IJdelheid is goud waard

IJdelheid wordt doorgaans beschouwd als een slechte eigenschap maar elke medaille heeft ook haar keerzijde.  Of moeten we zeggen: elke gouden munt heeft haar keerzijde.  De koper is blij en niet in het minst ook de verkoper.

Op 14 april 2019 overleed in Brugge Juliaan Taelman (1922-2019).  Hij was de numismatisch adviseur van het Gruuthusemuseum in Brugge.  Hij deed dat onbezoldigd en tegen onkostenvergoeding.  Hij had wel de toelating om die titel van numismatisch adviseur te gebruiken in zijn contacten met verzamelaars en numismatische verenigingen.  Van die prachtige collectie munten en penningen is nu niets meer te zien in het museum.  De museale verhaallijn is de stadsgeschiedenis geworden en alle collecties van de toegepaste kunst werden veilig opgeborgen. Zelfs de open haard van de eens zo geprezen “Keuken” werd leeggemaakt.  De Brugse geldmarkt was nochtans bijzonder belangrijk en er werd niet met knopen betaald (1).  Ook het overlijden van J. Taelman kende geen weerklank in museumkringen en zelfs in het Brugsch Handelsblad verscheen er geen artikel over hem.  Het is het lot van iemand die het (on)geluk heeft van bijna 87 jaar te worden.

We willen dat hier goed maken.  De ijdelheid of superbia is de hoogmoedige eigenliefde.  Het is het verlangen om belangrijker te willen zijn dan men is.  De vleierij is zijn beste metgezel.  Een klassieker om dit te illustreren is de fabel van de Franse schrijver Jean de la Fontaine (1621-1695) over “De raaf en de vos”.  De ijdele raaf hield een stukje kaas tussen zijn snavel maar de sluwe vos wist hem zo te vleien (complimenten over zijn mooie stem en mooie veren) dat hij hem verleidt om een lied te zingen.  De raaf laat het stukje kaas vallen en de vos heeft zijn prooi.  Deze fabel, die teruggaat op de Aesopus, werd ook al berijmd in de tweede helft van de dertiende eeuw in de Nederlandse Esopet met onze eigenste Reinaert de Vos in een glansrol (omgezet van het Middelnederlands in het Nederlands door Frits van Oostrum).  Liefhebbers van de Vlaamse canon mogen hier even verwijlen: de ijdelheid en pluimstrijkerij bestond in Vlaanderen al in de 13de eeuw (!) en dit lang voor de Slag der Gulden Sporen (1302).  Wij Vlamingen zijn fier op ons zelf.

De ene Van Maele is de andere niet

Michel Van Maele (1921-2003) was van 1947-1970 burgemeester van Sint-Michiels en van Brugge (1972-1977).  Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1976 werd zijn reputatie dusdanig geschaad dat hij niet opnieuw verkozen werd.  De overdracht naar Frank Van Acker (1929-1992) sleepte wat aan maar op 1 mei 1977 was de opvolging een feit.  Hij was nadien vooral actief in het bestuur van de voetbalvereniging Club Brugge en hij bleef ook een gedurfd ondernemer.

Iemand had hem al vroeg wijsgemaakt dat hij afstamde van Lodewijk van Male (1330-1384), graaf van Vlaanderen. Hij geloofde daar onmiddellijk rotsvast in.  Iedereen wilt tenslotte graag een adellijke voorvader of zelf van adel zijn of het proberen te worden.  Dat laatste kost in België zelfs weinig moeite.  Men kan het ook zelf aanvragen bij de Raad van Adel.  Vooral personen die niet helemaal zeker zijn of adelerkenning zal lukken, wagen die stap.  En heel dikwijls met goed gevolg, zeker wanneer men de voorzitter persoonlijk kent.   Michel Van Maele ging op zoek naar relicten van zijn illustere voorvader maar dat bleek niet eenvoudig.  Zijn kasteel stond nog wel in Male/Sint-Kruis  maar die pak bakstenen was toch ook niet meer zo zuiver op de graat (het werd in 1954 en later helemaal verbouwd en is in feite een kasteel voor nieuwe parvenu’s).  Maar er lonkte wel goud en zilver dat makkelijk (en verborgen voor de fiscus) kon aangeschaft worden.  Zo kwam hij in contact met de goed aangeschreven numismaat Juliaan Taelman die hem al eerder genealogisch advies had verstrekt.  Dat was een verstandige keuze.  Dat bleek in 1982 toen Taelman in stond voor de mooie publicatie “Munten en penningen in Bourgondisch Vlaanderen. Van Filips de Stoute tot Maria van Bourgondië 1384-1482”. Gruuthusemuseum, Brugge, 1982.  Aan zijn deskundigheid heeft nooit iemand getwijfeld.  Hij bezat thuis in zijn persoonlijke bibliotheek alle standaardwerken (zowel de oude als de nieuwe) over numismatiek.  Ik twijfelde ook nooit aan zijn mercantiele inzichten.  En zo gebeurde het dat hij verschillende gouden en zilveren munten van Lodewijk van Male of uit de regeerperiode van de graaf verkocht aan Michel van Maele.  De burgemeester kon zelfs handelen met voorkennis.

Het is de verdienste van toenmalig hoofdconservator dr. Valentin Vermeersch dat het munt- en penningkabinet van het Gruuthusemuseum niet verwaarloosd werd als een dood fonds en stelselmatig verrijkt werd met nieuwe aanwinsten.  Hij zij daarvoor geprezen (sinds hij met pensioen is, heeft niemand van de vorige en huidige museumdirectie dat al gedaan).  De aankoopvoorstellen, deskundig geadviseerd door J. Taelman, werden door de hoofdconservator uiteraard altijd eerst voorgelegd aan het College van Burgemeester en Schepenen.  Het dossier belandde dan na gunstig advies van de Schepen van Cultuur in het pre-college (de burgemeester en de stadssecretaris) en daarna in het officiële schepencollege op vrijdag.  Maar toen er een zilveren munt uit de periode van Lodewijk van Male te koop werd aangeboden, werd het dossier geblokkeerd door de burgemeester.  Het voorstel haalde het College niet.  Hij kocht de munt voor zichzelf voor de aangegeven prijs die voorkwam in het aankoopvoorstel !  Uiteraard een gunstig aanbod want de Dienst Musea ging nooit overdreven boven de prijs.  Het ging immers om belastinggeld.  Dat systeem van Michel Van Maele zal door hem ook wel eens zijn toegepast bij het verwerven van onroerend goed, denken we dan en passant.  De munthandel is ook nu nog zeer lucratief.  Op een gouden munt uit 1360 staat Lodewijk van Male zelf afgebeeld als ruiter te paard.  Zo’n gouden rijder kost nu in de gespecialiseerde munthandel al gauw 3.750 euro.  Het is een museumverhaal als een ander maar dan wel uit het echte leven gegrepen en niet over de schone schijn van de uitstraling van de kunstwerken.  Zoveel uitstraling dat men het zou durven verwarren met radioactiviteit.

Wanneer de beminnelijke Juliaan (die op Sint-Kruis woonde in de Schaakstraat) mij zag op straat (want ik woon sinds 1973 ook in Sint-Kruis), ging hij direct in de remmen en sprong hij uit zijn Mercedes E klasse om met mij een praatje te kunnen maken.  Het vraagstaarten van de oud-rijkswachter kon dan beginnen.  Hij bracht daarbij zichzelf en het andere verkeer in gevaar.  Maar het streelde mijn ijdelheid (…).   Hij was een groot mensenkenner.  Nooit zou hij je verteld hebben dat je afstamde van Karel de Grote.  Karolingische munten kon hij moeilijker slijten.  Maar je rechtstreeks laten afstammen van Lodewijk van Male… dat behoorde wel tot de mogelijkheden.

Willy Dezutter

1 Voor de Brugse geldmarkt tijdens de middeleeuwen, zie: Jan Dumolyn en Andrew Brown (red.), Brugge. Een middeleeuwse metropool 850-1550, uitgever Sterck & De Vreese, z. p., 2019, pp. 200-2007.

 

De Gentse loge Le Septentrion (1811-1866). Een kritische bedenking.

Over de geschiedenis van de vrijmetselaarsloge Le Septentrion in Gent verscheen er recent een artikel in de Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Gent (1).

Deze loge werd opgericht in de Franse tijd (op 2 april 1811), zette haar werkzaamheden voort tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) en een uitzwerming van een deel van de leden op 1 maart 1866 leidde tot het ontstaan van de loge La Liberté.

Met veel belangstelling namen we daarvan kennis want wij handelden in de tijdschriften Biekorf en Brugs Ommeland al verschillende keren over de geschiedenis van de Brugse vrijmetselaarsloge La Réunion des Amis du Nord die gesticht werd in de Franse tijd (1803), de Hollandse tijd overleefde maar in het nieuwe België van 1830 niet meer van de grond kwam.  Vol verwachting klopte ons hart: eindelijk een studie die we als referentie konden gebruiken.  Dat viel tegen.  Het artikel is gebaseerd op een masterthesis geschiedenis (Universiteit Gent, 2018, 153 p.) maar het is duidelijk dat de auteur niet erg vertrouwd is met het jargon en de basisbibliografie over dit onderwerp.  We zullen daar niet in detail op in gaan.

Het verbaast ons alleen om op het internet te lezen dat zijn masterproef werd bekroond met de prijs voor het Gentse Historische Onderzoek 2018.  De jury schrijft: “De jury was onder de indruk van het uitvoerige en nauwgezette bronnenonderzoek en van de zorgvuldigheid waarmee u alle data heeft verwerkt”.  Meteen volgde de uitnodiging om een bijdrage te schrijven voor de Handelingen.  De auteur was zo geflatteerd dat hij besloot om de studie uit te breiden en er meteen een doctoraat over te schrijven. Dat is uiteraard nog toekomstmuziek. Eigenaardig dat al die professoren van de “Maatschappij voor Geschiedenis” (die de redactie vormen) en ook zijn promotor aan de universiteit zo laaiend enthousiast zijn.  Wij delen dat enthousiasme niet.

