Categorie archief: Geschiedenis

De vlag van de Wildepasbaanbolders “Verbroedering” (1921) in Brugge

In de Heemkundige Bijdragen 2017/1, p. 8 (De Koninklijke Heemkundige Kring Maurits Van Coppenolle vzw, ook de uitgever van het tijdschrift Brugs Ommeland) werd gevraagd tot welke bolvereniging de afgebeelde vlag (zie foto) behoorde.

De vlag van de Wildepasbaanbolders Verbroedering (1921).
foto Eric Colenbier, Brugge

Zie hierbij het antwoord. De “Maatschappij de Verbroedering” werd, nu honderd jaar geleden, in 1921 gesticht in café “De Groote Hert” in de Langestraat 131 in Brugge. Deze bolbaan bleef aldaar bestaan tot 1958. Joris Van Hecke was toen de uitbater van dit café. Hij werd later opgevolgd door zijn zoon Robert Van Hecke (overleden op 3 januari 2000) die in 1984 de zaak stopzette en al de realia van de bolmaatschappij zelf bleef bewaren.

Uiteraard geraakte alles na zijn overlijden verspreid. Wanneer men het geheel niet schenkt (of verkoopt) aan een openbaar museum ligt dit voor de hand. Dit geldt voor elke vereniging. Wanneer de realia geschonken (of zelfs verkocht worden) blijft meestal het verslagboek (de statuten, de leden, de prijswinnaars, de soupers, de sociale activiteiten) nog jaren liggen bij de laatste secretaris en gaat op den duur dikwijls definitief verloren. De voorbeelden zijn legio.

Robert Van Hecke leidde aan de Kruisvest een bedrijf waar men carnavalskledij kon huren. Samen met Eduard Trips (1921-1997) als voorzitter, en Robert Vande Voorde als secretaris, stichtte hij op 27 februari 1961 de eerste Brugse carnavalsvereniging “De Totetrekkersgarde”. Hijzelf werd penningmeester.

Tot slot willen we nog opmerken dat de bekende lijst met de bolmaatschappijen uit 1866 niet werd opgesteld door Andries Vanden Abeele (Heemkundige Bijdragen. a.w. p. 7) maar door de historicus Luc Schepens (1937-1986) die deze lijst publiceerde in 1981. Zie: Luc Schepens, De Brugse verenigingen in 1866. Biekorf, 81 (1981), p. 77-81.

Bij het wildebaanbollen en het pasbaanbollen moeten de spelers de platte bollen zo dicht mogelijk bij de “stake” of pluim bollen. De bolbaan is ongeveer 20 meter lang. In 1866 waren er in Brugge 41 bolverenigingen die ook wel “maatschappijen” werden genoemd. Het betrof 24 pasbanen, 12 gaaiboldersmaatschappijen en 5 wildebaanverenigingen.

De winnaar van een boltornooi mocht zich sire noemen. De “Eerelijst der Siren” van de Maatschappij-Verbroedering bleef bewaard (in privé bezit). De eerste sire was Jules Matthijs in 1921 en de laatste Robert Van Hecke in 1958. Op de erelijst zelf wordt aangegeven dat de vereniging ontbonden werd in 1959. De met de hand geborduurde vlag toont twee bolders in actie. Ze bollen naar de pluim. De vlag is gesigneerd Julienne Innegraeve (geb. Brugge 17 juli 1890). In de hoger aangehaalde publicatie werden de afmetingen niet opgegeven. De vlag werd geschonken aan het documentatiecentrum van de Heemkundige Kring Maurits Van Coppenolle.    

Willy Dezutter

De Toverfluit als anti-maçonnieke opera

Iedereen van ons kent de Amerikaanse muzikale dramafilm “Amadeus” uit 1984 van de regisseur Miloš Forman met in de hoofdrol Tom Hulce. In de bioscopen was de film een groot succes en kreeg elf Oscars.

In deze film over W.A. Mozart wordt niet één keer verwezen naar de vrijmetselarij en dus ook niet bij het item “Die Zauberflöte”, de opera waarvan onomstotelijk bewezen is dat het libretto een maçonnieke opera op het oog had. Om niet in herhaling te vervallen verwijzen we naar het standaardwerk dat verscheen onder redactie van H.C. Robbins Landon (1).

Alles wat het brede publiek heden ten dage kent of weet over het leven van Mozart is gebaseerd op het zien van deze populaire film. Van een Amerikaanse regisseur mag men niet verwachten dat hij een film zal realiseren waarbij de idealen van de vrijmetselarij gepropageerd worden. Laat het dan nog de vrijmetselarij zijn van de late 18de eeuw want met de huidige versnippering in denkrichtingen zou de keuze wel eens kunnen gemaakt worden voor de zogeheten reguliere strekking en zeker niet voor een richting die het zelfstandig denken voorop stelt in humanistisch perspectief.

De algemene basis rond de beeldvorming over W.A. Mozart (Salzburg 1756-Wenen 1791) is gelegd door de film in 1984 en de internationaal bestaande vrijmetselarij heeft daar nog niets kunnen aan veranderen. Tot welke aberraties dit kan leiden zagen we in 2017 toen de “Toverfluit” werd uitgevoerd door de Opera van Vlaanderen. Het betrof een bewerking van Luc Joosten (° Hasselt, 1965), die filosofie studeerde aan de KULeuven. Hij is de productiedramaturg van een hele reeks opera’s en is nu de hoofddramaturg bij Opera Vlaanderen (Brussel-Gent). Hij maakte van de “Toverfluit” een regelrechte anti-maçonnieke opera. 

Jezus als filmster

Wat weet de gemiddelde Belg over het leven van Jezus Christus sinds dit zelfs niet meer verteld wordt in de les katholieke godsdienst ? Ook het evangelie werd verspreid via film. We denken hier aan de (horror)film “The Passion of the Christ” (2004) van Mel Gibson. Deze film over het leven van Jezus Christus , volgens de rooms-katholieke traditie, vertoont een zeer gewelddadige kruisiging. Heel wat scènes komen overigens niet voor in het Nieuwe Testament. Dat heet dan de “artistieke vrijheid”. Maar deze film is nu wel de historische werkelijkheid geworden voor een breed publiek. Het witte doek met zijn lagen schmink is het nieuwe evangelie geworden. Niet alleen de bioscoopfilm van Gibson werd gebruikt als evangelisatiemateriaal ook als televisie-uitzending werd de film de dienstmaagd van de religie. Op paaszaterdag 2006 werd de film uitgezonden door de Nederlandse omroep RTL5 en op paaszaterdag 2007 door het Vlaamse toenmalige Kanaal2. Beide zenders, die tot de commerciële omroep behoren, zonden de film uit zonder reclameonderbrekingen! “Monty Python’s Life of Brian” (1979), bekritiseert dan weer de georganiseerde religie maar dan zonder Jezus zelf belachelijk te maken. Hij werd juist neergezet als een wijze man. De film was wel zo grappig dat hij in veel landen verboden werd. Always Look on the Bright Side of Life.

Men hoeft geen legerofficier geweest te zijn om een oorlogsfilm te kunnen regisseren. Heel dikwijls wordt in dat genre ook geromantiseerd omdat een erin verweven love-story beter verkoopt dan alleen platgebombardeerde steden. Men hoeft zelfs geen vrijmetselaar te zijn om een film te kunnen maken over de “Toverfluit” maar het minste dat men mag verwachten is dat producent en regisseur hun vooringenomenheid laten varen.

Willy Dezutter

  1. H.C. Robbins Landon, Wolfgang Amadeus Mozart. Volledig overzicht van leven en muziek. Uitgeverij Tirion, Baarn, 1999, 463 p. Vooral p. 134-137 en p. 254-255. 

De Brugse bisschop Felix Brenart (1720-1794) en het afschaffen van volksdevoties

In Biekorf (2017, 4) verscheen een interessante bijdrage van J. D’hondt over de beëindiging van het zegenen van paarden in 1782 in Brugge (1). Dat gebeurde op bevel van bisschop Felix Brenart. Die  volgde in 1777 Jan Robert Caimo op, die bisschop van Brugge was van 1754 tot 1775.

Brenart staat bekend als een bisschop die zich door de Verlichting liet inspireren en onmiddellijk probeerde om klaarheid te scheppen in het kluwen aan volksdevoties en processies in zijn bisdom (2). Zijn bisschopsleuze luidde: Sine Minerva Nihil (Niets zonder wetenschap). Hij greep ook in bij de binneninrichting van de kerken. Zo liet hij in 1782 de doopvont in de St. Donaas-kathedraal verplaatsen van de westelijke gevel naar een waardiger plaats. In de O.L. Vrouwekerk van Brugge liet hij schilden van edellieden en ridders wegnemen en dat leidde tot conflicten met de Brugse adel. Hier werd geraakt aan de onsterfelijkheid!

