a donné sa démission”.

In die periode was Rudd gestart met een gigantisch opmetingsproject dat het nodige kapitaal vergde.  Heel die studie van plannen en doorsneden van Brugse monumenten bracht hij tot een goed einde met een eigen uitgave tussen 1824-1829 (12).  Wegens de revolutie kon hij die losbladige uitgave wel niet voltooien.  Hij deed er wellicht verstandig aan om zijn loopbaan prioritair te stellen boven een logecarrière.

Besluit

Jean Brunon Rudd werd wel degelijk meester-vrijmetselaar maar zijn maçonnieke carrière was van korte duur.  Hij ging “in de verstrooiing op eigen verzoek” maar liet geen schulden na.  Zijn status van vrijmetselaar moet men tot de juiste proporties weten te herleiden.  Sommige auteurs die te veel de nadruk leggen op het mystieke maken soms de fout dit te romantiseren (13).  Een vrijmetselaarsloge verschilt bedrijfseconomisch in niets van een profane vereniging uit de non-profit sector.  De financiële analyse van de jaarrekening staat altijd op één.  Alleen een voldoende aantal leden kan die kosten dragen en dan nog is steun van een mecenas altijd welkom.  Maar bij R.A.N. werd altijd alles  netjes betaald aan de broeders-leveranciers: kaarsen (William Chantrell), de huur van de piano (David Cunningham), enz.  De huisbewaarder Pierre Polsenaere (ook ingewijd in de eerste graad) kreeg voor het tweede semester van 1831 nog het bedrag van 37,72 frank terugbetaald.  Het initiatieke aspect raakt enkel de leden die er ontvankelijk voor zijn.  Toen in 1833 de eerste autonome Belgische obediëntie werd opgericht nl. het Grand Orient de Belgique/Grootoosten van België was R.A.N. daar niet meer bij hoewel ze daartoe nog wel werd uitgenodigd (14).  En Charles Doudan, sinds 1815 genaturaliseerde Fransman werd in 1831 genaturaliseerde Belg.  Eind 1837, begin 1838 werden nog vruchteloze pogingen ondernomen tot heroprichting van R.A.N. maar Charles Doudan had er schoon genoeg van (15).

Willy Dezutter

1 J. Van Cleven, Jean Brunon Rudd, in: Nationaal Biografisch Woordenboek, deel 12, Brussel, 1987, kol. 634-639; Thomas Coomans, lemma Rudd, Jean Brunon, in: Anne Van Loo (red), Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden. Mercatorfonds, Antwerpen, 2003, p. 490 en https://nl.wikipedia.org/wiki/Jean-Brunon_Rudd

2 J. De Maeyer, Negentiende-eeuwse restauratiepraktijk en actuele monumentenzorg. Leuven,1999, p. 206-207.

3 J.B. Rudd bleef ongehuwd.  Zijn grafmonument bevindt zich in vak 32 van de Centrale begraafplaats (Steenbrugge). Dit monument, voorzien van een kruis, vertoont ook de attributen van zijn beroep: de passer, de winkelhaak en het schietlood omkranst met een laurier met onderaan het ereteken van Ridder in de Leopoldsorde.  Voor auteurs die graag schrijven over “het geheimzinnige” Brugge stof om te fantaseren over de vrijmetselarij.

4 Willy P. Dezutter, De loge “La Réunion des Amis du Nord” (1803-1831) in Brugge, in: Brugs Ommeland, 2010, 1, p. 39-51 en op www.willydezutter.be

5 Archief Bisdom Brugge (ABB), La Réunion des Amis du Nord. Table nominative des membres dont le compte sont compris au Présent Registre.

6 ABB, Table nominative des membres, 2ième partie, Comptes Courans.

7 Hij wordt soms verward met Adjudant-Majoor en later Belgisch kolonel Chrétien Henri Scheltens (Brussel 15.10.1787 (niet 1790/Wikipedia) – Brussel 31.1.1880). Die was ook vrijmetselaar en werd 92 jaar.  Carrière in Frans, Hollands (gewond in Waterloo) en Belgisch leger.  Eindigde in 1848 als plaatscommandant van Oostende.  Adjudant-Majoor Etienne Scheltens verliet het garnizoen Brugge in 1827. Hij werd gevolgd door kapitein Jean Stutzer; kapitein Joseph Morisse (ook Maurisse) gaf ontslag, luitenant Denis Delwart en luitenant Denis Bachnitzer (geaffilieerd lid) vertrokken eveneens wegens de verplaatsing van hun Divisie. Weer een serieuze aderlating voor R.A.N.

8 De Administratie van Bruggen en Wegen hing af van het Ministerie van Waterstaat. Vandaar de benaming “Conducteur du Waterstaat”.

9 Jeroen Cornilly, Stadsarchitecten in West-Vlaanderen. De impact van een ambtenaar op het stads- en dorpsbeeld, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, 154 (2017), 2, p. 391. Voor J.B. Rudd ook p.397.