Ons voornaamste bezwaar is dat de auteur niets meedeelt over de werking en de leden tijdens de Franse periode en idem tijdens de Hollandse periode.  De organisatiestructuur was toen totaal anders dan na 1830.  Bij de statistische verwerking van zijn data (o.m. de namen en beroepen van de leden) gooit hij alles op één hoop.  Op p. 171 staat bijv. een tabel met de geboorteplaats van de vrijmetselaars van Le Septentrion maar weergegeven voor heel de periode 1811-1866 zonder opdeling.  Zoiets is niet representatief.  Er is zoveel verschil tussen de beroepssamenstelling in die drie verschillende periodes dat het absoluut noodzakelijk is om dat uit te splitsen en apart van commentaar te voorzien (Franse militairen, Nederlandse ambtenaren, e.d.).

Na het oprichten van het Grootoosten van België in 1833 ontstond een totaal nieuwe vrijmetselarij zodat een optelsom van data een vals beeld schept. De auteur is misschien wel sterk in het visualiseren van data in grafische voorstellingen maar de geschiedenis van de vrijmetselarij in de Zuidelijke Nederlanden heeft hij duidelijk nog niet onder de knie.  De statisticus waadde vol vertrouwen door de rivier die gemiddeld één meter diep was.  Hij verdronk.

Een ander bezwaar is dat hij in het notenapparaat met afkortingen naar publicaties verwijst zonder een afsluitende bibliografie op te nemen op het eind van het artikel.  Voor een deel gaat daarbij de nauwkeurige literatuurverwijzing verloren.  Het was een slecht idee om een samenvatting te maken zonder het vermelden van biografische gegevens.  Dat is nochtans de essentie van een zogenaamde prosopografie.  We weten nu alles en niets: wie waren zij ?  Wat te denken van de volgende zin: “Er wordt een nieuw gebouw gevonden en Steven wordt op 12 december 1829 aangesteld tot achtbare meester” (p. 174).  Steven wie ?  Het betreft hier de drukker-uitgever A.B. Stéven die eerst woonde op de Korenmarkt 54 en zich in 1825 vestigde op de Predikherenkaai (nu Predikherenlei) 11 in Gent.  Hij was de drukker van het Provinciaal bestuur o.m. van het “Memoriaal Administratif van Oost-Vlaanderen”.

Willy Dezutter

1 Bruno Frank Van Verdeghem, Le Septentrion (1811-1866). Prosopografie van een Gentse vrijmetselaarsloge., in: Handelingen der Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, 2018: Handelingen N.R. LXXII, p. 161-199.

Medaille voor moed en zelfopoffering (Brugge, 1835)

De toekenning van een dergelijke medaille werd in België bij wet ingesteld op 21 juli 1867 maar reeds in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) en daarna in het nieuwe België (vanaf 1830) werd dat ereteken al uitgereikt.  Er werd toen zelfs per toewijzing individueel een kleine geldsom uitgekeerd.  De onderscheiding werd verleend in het hele land per provincie.

Bij Koninklijk Besluit van 4 juli 1835 (Table chronologique et sommaire des Lois et Arrêtés Royaux de la Belgique, Bulletin Officiel , Tome XII, 1835, p. 863) waren er twee toekenningen in Brugge.  Aan Louis Hilderson, houtdrager, te Brugge werd de bronzen medaille uitgereikt en een som van dertig frank omdat hij op 11 mei 1835 een zwangere vrouw van de verdrinkingsdood had gered “uyt de vaert achter de kapelle van het Heylig-Bloed”.  Het beroep van houtdrager is nu totaal verdwenen en krijgt daardoor geen vermelding meer in de Grote van Dale.

De bronzen medaille en een som van vijftig frank werd uitgereikt aan Pierre Cournot, matroos te Brugge, omdat hij, eveneens op 11 mei, een jong meisje had gered dat op het punt stond te verdrinken in de vaart “tusschen de twee sluysen”.

Dergelijke onderscheidingen werden altijd uitgereikt aan personen die daarmee hun eigen leven op het spel hadden gezet en kreeg de omschrijving van daden van “dienstwilligheyd en moedigheyd”.

Willy Dezutter

Perpetuane

In Biekorf (1973) werd gevraagd naar de betekenis van het woord perpetuane dat als benaming voor een bepaalde stof voor kleding veel voorkomt in inventarissen uit de 17deen 18deeeuw (1).

Er volgde geen antwoord en ook A. Viaene behandelde het niet in zijn “Kleine Verscheidenheden” (derde reeks, 1969-1974).  Volgens het woordenboek “Nederlandsch Handelsmagazijn” (Amsterdam, 1843) (2) betreft het een fijn gekeperde wollen stof die omwille van haar duurzaamheid (fr. perpétuel) die naam verwierf.  Die speciale wollen stof werd eerst in Engeland vervaardigd maar later kwam daar ook Frankrijk bij, met manufacturen in Beauvais, Rijsel en Bailleul.  Ook verschillende Duitse steden leverden “perpetuanen”.

Dit lemma werd door het “Nederlandsch Handelsmagazijn” letterlijk vertaald en zonder bronverwijzing overgenomen uit het werk van Carl Courtin, Allgemeiner Schlüssel zur Waaren – und Productenkunde uit 1835 (3).  In feite is dat gewoon plagiaat maar tot aan de Berner Conventie (1886) over het auteursrecht nam men het kennelijk niet zo nauw.  Vooral woordenboeken werden veel afgeschreven en sommige lexicografen lassen om die reden soms een spookwoord (een onbestaand woord) in om de plagiator te kunnen betrappen (4).

In de nalatenschap (1643) van Jacob Dewalsche, pastoor te Ramskapelle, bevond zich een lange mantel van perpetuane (5).  Zowel K. Stallaert (6) als de Le Littré (7) vermelden perpetuane (van het Lat. perpetuus). Het zelfstandig naamwoord perpetuaan, als duurzame driedradige wollen stof, staat in het Woordenboek van de Nederlandse Taal (aflevering 1921) en is via de Geïntegreerde Taalbank online te raadplegen.

Willy Dezutter

  1. Biekorf, 74 (1973), 3-4,p. 128. Vraagwinkel.
  2. Nederlandsch Handelsmagazijn of Algemeen zamenvattend woordenboek voor Handel en Nijverheid. Amsterdam, Gebroeders Diederichs, 1843, p. 956.
  3. Carl Courtin, Allgemeiner Schlüssel zur Waaren – und Productenkunde, oder vollständiges Wörterbuch. Stuttgart-Wien, 1835, p. 621.
  4. Frans Debrabandere, Spookwoorden. In: Biekorf, 118 (2018), 4, p. 431-434.
  5. Maurits Coornaert, Staat van goederen van Jacob Dewalsche, Pastoor te Ramskapelle. In: Rond de Poldertorens, 1980, 1, p. 11-20.
  6. K. Stallaert, Glossarium van verouderde rechtstermen, kunstwoorden en andere uitdrukkingen. Leiden, 1890, p. 490.
  7. Dictionnaire de la Langue Française van E. Littré – 1872-1877, 4 dln., deel 3 (1873-1874). Digitaal te raadplegen. Littré verwijst ook naar het woord  Sempiterne  als synoniem voor “Perpétuane”. Sempiterne van Lat. sempiternus/semper.

Meer dan vijftig jaar onafgebroken parlementair mandaat

Met een record van meer dan vijftig jaar onafgebroken parlementair mandaat stond de liberaal Herman De Croo (° 1937) in de belangstelling.  De Croo werd in 1968 voor het eerst verkozen in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, was van 1991-1995 in de Senaat en verhuisde in 2014 naar het Vlaamse Parlement.  Op 25 april 2018 werd hij gehuldigd voor vijftig jaar ononderbroken parlementair mandaat.

Toen hij gehuldigd werd voor veertig jaar parlementslid sprak hij al de gevleugelde woorden: “Als de kiezer dat wil blijf ik kamerlid tot aan mijn dood.  Daarna verhuis ik naar de Senaat”.  Op 13 juli 2019 gaf hij ontslag in het Vlaamse Parlement waar hij werd opgevolgd door Freya Saeys (Open VLD).  Hij was dus achtereenvolgend 51 jaar en 4 maanden lid.

De socialist Camille Huysmans (1871-1968) deed nog beter.  Die werd lid van de Kamer in 1910 en bleef dat tot 1965.  In 1960 werd hij gehuldigd voor 50 jaar lidmaatschap van de Kamer.  In totaal werd het 55 jaar maar hij wou nog zo graag als eeuweling blijven zetelen zodat hij bij de verkiezingen van 1965 opnieuw kandidaat wilde zijn.  Hij werd echter geweerd op de BSP-kandidatenlijst wegens zijn hoge leeftijd.  Hij kwam toen op met een “scheurlijst” maar werd niet herkozen.  Op 83-jarige leeftijd was hij in 1954 nog voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers geworden tot 1958.  Van 1921 tot 1968 was hij ook onafgebroken gemeenteraadslid in Antwerpen.  Dat was 47 jaar.  Hij stierf op 96 jarige leeftijd in 1968.

De Brugse advocaat Victor Van Hoestenberghe (1868-1960) was gemeenteraadslid van 1908 tot 1956. In totaal 48 jaar.  In dat jaar nam hij ontslag als katholiek burgemeester van Brugge, een functie die hij 32 jaar uitoefende.

Een andere  Brugse burgemeester werd tot op vandaag de absolute recordhouder van aanwezigheid in de Kamer van Volksvertegenwoordigers: Amedée Visart de Bocarmé (Sint-Kruis Brugge 1835 – Brugge 1924). Die werd voor de Katholieke Partij de eerste maal tot volksvertegenwoordiger verkozen bij een tussentijdse verkiezing op 12 januari 1864 maar bij vervroegde algemene verkiezingen op 11 augustus 1864 werd hij niet  opnieuw verkozen.  Op 9 januari 1868 werd hij weer opnieuw verkozen en daarna telkens herkozen zodat hij zetelde tot en met 25 november 1923 (1). Dat is bijna 56 jaar en zonder tijdelijk electoraal verlies had hij de kaap van 60 jaar kunnen bereiken.  Hij zetelde dus niet onafgebroken maar is wel recordhouder.  Van 1876 tot 1924 was hij burgemeester van Brugge voor de Katholieke Partij.  Sinds 1929 bestaat in Brugge een openbaar park onder de naam “Graaf Visartpark”.  Hij wordt algemeen beschouwd als de grootste Brugse burgemeester tot nu toe.

Huldiging van burgemeester Amedée Visart de Bocarmé op 4 augustus 1919 naar aanleiding van zijn 50-jarig lidmaatschap van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Begroeting van de personaliteiten aan de eretribune opgesteld op het bordes van het Provinciaal Hof, Markt, Brugge. Bron: Beeldbank Brugge (Stadsarchief).