J. Geldhof noemde hem een belangrijk voorvechter van de katholieke Aufklärung (3). De bisschop stond er ongewild niet alleen voor. Op 8 april 1786 werden op bevel van keizer Jozef II alle broederschappen of confrérieën in de Oostenrijkse Nederlanden afgeschaft. De volksdevoties waren in de 18de eeuw nog zeer levendig (4). Hij verzette zich ook tegen het toneel omdat dikwijls mirakelverhalen in toneel werden omgezet en daardoor te ver afstonden van de ware christelijke leer (5). Bepaalde verlichte pastoors traden dan op als de politieagenten van de bisschop. Al in de 16de en 17de eeuw werd er door de hogere geestelijkheid opgetreden tegen het volksgeloof. Door magie te beoefenen deed men immers een beroep op de duivels. In de contrareformatorische tijd vindt men relatief veel gevallen van vervolging van bijgelovige praktijken terug in de archieven van de kerkelijke rechtbank (6). Anderzijds doet men nu nog altijd moeite om allerlei uitingen van hedendaags volksgeloof (bedevaartsoorden, processies en heiligenverering), als relicten van het rijke roomse leven, te promoten (7).

De Keersse van Atrecht

Volksdevoties die op bijgeloof berustten vonden in de ogen van mgr. Brenart geen genade. In 1785 schafte hij de hele cultus rond de “Keersse van Atrecht” in de Speelmanskapel van Brugge af. Volgens de legende waren er in de 12de eeuw twee speellieden of minstrelen in Atrecht (Arras) die ruzie hadden maar zich met elkaar verzoenden en door de hulp van de H. Maagd Maria een gunst bekwamen voor de inwoners van Atrecht. Dat had alles met een miraculeuze kaars te maken. In Atrecht heerste een vreselijke ziekte en 84 personen waren aangetast door “het helsch vyer” (hels vuur). De ziekte werd beschouwd als een straf van God. Een speelman uit Brabant kreeg een visioen waarin hem opgedragen werd om de O.L. Vrouwkerk van Atrecht te bezoeken waar om middernacht in het hoofdkoor Maria aan hem zou verschijnen, “sien daelen een vrouwe in het witte“. Ze zou een brandende kaars in de rechterhand dragen die ze hem zal overhandigen. De was van die kaars moest hij laten druppelen in kuipen vol met water. Met dat water dienden de zieken ter genezing besprenkeld te worden. Zij die er in geloofden zouden onmiddellijk genezen; de ongelovigen zouden “haestelyck” overlijden. Later is er ook sprake van dat men het water mocht drinken. Uiteindelijk genazen er “vier-mael twintich ende dry” (vert. quatre-vingts trois) en slechts één persoon met “kranek gelove” overleed.

Later gebeurden er ook nog gelijkaardige wonderen in Rijsel en in Fleurbaix (Ned: Vloerbeek, Pas -de-Calais). Het was uiteindelijk een zekere Jan van Vançoys, “ende was wachter te Sint-Pieters tot Rijssel“, die al dertien jaar zo’n wonderkaars in bezit had, die in het jaar 1300 naar Brugge verhuisde en daar de kaars schonk aan de Brugse speellieden. Die zagen er wel brood in en richtten een broederschap op van de “Keersse van Atrecht” waarvan men lid kon worden voor zes penningen parisis. Men vindt dit wonderverhaal terug in het “Kort en waerachtigh verhael van de H. Keersse van Atrecht, als oock van die te Brugge bewaert wort inde speellieden capelle” uitgegeven door drukker-boekverkoper Pieter Van Pee in 1672 (8). Het kreeg het imprimatur mee van de kerkelijk censor N. Geseken, Archidiaconus Brugensis, libr.cens.  

In 1785 zal bisschop Brenart heel die historie “apocrief en sonder schijn van waerheyt” noemen. Er was al vroeg een relatie Brugge-Atrecht met betrekking tot die kaars. In de stadsrekeningen van Brugge vinden we in 1292 de vermelding: Item istrionibus pergentibus ad Candelam Attrebatensem 7 lib. 6 s. 4 d. (9). Op 15 mei 1298 mochten ze nogmaals op bedevaart naar Atrecht en langs de stadskas passeren en dan expliciet als “histriones villae” dat door prof. J. Reynaert wordt opgevat als de speellieden van de stad (10).

De “Candela” werd in Atrecht rondgedragen in de week na Triniteits-Zondag (= zondag na Pinksteren) en het ging gepaard met grote feestelijkheden. De menestrelen waren niet alleen muzikanten (o.a. officiële trompetters) maar ook acrobaten, goochelaars, jongleurs, potsenmakers en dergelijke (11). De Bruggelingen hadden dus echt wel wat te zoeken in Atrecht en de combinatie bedevaart en kermis is altijd goed voor de “public relations”. Die Mariaverering in Atrecht, met de kaars als middelpunt, bleef bestaan tot in de 18de eeuw (12).

In Brugge droegen de speellieden hun kaars naar de O.L. Vrouwekerk op Hemelvaartsdag. De speellieden of speelmannen van Brugge worden als gilde voor het eerst vernoemd in 1292 en werden opgeheven in 1795. De kapel, zoals we die nu nog kennen, werd in 1421 opgetrokken aan het begin van de Beenhouwersstraat en gaf later haar naam aan de Speelmansrei die oorspronkelijk Poortgracht noemde (13).

Op Maria-Lichtmis, ook gewoon Lichtmis genoemd (feestdag 2 februari) werden traditioneel de kaarsen gezegend. Kaarsen hebben in het volksgeloof altijd al onheil en gevaar afgeweerd. Bij het betrekken van een nieuwe woning liet men druppels kaarsvet vallen in alle hoeken. Boeren druppelden kaarsvet van een gewijde kaars achter het oor van hun paarden en koeien. Ook het zaaigraan kreeg enkele druppels gewijd kaarsvet. In Oostkerke werd het zaaigraan gewijd op 3 november, het feest van Sint-Hubertus (14). Daar steekt een zekere logica achter want het zaaigraan vormde de basis voor het brood dat op die dag werd gewijd en waarvan mens en dier moesten eten om hen te beschermen tegen de razernij (= hondsdolheid of rabiës). Voor Sint-Kruis-Brugge en Damme vermeldt M. Cafmeyer (15) expliciet dat enkele druppels van de gewijde kaars op het zaaigraan werden gesprenkeld.  

 Het zegenen van paarden

Toen bisschop Brenart in 1782 een einde maakte aan het zegenen van paarden op het kerkhof van de St. Salvatorskerk in Brugge (16) volgde hij in feite een trend die in andere plaatsen al eerder was ingezet tegen de deelname van ruitergilden aan processies.

Het was de bisschop van Doornik, graaf Frans Ernest von Salm – Reifferscheid (Wenen 1698 – Straatsburg 1770), die al in de jaren dertig van de 18de eeuw de processies waarin ruitergilden optraden afkeurde. Hij was bisschop van Doornik van 1732 tot 1770. De parochie Zwevegem, toen ressorterend onder het bisdom Doornik, had ook haar St. Elooigilde die met vijftien ruiters deelnam aan de sacramentsprocessie. In 1737 kondigde Franciscus Van Coppenolle, pastoor van Zwevegem, het verbod op de ruiters af. Volgens A. Viaene stond hij aan de spits van de reeks kerkelijke reacties tegen de volksgebruiken die het einde van de 18de eeuw en het begin van de 19de eeuw zouden kenmerken (17). Dikwijls vonden dergelijke verboden plaats onder heftig protest van de betrokken deelnemers. Het driemaal draven met de paarden rond de kerk werd door de kerkelijke overheid als gevaarlijk beschouwd en daarenboven werd op het kerkhof de aarde omgewoeld. Er rezen dus problemen rond veiligheid en er werd schade veroorzaakt. Soms reed men met de paarden zomaar de kerk binnen (18).

De Sint-Salvatorskerk van Brugge was een centrum van verering voor St. Eligius of Elooi. Men bewaarde daar immers de relieken van Sint-Elooi in het bekende reliekschrijn in zilver van zilversmid Jan Crabbe. In 1613 werd die betaald voor het maken van het schrijn en op 28 mei 1613 plaatste bisschop Karel-Filips de Rodoan er de relieken in (19). De H. Eligius stierf op 1 december 659 (of 660) in Noyon en daar worden zijn relieken bewaard in de kathedraal van Noyon. Relikwieën waren er altijd in overvloed en bestonden ook in afgeleide vormen (20). In Brugge was er niet alleen een ruiteromgang bij St. Salvators maar ook bij de Smedenkapel. Deze Eloois- of Smedenkapel werd gebouwd in het midden van de 14de eeuw en werd gesloopt in 1962-1963 (21). De andere bekende ruiterommegangen in West-Vlaanderen waren in Beerst, Deerlijk, Harelbeke, Houtave, Ieper, Izegem, Kanegem, Kooigem, Lissewege, Moen, Ramskapelle, Rollegem, Ruddervoorde, Slijpe, Snellegem, Waarmaarde, Wingene en Zwevegem (22). Het waren allemaal St. Eloois-ommegangen. Bij de zegening van de paarden aan de Smedenkapel werd gebruik gemaakt van een St. Elooishamer met daarin een relikwie van de heilige. Eligius of Elooi is de belangrijkste geneesheilige voor veeziekten en dit vooral voor paarden.