10 Gazette van Brugge 12.1.1857.

11 Gedurende het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd in het Zuiden pas in 1816 de gulden ingevoerd. De Franse frank bleef parallel wettig betaalmiddel. Bij R.A.N. werd de gulden nooit ingevoerd. Eén goudfrank is nu ongeveer 5 euro. Vijfentwintig frank zou dan overeenkomen met 125 euro. In feite zou men de vergelijking moeten maken met het dagloon van een arbeider in 1820-1825 rekening houdend met de koopkracht. Zie algemeen: Peter Scholliers, Geschiedenis van de ongelijkheid. Uitgeverij EPO, 2014. Een modale ongeschoolde arbeider verdiende 1 fr. per dag.

12 Jean Brunon Rudd, Collection de plans, coupes, élévations, voûtes, plafonds etc. et des principaux monuments d’architecture et de sculpture de la ville de Bruges, depuis le XIV° jusque ‘ au XVII° siècle, Bruges, 1824-1829. Zijn meetinstrumenten, bibliotheek, gravures, enz. werden op 17 en 18 mei 1870 geveild in het sterfhuis Ridderstraat 6, Brugge.

13 Joël Goffin, Le secret de Bruges-la Morte. (2011, herziene druk 2015). Hecht te veel waarde aan de mysteriën van de vrijmetselarij, ook voor J.B. Rudd, C. Rodenbach, e.a. die hij in dat boek behandeld.

14 ABB, brief van Groot-Redenaar Auguste de Wargny 1 februari 1833. Vrijmetselaarsfonds C 537. De stichtingsdatum van het G.O.B. is 13 januari 1833 maar de stichtingsplechtigheid ging door in de Tempel van “Les Amis Philanthropes” in Brussel op 23 februari 1833.

15 A. Van den Abeele, La Réunion des Amis du Nord à Bruges. Une résurrection manquée 1837-1838. Brugge, 1986.

Dit artikel verscheen in Biekorf 119 (2019), 1, p. 113-118.

Addendum

Jean Brunon als rederijker

Jean Brunon Rudd was tijdens de Hollandse tijd ook lid van de Brugse rederijkerskamer ““Rhetorica”.  Voor de geschiedenis van de rederijkerskamers die nog actief waren in de 19de eeuw verwijzen we naar de studie van Marc Carlier, De laatste Brugse Rederijkers.  Het Vlaams letterkundig leven in Brugge van het einde van het Ancien Régime tot na de Belgische onafhankelijkheid.  Uitgegeven door het Genootschap voor Geschiedenis van Brugge in de reeks Vlaamse Historische Studies, Uitgeverij Van de Wiele, Brugge, 2017, 215 pp. Hier p. 181.  Er was een groot aantal leden van La Réunion des Amis du Nord gelijktijdig lid van “Rhetorica”.  Het door M. Carlier als Joannes Felix Rotsaert de Hertaing geïdentificeerd lid van La Réunion des Amis du Nord (op.cit. p. 180) is onjuist.  Het betreft hier Jean Rotsaert, een grootgrondbezitter uit Brugge. De valkuil van de homoniemen.  De uit Brugge afkomstige drukker Thomas Vermeirsch “tevens lid van de Oostendse vrijmetselaarsloge” (M. Carlier, op.cit. p. 59) wordt voor het eerst vermeld bij de Oostendse loge Les Trois Niveaux in 1808.  Van 1819 tot 1826 was hij secretaris van deze loge.  Op 26.9.1826 gaf hij ontslag.  Op 30.1.1829 werd zowaar de Bruggeling Charles Doudan (1773-1861) kortstondig secretaris van Les Trois Niveaux.  Hij bleef dat tot 14.8.1830.

Willy Dezutter

Rouwdracht en rouwtijd in Brugge (1900-1945)

Over de duur van de rouwdracht bestaat nog altijd veel onduidelijkheid (1).  Nochtans bestond er voor Brugge een duidelijke richtlijn die in 1933 door de Brugse Kleermakersbond in een Nederlandstalige versie werd verspreid.  We zeggen eerst iets over deze Bond en focussen vervolgens op zijn richtlijn.

De Kleermakersbond

In Brugge bestonden in 1851 meer dan 40 gemeenzaamheden (beroepsverenigingen).  Deze van de kleermakers, die in 1804 opgericht werd, was één van de belangrijkste.  In 1904, bij het honderdjarig bestaan, vroeg de kleermakersgemeenzaamheid de grondwettelijke erkenning aan, maar door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verdween deze vereniging.  In 1919 werd een nieuwe beroepsvereniging gesticht onder de benaming “De Brugsche Kleermakers”.  Het eerste bestuur bestond uit voorzitter Aloïs Anseeuw, ondervoorzitter Charles De Poot, schrijver-penningmeester Serafien Lust, bestuursleden J. Vanderhaeghen en R.Wittezaele.  De proost, die ook deel uitmaakte van het bestuur, was Paul Allosery (2).

In 1923 telde de vereniging 24 leden, in 1934 telde men 64 leden.  Op 22 oktober 1944 werd de eerste naoorlogse vergadering gehouden, waarop naast het voltallig bestuur ook 78 leden (uit Brugge en omliggende) aanwezig waren.  Op 19 oktober 1969 werd het vijftigjarig bestaan nog op grootse wijze gevierd en op 18 februari 1979 was de viering van het zestigjarig bestaan.  De zelfstandige meester-kleermakers waren wegens de concurrentie van de confectiekleding met uitsterven bedreigd en wegens gebrek aan actieve leden werd de vereniging in 1983 ontbonden.  Op voorstel van de laatste secretaris, Joseph De Poot (1905-1998), besloten de vier overgebleven leden in 1992 om hun archief te schenken aan het Stedelijk Museum voor Volkskunde van Brugge (3).