Huldekaart voor Amedée Visart de Bocarmé. Uitgave 1919 door drukkerij Desclée, De Brouwer & Cie. Het portret zelf dateert van 1901. Bron: Beeldbank Brugge (Stadsarchief)

Voordelen en nadelen

Het verloop bij het zetelen in het parlement werd internationaal onderzocht en varieert van 20 % tot 40 %.  Over de onderzochte periode 1945-2014 bedraagt het gemiddelde ledenverloop in de Belgische Kamer 33,5 % (2).  Een paar legislaturen kunnen zetelen is alleszins voordelig voor de continuïteit van goed bestuur.  Zo blijft er voldoende expertise aanwezig om later de fakkel te kunnen doorgeven; de vernieuwing van het politiek personeel.  Een persoonlijk record van 50 jaar najagen is dan weer eerder ongezond: het vastklampen aan de macht alsof het een sporttak betreft.  Met als hobby het verzamelen van A-en P-platen zoals wielrenners dat doen met gele en groene truien. Steeds dezelfde politici in de Kamer kan tot verstarring leiden omdat men dreigt voeling te verliezen met de veranderde maatschappij.  Hoewel voor het drukken op een stemknop, in overeenstemming met de fractiediscipline,  geen grote digitale kennis vereist is !  Een partij mag bij verkiezingen zoveel verliezen als ze wilt; de particratie blijft. De macht zit bij de partijvoorzitters.

A. Visart de Bocarmé speelde tijdens zijn lange periode in de Kamer geen hoofdrol en hij kwam zelden tussen in de publieke debatten.  Zijn hoofdbezigheid was het burgemeesterschap.  Hij cumuleerde en verschilt in deze niets van huidige burgemeesters die massaal in het Vlaams Parlement zetelen.  Die denken allemaal dat dit moet om meer voor hun gemeente te kunnen doen.  De SP.A. die, als enige partij, niet op die lijn zit heeft daardoor al heel wat lieden ongelukkig gemaakt.  Het Vlaams Parlement wordt dan ook wel eens “een veredelde gemeenteraad” genoemd.

Camille Huysmans bleef zich vastklampen aan de macht en hij was niet de enige die ook na 1945 nog probeerde terug te vallen op vooroorlogse recepten. Hij bleef wel zeer populair (bij zijn 80ste verjaardag een stoet van 100.000 mensen) maar op sommige vlakken was hij niet mee geëvolueerd met zijn tijd.  Hij vond bijvoorbeeld dat de Vlaamse Beweging te radicaal geworden was en vroeg respect voor de taalminderheden terwijl de nieuwe generatie Vlaamsgezinden opteerde voor de volledige eentaligheid van Vlaanderen.  In 1963 verzette hij zich om die reden tegen het vastleggen van de taalgrens.  En toen kwam in 1968 de mei ’68 beweging met “Leuven Vlaams” dat reeds in 1967 het voorwerp uitmaakte van een grote betoging.  De regering-Vanden Boeynants viel reeds op 7 februari 1968 over deze kwestie en na vervroegde verkiezingen was de splitsing van de universiteit een feit.  De Franstalige UCL-faculteiten werden overgeheveld naar Wallonië.  Camille Huysmans overleed op 25 februari 1968.

In 1972 zal zelfs de christendemocratische partij splitsen in een Vlaamse en Franstalige afdeling. Fossielen kunnen zich nooit hernieuwen maar oude krokodillen dienen zich wel permanent bij te scholen indien ze een rol van betekenis willen blijven spelen.  Men kan ook kiezen voor de rotatie van de macht.

Willy Dezutter

1 https://nl.wikipedia.org/wiki/Amedée­­­­­-Visart-de-Bocarmé(Met dank aan Andries Vanden Abeele, Brugge).

2 A. Gouglas, B. Maddens en M. Brans, Het ledenverloop in de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers (1945-2014). Een analyse vanuit vergelijkend perspectief. Vives Briefing 2019/4 online raadpleegbaar.

Van Museum van Folklore naar Stedelijk Museum voor Volkskunde. Een Brugse metamorfose met hindernissen: 1936 tot 1972 en 1973 tot 1980, 1989 en 2003.

Het eerste museum in Brugge dat zich ook over volkskundige objecten ontfermde was het in 1865 opgerichte Gruuthusemuseum (1).  In 1911 deed Robert Coppieters ’t Wallant (1871-1955) in de schoot van het Oudheidkundig Genootschap (Société d’Archéologie), dat het Gruuthusemuseum beheerde, een voorstel tot oprichting van een folkloremuseum.  Wegens de vrees voor dubbel gebruik ging dat toen niet door (2).  R. Coppieters stelde voor om eerst over te gaan tot oprichting van een vereniging om dat doel te kunnen realiseren.  Zo is het in feite altijd gegaan: eerst was er een vereniging die een tijdelijke tentoonstelling organiseerde en enige tijd later kwam dan het museum.

De grote pionier van de materiële volkskunde in Wallonië, Charles-Jacques Comhaire (1869-1931), stichtte eerst Les Amis du Vieux-Liège (op 4 mei 1895) en op 4 november 1895 kon het Folkloremuseum al geopend worden in de rue Agimont 14 in Luik in een bijgebouw van het huis waar de vereniging zijn vergaderlokaal had (3).  Helaas was dit museum geen lang leven beschoren; het verdween reeds in 1905.  De collecties vormden later wel de kern van het toekomstig Musée de la Vie Wallonne in Luik dat echter pas werd geopend in 1930 (4).  In Antwerpen ging het via dezelfde beproefde methode: eerst was er de vereniging Conservatoire de la Tradition Populaire Flamande (in 1901) gevolgd door een Tentoonstelling van voorwerpen van volkskunst, volksnijverheid en volksgebruik in het Gerechtshof van Brussel van 21 maart tot 21 april 1903 en tenslotte als culminatie de opening van het Folkloremuseum in Antwerpen op 18 augustus 1907 (5).  In Gent, dat het voorbeeld voor Brugge zal worden, werd een gelijkaardig parcours afgelegd.  Daar werd op 2 mei 1926 de Bond der Oostvlaamsche Folkloristen opgericht; twee maand later verscheen het eerste nummer van hun tijdschrift Oostvlaamsche Zanten.  In 1927 organiseerden ze tijdens de Gentse Feesten met overweldigend succes een Folkloretentoonstelling.  Er volgde sindsdien elk jaar (in 1928, 1929 en 1930) een expositie om de aandacht te vestigen op de noodzaak van een museum.  Dat kwam er uiteindelijk in de oude kerk van de Geschoeide Karmelieten op de hoek van de Langesteenstraat en Vrouwebroersstraat.  Dit Museum voor Folklore werd geopend op 16 juli 1932 (6).

De stichting van de Bond der Westvlaamsche Folkloristen

De periode 1900-1930 wordt beschouwd als een kalme periode voor de volkskunde-beoefening in West-Vlaanderen (7).  Die volgde op een periode van massale materiaalverzameling ontstaan rond de tijdschriften Rond den Heerd (1865-1902) en Biekorf (1890).  Na 1930 kon een hernieuwde belangstelling voor de volkskunde in West-Vlaanderen waargenomen worden.  In deze fase ontstond er ook weer interesse voor de materiële volkscultuur.

Hoe het in Brugge verder allemaal in zijn werk gegaan is, hebben we nauwkeurig kunnen reconstrueren op basis van bewaard gebleven archivalia en de verklaringen van twee stichtende leden (8).  De kunstschilder Flori Van Acker (1858-1940), directeur van de Academie voor Schone Kunsten (1910-1926) in Brugge is van grote betekenis geweest voor de kunstenaars-loopbaan van Guillaume Michiels (Brugge 27.12.1909 – Brugge 27.3. 1997) maar daarnaast heeft hij zijn pupil ook in aanraking gebracht met het studiedomein van de volkskunde.  Dit gebeurde tijdens een achtdaagse studiereis naar Antwerpen waar Flori Van Acker zijn 18-jarige leerling liet kennismaken met de verzamelingen van het Museum voor Folklore.  Dit maakte een diepe indruk op de jonge bezoeker en vanaf dat ogenblik speelde in hem de gedachte om iets dergelijks in zijn geboortestad te verwezenlijken. Bijna tien jaar later hield de oprichting van een Brugs Folkloremuseum hem nog steeds bezig en tijdens een fietstocht die in 1936 door de Vlaamse Toeristenbond werd ingericht sprak hij daarover met Evarist Van Heulenbrouck (1898-1997) die op zijn beurt contact opnam met Karel De Wolf (Brugge 1883 – Sint Michiels 1948), de bekende apotheker van In den Cleynen Thems in de Zuidzandstraat. Het idee viel in goede aarde en eind 1936 werd in het bekende café Vlissinghe in de Blekersstraat, een eerste vergadering belegd (9).

Antwerpen en Gent hadden bewezen dat het organiseren van een volkskundige tentoonstelling een goede aanloop betekende voor de oprichting van een museum. Als samenwerkende organisatie werd in november 1936 de Bond der Westvlaamsche Folkloristen gesticht.  Per 1 januari 1937 begon de feitelijke werking, terwijl de statuten verschenen in het Staatsblad van 22 oktober 1938.  De stichtende leden van deze vzw, van wie de namen in het Staatsblad verschenen, waren in alfabetische volgorde: Paul Allosery (1875-1943 – sinds 1926 conservator G. Gezellemuseum), Walter Bossier, Omaar Daveloose, Karel De Wolf, Guillaume Michiels, Jules Pollet, Egied Strubbe, Evarist Van Heulenbrouck en Antoon Verwaetermeulen.  Karel De Wolf (10) werd hoofdman (voorzitter), ondervoorzitter was A. Verwaetermeulen, griffier (secretaris) E. Vanheulenbrouck, schatbewaarder (penningmeester) Jules Pollet en Guillaume Michiels (11) werd conservator van het museum in wording.  Vanaf januari 1937 begon men met de ledenwerving en bij de allereerste “deelgenoten” (statuten, art. 5) noteren we de namen van Jos De Smet (1898-1972) archivaris Rijksarchief Brugge, architect Firmin Koentges, kunsthistorica Magda Selschotter, kunstschilder Flori Van Acker, J.R.W. Sinninghe (12) en Achiel Van Acker, de latere Eerste Minister.  In maart 1937 ging men van start met de voorbereiding voor de grote Folkloretentoonstelling die van 27 maart tot 11 april tijdens de paasperiode zou plaatsvinden in de Concertzaal (Boterhuis) in de Sint-Jacobsstraat.