Reliekschrijn van de H. Eligius. Zilveren schrijn door Jan Crabbe 1610-1611. Sint Salvatorskathedraal, Brugge (foto Stadsarchief, Brugge – foto J. De Meester, 1970)

Met die reliekhamer gaf de parochiepriester een zachte tik op de kop of de bek van het paard. In de iconografie wordt de H. Eligius afgebeeld met als vaste attributen de bisschopsstaf in de linkerhand en de smeehamer in de rechterhand. De Brugse St. Elooishamer moet een sterke reputatie genoten hebben. In de periode 1681-1693 wordt in Ettelgem St. Elooi gevierd met hoogmis, processie en paardenzegening. Voor het zegenen van de paarden na de ommegang werd de St. Elooishamer ontleend uit de St. Elooiskapel van de Smedenstraat. In de kerkrekeningen van Ettelgem treft men de uitgave aan van één schelling gr. “ouer haelen naar Brugghe de St. Loysamer” (23). Het is een vorm van intellectuele eerlijkheid om te beseffen dat niet iedere parochie over een authentieke relikwie kon beschikken: dan maar de echte ontlenen in Brugge. 

De tekening van Jan Beerblock

In het Prentenkabinet van de Stedelijke Musea (Brugge) wordt een tekening (afm. 36,2 x 53,5 cm) bewaard van de Brugse kunstenaar Jan Beerblock (1739-1806) met de voorstelling van de Smedenkapel te Brugge.

Tekening van de Smedenkapel door Jan Beerblock. 1796
Musea Brugge, inv.nr. 0.729.11

Deze tekening (pen in grijs, grijs gewassen en waterverf) behoort tot een reeks waarin Beerblock een bepaald gebouw of een gebouwencomplex toont. Enkele daarvan zijn gedateerd 1796 en we mogen veronderstellen dat dit ook hier de mogelijke datering insluit (24). In de inscriptie onderaan staat er o.m. “St. Eloys Kapelle bij de Smede poort 1796“. Op de voorgrond ziet men hoe een priester (de proost van het Smedenambacht) een paard zegent met de reliekhamer. De halster van het paard is versierd met een St. Elooisvaantje. De ruiter is afgestapt en houdt het paard vast bij het leidsel. Nog andere ruiters zijn in galop maar moeten eerst nog driemaal draven over een uitgestippelde route door de Smedenstraat, de Smedenvest en de Leemputstraat. Dat is duidelijk op de tekening te zien (25). Net als bij St. Salvators werd ook hier dit gebruik afgeschaft in 1782 (26), zodat we kunnen aannemen dat Beerblock een waarheidsgetrouwe reconstructie maakte van wat hij wist en zelf ooit had gezien.

De Smedenkapel door Jan Beerblock. Detail.

Minder overtuigend was de dierenzegening op 3 oktober 2010 in Knokke-Heist. Bij de paardenzegening op het Verweeplein gebruikt de priester weliswaar een mooie reliekhamer (met een relikwie van St. Elooi !) maar aangezien de paarden niet halt houden komt de hamer nooit tegen de kop van het dier terecht maar een zeldzame keer wel op het achterwerk van een kleine pony (27). De grote paarden weten te ontsnappen. Een slecht voorbeeld van een uitgevonden traditie (Eng. invented traditions). Het doet misschien wat denken aan de chaos die in 1781 ontstond bij St.Salvators. Bij dergelijke zegeningen ging het dikwijls om een paar honderd paarden waarbij de ruiters zich allemaal stonden te verdringen om met een stilstaand paard het eerst aan de beurt te komen. Ondertussen stonden er paarden te grazen op het kerkhof en was er weinig respect voor de overledenen. Het doet ook een beetje denken aan de bestorming bij de offergang tijdens de begrafenis en dat allemaal om een doodsprentje te kunnen bemachtigen. De begrafenisondernemer speelt daar nu verkeersregelaar.

Bedevaartvaantjes

De Brugse drukker Paulus Roose (+ 1732) leverde in 1717 duizend bedevaartvaantjes aan het Smedenambacht van Brugge. Van deze Sint-Elooivaantjes bleef er geen enkel bewaard. Van het bedevaartvaantje van O.L. Vrouw van Blindekens (ca. 1750) werd er slechts één bewaard dat op 10 januari 1980 door J. Geldhof (pastoor van Meetkerke) werd geschonken aan het Stedelijk Museum voor Volkskunde (28). De meest complete verzameling bedevaartvaantjes was in het bezit van de Brugse kunstschilder-verzamelaar Guillaume Michiels (1909 – 1997) (29). Hij bezat o.m. een bedevaartvaantje (afm. 15×27 cm.) van St. Salvators (met de afb. van St.Elooi die twee paarden zegent) en dat in 1974 geëxposeerd werd samen met het St. Elooisvaantje van Snellegem (30). Die twee vaantjes hebben dezelfde afmetingen maar zijn ook identiek qua iconografie. De drukker gebruikte dezelfde houtblok en veranderde enkel “Snelleghem” in “S. Salvators“. Deze commerciële truc zien we ook bij het St. Elooivaantje (18de eeuw) van Herdersem (O.-Vl.) dat een opvallende gelijkenis vertoont met het bedevaartvaantje van St. Elooi (18de eeuw) dat in Aalst verspreid werd (31). Sinds 28.6. 1994 berust de volledige verzameling bedevaartvaantjes van Guillaume Michiels in het Stedelijk Museum voor Volkskunde van Brugge (32). Over het gebruik van het vaantje bij de paardenzegeningen is Maurits Van Coppenolle heel duidelijk: “Eertijds bestond het zoo schoone en zinnebeeldige gebruik, bij de zegening der paarden, gilde- of bedevaartvaantjes uit te deelen, welke de ruiters op het kopgetuig van hun paard staken en thuis gekomen ergens in de paardenstal vastspijkerden, als een behoedmiddel tegen kwalen en onweer” (33).

De handrelikwiehouder: muilstoter of zeinsel

De handrelikwiehouder waarmee men mensen zegende had oorspronkelijk de wat prozaïsche benaming “muulstoter” omdat men de relikwie moest kussen. (muul = mond). Het woord komt als dusdanig voor in het Middelnederlands Woordenboek (34). Ook een oplichter die met valse relikwieën het platte land afliep en daarmee de mensen bedroog werd een “muulstoter” genoemd (MNW). In een inventaris uit 1407 over het zilverwerk van het O.L. Vrouwkapittel te Kortrijk is er sprake over elf verzilverde “mulstoters”. Deze inventaris, opgesteld in het Latijn, heeft het letterlijk over “Item undecim mulstoters deargentate eiusdem forme” (35). De kanunnik-secretaris van het Kapittel vond de naam onvertaalbaar, maar iedereen kende het woord. Michiel English (1885-1962), R.K. priester en historicus, vond in zijn artikel over de volksheilige Sint-Markoen (36) die benaming te oneerbiedig en spreekt daarom over het zilveren “Markoen-zeinsel” in de O.L. Vrouwkerk van Kortrijk. Ook de R.K. priester en zilverkenner Caesar Denorme (1902-1981) (37) spreekt over twee zeinsels (S. Franciscus Xaverius en S. Aloysius) in de St. Michielskerk van Kortrijk en het zeinsel van de H. Anna in de St. Maartenskerk (Kortrijk) (38). L.L. De Bo, in zijn bekend Westvlaamsch Idioticon (39) noemt een zeinsel een “relikwiekastje waarmee men zeint“. Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) is zeinen = zegenen (W. Vl. en O. VL.) Men geeft , net als De Bo, “reliquiekastje waarmee men zegent“. Het was met zo’n zeinsel van St. Elooi dat de pastoor van St. Salvators elk paard individueel , begeleid door zijn baasje, moest trachten te zegenen.

Besluit

De zegening van de paarden aan St. Salvators gebeurde, volgens de kerkrekening, voor het eerst in 1558 (40). Dat gebeurde, net als voor de laatste keer (1781) op 1 december, de koude St. Elooi (de warme St. Elooi was op 25 juni). Op 1 december had in St. Salvators het grote St. Elooisfeest plaats dat begon met een processie met het reliekschrijn (de fierter= Lat. feretrum) en een hoogmis. Na de hoogmis was er zegening met de relikwieën waarbij de priesters geassisteerd werden door de kerkmeesters (de kercmeesters helpen zeynen). De kerkmeesters en de leden van de broederschap (“de ghezellen“) sloten af met een maaltijd vóór het altaar van St. Elooi. Pas daarna vond de paardenzegening plaats. Het mishoren op zo’n belangrijke feestdag was een plicht dus kan men zich voorstellen wat dat moet geweest zijn: de gelovigen eerst allemaal naar de hoogmis en dan op zoek naar zijn paard die wellicht stond te grazen op het kerkhof ? De baas naar de mis en de paardenknecht ? Reden genoeg om te veronderstellen dat het er hectisch aan toeging en dat de kerkelijke overheid dat in goede banen wilde leiden.