Een aansporing tot rouwplicht (1933)

In 1933 verspreidde de beroepsvereniging “Brugse Kleermakers” een rondzendbrief met richtlijnen over de rouwdracht en rouwtijd.  De graad van verwantschap bepaalt de duur en de wijze van rouw dragen.  De richtlijnen uit 1933, die ook gepropageerd werden via persartikels, gaan onveranderd terug op de raadgevingen van de “Federatie der Belgische Meesterkleermakersverenigingen” die ze omstreeks 1900 ook in brochurevorm liet verschijnen.  De rouwplicht, zoals het genoemd werd, zag er uit als volgt:

De kleur van de rouwgewaden is zwart.

Men onderscheidt de grote rouw (één jaar), de halve rouw (half jaar) en de kleine rouw (drie maanden).

Een weduwe dient gedurende twee volle jaren rouwkleding te dragen (4).

Het eerste jaar grote rouw, dan zes maanden halve rouw en nog eens zes maanden (niet drie) kleine rouw.

De rouwsluier of voile dient negen maanden gedragen, zes weken hangende voor het gezicht, nadien achterwaarts op de rug. Na het afleggen van de sluier volgt nog negen maanden halve rouw. De kleur blijft zwart.

Voor de zes maanden kleine rouw mogen de kleren versierd worden met witte kraagjes en ook de hoeden mogen aangevuld worden met witte versieringen.  Donkergrijze kleren, wit of zwart gestreept, voldeden ook aan de rouwplicht van de kleine rouw.

De weduwnaar, maar ook de vader en moeder, zijn aan rouw onderworpen voor achttien maanden, nl. zes maanden zware, zes maanden halve en zes maanden kleine rouw.  Voor kinderen, schoonouders en schoonkinderen geldt één jaar, nl. zes maanden zware rouw en zes maanden kleine rouw.  Broers, schoonzusters en schoonbroers, grootouders en kleinkinderen moeten rouw dragen gedurende tien maanden nl. zes maanden zware rouw, drie maanden halve rouw en één maand kleine rouw.

Ooms en tantes, broers- en zusterskinderen dragen zes maanden rouw.  Neven en nichten dragen rouw van drie tot zes weken.  Kinderen jonger dan vier jaar zijn vrijgesteld tenzij voor vader en moeder.  Het dragen van witte kleedjes in plaats van zwart heeft de voorkeur.  Witte, grijze, of wit met zwart gemengde stoffen, hebben de voorkeur voor kinderen tot twaalf jaar.

De “Federatie der Belgische Meesterkleermakersverenigingen” ondersteunde dergelijke richtlijnen, ingegeven door commerciële motieven, door het versturen van tweetalige rondzendbrieven.  In 1911 vond het Nationaal Congres voor Meesterkleermakers plaats in Charleroi en in 1913 te Gent ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling.  Deze richtlijnen werden overgenomen door de Provinciale Kleermakersbonden en op hun beurt weer door de lokale verenigingen voor meester-kleermakers.  Het betrof een landelijk netwerk en om die reden golden deze richtlijnen ook voor Brussel en Wallonië.  In Wallonië stemt de rouwtijd, de grand deuil, de demi-deuil en de petit deuil of deuil simple overeen met wat we vaststellen in Vlaanderen (5).  De richtlijnen van de “Brugse Kleermakers” uit 1933 vindt men identiek terug bij de “Leuvensche Meesterkleermakers Vereeniging” in 1915! (6).

Dezelfde etiquette gold bij de Belgische adel (7) en men kan zich wellicht afvragen of deze rouwdwang niet voortvloeide uit de imitatie van de toonaangevende klasse nl. adel en hogere burgerij door de middenklasse (8).  Het is in ieder geval een feit dat men het “verzonken cultuurgoed” bijna nergens zo sterk terugvindt als in de klederdrachten.  De mode van Parijs werd in de Belgische stedelijke (en Franssprekende) milieus retardair nagevolgd.  De dienstboden waren doorgaans rouwplichtig aan hun meesters.  Ook hier een dwangmatige afstraling van hoog naar laag.  Het rouwen volgens voorschrift benadrukte sterk het standsverschil.  Vooral in de 19de eeuw waren er overdreven uitingen van rouw (9) en om commerciële redenen hebben de kleermakersverenigingen geprobeerd om dit te laten duren tot een flink stuk van de 20ste eeuw.  Eind de jaren vijftig was het omzeggens gedaan met de zwarte rouwjaponnen.  Het dragen van zwarte rouwkleding was voor 1850 trouwens een luxe (10) en op het platteland deed de boer op een begrafenis weer zijn trouwkostuum aan.  De rouwplicht gold overigens vooral voor vrouwen en hield nog lang stand ten gevolge van sociale controle.  In de 19de eeuw ontstonden ook allerlei rouwsieraden (in git), rouwhoeden, rouwparasols en zelfs rouwzakdoeken.