Groepsportret organisatoren en personaliteiten Folkloretentoonstelling 27 maart-11 april 1937 in Stedelijk Concertgebouw (Sint-Jacobsstraat). V.l.n.r. Alfons De Groeve, gemeenteraadslid, Jules Pollet, Guillaume Michiels, schepen Louis Ryelandt, hoofdman Karel De Wolf, burgemeester Victor Van Hoestenberghe, VNV-volksvertegenwoordiger Jef De Vroe, Evarist Vanheulenbrouck, Prof.dr. Paul De Keyser (Gent), F. Van Es (Bond Oostvlaamse Volkskundigen, Gent). Bron: Beeldbank Brugge.

Het rondschrijven van 19 maart aan het bestuur van alle “volksmaatschappijen” miste zijn effect niet en samen met de bruiklenen van de bestuursleden bracht men een ongemeen rijk geheel samen. Men liet ook niets onverlet om de tentoonstelling bij de Brugse bevolking bekend te maken. Hoofdman K. De Wolf stuurde er de “uitklinker” of belleman op uit. Die ontving voor een halve dag werken een vergoeding van 40 frank.  Men mikte ook op de Engelse toeristen die in deze paasperiode Brugge aandeden.  Men verspreidde een groot aantal Engelstalige reclameblaadjes met de tekst: “English Visitors. Pay a visit to the Flemish Folklore exhibition. St. Jacobsstraat” met de vermelding van de openingsuren.  De toegangsprijs voor de tentoonstelling bedroeg 1 frank.  Op zaterdag 27 maart 1937 vond de plechtige opening plaats in aanwezigheid van burgemeester V. van Hoestenberghe (1868-1960) en andere overheidspersonen.  De Gentse Bond was o.m. vertegenwoordigd door prof. dr. Paul De Keyser (1891-1966), één van de eerste academisch geschoolde volkskundigen.  In afwachting van een geschikt museumlokaal ging men verder met de werking van de Bond.  Eind 1937 verscheen ’t Beertje I, 1938 de Volkskundige Almanak. De redactie van ’t Beertje I, 1938,II 1939 en III, 1940 berustte bij Karel De Wolf. (13).  Kunstschilder G. Michiels ontwierp de omslagpagina en het boekje werd gedrukt bij bestuurslid O. Daveloose.  Het door Michiels ontworpen vignet prijkte ook op de briefomslagen.  In 1938 ging men ook van start met “Folklore-avonden”.  Bij het uitbreken van de oorlog in 1940 hield ’t Beertje op te verschijnen. Nummer IV, 1945 verscheen in een nieuw kleedje onder de redactie van Hervé Stalpaert (1914-1981), sinds 1942 lid van de Bond (14).

Het museum van Folklore (15): een lijdensweg

Het stadsbestuur had weliswaar de Concertzaal gratis ter beschikking gesteld voor de tijdelijke tentoonstelling en gaf een werkingstoelage van 1.000 frank (16), maar een vast museumlokaal kon het voorlopig niet ter beschikking stellen.  Veel van de Folkloretentoonstelling, die grote weerklank kende (17), was teruggekeerd naar de eigenaars maar als kerncollectie bleef er toch voldoende over om in 1937-1938 de expositie te bestendigen als permanente tentoonstelling in de Concertzaal.  De Bond betaalde daarvoor een vergoeding aan Camiel Gezelle, conciërge van het Concertgebouw en gepensioneerd politieagent.

Op 28 september 1938 liet het College van Burgemeester en Schepenen aan hoofdman K. De Wolf weten dat men met ingang van 1 november 1938 zou kunnen beschikken over de Schermzaal op de eerste verdieping van de Halletoren. Een bestendig museum nagelvaste in den linkeren vleugel van de Brugsche Hallen, zoals in ’t Beertje van 1939 te lezen staat.  De Bond moest jaarlijks een huurprijs van 200 frank betalen en ook de verlichtings- en verwarmingskosten waren voor hun rekening.  Op 9 januari 1939 vond de verhuizing plaats.  In mei van hetzelfde jaar ontving men van de Provincie West-Vlaanderen een toelage van 10.000 frank, voor die tijd een mooi bedrag.  De inrichting van het Museum van Folklore, zoals het toen genoemd werd, kon beginnen.  Conservator Michiels schikte de verzamelingen met veel geduld, kennis en goede smaak, volgens de alsdan geldende museumnormen in afzonderlijke ruimten van een keuken, winkel en herberg.  Zo formuleerde H. Stalpaert het in ’t Beertje van 1974 (18). Op 1 juli 1939 werd het museum in het Belfort officieel geopend.  De gelegenheidstoespraak werd gehouden door ondervoorzitter Antoon Verwaetermeulen (1870-1949), die reeds in 1890 meewerkte aan het tijdschrift Biekorf van G. Gezelle.  Burgemeester V. van Hoestenberghe was niet op deze plechtigheid aanwezig in tegenstelling tot provinciegouverneur H. Baels (19).  Namens het Stadsbestuur werd het woord gevoerd door schepen Leonce De Schepper.

Het waren slechte tijden om met een nieuw museum van start te gaan want twee maanden later op 26 augustus 1939 werd de mobilisatie afgekondigd en op 23 mei 1940 drongen de Duitse troepen de stad binnen. De Schermzaal werd opgeëist door het Belgisch Leger en de collecties werden ondergebracht op de zolder van hetzelfde lokaal.  In 1943 eisten de Duitsers ook die zolders op zodat op een paar dagen tijd alles diende verhuisd te worden naar de kelders van het Rijksarchief in de Academiestraat. Rijksarchivaris Rijkaart De Witte en archivaris Joseph De Smet, beiden lid van de Bond sinds februari 1937, verleenden graag die gastvrijheid.  In 1941 gaf Karel De Wolf om gezondheidsredenen ontslag als hoofdman van de Bond.  De beheerraad verkoos bij algemeenheid van stemmen prof. dr. Egied I. Strubbe (1897-1970) als nieuwe hoofdman (20) en Karel De Wolf (2.5.1883- 10.9.1948) kreeg de titel van ere-hoofdman.  In de bestuursvergadering van 5 augustus 1941 werden vier nieuwe leden benoemd, nl. A. Maertens, pastoor van de Potterie, Magdalena Cafmeyer, G.P. Baert en A. Schouteet.  In 1943 werd de beheerraad sterk verruimd (21) en telde in totaal 16 leden nl. E. Strubbe, K. De Wolf, E. Vanheulenbrouck, J. Pollet, G. Michiels, W. Bossier, O. Daveloose, A. Verwaetermeulen, J. Vandenberghe (22), G.P. Baert, M. Cafmeyer, L. Defraeye, A. Schouteet, H. Stalpaert, J. Fonteyne (23) en J. Filliaert.  Die “Poolse landdag” bleek misschien toch niet zo werkbaar.

Op de jaarlijkse algemene vergadering van 14 oktober 1945 (dus ná de bevrijding) nam de beheerraad collectief ontslag en werd een nieuw sterk afgeslankt bestuur verkozen bestaande uit: M. Cafmeyer, K. De Wolf, G. Michiels, J. Pollet, A. Schouteet, H. Stalpaert, E. Strubbe, E. Vanheulenbrouck en A. Verwaetermeulen.  Inmiddels zitten we met onze geschiedenis in de naoorlogse periode.  Op 12 september 1944 werd Brugge bevrijd maar het duurde een hele tijd alvorens de lokalen in de Hallen weer ter beschikking gesteld konden worden aan de Bond.  Er waren ook verliezen geleden.  De letterkasten, geschonken door drukker O. Daveloose, werden in de verwarmingsketel van het Rijksarchief opgestookt.  Deze en nog andere verhuizingen zouden de verzamelingen heel wat schade toebrengen.  Op 24 juni 1946 vroeg het bestuur van de Bond aan het stadsbestuur om de Schermzaal weer in gebruik te mogen nemen.  Herinneringsbrieven zouden volgen en pas in 1948 stond men weer zover als in 1939.  Op 19 oktober 1947 was er weer een nieuw bestuur verkozen met als leden: Egied Strubbe, Hervé Stalpaert, Jules Pollet, Maurits Van Coppenolle (lid sinds 1942), Lode Lagasse, Guillaume Michiels, Magda Cafmeyer en Albert Schouteet (24).  Maurits Van Coppenolle (1910-1955) was verkozen geworden zonder zelf zijn kandidatuur te stellen, hij vreesde namelijk dat andere verdienstelijke bestuursleden daarvan het slachtoffer zouden kunnen worden (25).  Evarist Vanheulenbrouck werd niet herkozen en M. Van Coppenolle (26) zal hem tegen wil en dank opvolgen als griffier.  Evarist Van Heulenbrouck was in Brugge de vertegenwoordiger van de Vlaamse Toeristenbond en was zelfs al landelijk betrokken bij het ontstaan in 1922.  De V.T.B. ontstond in de schoot van de Vlaamse Beweging en was de tegenhanger van de Franstalige Touring Club de Belgique.  We signaleren hier ook de oprichting van een Gidsenbond in Brugge in 1926. Maar bij al de hoger genoemden vonden wij geen sporen van het “Groot-Germaansche” gedachtengoed hoewel de volkskunde voor en tijdens W.O. II wel degelijk besmet geraakte (27).   Jef Devroe (1905-1976), sinds 1936 VNV-volksvertegenwoordiger, haastte zich wel om op de foto te staan (zie afb.1) bij de opening van de tentoonstelling in 1937.  In 1941 werd hij oorlogsburgemeester van Brugge en realiseert in 1942 Groot-Brugge.  Maar op dezelfde foto staat ook het katholiek gemeenteraadslid Alfons De Groeve (1885-1945), die met zijn uitgeverij Kerlinga in 1913 de uitgever van Cyriel Verschaeve was.  Op 6 november 1948 was het eindelijk weer zo ver: de heropening van het museum door gouverneur ridder P. van Outryve d’Ydewalle (1912-1997).  Het was een sobere plechtigheid.  Het museum was nog maar goed en wel op zijn plooi of in 1950-1951 diende er alweer tijdelijk verhuisd en versleept te worden wegens restauratie- en opfrissingswerken in de Hallezalen (28).