In 1802 verloor het bisdom Brugge zijn autonomie (Concordaat 1802) en benoemde Eerste Consul Bonaparte citoyen Etienne Fallot de Beaumont (1750- 1835) als bisschop van Gent waarin Brugge en Ieper werden opgenomen. Zijn episcopaat duurde van 1802 tot 1807. Met betrekking tot de volksdevoties zette hij het beleid van bischop F. Brenart verder. De oude broederschappen, processies en bedevaarten werden gezuiverd van wat men als volkse uitwassen beschouwde. Het waren de pastoors die dat in handen moesten nemen (41). De zekerheid van het geloof bleef maar het reform-katholicisme zette zijn eerste voorzichtige stappen. Het Concordaat van 15 juli 1801, afgesloten tussen paus Pius VII en Napoleon Bonaparte trad in werking op 18 april 1802. Het was een vorm van verzoening met voor- en tegenstanders. Het echte aggiornamento of vernieuwing van de rooms-katholieke kerk kwam er pas met het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). Het echte afscheid van de bovennatuur is nog in volle post-conciliaire ontwikkeling.

Willy Dezutter

1 J. D’hondt, Het stopzetten van het zegenen van paarden in Brugge in 1782, in: Biekorf, 117 (2017), p. 496-497.

2 Y. Van den Berghe, Felix Brenart (bisschop 1777-1794), in: M. Cloet (red.), Het bisdom Brugge (1559-1984), Brugge, 1984, p. 201-205.

3. J. Geldhof, Brugse adel in verzet tegen de liturgische vernieuwing van bisschop Brenart, in: Biekorf, 73, (1972), p. 193-198.

4 M. Therry , Volksdevoties in de 18de eeuw, in: M. Cloet (red.), Het bisdom Brugge, p. 235-244.

5 J. Huyghebaert , Toneelspelende jeugd in Vlaanderen op het einde van het Ancien Régime, in: Biekorf, 96 (1996), p. 13-30, vooral p. 26.

6 M. Gielis , Magie en religie in het oude hertogdom Brabant. Een verkennend onderzoek naar de heksenwaan en de waan der historici, in: Taxandria, N.R. 66 (1994), pp. 5-110.

7 F. Tervoort , Ziel en zaligheid. Volksgeloof in Nederland en Vlaanderen. Tielt, Lannoo, 2007.

8 Kort en waerachtig verhael van de H. Keersse van Atrecht, als oock van die te Brugge bewaert wort inde speellieden capelle, ende gemaecht is van dry druppels der voorseyde keersse door byzonder Mirakel van Godt vermenighvuldight. Te Brugghe, by Pieter Van Pee, Boeck-vercooper woonende inde Breydel-straet MDCLXXII (1672). Pieter I Van Pee was op het adres Breidelstraat “In de Naam Jezus” als gezworen drukker en boekverkoper actief van 1672-1681 en van 1681-1690 Philipstockstraat/Mallebergplaats. Er worden 34 titels van hem gerepertorieerd op de website van STCV Bibliografie van het handgemaakte boek. Een ex. van het “Kort Verhael H. Keersse van Atrecht” is aanwezig in de Stadsbibliotheek van Brugge. Wij gebruikten D. Van de Casteele, Préludes historiques sur la ghilde des ménéstrels de Bruges, suivis de la légende d’une sainte chandelle confiée a sa garde, in: Annales de la Société d’Emulation, 20, (1868), p. 53-90 en het “Kort Verhael” in de annexe E p. 123-142.

9 C. Wijffels, De rekeningen van de stad Brugge (1280-1319), deel 1, Brussel, 1965, p. 342.

10 J. Reynaert, Literatuur in de Stad ? Op zoek naar een voorgeschiedenis van het Gruuthuse-liedboek, in: F.P. van Oostrom en F. Willaert (red.), De studie van de Middelnederlandse letterkunde: stand en toekomst. (Symposium Antwerpen, 1988), Hilversum, Verloren, 1989,p.93-108, vooral p. 98-99. 

11 R. Strohm, Music in Late Medieval Bruges. Oxford, 1985 en P. Andriessen, Die van Muziken gheerne horen. Muziek in Brugge 1200-1800. Brugge, 2002.

12 R. Berger, Littérature et société arrageoises au XIII siècle. Les chansons et dits artésiens. Arras, 1981, p. 116. J. Reynaert, op.cit. p. 98.

13 W.P. Dezutter, De site Speelmanskapel-Sleutelbrug. In: Brugs Ommeland, 50 (2010), p. 209-211.

14 R. De Keyser, Kerkelijke gebruiken te Oostkerke. In: Rond de Poldertorens, 1997, p. 94-99.

15 M. Cafmeyer, Wijding van het zaaigraan, in: Biekorf, 57 (1956), p. 245-246.

16 Zie J. D’hondt voetnoot 1 en sedert 10.1.2018 ook op www.tijdschriftbiekorf.be

17 E. N[eylants] (= A. Viaene), Een ruitergilde van St.-Elooi in het gedrang. Zwevegem 1737, in: Biekorf, 55 (1954), p. 196-198 en M. Van Coppenolle, Sint Elooi in het volksleven. Antwerpen, 1944, p. 35-45.

18 De beste historische studie is nog altijd die van J. Pieters, Bedevaartvaantjes en Paardenommegangen. In: Ars Folklorica Belgica, deel II, Antwerpen, 1956, pp. 225-264. Hij telde in Oost-Vlaanderen 42 van dergelijke paardenommegangen.

19 L. Devliegher, De Sint-Salvatorskathedraal te Brugge. Inventaris. Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, deel 8, Tielt-Amsterdam, 1979, p. 231. Meer precisering over de plaatsing van de relieken bij D. Marechal, Meesterwerken van de Brugse Edelsmeedkunst, Brugge, 1993, p. 66-67.

20 M. Strydonck, A. Ervynck, e.a., Relieken. Echt of vals ? Davidsfonds, Leuven, 2006.

21 S. Gilté, A. Vanwalleghem en P. Van Vlaenderen, Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Stad Brugge. Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. 18nb,Zuid. Brussel-Turnhout, 2004,p. 441-443.

22 J. Pieters, op.cit. en A. Viaene, Ruitersommegangen en Paardenzegeningen, in: Biekorf, 57 (1956), p. 347.

23 J. De Smet, Kerkelijke gebruiken en toestanden in het Brugse Vrije 1500-1780, in: Biekorf, 61 (1960), p. 139.

24 C. Van de Velde, Stedelijke Musea Brugge. Steinmetzkabinet. Catalogus van de tekeningen. Stad Brugge, deel 1, 1984, p. 23 nr. 0729.

25 J.A. Van Houtte, De geschiedenis van Brugge. Tielt-Bussum, 1982, p. 148,afb.44 en nu ook op balat.kikirpa.be 

26 G. Michiels, Iconografie der Stad Brugge. Brugge, 1968, deel III, p. 61-62 nr. 1114.

27 Dierenzegening Knokke-Heist 3.10.2010 op www.youtube.com

28 W.P. Dezutter, Het bedevaartvaantje van O.L. Vrouw van Blindekens (Brugge ca. 1750), in: Biekorf, 80 (1980), p. 192-193.

29 W.P. Dezutter, In memoriam Guillaume Michiels, in: Biekorf, 97 (1997), p. 294.

30 G. Michiels (red.), Catalogus Beeld, Boek en Spel in de Volkskunde. Brugge, 1974, p.72, nr. 239 (St. Salvator) en p. 85, nr. 300 (Snellegem) en M. Van Coppenolle, Westvlaamsche bedevaartvaantjes. Brugge, 1942, p. 18 (St. Salvators) en p. 63 (Snellegem).                

31 W.P. Dezutter, Twee drukblokken van Oostvlaamse bedevaartvaantjes. In: W.P. Dezutter en R. Van de Walle (red.), Volkskunde in Vlaanderen. Huldeboek Renaat van der Linden. Brugge, 1984, p. 49-51.

32 W.P. Dezutter, Het fonds Guillaume Michiels. In: Jaarboek 1993-94 van de Stedelijke Musea, Brugge, 1995, deel 1, p. 53-65, p. 60 bedevaartvaantjes.

33 M. Van Coppenolle, Sint Elooi in het Volksleven. Antwerpen, 1944, p. 44-47 en J. Philippen, De oude Vlaamse bedevaartvaantjes. Diest, 1968, afbeelding op p. 14.

34 Middelnederlands Woordenboek (MNW) op gtb.inl.nl

35 E. N[eylants], (=A. Viaene), Muilstoters en braadvarkens in de Kerkschat van O.-L.-Vrouwkapittel te Kortrijk. 1407., in: Biekorf, 59 (1958), p. 287. De braadvarkens (braedverkins) waren twee zware koorkappen van de koorheren.

36 M. English, Sint Markoen in West-Vlaanderen, in: Biekorf, 59, (1958), p. 10 en afb. p. 11.

37 W.P. Dezutter, In memoriam Caesar Denorme, in: Biekorf, 81 (1981), p. 385.

38 C. Denorme, De Westvlaamse zilversmidsgilden op de tentoonstelling te Kortrijk, in: Biekorf, 54 (1955), p. 205-207.

39 L.L. De Bo, Westvlaamsch Idioticon, Brugge, 1870-1873, heruitgave J. Samyn, 1890-1892 (en facsimile in 2 dln, 1970).

40 K. Verschelde, De Kathedrale van S. Salvator te Brugge. Brugge, Edw. Gailliard, 1863, p. 270.

41 L. Perneel, Etienne Fallot de Beaumont, in: M. Cloet (red.), Het bisdom Brugge (1559-1984), 1984, p. 305.

Dit artikel verscheen in het tijdschrift Brugs Ommeland, 2020, 4, p. 255-266.