In Nederland werd de rouwtijd al snel ingekort tot een jaar en zes weken voor zware rouw, een half jaar voor halve rouw en drie maanden of zes weken voor lichte rouw. (11).

In dat land probeerden calvinistische predikanten en vanaf eind 18de eeuw ook sommige burgers om de rouwdracht te vereenvoudigen. Het ging om een voorstel om alle openbare rouw achterwege te laten, met uitzondering van een rouwband waaruit de graad van bloedverwantschap met de overledene zou zijn af te lezen (12).  We zien hier de tegenstelling tussen het sobere protestantisme en het barokke katholicisme wat ook al af te lezen valt uit de verschillen van het kerkinterieur.

Vroeger was sterven en begraven een publieke aangelegenheid (met een sacramenteel ceremonieel) maar nu is het sterven dikwijls een technisch-medische privézaak geworden.

Dit laatste geldt zowel voor katholieken als vrijzinnigen. De vroegere overdadige en kostelijke rouwgebruiken behoren tot de barokke cultuur van het katholicisme.

Theorie en praktijk

De strenge regels die de “Brugse Kleermakers” wilde opleggen werden in de praktijk niet toegepast. Uit de enquête van M. Van Coppenolle (1910-1955) voor de periode 1940-1950 blijkt dat de grote rouw eindigt zes weken na de uitvaart (13).  In Kortrijk (14) en in het arrondissement Dendermonde (15) duurde de volle rouw één jaar en zes weken.  In de praktijk kwam dit, zoals in Midden-Brabant (16), neer op zes weken volle rouw en één jaar halve rouw.  Deze duur komt overeen met wat prof. K. C. Peeters vermeldt (17).

De rouwtijd benadert sterk de wettelijke wachttijd.  De vrouw mag geen nieuw huwelijk aangaan dan na verloop van driehonderd dagen sinds de ontbinding van het vorige huwelijk ingevolge de dood van de man (Burgerlijk Wetboek, art. 228, eerste lid – opgeheven bij wet van 31 maart 1987).  De vrouw moest eerst maar eens aantonen dat ze niet zwanger was van haar inmiddels overleden partner alvorens snel te hertrouwen om economische redenen !

Onze stelling is dat de kleermakersbonden in het hele Vlaamse land hebben gepoogd om de lange rouwtijden kunstmatig in stand te houden uit commerciële overwegingen.  Het segment rouwkleding was voor hun sector zeer belangrijk.  Deze laatste stuiptrekkingen hebben de teloorgang van de maatkleding niet kunnen verhinderen en hebben al evenmin ingegrepen op het cultuurproces.  Dit achterhoedegevecht steunde op te veel economische motieven en hield geen rekening met de gewijzigde collectieve psychologie van de burgerij.  Het statisch wereldbeeld, de vertrouwde piramidale samenleving met haar zinvolle ordening, brokkelde snel af om meer dan ooit plaats te maken voor individualisering.  De onveranderlijke samenleving is na 1945 overgegaan in een moderne dynamische samenleving.

Willy Dezutter

1 Benoit Kervyn de Volkaersbeke, Tot het uur van onze dood. Funeraire rituelen en gebruiken in Brugge doorheen de tijd, in: Museumbulletin, extra editie, mei 2013, p.21.  In feite betreft het katholieke funeraire rituelen en gebruiken. Er bestaan ook vrijzinnig humanistische plechtigheden. Zie: www.deMens.nu

2 Een proost is een geestelijk leider van een rooms-katholieke instelling of vereniging.  Paul Allossery (1875-1943) was R.K. priester en historicus. Vanaf 1910 was hij bestuurder van de christelijke middenstandsorganisaties van het bisdom Brugge. In 1926 werd hij conservator van het Guido Gezellemuseum. Zie: A. Viaene, Dr. Paul Allossery, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge,1940-1946, p. 219-231.

3 W.P. Dezutter, Archivalia en realia met betrekking tot het kleermakersberoep, in: Brugs Ommeland,1993, 4, p. 238-240.

4 Na het overlijden van prinsgemaal Albert (GB) in 1861 bleef zijn weduwe Koningin Victoria (1819-1901) in het rouwzwart gekleed. Door juwelen uit Whitby-git bij de rouwkleding te dragen maakte ze in de 19de eeuw deze halfedelsteen populair bij de gegoede klasse.  De meeste rouwjuwelen bij ons (een grote variatie halssnoeren, armbanden, kammen, oorbellen, haarspelden en broches) werden vervaardigd uit git. Git is een organische amorfe delfstof. De Nederlandse wetenschappelijke naam is gagaat. In bakeliet, een synthetisch kunstharsproduct en een uitvinding van de Amerikaanse chemicus van Belgische origine Leo Baekeland (1863-1944) werden slechts twee rouwsieraden vervaardigd; een rouwbroche in 1910 en manchetknopen in 1915. Voor de uitvinding van bakeliet, vooral toegepast in de elektrotechniek, werd in 1909 octrooi verleend.

5 Marcel Pignolet, La mort et ses rites en Ardenne méridionale . Les vivants et leurs morts.  Art, croyances et rites funéraires dans l’ Ardenne d’autrefois. Bastogne, 1989, p.182.