De staatsgreep

Het jaar 1951 is tevens het jaar van de tweede “staatsgreep”.  Op 14 oktober 1951 vond de verkiezing plaats van vier bestuursleden.  Door een combine werd conservator G. Michiels niet herkozen (29).  De nieuwe raad van beheer zag er uit als volgt: M. Cafmeyer, J. Fraeyman (30), L. Lagasse, A. Lowyck (lid sinds 1947), J. Pollet (31),H. Stalpaert, E. Strubbe, M. Van Coppenolle en A. Viaene, lid sinds 27 december 1945.  Antoon Viaene was de grote coryfee van het tijdschrift Biekorf (32).  Lode Lagasse, reeds sinds 1947 in het bestuur, was kabinetschef van de Gouverneur en kon als de afgevaardigde van het Provinciebestuur beschouwd worden die subsidiegever was.  Het Folkloremuseum heeft van in het begin altijd provinciale aspiraties gehad (33), men streefde in feite naar een West-Vlaams Folkloremuseum dus een Provinciaal Museum voor Volkskunde, gevestigd in de provinciehoofstad.  Dat blijkt ook uit de samenstelling van de Raad van Beheer bijv. met Juul Filliaert (Nieuwpoort 1890-Oostende 1948), Gaston P. Baert (Deinze 1895 – Hasselt 198 – de Leiestreek) en Leon Defraeye (Deerlijk 1899 – Deerlijk 1977).

De toelage van de Provincie bedroeg in 1948 7.500 frank.  Dit bedrag werd in tegenstelling tot in 1939 nog nauwelijks aangewend voor museumdoeleinden.  De meeste uitgaven gebeurden voor het zogenaamde “Fotoarchief”.  H. Stalpaert beschikte over een fotoapparaat en legde daarmee een fotocollectie aan die altijd bij hem thuis is bewaard gebleven en (door slecht onderhandelen in 1972) nooit in het latere Stedelijk Museum voor Volkskunde terecht kwam.

Omdat er voldaan werd aan de ambitie van één persoon ontstond er animositeit tussen G. Michiels en H. Stalpaert, iets dat jaren later nog zou afstralen op andere personen (34).  Conservator G. Michiels werd heel kort opgevolgd door de betreurde Maurits Van Coppenolle (1910-1955).  Dit menen wij in ieder geval te kunnen afleiden uit bewaard gebleven documenten waarop hij ondertekent als  “Conservator”.  Van 1952 tot 1972 was Magda Cafmeyer (1899-1983), lid van de Bond sinds 1939, conservatrice van het Folkloremuseum.  Gedurende twintig jaar heeft zij, zonder veel steun van de andere bestuursleden (35), de zaken op een bewonderenswaardige wijze beredderd.

G. Michiels (36) is zijn eigen weg gegaan en oogstte groot succes met zijn publicaties en tentoonstellingen. We denken hierbij aan zijn drieledige studie “De Iconografie der Stad Brugge” (Brugge 1964-1968) en het 711 pagina’s tellende boek “Uit de wereld der Brugse mensen. De fotografie en het leven te Brugge 1839-1918” (Brugge, 1978).  In 1973 vond hij terug aansluiting bij het nieuwe Stedelijk Museum voor Volkskunde.  Op 3 september 1994, op de vooravond van zijn 85steverjaardag, bracht het stadsbestuur van Brugge hem een hulde en kreeg de tentoonstellingszaal van het museum zijn naam.  Bij gemeenteraadsbesluit van 28 juni 1994 werd een zeer belangrijke schenking van zijn verzamelingen in dank aanvaard (37).  Van 3 september tot 14 november 1994 vond een huldetentoonstelling plaats met een selectie van de nieuwe aanwinsten.

Nasleep

Op 27 november 1955 vond weer een statutaire vergadering plaats bij de Bond der Westvlaamse Folkloristen.  De raad van beheer werd als volgt samengesteld: G.P. Baert, M. Cafmeyer, Marcel Casteleyn (38), Georges Devos, J. Fraeyman, A. Lowyck, A. Mahieu (apotheker, medewerker Biekorf), H. Stalpaert, E. Strubbe en A.Viaene.  Door het overlijden van M. Van Coppenolle was de plaats vacant van secretaris; Georges Devos (1920-1985) nam zijn plaats in en was gedurende 30 jaar secretaris.  Prof. Strubbe zou hoofdman blijven van 1941 tot aan zijn overlijden in 1970.  Hij werd opgevolgd door H. Stalpaert (1914-1981).  De naam Bond van de Westvlaamse Folkloristen werd toen veranderd in Bond van de Westvlaamse Volkskundigen (B.W.V.).  In Oost-Vlaanderen was dat al gebeurd in 1962.  De opvolger van de B.W.V. heet nu Volkskunde West-Vlaanderen en gaf tot 2014  het tijdschrift “Mengelmaren” uit, nu vervangen door een digitale Nieuwsbrief.

Het Stedelijk Museum voor Volkskunde (1972-1982)

Het Folkloremuseum op de Markt was in feite zeer slecht behuisd en in 1967 kon men voor het eerst aan een betere behuizing denken.  In dat jaar kocht de Stad Brugge van de toenmalige C.O.O. (Commissie van de Openbare Onderstand, later O.C.M.W.) de rij godshuizen aan genaamd De Schoenmakersrente gelegen in de Balstraat bij de Jeruzalemkerk (39). In 1965 had Andries Van den Abeele (later schepen van financiën en monumentenzorg van 1972 tot mei 1977) de vereniging Marcus Gerards gesticht die veel bijdroeg aan de bewustmaking van stadsvernieuwing en monumentenzorg.  Tussen de B.W.V. en het stadsbestuur kwam het idee tot stand om aldaar het Museum van Folklore onder te brengen.

De grote voortrekker was Fernand Traen (1930-2016), van 1965 tot mei 1977 de schepen van cultuur (40).  De plannen werden getekend in 1968 en gewijzigd in 1970.  Op 30 april 1970 vond de aanbesteding plaats; de restauratiewerken o.l.v. aannemer Arthur Vandendorpe, die puik werk afleverde, duurden van 4 januari 1971 tot 3 september 1972.  Inmiddels werd er ook een akkoord bereikt over de overname van de collecties.  De Stad Brugge verbond er zich toe om de Bond van West-Vlaamse Volkskundigen (B.W.V.) in ruil een jaarlijkse subsidie te geven als een soort afbetaling.  Bij gemeenteraadsbesluit van 16 februari 1973 werd de verzameling van de Bond overgedragen aan het stadsbestuur nadat het College van Burgemeester en Schepenen daartoe in principe reeds had besloten in zitting van 24 november 1972.  Op 1 februari 1973 werd Willy Dezutter (°1946) aangesteld als adjunct-conservator, in 1980 bevorderd tot conservator en ging op 1 april 2007 met vervroegd pensioen (41).  Gedurende de periode 1971-1972 was het Folkloremuseum reeds gesloten wegens restauratiewerken aan het Belfort.

Het was ook zaak om een nieuwe naam te kiezen voor het museum in de Balstraat. Valentin Vermeersch (toen conservator van het Gruuthusemuseum) stelde “De Schoenmakersrente” voor dat dan zou bestaan naast Gruuthuse en Groeninge. Een origineel idee maar de naam verklaarde te weinig waar het voor stond.  Wij wilden in de naamgeving, volgens de internationaal gangbare trend, de professionalisering benadrukken van folklore naar volkskunde (42) en zo werd er door de museumdirectie en het stadsbestuur gekozen voor Stedelijk Museum voor Volkskunde.

Door het niet nemen van voldoende voorzorgsmaatregelen leden de verzamelingen van de B.W.V. heel wat schade.  Na de verhuizing naar de Balstraat kon de nieuwe opstelling beginnen.  Daarbij werd gekozen voor een fifty-fifty formule die bestaat uit reconstructies van een “levend” interieur en zalen met geëxposeerde voorwerpen in vitrines.  Bij het verzamelen en exposeren van materiële getuigenissen moet er altijd groot belang gehecht worden aan het originele voorwerp.  Het museum is een driedimensionaal archief, kenniscentrum en ontspanningscentrum terzelfdertijd.  De interieurs in het museum werden door ons minutieus gereconstrueerd maar doelbewust opgevat als een sfeervolle evocatie in het besef dat de museumvoorwerpen nooit de werkelijkheid illustreren maar slechts de constructie zijn van een herinnering.  Het werd toen en later ondersteund door didactische panelen in moderne uitvoering (43) voor de wetenschappelijke onderbouw.

De opening van het Stedelijk Museum voor Volkskunde op 29 juni 1973. Kamervoorzitter Achiel Van Acker tijdens zijn openingstoespraak in de sprekerston. Uiterst rechts schepen Fernand Traen. Bron: Beeldbank Brugge.

Opening Museum voor Volkskunde (Brugge) 29 juni 1973. Centraal bij de vitrinekast herkennen we Achiel Van Acker en rechts van hem schepen Fernand Traen. Links conservator Willy Dezutter en Valentin Vermeersch, conservator van het Gruuthusemuseum. Bron: Beeldbank Brugge (Stadsarchief).

Het museum werd officieel geopend op 29 juni 1973 (44) door Kamervoorzitter Achiel Van Acker (Brugge 1898-Brugge 1975), Minister van Staat én volkskundige.  Hij was al in 1937 één van de eerste leden van de Bond der Westvlaamse Folkloristen en in 1982 kwam zijn pijpencollectie terecht in het museum (45).  Van in het begin stond vast dat het museumgebouw doorgetrokken zou worden tot op de hoek van de Balstraat en de Rolweg.  Bij raadsbesluit van 29 januari 1974 werd het ontwerp voor de uitbreidingswerken goedgekeurd.  Pas op 29 januari 1974 werd het ontwerp voor de uitbreidingswerken toegewezen aan de aannemer.  Veel verder dan wat opschikwerken kwam men niet aangezien één der krotwoningen bewoond bleef tot 19 oktober 1978.  Het is wel duidelijk dat de omschrijving “nogmaals een lijdensweg” hier wel op zijn plaats zou zijn.  We zullen u de details besparen.  Wegens het uitblijven van de beloofde 60% rijkssubsidie vielen de werken gedurende 19 maanden stil (46).  Dankzij burgemeester Frank Van Acker (1929-1992) en schepen van financiën Raymond Reynaert (1932-2009) werd besloten dat de Stad Brugge met eigen middelen de bouwwerken zou voltooien.  Op 27 augustus 1982 kon burgemeester F. Van Acker het hernieuwd museum voor geopend verklaren (47).  Het museum werd toen verrijkt met de museumherberg “In de Zwarte Kat” waar ook de museumkat Aristide I werd geïntroduceerd.  De zwarte kat werd 17 jaar oud en kreeg zijn grafgedenkteken in de museumtuin.  Hij werd opgevolgd door Aristide II and so on.  De ingang van het museum werd toen verplaatst van Balstraat 27 naar Rolweg 40. Nieuwe secties in het museum werden de schoenmakerij (advies René Duyck, meester-schoenmaker), het oud klaslokaal (advies ereschooldirecteur Gerard De Waele), een afdeling klederdracht en een afdeling volksdevotie.  Dat was dus de eerste uitbreidingsfase.