Kindersterfte en kraambedsterfte: de casus Van Caillie (Torhout, 18de eeuw)

In de 18de eeuw, maar ook in de 19de eeuw, was de kindersterfte nog zeer hoog. In menig gezin stierf een kind tijdens of kort na de geboorte. Dramatisch werd het zonder meer wanneer ook de moeder kwam te overlijden (1). Als voorbeeld geven we hier de casus Van Caillie op basis van de voortreffelijke genealogie van André Van Caillie (2). Deze familie van huidenvetters (3) uit Torhout leverde in de 19de en 20ste eeuw een groot aantal notarissen in Brugge en Oostende.

Crispinus Van Caillie, huidenvetter in Torhout werd geboren op 28 mei 1716 in Roeselare en overleed in Torhout op 26 juni 1787. Op 5 mei 1742 was hij in Torhout gehuwd met Regina Van Hove (Torhout 8 juli 1715 – Torhout 20 december 1749). Ze kregen vier kinderen van wie alleen de oudste dochter Maria (1743-1824) in leven bleef. Het tweede kind Carolus (Torhout 2 februari 1746 – Torhout 12 april 1746) stierf twee maanden na de geboorte. Het derde kind Anna leefde van 30 juli 1748 tot 7 augustus 1748 en het vierde kind Joannes van 8 december 1749 tot 13 december 1749. De moeder Regina Van Hove bleef in het kraambed op 20 december 1749.

Crispinus Van Caillie zal hertrouwen in Torhout op 12 mei 1750 met Anna Theresia Magerman (Torhout 27 september 1730 – Torhout 26 augustus 1786). Ze kregen samen nog negen kinderen. Het eerste kind Joannes werd geboren op 23 december 1753 en overleed drie jaar later op 4 december 1756. Het vijfde kind Isabella was ook geen lang leven beschoren. Zij werd in Torhout geboren op 8 november 1761 en overleed aldaar op 27 mei 1765. Het zesde kind Angela leefde van 18 december 1763 tot 18 maart 1764. Het zevende kind (weer) Carolus (Torhout 24 juli 1765 – Torhout 1 april 1774) valt ook nog binnen deze categorie en werd negen jaar oud. Crispinus kreeg dus in twee huwelijken dertien kinderen van wie er zeven vroegtijdig stierven (4). Zijn derde zoon Joannes uit het tweede huwelijk, kreeg de naam van de eerder gestorven Joannes. Het was de vaste gewoonte om de naam van een overleden kind opnieuw te gebruiken. “Laat de kleinen tot Mij komen. Want voor dezulken is het rijk der hemelen” (5). Volgens de katholieke geloofsleer worden gedoopte kinderen jonger dan zeven jaar onmiddellijk deelachtig aan de “gelukzaligheid”.

Joannes Van Caillie, eveneens huidenvetter in Torhout werd aldaar geboren op 15 maart 1758 en overleed in Torhout op 10 september 1824. Hij huwde met Francisca De Laeter (Koekelare 1 februari 1769 – Torhout 17 mei 1844). Ze kregen zeven kinderen. Joannes werd ook schepen van zijn stad en was er plaatsvervangend vrederechter. Hun vierde kind Augustus werd geboren in Torhout op 11 mei 1795 en overleed nog datzelfde jaar op 29 september 1795. Het jaar daarop werd weer een Augustus geboren op 12 augustus 1796 die zal overlijden op 12 december 1797.

Driemaal Auguste Van Caillie

Het zevende kind dat in dit gezin in Torhout werd geboren, was Auguste op 20 april 1801. Hij kreeg dus dezelfde naam als zijn twee overleden broertjes. Hij huwde in Torhout op 28 april 1831 met Amélie Sophia Opsomer. Zij was op 27 december 1803 geboren in Esen (prov. West-Vl., bij Diksmuide) en zal overlijden in Torhout op 5 maart 1836. Ze was weduwe van Pieter Jan Dassonville, overleden in 1825 (6). Net als zijn vader was hij huidenvetter van beroep en engageerde hij zich eveneens in de politiek. Auguste was schepen van Torhout van ca. 1831 tot 1854 en van 1864 tot 1867. In 1855 werd hij burgemeester van Torhout tot in 1864 maar verzaakte aan een nieuwe benoeming. In 1858 werd hij verkozen tot provincieraadslid maar werd in 1866 niet herkozen. Op 10 augustus 1867, 66 jaar oud, overlijdt hij in Torhout (7).

Carolus Van Caillie

De oudste zoon van Joannes Van Caillie (1758- 1824) was Ludovicus Josephus (Torhout 20 augustus 1790 – Torhout 15 maart 1862). Die bracht het van verificateur bij de Domeinen tot secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën. Hij werd in 1819 ingewijd bij de Brugse vrijmetselaarsloge La Réunion des Amis du Nord. Die loge bestond in Brugge van 1803 tot 1831 (8). Hij bleef ongehuwd en om die reden werd zijn broer Carolus de nieuwe stamhouder. Carolus Joannes Van Callie werd geboren in Torhout 16 december 1791 en overleed in Brugge op 3 maart 1862. Zijn één jaar oudere broer Ludovicus of Louis zou twee weken later overlijden. Carolus huwde in Torhout op 20 mei 1813 met Marie Thérèse d’Aussy de Breemeersch de ter Hellen (Wingene 5 juli 1793 – Brugge 8 maart 1833). Hij was huidenvetter in Brugge maar ontwikkelde samen met de familie d’Aussy nog andere economische activiteiten o.m. in Torhout. Zelfs Crispinus Van Caillie (1716 -1787) had in Torhout al vanaf ca. 1763 alle gronden in bezit van de straat waar zijn huidenvetterij gevestigd was (9).

Het echtpaar Van Caillie– d’Aussy kreeg negen kinderen. Hun derde kind Henricus werd geboren in Brugge op 1 juni 1818 maar overleed al op 6 juni 1818. Het vijfde kind Silvia werd geboren in Brugge op 7 april 1822 en overleed op 23 maart 1823. Hun laatste kind Gustavus werd geboren in Brugge op 6 januari 1833 en overleed in Oostende op 9 januari 1913. De moeder overleed op 8 maart 1833, twee maanden na de geboorte van haar zoon. De oudste zoon Edouard (Brugge 11 mei 1814 – Brugge 3 januari 1883) werd notaris in Brugge (10). Maar dan zijn we al ruim in de 19de eeuw.

In deze casus gaat het over frequente zwangerschappen van levend geboren kinderen. Het voorbeeld werd door ons willekeurig gekozen. Het is geen specifiek gegeven voor de familie Van Caillie maar een exemplarisch voorbeeld van een algemeen fenomeen in Vlaanderen in een omschreven periode.

Willy Dezutter

1 Zie algemeen: Chris Vandenbroeke, Zuigelingensterfte, bevallingsstoornissen en kraambedsterfte (17e – 19e eeuw). Studia historica Gandensia, 226, Gent, 1978, p.133-163 en Isabella Devos en Thijs Lambrecht (red.), Overzicht van de zuigelingen – en kindersterfte in Zuid-Vlaanderen. 18e – 19e eeuw, in: Bevolking, voeding en levensstandaard in het verleden. Verzamelde studies van Prof. dr. Chris Vandenbroeke, Gent Academia Press, 2004, p. 291-310.

2  André Van Caillie, Répertoire généalogique de la famille Van Caillie. Oostende, 1975. Uitgave in eigen beheer, gestencild, 208 pp. + bijlagen p. 209-263. Met dank aan hoofdarchivaris Jan D’hondt (Stadsarchief, Brugge) en Eddy Dubruqué (V.V.F. Brugge).

3 De huidenvetter (fr. tanneur) smeerde de gelooide huiden in met vet. In de Grote van Dale komt het woord niet meer voor. In Zuid-Nederland was dit het gewone woord voor leerlooier; in 1907 was het woord huidevetter (nu huidenvetter) al onbekend in Noord-Nederland. Cfr. Het WNT.

4 Andre Van Caillie, Répertoire, 1975, p. 27-29.

5 Sinite parvulos venire ad me. Talium est enim regnum coelorum. Uit de liturgie van de kinder- of engelenmis.

6 André Van Caillie, Répertoire, 1975, p. 31.

7 Luc Schepens, De provincieraad van West-Vlaanderen. 1836/1921. Lannoo, Tielt-Amsterdam, 1976, p. 573-574 en nl.wikipedia.org/wiki/ Auguste_ Van Caillie

8 Willy P. Dezutter, De loge “La Réunion des Amis du Nord” (1803-1831) in Brugge, in: Brugs Ommeland, 50 (2010), p. 39-51 en Willy Dezutter, Ludovicus Josephus Van Caillie (1790-1862), in : Brugs Ommeland, 2020,2, p. 130-131.

9 M. Mestdagh, Torhout. De geschiedenis van een stad. Torhout, 2000, p. 124-125. Vanaf 1865 baat de fam. Vancaillie-d’Aussy de huidenvetterij-maalderij in Torhout verder uit. Na W.O. I schakelt de fam. Van Caillie- d’Aussy over op de graanhandel.