6 Practische Raadkamer voor Jonge Meesterkleermakers de leden der Leuvensche Meesterkleermakers Vereeniging. Leuven, 1915, p. 83-86.

7 Livre des Usages et Coutumes de la Noblesse. Publié sous les auspices de l’ Association de la Noblesse du Royaume de Belgique. Bruxelles, 3e édition, 1963, p. 66-68.

8 Norbert Elias, Het civilisatieproces. Sociogenetische en psychogenetische onderzoekingen. Utrecht-Antwerpen,1987 en de editie 2005.  Het betreft hier de Nederlandse vertaling van het standaardwerk “Ueber den Prozess der Zivilisation” (1939, uitgebreide 2de druk 1969) van de socioloog Prof. N. Elias (1897-1990).  Wij zijn altijd aanhanger geweest en gebleven van zijn onderzoek naar sociale herkomst van vormen en gedrag zoals die ontwikkeld werden in de maatschappelijke bovenlagen.  Cfr. W .P .Dezutter en R. Van de Walle (red.), Volkskunde in Vlaanderen. Brugge, 1984, Inleiding, p. 5-7.

9 D.P. Snoep, Dood en begraven, sterven en rouwen 1700-1900. Utrecht,1980, p.56.

10. H. Vannoppen, Streekdrachten in onze gewesten. Gent, 1994, p. 59 en over de rouwmuts p. 179-180. In de Zeeuwse streekdracht duurde de zware of doffe rouw eveneens twee jaar maar werd soms ingekort. Cfr. J. De Bree, Kostuum en sieraad in Zeeland. Lochem,1967, p.117-119.

11  K. Ter Laan, Folkloristisch Woordenboek van Nederland en Vlaanderen. ’s-Gravenhage, 1949, P 326 (ongewijzigde herdruk in 1974) en Streekgebonden Kleding. Onderzoek in Nederland en Vlaanderen. Volkscultuur,2, Utrecht, 1996, p.48.

12  J.L. de Jager, Volksgebruiken in Nederland. Een nieuwe kijk op tradities. Utrecht-Antwerpen, 1981, p.79.

13  Maurits Van Coppenolle, Uitvaartgebruiken in West-Vlaanderen. Overdruk tijdschrift Volkskunde, 1951, 3, p 37.

14  L. Bekaert, Dood en uitvaart in het Kortrijkse volksleven, in: De Leiegouw, XIII, 1971, 1, p. 60-61.

15 J. Pieters, Doods-begrafenis-en rouwgebruiken in het arrondissement Dendermonde. Gent, 1960, p. 99-103.

16 Valeer Wouters, Rouwtijd en rouwkleding. Levend Land, 15 november 1983, p. 12 en H. Vannoppen, Overlijden en begrafenis als elementen van sociale segregatie, in: Ons Heem,48, 1994, 1, p. 12-13.

17 K.C. Peeters, Eigen Aard. Overzicht van het Vlaamse volksleven. Antwerpen, 1975, 4de uitgave, p. 417. Cfr. Als de dood voor de dood. Rituelen m.b.t. overlijden, begrafenis en dodenherdenking van 1945 tot nu in 13 Vlaams-Brabantse steden en gemeenten o.l.v. Prof. dr. St. Top. Uitgave van de Koninklijke  Belgische Commissie voor Volkskunde, 1987, 48 p.

Deze bijdrage verscheen eerder als Willy Dezutter, Rouwdracht en rouwtijd in Brugge (1900-1945), in: Biekorf, West-Vlaams Archief voor Geschiedenis, Archeologie, Taal- en Volkskunde, 113 (2013), pp. 318-323.

De vos eet de raaf op

In het Museum Magazine van de Stedelijke Musea van Brugge (1) wordt er een wandklok besproken uit het midden van de 18de eeuw met op de console een afbeelding van de fabel van de raaf en de vos.

De auteur omschrijft dat als volgt: “De vos overtuigt de raaf door gevlei om de kaas te laten vallen, vervolgens om de stinkende kaas terug op te rapen en eet dan de raaf, die naar beneden komt, op”.   Met die stinkende kaas (par l’odeur alléché/de verleidelijke geur) kunnen we het eens zijn maar verder is het toch even schrikken.  De versie waar de vos de raaf opeet, zijn we nog nooit tegengekomen.  We zullen hier niet heel de geschiedenis nagaan van die fabel van de Aesopus tot La Fontaine en ons beperken tot de meest bekende versie, die van Jean de La Fontaine zelf.  Dat is de tweede fabel in het boek van Jean de La Fontaine (1621-1695) dat voor het eerst werd uitgegeven in 1668 (2).

Le corbeau et le renard

Maître Corbeau, sur un arbre perché,

Tenait en son bec un fromage.

Maître Renard, par l’odeur alléché,

Lui tint à peu près ce langage:

Eh ! bonjour, Monsieur du Corbeau.

Que vous êtes joli ! que vous me semblez beau !

Sans mentir, si votre ramage

Se rapporte à votre plumage,

Vous êtes le Phénix des hôtes de ces bois.

À ces mots le Corbeau ne sent pas de joie;

Et pour montrer sa belle voix,

Il ouvre un large bec, laisse tomber sa proie,

Le Renard s’en saisit, et dit: Mon bon Monsieur,

Apprenez que tout flotteur

Vit aux dépens de celui qui l’écoute.