Hoek Balstraat-Rolweg. Bouwwerken uitbreiding Museum voor Volkskunde (1978). Bron: Beeldbank Brugge.

De heropening van het Museum voor Volkskunde (1982). Op 27 augustus 1982 werd het vernieuwde museum heropend. V.l.n.r. schepen van Cultuur Omer Dombrecht, burgemeester Frank Van Acker, Anna Verhé, weduwe Achiel Van Acker, gemeenteraadslid Willy Desmedt, conservator Willy Dezutter, gemeenteraadslid Fernand Vanden Broele, gemeenteraadslid Marc De Langhe, schepen Fernand Peuteman, schepen Raymond Reynaert en schepen Bob Deruelle. In de vitrinekast ligt de pijpenverzameling van Minister van Staat Achiel Van Acker. Bron: Beeldbank Brugge (Stadsarchief).

De tweede uitbreidingsfase (1989)

Ondanks de vergroting van het museum bleef het toch nog te kleinschalig in verhouding tot het aantal collecties dat opgeborgen bleef in de reserves.  Ook het ontbreken van een tentoonstellingszaal voor tijdelijke tentoonstellingen werd als een groot gemis ervaren (48).  Aangezien de aanpalende woningen Rolweg 38 en 36 reeds stadseigendom waren besliste het stadsbestuur in 1986 het museum in die richting uit te breiden.  Voor de achterkant van het gebouw werd gekozen voor een vergroting van het bouwvolume door de toevoeging van een galerij in glas.  Het betreft hier alleszins een zeer geslaagd samengaan van oud en modern.  Deze ingreep, nodig omwille van de functionaliteit, levert meteen het bewijs dat een Volkskundemuseum niet dient herschapen te worden in een “Breugheldorp” om geloofwaardig over te komen.  In de uitsprong van de galerij leidt een spiltrap naar de tentoonstellingszaal op de eerste verdieping.

Nieuwe afdelingen werden de oude apotheek (49) en de succesvolle spekkenbakkerij waar wekelijks demonstraties snoepgoedbakken plaatsvonden, eerst door Albert Tanghe en daarna door Bob Jonckheere.  Daarnaast kwam er een oude hoedenmakerij en een sectie over het kuipersambacht.

De officiële opening vond plaats op 29 april 1989 door burgemeester Frank Van Acker (50) en M. Laenen, conservator van het Openluchtmuseum Bokrijk en Voorzitter van de Museumraad hield een referaat over “Volkskundemusea nu” (51).

Op 1 juli 1989 bestond het museum officieel vijftig jaar.  Deze viering had plaats op 9 september 1989 in het kader van de jaarlijkse Aristidefeesten.  Deze opendeurdag met animatie belichtte twee jubilea nl. 50 jaar Museum voor Volkskunde en 25 jaar (1964-1989) maalactiviteit op de Sint-Janshuysmolen op de Kruisvest (52).

De huldiging van Guillaume Michiels op 3 september 1994. Conservator Willy Dezutter begroet de museumstichter Guillaume Michiels. Uiterst rechts (in regenjas) de bekende historicus Eduard Trips (1921-1997). Bron: Beeldbank Brugge (Stadsarchief).

De derde uitbreidingsfase (2003)

De aanpalende huizen Rolweg 34 en 32 (die in feite één woning vormden) waren stadseigendom en kwamen in aanmerking voor uitbreiding van het museum.  Andere huizen in de rij zouden niet meer opgeslorpt worden maar bestemd blijven voor particuliere bewoning zodat er geen dode straat zou ontstaan.  Het stadsbestuur gaf opdracht om een deelplan op te stellen maar ook nu sleepte het weer jaren aan omdat er bewoners dienden geherhuisvest te worden.  Die bewoners waren overigens zeer blij dat ze prioritair in aanmerking kwamen voor een nieuwbouw sociale woning; zij pleegden geen obstructie noch waren ze misnoegd.  Op 28 maart 2003 kon burgemeester Patrick Moenaert de nieuwe vleugel van het museum officieel openen (53).  Er ontstond een kleine binnentuin waarin een kunstwerk van de Brugse kunstenaar Renaat Ramon geïntegreerd werd.

Belangrijk was o.m. de nauwgezette reconstructie van het atelier van een kleermaker zoals men dat in andere volkskundige musea niet aantreft (54). De museumshop werd eveneens vernieuwd en de ingang van het museum werd verplaatst naar Balstraat 43.  Er lag daarna alweer een plan op tafel voor een nieuwe verbouwing met als doel het bezoekerscircuit ingrijpend aan te passen om de beleving van een museumbezoek spannender te maken. Maar het geheim bleef bewaard. Onze taak als “bouwpastoor” zat er noodgedwongen op.

Willy Dezutter

1 Willy Dezutter, De stichting van het Gruuthusemuseum van Brugge in 1865. In: Brugs Ommeland, 2018.

2 Willy Dezutter, Een Folkloremuseum voor Brugge: een eerste poging in 1911. In: Brugs Ommeland,2019, 2, p. 53-57.

3 Le Vieux-Liège, nr. 42, 24 okt. 1896, kol. 681-694 met de eerste catalogus door Ch. J. Comhaire.

4 Musée de la Vie Wallonne. Guide de Visiteur. Liège, 1958, p. 1

5 Het museum was gevestigd in de H. Geeststraat vlak bij het Plantin-Moretusmuseum. Zie: W. Van Nespen, Het Volkskundemuseum te Antwerpen.  In: Gemeentekrediet van België, jg.28,nr.108, 1974, p. 87.  In 1955-1959 werd het Museum voor Volkskunde, na restauratie van enkele panden, ingericht “Achter het Stadhuis” in de Gildekamersstraat 2-6.  Nu bevinden de collecties zich in het Museum aan de Stroom (MAS) dat op 14 mei 2011 zijn deuren opende.

6 R. Haeseryn, Het Museum voor Volkskunde in het Kinderen-Alijnshospies te Gent. In: Gemeentekrediet van België, nr. 109, 974, p. 165-176.  Het museum verhuisde in 1962 naar het Kinderen Alijnshospitaal aan de Kraanlei.  In 2000 onderging het een grondige gedaanteverwisseling en heet sindsdien het Huis van Alijn.  Zie ook: Renaat Vander Linden, Geschiedenis van het tijdschrift “Oostvlaamsche Zanten” (1926-1960). Nederlandse Volkskundige Bibliografie, deel VII, Antwerpen, 1968, p. V-XXIII. Renaat Van der Linden (1918-1999) was van 1965-1998 hoofdredacteur van Oostvlaamse Zanten.

7 H. Stalpaert, Bio-bibliografische inleiding tot de studie van de Volkskunde in West-Vlaanderen. In: Oostvlaamsche Zanten, jg. 30, 1955, 1, p. 1-15.

8 Gelijkluidende verklaringen konden wij noteren bij Guillaume Michiels (1909-1997), de eerste conservator en bij Evarist Van Heulenbrouck (1898-1997), de eerste griffier (secretaris).  E. Van Heulenbrouck gaf ons inzage in de jaarverslagen 1938-1947. Hij werd 99 jaar oud !  Ook namen we een interview af bij Walter Bossier (1898-1977), oud-stadsbibliothecaris, in zijn huis in de Joos de Damhouderstraat.   En bij Magda Cafmeyer (1899-1983) in haar woning in de Moerkerksesteenweg, Sint-Kruis-Brugge.

9 Eduard Trips, Café Vlissinghe 1515-1985. Een eeuwenoude Brugse herberg. Brugge, 1986,, p. 111.

10 Zie voor Karel De Wolf: Willy Muylaert, Karel De Wolf en zijn Brugsch Volk. Brugge, 1983, 95 p.

11 W.P. Dezutter, Guillaume Michiels pionier van de materiële volkskunde te Brugge. In: Catalogus Retrospectieve Guillaume Michiels, Brugge, 1980, p. 29-47.

12 De bekende Nederlandse volkskundige Jacques R.W. Sinninghe (1904-1988) woonde in 1937-1939 in het Beluik van het Bourgondsche Cruyce in de Wollestraat (Brugge) tegenover de slagerswinkel van Odilon Michiels-Hutchinson (Wollestraat 30), de ouders van Guillaume Michiels die hij daardoor leerde kennen. Brief d.d. 22 sept. 1981 van J.R.W.Sinninghe, Breda.

13 Zie voor het verschijningsritme van ’t Beertje: W.P. Dezutter, De heropstanding van ’t Beertje. Volkskundige almanak 1986. In: Biekorf, 86 (1986), p. 103-105. Door Prof. S. Top, de nieuwe hoofdman van de BWV werd weer aangeknoopt bij de oude traditie. Omaar Daveloose, de drukker van de eerste drie Beertjes, was sinds 14.10. 1945 geen lid meer van de Beheerraad.

14 Zie voor H. Stalpaert: Stefaan Top, Hervé Stalpaert (1914-1981), een belangrijke schakel in de (West) Vlaamse volkskunde, in: Arsbroeck. Kring Hervé Stalpaert. Jaarboek I, 1984, p. 46-50.

15 In Antwerpen en Gent sprak men over het Museum voor Folklore, in Brugge wel degelijk over Museum van Folklore. Het woord folklore werd in Brugge door menigeen uitgesproken als “fokklore”.

16 Gemeenteblad der Stad Brugge, 78steboekdeel, 1937, p. 127 zitting van 22 maart 1937. De toelage werd verleend “voor de inrichting van een Folkloremuseum te Brugge”.