10 André Van Caillie, Répertoire, 1975, p. 34.

Generaal Antoine Rousseaux (1756-1827), commandant van het Land van Cadzand in 1809

Johannes Was (1810-1852), predikant in Waterlandkerkje van 1839 tot aan zijn overlijden in 1852, gaf in 1846 een werkje uit getiteld Oorsprong en lotgevallen van het dorp Waterlandkerkje in Zeeuwsch-Vlaanderen. Zijn tekst werd heruitgegeven in Tijd/Schrift (1). Daarin verwijst J. Was naar den Franschen Generaal Rosseau, commandant van het land van Cadzand.

In augustus 1809 diende men in Waterlandkerkje op zijn bevel de kerk af te staan om te dienen als kruitmagazijn. Die generaal Rosseau was Antoine Alexandre Rousseaux, een generaal tijdens de Franse Revolutie en het Keizerrijk van Napoleon. Hij werd geboren in Parijs op 17 september 1756 en overleed in Metz op 15 april 1827. Hij startte zijn militaire carrière als gewoon soldaat op 1 oktober 1775 en werd op 29 augustus 1803 bevorderd tot brigadegeneraal. Het was hij die in 1809 een invasie verhinderde van de Engelsen op het Eiland Cadzand. Napoleon gebruikte de term Île de Cadzand, hoewel het toen geen eiland meer was.

Op 4 juli 1811 werd hij Baron de l’ Empire, de nieuwe napoleontische adel. In zijn wapenschild staat in de bovenste helft een haan op een olijftak met zwaard (symbool van de waakzaamheid) en daarnaast een degen (de eresabel die aan hem werd uitgereikt door Napoleon). In de onderste helft een zeilschip (driemaster) op zee varend langs de kust. Dit laatste kan een verwijzing zijn naar de monding van de Westerschelde. Na de slag bij Waterloo (16 juni 1815) werd hij op 6 oktober van dat jaar op rust gesteld (2).

Het wapenschild van baron en generaal Antoine Rousseaux

De achtergrond van de feiten zijn bekend. Zeeland was ten tijde van het Franse Keizerrijk voor een groot deel in handen van Napoleon. De Britten wilden eerst Vlissingen veroveren en daarna doorstoten naar Antwerpen, een Franse oorlogshaven. Het pistool gericht op de borst van Engeland. Veel Engelse soldaten werden in Zeeland ziek van de Zeeuwsche koorts (een soort malaria). De Britten bleven uiteindelijk vastzitten op Walcheren en trokken zich op 6 september 1809 terug. De aanval op Antwerpen gaven ze op (3).

Bij de voorbereiding van de Britse expeditie dacht men ook aan een aanval op het Eiland van Cadzand met de bedoeling om van daaruit de aanval op Antwerpen te richten. Daarbij stond vooral de vernietiging van de Franse batterij in Breskens voorop. Die was volledig bemand en bestond uit 26 stukken. De troepen die op 31 juli 1809 in Cadzand moesten landen kwam nooit aan land. Het slechte weer speelde een rol maar het werd ook verhinderd door generaal Rousseaux die nochtans over niet meer dan 300 man beschikte van de Garde Nationale. Er was echter wel versterking nodig. Vanuit Gent kwamen twee liniebataljons van de 48e en 65e Franse infanterieregimenten. Na het afslaan van de Britse vijand kon generaal Rousseaux die twee infanteriebataljons overzetten naar Vlissingen. Niettemin viel op 15 augustus, na een lange beschieting door de Engelsen, ook deze stad in handen van de Britten. Er bleven ook cohorten van de Garde Nationale achter in Hulst, IJzendijke en Oostburg (4).

De opeising van het kerkje van Waterlandkerkje als kruitmagazijn (kruitkamer, la poudrière) was een strategisch juiste beslissing. Het kerkje was gelegen tussen Oostburg en IJzendijke (een centraal gelegen bevoorrading) en zou bij een eventuele ontploffing het minst schade aanbrengen aan de burgerbevolking. De napoleontische legers eisten meestal een kerkgebouw op om te dienen als kruitmagazijn. Alleen in vestingsteden en forten of op strategische vaarroutes werd een vast kruitmagazijn voorzien. Dit was het geval in het Fort van Lillo ten noorden van Antwerpen op de rechteroever van de Schelde. Daar werd in 1810 op last van Napoleon een kruitmagazijn gebouwd ter bewaring van 50 ton buskruit. Dit kruitmagazijn bestaat als bouwwerk nog steeds en is het laatst overgebleven gebouw in zijn soort. Het is nu een beschermd monument.

Generaal Rousseaux werd in Cadzand aangesteld op 23 april 1809, hield in juli-augustus de Engelsen tegen en werd in oktober 1809 opnieuw commandant van het Eiland van Cadzand. Zijn militaire carrière, van soldaat tot generaal, werd op 6 augustus 1811 bekroond met zijn benoeming tot divisiegeneraal. Door de aanval van de Engelsen in 1809 werden de Fransen alerter en dat leidde vanaf 1811 tot nieuwe versterkingen in Cadzand en Breskens zoals het Fort Impériale, het Fort Napoléon en het Fort du Centre ( 5). Maar die stellingen zouden weldra door de Nederlanders overgenomen worden. Na de Volkerenslag bij Leipzig ( 16-19 oktober 1813) ging het snel bergafwaarts met de Fransen die gedwongen werden om het land te verlaten. Op 16 maart 1815 ontstond het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.  

Willy Dezutter

1 Geert Stroo, Een beknopte geschiedenis van Waterlandkerkje 1674-1850, in Tijd/Schrift, jg. 14 (2019), 3, pp. 34-49, vooral p. 38-44.

2 Georges Six, Dictionnaire biographique des Généraux et Amiraux de la Révolution et de l’Empire (1792-1814), Paris, 1934 (heruitgave 1971), 2 delen, hier deel 2.

3 T. van Gent, De Engelse invasie van Walcheren in 1809. (Uitgeverij de Bataafsche Leeuw), Amsterdam, 2001 en R.H.M. van Immerseel, Van fort Napoleon tot camping Napoleon Hoeve, in: Bijdragen tot de geschiedenis van West-Zeeuws-Vlaanderen nr. 30, 2002, p. 177-230, vooral p. 178-194.

4 Zie voor de krijgsverrichtingen : J.G. Kerkhoven, De Engelse inval in Zeeland in 1809. In: Armentaria, 7, (1972) Jaarboek van het Nationaal Militair Museum, Leiden. Ook digitaal raadpleegbaar op www.marsethistoria.nl/images/zeeland 1809.pdf  J.G. Kerkhoven heeft het over generaal Rousseau maar het is wel degelijk Rousseaux.

5 R.H.M. van Immerseel, a. w. blz. 186 e.v. 

 

Carnavalsverbod in Brugge 1830-1833

Het carnaval werd verboden omdat we in oorlog waren met Nederland ! De Belgische revolutie tegen koning Willem I begon in Brussel op 25 augustus 1830 en op 4 oktober 1830 riep het Voorlopig Bewind de onafhankelijkheid uit. Exit het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) ondanks de Tiendaagse Veldtocht die er nog op zou volgen in 1831.

Door dit carnavalsverbod dienden de handelszaken die gespecialiseerd waren in carnavalsartikelen hun waren van de hand te doen. In de Gazette van Brugge van 4 mei 1831 lezen we daarvan een voorbeeld: Bij uytscheyding. Verkooping van schoone mascaraeden – en balkleeren. Op dynsdag 10 mey 1831 zal er in de verkoopzaal van J. Berger te Brugge, openbaerlyk verkogt worden 200 à 220 fraeye Bal – en Mascaraede-costumen als: Chevaliers, Domino’s, Pères Nobles, Spagniaers, (1) Bergères, Pierrots, militaire uniformen en veel vrouw-costumen.

Voor zover we konden nagaan zou het carnaval zich slechts langzaam hernemen. Herbergiers mochten, na aanvraag bij de politie, carnavalsbals organiseren op vastenavond. Een eerste voorbeeld vonden we pas terug in de Gazette van Brugge van 27 februari 1835 toen de uitbater van de Halve Maen een carnavalsbal gaf op zondag 1, maandag 2, dinsdag 3 en zondag 8 maart 1835. Ook van 1795 tot 1815 werd het carnaval in Brugge verboden.

(1) Zie de woordverklaring hieronder.

Spagniaers – Deze Spanjaarden komen we in 1831 in Brugge tegen bij de uitverkoop van carnavalskostuums. Het land waar ze vandaan kwamen was Spangien en tegen die Spanjaards hebben we 80 jaar oorlog gevoerd. In het Noorden langer (1568-1648) dan in het Zuiden (val van Antwerpen 1585) maar toch lang genoeg om sporen na te laten in de beeldvorming. De familienaam Spanjaer(t)s en Spaenjers komt in Nederland nog frequent voor. De stereotiepe uitbeelding van de Spanjaard gaat terug op de beeltenis van de Spaanse soldaat uit de 2de helft van de 16de eeuw met zijn pofbroek en strakke kousen en een geplooide kraag. Al vanaf de 17de eeuw werden de kleuren van de kledij lichter zodat ze later perfect pasten bij een vrolijk gebeuren zoals carnaval. Het is trouwens opvallend hoe in de Nederlandse prentkunst uit de eerste helft van de 19de eeuw (1830-1850) de Spanjaarden nog altijd uitgebeeld worden in een 16de eeuws kostuum compleet met pluimhoed. Wij zien er een sterke aanwijzing in dat de Spagniaer model gestaan heeft voor wat men later “Zwarte Piet” is gaan noemen. De donkere huidskleur uit het zonnige zuiden staat bijgevolg los van de Afrikaanse slaaf. De stoute kinderen gingen in de zak van Sinterklaas en werden meegenomen naar… Spanje.