Cette leçon vaut bien un fromage, sans doute,

Le Corbeau, honteux et confus,

Jura, mais un peu tard, qu’on ne l’y prendrait plus

 

Wanneer we de laatste twee versregels vrij vertalen weten we precies hoe het eindigde:

De raaf, beschaamd en beduusd

Zwoer, wel wat laat, dat men hem niet opnieuw zou beetnemen.

Het stuk kaas valt uit de snavel van de raaf en de vos gaat er vandoor met de buit.  De vos laat de raaf, die hoog op zijn tak blijft zitten, met rust ! Voor één keer geen moord en doodslag in het bos waar normaal de één de ander opeet.  Wat een mooie schepping !

Willy Dezutter

1 Kristel Van Audenaeren, Een consoleklok met een vos van Jacques Minne, in: MB-Musea Brugge Magazine, jg. 38, sept. 2018, p. 34-35.

2 Jean de La Fontaine, Fables de La Fontaine, Le Corbeau et le Renard, tekst uitgegeven door Jean-Pierre Collinet, Fables, contes et nouvelles, Gallimard,  “Bibliothèque de la Pléiade”, 1991, p. 32.

IJdelheid is goud waard

IJdelheid wordt doorgaans beschouwd als een slechte eigenschap maar elke medaille heeft ook haar keerzijde.  Of moeten we zeggen: elke gouden munt heeft haar keerzijde.  De koper is blij en niet in het minst ook de verkoper.

Op 14 april 2019 overleed in Brugge Juliaan Taelman (1922-2019).  Hij was de numismatisch adviseur van het Gruuthusemuseum in Brugge.  Hij deed dat onbezoldigd en tegen onkostenvergoeding.  Hij had wel de toelating om die titel van numismatisch adviseur te gebruiken in zijn contacten met verzamelaars en numismatische verenigingen.  Van die prachtige collectie munten en penningen is nu niets meer te zien in het museum.  De museale verhaallijn is de stadsgeschiedenis geworden en alle collecties van de toegepaste kunst werden veilig opgeborgen. Zelfs de open haard van de eens zo geprezen “Keuken” werd leeggemaakt.  De Brugse geldmarkt was nochtans bijzonder belangrijk en er werd niet met knopen betaald (1).  Ook het overlijden van J. Taelman kende geen weerklank in museumkringen en zelfs in het Brugsch Handelsblad verscheen er geen artikel over hem.  Het is het lot van iemand die het (on)geluk heeft van bijna 97 jaar te worden.

We willen dat hier goed maken.  De ijdelheid of superbia is de hoogmoedige eigenliefde.  Het is het verlangen om belangrijker te willen zijn dan men is.  De vleierij is zijn beste metgezel.  Een klassieker om dit te illustreren is de fabel van de Franse schrijver Jean de la Fontaine (1621-1695) over “De raaf en de vos”.  De ijdele raaf hield een stukje kaas tussen zijn snavel maar de sluwe vos wist hem zo te vleien (complimenten over zijn mooie stem en mooie veren) dat hij hem verleidt om een lied te zingen.  De raaf laat het stukje kaas vallen en de vos heeft zijn prooi.  Deze fabel, die teruggaat op de Aesopus, werd ook al berijmd in de tweede helft van de dertiende eeuw in de Nederlandse Esopet met onze eigenste Reinaert de Vos in een glansrol (omgezet van het Middelnederlands in het Nederlands door Frits van Oostrum).  Liefhebbers van de Vlaamse canon mogen hier even verwijlen: de ijdelheid en pluimstrijkerij bestond in Vlaanderen al in de 13de eeuw (!) en dit lang voor de Slag der Gulden Sporen (1302).  Wij Vlamingen zijn fier op ons zelf.

De ene Van Maele is de andere niet

Michel Van Maele (1921-2003) was van 1947-1970 burgemeester van Sint-Michiels en van Brugge (1972-1977).  Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1976 werd zijn reputatie dusdanig geschaad dat hij niet opnieuw verkozen werd.  De overdracht naar Frank Van Acker (1929-1992) sleepte wat aan maar op 1 mei 1977 was de opvolging een feit.  Hij was nadien vooral actief in het bestuur van de voetbalvereniging Club Brugge en hij bleef ook een gedurfd ondernemer.