17 J. De Smet, Brugsche Folklore. Een bezoek aan de tentoonstelling, in: Biekorf, 43 (1937), p. 93-96 en C.T [réfois], Het Museum voor Folklore te Brugge, in: Oostvlaamsche Zanten, 1937, 2-3,p. 87-89. W.P. Dezutter, Het Stedelijk Museum voor Volkskunde te Brugge, in: Biekorf, 74 (1973), p. 65-72, voetnoot 9 met vermelding van de weerklank in de pers.

18 De bijdrage van H. Stalpaert, Het Museum voor Volkskunde te Brugge en de Bond van de Westvlaamse Volkskundigen, in: ’t Beertje, 1974, p. 1-10 bevat veel onnauwkeurigheden.

19 Henri of Hendrik Baels (1878-1951) was van 1933 tot 1940 provinciegouverneur van West-Vlaanderen. Zijn dochter Lilian werd in 1941 de tweede echtgenote van koning Leopold III.

20 De historicus en rechtsgeleerde Egied Strubbe (1897-1970) was sinds 1935 docent en sinds 1940 hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Gent. A. Viaene, In memoriam Prof. E.I. Strubbe, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, 1971, afl. 3-4, p. 109-116. A. Viaene rept met geen woord over Strubbe als volkskundige.  Hij publiceerde heel wat over volkskunde in de tijdschriften Biekorf en Volkskunde en was nochtans van 1941 tot 1970 de hoofdman van de B.W.V.

21 Brief d.d. 1 okt. 1943 van secretaris E. Vanheulenbrouck gericht aan de griffier van de Rechtbank te Brugge.

22 Joseph Vandenberghe (Roeselare 1878-Roeselare 1973), bestendig afgevaardigde Prov. West-Vlaanderen (van 1921-1940) was ex officio lid omdat de Provincie subsidie verleende.  Hij had echter een band met het tijdschrift Biekorf.  Als dichter publiceerde hij zijn poëzie in Biekorf tussen 1901-1932.

23 De Bond vergaderde altijd in het zaaltje van het “Museum van Kunstnijverheid”, Keersstraat 1, Brugge. (’t Keerske, waar ook de Gidsenbond vergaderde; nu Protestantse kerk).  De kunstschilder en etser Jules Fonteyne (1878-1964) was conservator van dit museum.  Dit zal één van de redenen geweest zijn om hem op te nemen in de beheerraad van de Bond.  G. Michiels wijdde in 1973 een retrospectieve tentoonstelling aan hem in het Groeningemuseum.  De opening was op 12 mei 1973. Het werd meteen ons eerste openbaar optreden als museumconservator.  Zie voor J. Fonteyne vooral: Marc Ryckaert, Jules Fonteyne (1878-1964), veelzijdig kunstenaar, in: In de Steigers. Erfgoednieuws uit West-Vlaanderen, 20 (2013), p. 3-17.  De bibliotheek van dit Museum van Kunstnijverheid en Kunstambachten werd ondergebracht in de Stadsbibliotheek als een apart fonds.

24 Albert Schouteet (1909-1991) werd in 1948 “hulparchivaris” en later stadsarchivaris van het Stadsarchief, Brugge.  In 1947 was hij al bestuurslid van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge.  Zie: Andries Van den Abeele, Stadsarchivaris Albert Schouteet, in: Brugs Ommeland, 1991, p. 113-128.

25 Brief d.d. 13 okt. 1947 van M. Van Coppenolle aan hoofdman E.Strubbe. M. Van Coppenolle was voorgedragen door H. Stalpaert (beiden van Sint-Andries) maar verscheen niet op de statutaire vergadering van 19.10.1947. Antoon Lowyck (1914-2005) was ook kandidaat maar werd niet verkozen.  Hij was vele jaren hoofdredacteur van het tijdschrift “Ons Heem”. E.H. Antoon Lowyck was legeraalmoezenier; hij schreef in “Ons Heem” ook onder het pseudoniem B. Befterkerke.

26 Over M. Van Coppenolle vooral Ewald Van Coppenolle, Maurits Van Coppenolle (1910-1955), in: Maurits Van Coppenolle, bezieler van de Brugse volkskunde. Stedelijk Museum voor Volkskunde, 1998, p. 7-48 bio-bibliografie.

27 Björn Rzoska en Barbara Henkes, Volkskunde en Groot-Germaanse cultuurpolitiek in Vlaanderen, 1934-1944, in: Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, no. 11, 2003, p.71-100.

28 H. Stalpaert, Kleine Kroniek van de Folklore. Folklore Musea, in: Biekorf, 52, (1951), p. 115 met de quote “Te Brugge behoren de lotgevallen van het Museum van Folklore tot het gebied van de avonturenverhalen”. Hij geeft wel het verkeerde heropeningsjaar. Het was niet 1949 maar 1948.

29 H. Stalpaert zegt in zijn artikel over “Het Museum voor Folklore en de Bond van de Westvlaamse Volkskundigen”, in: ’t Beertje, 1974, p. 1-10 niets over de bestuurswijzigingen in 1947 en 1951. Op p. 5 beweert hij ten onrechte dat Magda Cafmeyer in 1948 conservator werd. G. Michiels was immers conservator tot 14.10.1951.  In zijn bijdrage over de volkskunde verschenen in “Panorama van de Brugse geschiedschrijving sedert Duclos” (1910) beweert H. Stalpaert (Brugge, 1972, p. 281) dat de B.W.V. gesticht werd naar aanleiding van de Folkloretentoonstelling in 1937. De feiten deden zich juist in omgekeerde volgorde voor!

30 Jules Fraeyman (+1969), een apotheker en volkskundige uit Wingene (publiceerde o.m. in Biekorf en ‘t Beertje), niet te verwarren met Leon Defraeye (Deerlijk).

31 Jules Pollet (1920-1994), een priester uit Aartrijke. Medewerker van Biekorf, auteur van een Geschiedenis van Aartrijke. In Aartrijke (Zedelgem) kreeg hij een straatnaam.

32 Antoon Viaene (Kortrijk 1900-Brugge 1979) Hoofdredacteur Biekorf van 1929 tot aan zijn overlijden in 1979. Zie: W.P. Dezutter, In memoriam Antoon Viaene 1900-1979, in: Brugs Ommeland, 1979,3, p. 234 en J. Geldhof, Antoon Viaene in zijn levensherfst 1970-1979, in: Biekorf, 79 (1979), 9-10, p. 257 e.v.

33 M. Van Coppenolle, Pleidooi voor het Museum van Westvlaamse Folklore. In: West-Vlaanderen, maart 1954, p. 61-63.

34 Toen Willy Dezutter bij K.B. van 5.6.1981 lid werd van de Koninklijke Belgische Commissie voor Volkskunde heeft H. Stalpaert dat eerst vruchteloos proberen te verhinderen. Van de BWV waren we bestuurslid van 1973-1976. We gaven zelf ontslag.

35 Volgens het interview dat ik van haar afnam. Ze deed nog belangrijke schenkingen aan het nieuwe Stedelijk Museum voor Volkskunde. Willy P. Dezutter, In memoriam Magda Cafmeyer, in: Brugs Ommeland, 1983, 2,p. 156 en Dirk Callewaert, Magdalena Cafmeyer, in: Nationaal Biografisch Woordenboek, deel XVI, Brussel, 2002.

36 Willy P. Dezutter, Guillaume Michiels. Behoeder van het Brugs Erfgoed. VWS-Cahiers, 1994 en W.P. Dezutter, In memoriam Guillaume Michiels (1909-1997). Stichter-conservator van het Museum voor Volkskunde van Brugge. In: Biekorf, 97 (1997), p. 294 en De Wereld van een Brugse mens. Dubbeltentoonstelling Guill. Michiels (1909-1997), Brugge, 2009 met bijdragen van Dirk Michiels, Peter Bultinck, Jan D’hondt en Nadia Vangampelaere. De bijdrage van Nadia Vangampelaere (Stedelijke Musea, Brugge) werd volledig geplagieerd op basis van artikels van Willy Dezutter zonder enige bronverwijzing.

37 Willy P. Dezutter, Het fonds Guillaume Michiels (in het Stedelijk Museum voor Volkskunde). Schenking, aankoop, huldiging en tentoonstelling. In: Jaarboek 1993-1994 van de Stedelijke Musea, Brugge (1995), p. 53-65.

38 Maurits Van Coppenolle vermeldt Marcel Casteleyn in zijn dagboek (28 sept. 1944). Tussen 1938 en 1955 schreef M.V.C. zes dagboeken vol. Die werden door Ewald Van Coppenolle in afleveringen gepubliceerd in de “Heemkundige Bijdragen” voor zover het zijn contacten betrof met heemkundigen en volkskundigen. Het betreft een interessante bron.

39 W.P. Dezutter, Het Stedelijk Museum voor Volkskunde, in: Biekorf, 74 (1973), p. 65-72 en Jozef Penninck, De Schoenmakersrente te Brugge, in: Brugs Ommeland, 1973,2, p. 39-40 en P. Devos, Brugge, herwonnen schoonheid. Tielt, 1975, p. 213-219.

40 Daarover gegevens in Fernand Traen, Brugse memoires. Brugge, 2015. Ook over de aanstelling van schrijver dezes als conservator. Daarvoor stak schepen F. Traen zijn licht op bij A. Viaene nadat ik was voorgesteld door Valentin Vermeersch. Zie voor F. Traen: Ludo Vandamme, In memoriam Ridder Fernand Traen 1930-2016, in: Biekorf, 116 (2016),p. 380.

41 Voor diegenen die er aan zouden twijfelen: de aanstelling was tijdelijk en werd gevolgd door een vergelijkend examen met acht tegenkandidaten. Uitslag: 1. Willy Dezutter, 2. Willy Le Loup. Willy Le Loup (°1949) zou ook nog een hele museumcarrière afleggen en in 2007 mij opvolgen tot aan zijn pensionering in 2014. Van 2002 tot 2008 was Sibylla Goegebuer adjunct-conservator van het Volkskundemuseum.

42 Zie daarvoor W.P. Dezutter, Van folklore naar volkskunde, in: Biekorf, 80 (1980), p. 83-87. In 2007 werd door Manfred Sellink (toen hoofdconservator Stedelijke Musea, Brugge, vertrokken in 2014) in een vlaag van nieuwlichterij, de naam gewijzigd in het totaal onbruikbare Brugge Museum – Volkskunde. Nu gebruikt men weer de duidelijke benaming Volkskundemuseum.