Willy Dezutter

Een vrijzinnig weekblad (1849). Over het woord ‘vrijzinnig’ in Vlaanderen.

In Biekorf, 117 (2017), 2, zoekt F. Bastiaen naar de betekenis van het woord vrijzinnig zoals dat voorkwam in de titel van het Eeklose weekblad “De Eeclonaer” (1). Dit weekblad werd in 1849 opgericht door Pieter Ecrevisse en hij noemde zijn blad “onafhankelijk en vrijzinnig”.

Het woord vrijzinnig had in die periode nog niets te maken met de tegenstelling gelovig-ongelovig. De taalkundige prof. dr. Roland Willemyns (VUB) heeft dat woordveld voor het eerst onderzocht in 1979 (1) en er in 2007 opnieuw over gepubliceerd samen met zijn opvolger prof. Wim Vandenbussche (3). We zullen hier de historisch-semantische ontwikkeling van de term “vrijzinnig” niet opnieuw uit de doeken doen maar R. Willemyns wees er op dat tot de jaren zestig van de 20ste eeuw de term vrijzinnig liberaal betekende. Liberaal in de betekenis van “aanleunend bij de liberale partij”.

Wanneer men in de 19de eeuw iemand wilde aanduiden die ongelovig was (wat in de praktijk betekende dat hij niet-praktiserend katholiek was) noemde men die persoon een vrijdenker en niet een vrijzinnige. Het woord vrijzinnig kreeg pas veel later de connotatie onkerkelijk en antiklerikaal. Het blad van het bekende liberale “Van Gheluwe’s Genootschap” in Brugge noemde zich in 1928 nog “Vrijzinnig Strijdblad uitgegeven door het Van Gheluwe’s Genootschap-Liberale Volksbond”. Het woord onderging dus een betekenisverandering die in Vlaanderen totaal anders verliep dan in Nederland waar men ons woord vrijzinnig niet eens kent. Het “Vrijzinnig Protestantisme” (ondogmatisch) staat daar tegenover het orthodox-protestantisme. Het vrijzinnig-humanisme zoals wij dat kennen van na 1950 omvat ook atheïsme en agnosticisme.

Wie in de 19de eeuw ook niet moest onderdoen voor allerlei verwensingen was de dichter Guido Gezelle (1830-1899) die ook actief was als politiek journalist. Van 1864 tot 1870 was hij uitgever van zijn eigen krant “’t Jaer 30” waarin hij de vijanden (de liberalen) de mantel uitveegde in vlijmscherpe bewoordingen (4). Vooral de leden van de loge moesten het ontgelden hoewel er toen niet eens een vrijmetselaarsloge actief was in Brugge ! De Brugse loge “Les Vrais Amis Réunis”, opgericht in 1846 staakte haar werkzaamheden al in 1852. De Brugse vrijmetselaars vonden vanaf 1867 een onderkomen bij de loge “La Liberté” (gesticht in 1866) in Gent. Van daaruit en vanuit Brussel werd dan op 4 juni 1881 de loge ‘La Flandre” (G.O.B.) opgericht. Er stonden nu weer anderen klaar om een scheldkoor aan te heffen.      

Willy Dezutter

1 F. Bastiaen, Poekenaar Aloys Walgrave (1844-1908) en zijn “Jantje van Pouke”, in: Biekorf, 117 (2017), 2, p. 223

2 R. Willemyns, De term “vrijzinnigheid”. Een eerste poging tot vergelijkend onderzoek van het woordbeeld. Antwerpen, Humanistisch Verbond, 1980.

3 R. Willemyns en W. Vandenbussche, Over Kaloten, Tjeven en andere Cistjes. Verwensingen in 19de eeuwse teksten. In: De Sleutelbrug, driemaandelijks tijdschrift van het Vrijzinnig Centrum Brugge,  2008, I, p. 3-7 met vervolg in Idem, 2008,2 en 2008, 3. Dit artikel verscheen eerst in: F. Moerdijk, A. van Santen en R. Tempelaars (red.), Leven met woorden. Opstellen aangeboden aan Piet van Sterkenburg. Leiden, 2007, p. 339-351 en digitaal raadpleegbaar op homepages.vub.ac.be/-wvdbussc/kaloten.pdf

4 Dirk Van Tieghem, Gezelles Gazette. De strijd tussen blauw en zwart. Uitgaven West-Vlaamse Gidsenkring, Brugge, 2019.   

Franz Liszt en de Belgische vrijmetselarij

In tegenstelling tot W.A. Mozart (1756-1791), die muziek schreef voor maçonnieke inwijdingen, was dit engagement er niet bij Franz Liszt (1811-1886) hoewel hij ingewijd werd in de vrijmetselarij.

Dat gebeurde op 18 september 1841 waar hij toetrad tot de loge “Zur Einigkeit” in Frankfurt am Main. Hij vulde op het voorgedrukte aanvraagformulier (dat bewaard bleef) in dat hij rooms-katholiek was en in Parijs woonde. Hij moest niet wachten en kon onmiddellijk ingewijd worden. De Voorzittend Meester was de beroemde Georg Kloss (1787-1854), hoogleraar geneeskunde (1).

Een rondreizende pianovirtuoos beschikt niet over zoveel tijd. Dat bleek andermaal het geval toen hij een oponthoud had in Berlijn en daar, na toelating van Frankfurt, in februari 1842 op één en dezelfde dag bij de loge “Zur Eintracht” werd bevorderd tot gezel en verheven tot meester. Na 1848 schijnt hij het contact met de vrijmetselarij te hebben verloren. Dat past ook wel in het algemene beeld van een vrijmetselarij die, ook in ons land, evolueerde in antiklerikale richting.

Hij kon al evenmin wachten toen hij op 30 juli 1865 in Rome op één dag alle vier de lagere wijdingen ontving binnen de R.K. Kerk. Hij kreeg de tonsuur maar bleef subdiaken. Dat is de reden waarom hij soms wordt aangesproken als “abbé” Liszt (2).

Franz Liszt

Toch kwam Liszt veelvuldig in contact met de vooraanstaande Belgische maçon Victor Lynen in Antwerpen. Victor Lynen, groothandelaar in Antwerpen, stamde uit een “Kupfermeisterfamilie” (messingindustrie) uit Stolberg (D). Zijn vader William vestigde zich in 1833 in Antwerpen waar Victor geboren werd op 30 september 1834. In 1855 verkreeg hij de Belgische nationaliteit. Wanneer hij overlijdt op 8 oktober 1894 worden familie, vrienden en zakenrelaties uitgenodigd op de burgerlijke begrafenis. Victor Lynen werd in 1863 ingewijd bij de Antwerpse loge “Les Amis du Commerce et de la Persévérance Réunis” waar hij tweemaal Voorzittend Meester werd. Van 1887-1889 was hij grootmeester van het Grootoosten van België. Hij stond bekend voor zijn filantropie en mecenaat.

De 69-jarige Franz Liszt gaf in 1881 een concert in Antwerpen en logeerde van 24 tot 29 mei bij Victor Lynen en dat zal nog eens het geval zijn in 1882, 1885 en 1886. In 1886 vertoefde hij ten huize Lynen van 20 april tot 27 april. Dat viel juist in de Goede Week van Pasen en Liszt volgde de diensten in de kerk van Sint-Jozef, gelegen op 300 meter van de woning van Victor Lynen (3). Op 7 mei 1882 gaf Victor Lynen in zijn salons een concert ter ere van Liszt. Ter afsluiting zong de bariton E. Blauwaert drie maçonnieke cantates van Gustave Huberti (1843-1910), lid van de loge Les Amis Philantropes in Brussel (4). Bij zijn bezoek aan Antwerpen in 1886 kloeg de toen 74-jarige Liszt over vermoeidheid en zou op 31 juli 1886 overlijden tijdens de Bayreuther Festspiele.

De connectie Liszt-Lynen is een mooi voorbeeld van vriendschap en tolerantie die de ideologische scheidslijnen overschreed. Liszt mocht braaf ter kerke maar Lynen hield consequent vast aan zijn adagium “Le prêtre à L’Eglise ! L’instituteur à l’ école” en trakteerde hem op maçonnieke cantates.

Willy Dezutter

1 De indrukwekkende maçonnieke bibliotheek van Kloss kwam na zijn overlijden, door bemiddeling van grootmeester Prins Frederik (1797-1881) terecht in de bibliotheek van het Grootoosten der Nederlanden.

2 Biografie op www.lisztkring.nl

3 Erik Baeck en Hedwige Baeck-Schilders, Victor Lynen, Antwerpse gastheer van Franz Liszt, in: Tijdschrift van de Franz Liszt Kring, 2012, pp. 10-21.