Iemand had hem al vroeg wijsgemaakt dat hij afstamde van Lodewijk van Male (1330-1384), graaf van Vlaanderen. Hij geloofde daar onmiddellijk rotsvast in.  Iedereen wilt tenslotte graag een adellijke voorvader of zelf van adel zijn of het proberen te worden.  Dat laatste kost in België zelfs weinig moeite.  Men kan het ook zelf aanvragen bij de Raad van Adel.  Vooral personen die niet helemaal zeker zijn of adelerkenning zal lukken, wagen die stap.  En heel dikwijls met goed gevolg, zeker wanneer men de voorzitter persoonlijk kent.   Michel Van Maele ging op zoek naar relicten van zijn illustere voorvader maar dat bleek niet eenvoudig.  Zijn kasteel stond nog wel in Male/Sint-Kruis  maar die pak bakstenen was toch ook niet meer zo zuiver op de graat (het werd in 1954 en later helemaal verbouwd en is in feite een kasteel voor nieuwe parvenu’s).  Maar er lonkte wel goud en zilver dat makkelijk (en verborgen voor de fiscus) kon aangeschaft worden.  Zo kwam hij in contact met de goed aangeschreven numismaat Juliaan Taelman die hem al eerder genealogisch advies had verstrekt.  Dat was een verstandige keuze.  Dat bleek in 1982 toen Taelman in stond voor de mooie publicatie “Munten en penningen in Bourgondisch Vlaanderen. Van Filips de Stoute tot Maria van Bourgondië 1384-1482”. Gruuthusemuseum, Brugge, 1982.  Aan zijn deskundigheid heeft nooit iemand getwijfeld.  Hij bezat thuis in zijn persoonlijke bibliotheek alle standaardwerken (zowel de oude als de nieuwe) over numismatiek.  Ik twijfelde ook nooit aan zijn mercantiele inzichten.  En zo gebeurde het dat hij verschillende gouden en zilveren munten van Lodewijk van Male of uit de regeerperiode van de graaf verkocht aan Michel van Maele.  De burgemeester kon zelfs handelen met voorkennis.

Het is de verdienste van toenmalig hoofdconservator dr. Valentin Vermeersch dat het munt- en penningkabinet van het Gruuthusemuseum niet verwaarloosd werd als een dood fonds en stelselmatig verrijkt werd met nieuwe aanwinsten.  Hij zij daarvoor geprezen (sinds hij met pensioen is, heeft niemand van de vorige en huidige museumdirectie dat al gedaan).  De aankoopvoorstellen, deskundig geadviseerd door J. Taelman, werden door de hoofdconservator uiteraard altijd eerst voorgelegd aan het College van Burgemeester en Schepenen.  Het dossier belandde dan na gunstig advies van de Schepen van Cultuur in het pre-college (de burgemeester en de stadssecretaris) en daarna in het officiële schepencollege op vrijdag.  Maar toen er een zilveren munt uit de periode van Lodewijk van Male te koop werd aangeboden, werd het dossier geblokkeerd door de burgemeester.  Het voorstel haalde het College niet.  Hij kocht de munt voor zichzelf voor de aangegeven prijs die voorkwam in het aankoopvoorstel !  Uiteraard een gunstig aanbod want de Dienst Musea ging nooit overdreven boven de prijs.  Het ging immers om belastinggeld.  Dat systeem van Michel Van Maele zal door hem ook wel eens zijn toegepast bij het verwerven van onroerend goed, denken we dan en passant.  De munthandel is ook nu nog zeer lucratief.  Op een gouden munt uit 1360 staat Lodewijk van Male zelf afgebeeld als ruiter te paard.  Zo’n gouden rijder kost nu in de gespecialiseerde munthandel al gauw 3.750 euro.  Het is een museumverhaal als een ander maar dan wel uit het echte leven gegrepen en niet over de schone schijn van de uitstraling van de kunstwerken.  Zoveel uitstraling dat men het zou durven verwarren met radioactiviteit.

Wanneer de beminnelijke Juliaan (die op Sint-Kruis woonde in de Schaakstraat) mij zag op straat (want ik woon sinds 1973 ook in Sint-Kruis), ging hij direct in de remmen en sprong hij uit zijn Mercedes E klasse om met mij een praatje te kunnen maken.  Het vraagstaarten van de oud-rijkswachter kon dan beginnen.  Hij bracht daarbij zichzelf en het andere verkeer in gevaar.  Maar het streelde mijn ijdelheid (…).   Hij was een groot mensenkenner.  Nooit zou hij je verteld hebben dat je afstamde van Karel de Grote.  Karolingische munten kon hij moeilijker slijten.  Maar je rechtstreeks laten afstammen van Lodewijk van Male… dat behoorde wel tot de mogelijkheden.

Willy Dezutter

1 Voor de Brugse geldmarkt tijdens de middeleeuwen, zie: Jan Dumolyn en Andrew Brown (red.), Brugge. Een middeleeuwse metropool 850-1550, uitgever Sterck & De Vreese, z. p., 2019, pp. 200-207.

 

De Gentse loge Le Septentrion (1811-1866). Een kritische bedenking.

Over de geschiedenis van de vrijmetselaarsloge Le Septentrion in Gent verscheen er recent een artikel in de Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Gent (1).

Deze loge werd opgericht in de Franse tijd (op 2 april 1811), zette haar werkzaamheden voort tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) en een uitzwerming van een deel van de leden op 1 maart 1866 leidde tot het ontstaan van de loge La Liberté.

Met veel belangstelling namen we daarvan kennis want wij handelden in de tijdschriften Biekorf en Brugs Ommeland al verschillende keren over de geschiedenis van de Brugse vrijmetselaarsloge La Réunion des Amis du Nord die gesticht werd in de Franse tijd (1803), de Hollandse tijd overleefde maar in het nieuwe België van 1830 niet meer van de grond kwam.  Vol verwachting klopte ons hart: eindelijk een studie die we als referentie konden gebruiken.  Dat viel tegen.  Het artikel is gebaseerd op een masterthesis geschiedenis (Universiteit Gent, 2018, 153 p.) maar het is duidelijk dat de auteur niet erg vertrouwd is met het jargon en de basisbibliografie over dit onderwerp.  We zullen daar niet in detail op in gaan.

Het verbaast ons alleen om op het internet te lezen dat zijn masterproef werd bekroond met de prijs voor het Gentse Historische Onderzoek 2018.  De jury schrijft: “De jury was onder de indruk van het uitvoerige en nauwgezette bronnenonderzoek en van de zorgvuldigheid waarmee u alle data heeft verwerkt”.  Meteen volgde de uitnodiging om een bijdrage te schrijven voor de Handelingen.  De auteur was zo geflatteerd dat hij besloot om de studie uit te breiden en er meteen een doctoraat over te schrijven. Dat is uiteraard nog toekomstmuziek. Eigenaardig dat al die professoren van de “Maatschappij voor Geschiedenis” (die de redactie vormen) en ook zijn promotor aan de universiteit zo laaiend enthousiast zijn.  Wij delen dat enthousiasme niet.

Ons voornaamste bezwaar is dat de auteur niets meedeelt over de werking en de leden tijdens de Franse periode en idem tijdens de Hollandse periode.  De organisatiestructuur was toen totaal anders dan na 1830.  Bij de statistische verwerking van zijn data (o.m. de namen en beroepen van de leden) gooit hij alles op één hoop.  Op p. 171 staat bijv. een tabel met de geboorteplaats van de vrijmetselaars van Le Septentrion maar weergegeven voor heel de periode 1811-1866 zonder opdeling.  Zoiets is niet representatief.  Er is zoveel verschil tussen de beroepssamenstelling in die drie verschillende periodes dat het absoluut noodzakelijk is om dat uit te splitsen en apart van commentaar te voorzien (Franse militairen, Nederlandse ambtenaren, e.d.).

Na het oprichten van het Grootoosten van België in 1833 ontstond een totaal nieuwe vrijmetselarij zodat een optelsom van data een vals beeld schept. De auteur is misschien wel sterk in het visualiseren van data in grafische voorstellingen maar de geschiedenis van de vrijmetselarij in de Zuidelijke Nederlanden heeft hij duidelijk nog niet onder de knie.  De statisticus waadde vol vertrouwen door de rivier die gemiddeld één meter diep was.  Hij verdronk.

Een ander bezwaar is dat hij in het notenapparaat met afkortingen naar publicaties verwijst zonder een afsluitende bibliografie op te nemen op het eind van het artikel.  Voor een deel gaat daarbij de nauwkeurige literatuurverwijzing verloren.  Het was een slecht idee om een samenvatting te maken zonder het vermelden van biografische gegevens.  Dat is nochtans de essentie van een zogenaamde prosopografie.  We weten nu alles en niets: wie waren zij ?  Wat te denken van de volgende zin: “Er wordt een nieuw gebouw gevonden en Steven wordt op 12 december 1829 aangesteld tot achtbare meester” (p. 174).  Steven wie ?  Het betreft hier de drukker-uitgever A.B. Stéven die eerst woonde op de Korenmarkt 54 en zich in 1825 vestigde op de Predikherenkaai (nu Predikherenlei) 11 in Gent.  Hij was de drukker van het Provinciaal bestuur o.m. van het “Memoriaal Administratif van Oost-Vlaanderen”.

Willy Dezutter

1 Bruno Frank Van Verdeghem, Le Septentrion (1811-1866). Prosopografie van een Gentse vrijmetselaarsloge., in: Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 2018: Handelingen N.R. LXXII, p. 161-199.

Medaille voor moed en zelfopoffering (Brugge, 1835)

De toekenning van een dergelijke medaille werd in België bij wet ingesteld op 21 juli 1867 maar reeds in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) en daarna in het nieuwe België (vanaf 1830) werd dat ereteken al uitgereikt.  Er werd toen zelfs per toewijzing individueel een kleine geldsom uitgekeerd.  De onderscheiding werd verleend in het hele land per provincie.

Bij Koninklijk Besluit van 4 juli 1835 (Table chronologique et sommaire des Lois et Arrêtés Royaux de la Belgique, Bulletin Officiel , Tome XII, 1835, p. 863) waren er twee toekenningen in Brugge.  Aan Louis Hilderson, houtdrager, te Brugge werd de bronzen medaille uitgereikt en een som van dertig frank omdat hij op 11 mei 1835 een zwangere vrouw van de verdrinkingsdood had gered “uyt de vaert achter de kapelle van het Heylig-Bloed”.  Het beroep van houtdrager is nu totaal verdwenen en krijgt daardoor geen vermelding meer in de Grote van Dale.

De bronzen medaille en een som van vijftig frank werd uitgereikt aan Pierre Cournot, matroos te Brugge, omdat hij, eveneens op 11 mei, een jong meisje had gered dat op het punt stond te verdrinken in de vaart “tusschen de twee sluysen”.

Dergelijke onderscheidingen werden altijd uitgereikt aan personen die daarmee hun eigen leven op het spel hadden gezet en kreeg de omschrijving van daden van “dienstwilligheyd en moedigheyd”.

Willy Dezutter