4 Erik Baeck en Hedwige Baeck-Schilders, Liszt et Anvers, in: Revue de musicologie, 1994,2, pp. 306-322. In 1879 speelde men de cantate “La Consécration du Temple” van componist G. Huberti bij de inwijding van de nieuwe tempel van Les Amis Philantropes. 

FC Brugge en het borstbeeld van Albert Dyserynck (1932)

Al van bij de stichting van de voetbalclub FC Brugge in 1891 genoot deze vereniging de sympathie van de Brugse vrijmetselaarsloge La Flandre (opgericht 4.6.1881).

In 1900 was de advocaat Raymond Seresia (1851-1903), stichtend lid van La Flandre in 1881, één van de beschermende leden. Iemand als Fernand Hanssens (1882-1962), aannemer van openbare werken, lid van La Flandre sinds 1919, werd ook secretaris en voorzitter van FC Brugge en telde 63 jaar lidmaatschap. Zijn schoonbroer Prosper De Cloedt (1878-1955), ook een ondernemer, was mecenas van de loge La Flandre (Beenhouwersstraat 2, Brugge) maar evenzeer van FC Brugge. In 1924 werd hij de eerste secretaris en stichtend lid van de vzw La Flandre.

Een zeer geliefde voorzitter was Albert Dyserynck (Oostende 1872-Sijsele 1931), algemeen agent van de Nederlandse Gist- en Spiritusfabriek in Brugge. Hij was bestuurslid van FC Brugge sinds 1913 en werd eind 1918 voorzitter. In 1919-1920 speelde Brugge kampioen en dat straalde natuurlijk ook op hem af. Zondag 21 maart 1920 was voor F.C. Brugge een onvergetelijk hoogtepunt. De laatste competitiewedstrijd tegen Racing Mechelen werd gewonnen en zo hield men Union van een nieuwe titel af. Dat was dit jaar precies 80 jaar geleden. Na het behalen van de landstitel verhuisde FC Brugge naar de “Klokke” waar voorzitter Dyserynck het complex in eigendom aan de vereniging had geschonken.

Dyserynck werd bij La Flandre ingewijd op 19 juni 1923. Hij bleef voorzitter van FC Brugge tot aan zijn tragisch overlijden op 9 februari 1931. Op die dag slipte, door ijzel op de weg, zijn auto (een Minerva, bestuurd door zijn chauffeur) in Sijsele -Donk (op de grens van West -en Oost-Vlaanderen) en vond hij de dood toen de auto tot stilstand kwam tegen een boom. Zijn chauffeur werd zwaar gewond. Op 12 februari 1931 vond de burgerlijke begrafenis plaats; in de indrukwekkende rouwstoet werden 101 rouwkransen meegedragen.

101 rouwkransen op de burgerlijke begrafenis van Albert Dyserynck. 
(Foto A. Bruselle, Stadsarchief Brugge)
101 rouwkransen op de burgerlijke begrafenis van Albert Dyserynck.
(Foto A. Bruselle, Stadsarchief Brugge)

Op de algemene begraafplaats op Steenbrugge werd de enige grafrede gehouden door Edouard Everaerts (1865-1944), een broeder van La Flandre maar ook de eerste voorzittend meester van de vrijmetselaarsloge Aurore (Droit Humain, Brugge) in 1930-1932.  

Burgerlijke begrafenis van Albert Dyserynck op 12 februari 1931.
(Foto A. Bruselle, Stadsarchief Brugge)  

Vanaf 15 september 1931 sprak men niet meer over de “Klokke” maar werd het omgedoopt tot “Dyserynck Stadion” en dat tot in 1975.

Om de betreurde voorzitter te eren werd op 14 februari 1932 aan de hoofdingang een borstbeeld onthuld van de hand van de beeldhouwer Octave Rotsaert (1885-1964).

Inhuldiging van het monument Albert Dyserynck (1872-1931) .
aan de binnenzijde van het voetbalstadion van FC Brugge. 14 februari 1932.
(Foto A. Bruselle, Stadsarchief Brugge)  

Het werk van Rotsaert kennen we o.m. van de twee bizons op de Canadabrug (Bevrijdingsbrug, Brugge) en het ruiterstandbeeld van Koning Albert I in het Koning Albertpark van Brugge.

De maquette van het borstbeeld van Albert Dyserynck (1872-1931) .
(Foto A. Bruselle, Stadsarchief Brugge)  

Om het monument Dyserynck te kunnen realiseren werd er een erecomité opgericht met als voorzitter Paul Noë (1876-1953), erelid van FC Brugge en lid van La Flandre. Ondervoorzitter van dat comité was notaris Raphaël Rodenbach (1861-1951). Rodenbach was 30 jaar toen hij lid werd bij La Flandre, bleef 60 jaar actief (was o.m. voorzittend meester in 1925-1927) en overleed op de leeftijd van 90 jaar. Hij was weduwnaar en het huwelijk Rodenbach-De Bloom bleef kinderloos. Ingevolge een eigenhandig geschreven testament van 28 januari 1949 legateerde hij een bedrag aan de “Vrienden van de Schamele Arme”, aan de loge La Flandre en aan FC Brugge. Zowel La Flandre als FC Brugge steunden “De Schamele Arme” (Les Amis du Pauvre Honteux), een goed doel dat op discrete wijze financiële steun verleende aan noodlijdenden. Het comité ter oprichting van het borstbeeld was een uitgebreid en representatief comité dat over alle partijgrenzen heen naar resultaat streefde samen met het Uitvoerend Comité waarvan Fernand Hanssens de voorzitter was.

Uit bovenstaande blijkt wel duidelijk de toenmalige innige band tussen de loge La Flandre en FC Brugge.

Willy DEZUTTER  

Litt. Dries Vanysacker, Van FC Brugge tot Club Brugge KV (1891-2010), Brugge, 2010 en Willy Dezutter, Raphaël Rodenbach (1861-1951), achtbare meester van de Brugse vrijmetselaarsloge La Flandre, in: Brugs Ommeland, 2016, 3, pp. 147-159.

Ludovicus Josephus Van Caillie (1790-1862)

De familie Van Caillie is een familie van huidenvetters uit Torhout die in de 19de en 20ste eeuw een groot aantal notarissen leverde in Brugge en Oostende. De stamvader was Crispinus Van Caillie, huidenvetter in Torhout maar geboren in Roeselare (1716) en overleden in Torhout (1787).

Crispinus kreeg in twee huwelijken dertien kinderen waarvan er zeven vroegtijdig stierven. Zijn derde zoon uit het tweede huwelijk was Joannes Van Caillie (1758-1824), eveneens huidenvetter in Torhout. De oudste zoon van Joannes Van Caillie was Ludovicus Josephus (Torhout 20.8.1790 – Torhout 15.3.1862). Die bracht het van verificateur bij de Domeinen tot secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën in Brussel. Voorheen was hij directeur van het Bestuur der Registratie en Domeinen in Aarlen (Arlon). Hij was secretaris-generaal onder de liberale politicus Laurent Veydt (Antwerpen 1800 – Brussel 1877), die van 12.8.1847 tot 18.7.1848 Minister van Financiën was in de liberale regering Rogier I (1847-1852).

In 1819, de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, werd Ludovicus Van Caillie ingewijd bij de Brugse vrijmetselaarsloge La Réunion des Amis du Nord (1). Charles Doudan (1773-1861) was toen Achtbare Meester. Die loge bestond in Brugge van 1803 tot 1831. Op de tableau (ledenlijst) van 1821 staat hij nog vermeld als compagnon (gezel). Dat wijst op een zekere stagnatie op weg naar het meesterschap. Constantin Rodenbach (1791-1846) was toen Achtbare Meester. In 1822 en 1823 betaalde hij nog zijn volledig lidgeld. Dat bedroeg 12,70 francs per semester. De Franse frank bleef tijdens de Hollandse tijd wettig betaalmiddel. Nergens vonden we een betaling voor de derde graad. Hij werd klaarblijkelijk geen meester-vrijmetselaar. Voor het meesterdiploma werd 6 francs betaald maar uiteraard wordt dat voor hem evenmin vermeld. In 1824 gaf hij zelf ontslag in zijn loge. Zijn logecarrière was dus van korte duur.

In 1833 werd het Grootoosten van België opgericht (stichting 13 januari 1833, installatie 23 februari 1833) maar dat werd na verloop van tijd een geheel ander soort vrijmetselarij. Hij bleef ongehuwd en om die reden werd zijn broer Carolus de nieuwe stamhouder. Carolus Van Caillie (Torhout 1791-Brugge 1862) werd huidenvetter in Brugge. Zijn oudste zoon Edouard (Brugge 1814-Brugge 1883) werd notaris in Brugge. Dat was dus een neef van Ludovicus. De zoon van Edouard, met gelijklopende voornamen, Louis Joseph Van Caillie ( Moerkerke 1854- Brugge 1896) werd eveneens notaris.

Willy Dezutter

(1) Willy. P. Dezutter, De loge “La Réunion des Amis du Nord” (1803-1831) in Brugge, in: Brugs Ommeland, 50 (2010), p. 39-51.