43 De didactische panelen in plexiglas werden ontworpen door Willy Dezutter en uitgevoerd door graficus Guido Callens (Brugge). W.P. Dezutter, Presentatie en didactiek in volkskundige musea. In: Museumleven 6 (1979), p. 4-5.

44 In de recordtijd van vijf maanden om te kunnen openen vóór het begin van het toeristische seizoen.  Normaal duurt zo’n presentatie minstens een jaar en dient men te kunnen beschikken over een gespecialiseerde equipe.

45 Willy P. Dezutter, Het Stedelijk Museum voor Volkskunde. Beknopte gidsen van de Musea van Brugge 1. Brugge, 1992, p. 14-15 zaal pijp en tabak.

46 Achteraf is het ons duidelijk geworden dat Brugge vanuit bepaalde ministeries in Brussel werd tegengewerkt doordat Frank Van Acker (SP) bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1977 het homogeen CVP-bestuur naar de oppositie had verwezen.  Frank Van Acker was burgemeester van Brugge van 1977-1992.

47 Willy P. Dezutter, Het Stedelijk Museum voor Volkskunde heropend. In: Jaarboek 1982 Brugge Stedelijke Musea, Brugge, 1983, p. 117-122.

48 Dat werd al aangevoeld in 1975 toen de grote tentoonstelling “Op en om de bouwwerf” uitweek naar de Stadshallen. Zie: W.P. Dezutter en M. Goetinck, Catalogus Op en om de bouwwerf. Brugge, 1975, 216 p. en bij de tentoonstelling in 1979 over de Nijverheidsschool (Provinciaal Hof), W.P. Dezutter en M. Goetinck, 125 jaar Stedelijke Nijverheidsschool. Brugge, 1979, 318 p.

49 W.P. Dezutter, Vier glasschilderingen (ca.1929) uit de voormalige apotheek van Paul Vande Vyvere (Brugge). In: Liber Amicorum André Vanhoutryve, Brugge, 1990, p. 87-95.

50 Willy P. Dezutter, Nieuwe afdelingen in het Stedelijk Museum voor Volkskunde. In: Jaarboek 1989-1990 Brugge Stedelijke Musea, Brugge, 1991, p. 69-79 en Willy Dezutter, Nieuwe afdelingen in het Stedelijk Museum voor Volkskunde. In: Museumleven. Jaarboek van de Vlaamse Museumvereniging, 16, 1989-1990, p. 10-13.

51 Marc Laenen, Volkskundemusea nu. Jaarboek 1989-1990, ibidem p. 80-81.

52 De conservator van het Volkskundemuseum was ipso facto ook conservator van de vier stedelijke molens. Zie: W.P. Dezutter, Restauratie van de Brugse molens, in: Brugs Ommeland, 1983, 2, p. 144 en W.P. Dezutter, Vierde molen op de vestingen, in: Brugs Ommeland, 1991,4, p. 259. De molenreconstructie van de Koeleweymolen werd door ons begeleid. Tussendoor waren we voor dezelfde prijs van 1985-1990 ook nog eens conservator van het G. Gezellemuseum. Zie: W.P. Dezutter, Het Gezellemuseum 60 jaar, in: Brugs Ommeland, 1987, 1, p. 59.

53 Hierover bestaat helaas geen gedrukte publicatie . Toen Manfred Sellink in 2000 aantrad als nieuwe hoofdconservator van de Stedelijke Musea beging hij de onherstelbare fout om het Jaarboek onmiddellijk af te schaffen. Het verscheen o.l.v. zijn voorganger dr. V. Vermeersch van 1982-1999. Onze tekst met de beschouwing gehouden ter gelegenheid van de academische zitting bij de heropening van het museum op 28 maart 2003 getiteld “De museale verbeelding tussen realiteit en fictie. Het museum als bewaarplaats van het originele object” kan men lezen op www.willydezutter.be

54 Dat was vooral het werk van mijn zeer kundige museummedewerker Werner Paepe, zelf meester-kleermaker.

Deze bijdrage verscheen in het tijdschrift Brugs Ommeland, 2019, 2, pp. 67-83.

Afbeeldingen

1 Groepsportret organisatoren en personaliteiten Folkloretentoonstelling 27 maart-11 april 1937 in Stedelijk Concertgebouw (Sint-Jacobsstraat). V.l.n.r. Alfons De Groeve, gemeenteraadslid, Jules Pollet, Guillaume Michiels, schepen Louis Ryelandt, hoofdman Karel De Wolf, burgemeester Victor Van Hoestenberghe, VNV-volksvertegenwoordiger Jef De Vroe, Evarist Vanheulenbrouck, Prof.dr. Paul De Keyser (Gent), F. Van Es (Bond Oostvlaamse Volkskundigen, Gent). Beeldbank Brugge inv.nr. BRU001006563 G/B 139/3

3 Hoek Balstraat-Rolweg. Bouwwerken uitbreiding Museum voor Volkskunde (1978). Daar dient de museumherberg “De Zwarte Kat” te verrijzen. De opening zal pas op 27 aug. 1982 plaatsvinden. Beeldbank Brugge inv.nr. MBR002001447

2 De opening van het Stedelijk Museum voor Volkskunde op 29 juni 1973. Kamervoorzitter Achiel Van Acker tijdens zijn openingstoespraak in de sprekerston. Uiterst rechts schepen Fernand Traen. Beeldbank Brugge inv.nr. ALB/11/004

Hippocrates en Jezus Christus

In de oudheid dacht men dat de ziekte epilepsie te maken had met de goden, die iemand met de vallende ziekte stevig dooreen schudden nadat ze hem betrapten op een goddeloze daad. Hippocrates (ca. 460-377 v.o.t.), de Griekse vader van de geneeskunde, ontdekte dat het een lichamelijk fenomeen was en dus geen straf.  Eeuwen later zal Jezus Christus (actief omstreeks het jaar 30 na het begin van de jaartelling) heel wat genezingen verrichten o.m. van een jongen die aan vallende ziekte leed en bezeten was (Math. 17:15-20, Marcus 9:17-18, Lucas 9:38-42).  In het Nieuwe Testament wordt er geen onderscheid gemaakt tussen bezetenheid en ziekte.  Zieken worden bezetenen genoemd en bezetenen heten zieken.  Ook Jezus beschouwde ziekte niet als straf.  Dat wordt algemeen als progressief aanzien maar kent in Hippocrates een illustere voorganger!

Van de artseneed bestaan thans verschillende versies die ver afstaan van de oerversie (Oudgrieks) van Hippocrates (1).  Er zijn ook verschillende interpretaties o.a. met betrekking tot de zelfdoding.  De Grieken en Romeinen gunden de patiënt het zelfbeschikkingsrecht over de eigen dood.  De eed markeert thans veeleer het beëindigen van de universitaire artsenopleiding maar heeft op zich geen juridische betekenis.  Tot slot is het wellicht onnodig om nog eens te onderstrepen dat de genezingswonderen altijd betrekking hebben op psychosomatische ziekten.  De Almachtige kan wel geen ontbrekende en afgeschoten ledematen laten aangroeien.  Ook niet na hevig bidden aan de grot van Lourdes.  Zo’n demonstratie van onmacht creëert natuurlijk geen sympathie voor het christelijk geloof.

Voetbal

Mirakels gebeuren tegenwoordig enkel nog in het topvoetbal.  Daar zwelgen altijd een aantal spelers, voetbalmiljonairs, in stuitend bijgeloof.  Met de bal aan de voet wijzen ze met de vingertjes naar boven.  Het wonder gebeurt dan alleen nog in de laatste seconde van de verlengingen en de toegevoegde tijd.  Dat is dan een mirakel dat de ene helft van de supporters gelukkig maakt en de andere helft ongelukkig.  Het arbitraire mirakel der uitverkorenen en verdoemden technisch ondersteund door de videoscheidsrechter (de VAR).  Het nieuwe Alziend oog van de goddelijke voorzienigheid.  God is kennelijk alleen handelend aanwezig wanneer er doelpunten moeten gemaakt  worden.  In alle andere gevallen heeft hij zich van de wereld afgekeerd.  En hij weet zijn prioriteiten te stellen: onschuldige kinderen laat hij verdrinken in de Middellandse Zee.  Soms met honderd tegelijk maar ééntje wordt er dan gered.  Die had een engeltje op z’n schouder zitten (!).  Dat is geen mirakel maar willekeur.

Op een onzichtbare en gevoelloze god zit niemand te wachten.  Door de Turkijedeal (afgesloten op 18 maart 2016) is de instroom van vluchtelingen en het aantal verdrinkingen sterk teruggelopen.  De illegale migratie van Turkije naar Griekenland is sterk teruggedrongen in ruil voor 3 miljard euro aan financiële steun aan Turkije.  Volwassenen en kinderen zitten nu in slechte omstandigheden in vluchtelingenkampen op de Griekse eilanden.  Alles wat wij doen is mensenwerk.  De wereld wordt niet geregeerd door een buitenaards wezen. “De roeping van den mens is mens te zijn”(tekst op het grafmonument van Multatuli).

Willy Dezutter

1 K. Rohaert, Over Hippocrates. https://www.ordomedic.be en http://nl.wikipedia.org s. v Eed van Hippocrates .

 

 

 

 

 

 

 

 

Hangjongeren op de kerkhoven van Brugge in 1785

Hangjongeren zijn jongeren die langdurig op een bepaalde plaats in de openbare ruimte blijven rondhangen en overlast veroorzaken.  In onze moderne tijd gaat het dan vooral over het achterlaten van rommel (kauwgom, peuken, kapotte flessen, enz., maar ook drugsnaalden) en besmeuren van muren en straatmeubilair.  Het wordt vooral de laatste decennia als een probleem gedefinieerd (1) maar dat was honderden jaren geleden ook al het geval.

In 1425 klaagden de inwoners van Leuven al over rondhangende studenten en in een ordonnantie uit 1659 in Antwerpen was men ook niet te spreken over groepjes jongeren die op zondag rondslenterden in plaats van braaf naar de zondagsschool te gaan (2).  In 1785 waren er in Brugge klachten over jongeren die op de kerkhoven gedruis verkochten en schreeuwden en geen eerbied betoonden voor het lijkentransport vanuit de lijkkapellen (zie bijlage).

De Zuidelijke Nederlanden zijn in het begin van de 18deeeuw in handen van Spanje, maar hierin komt verandering in 1713 met de Vrede van Utrecht die een einde maakte aan de Spaanse successieoorlog.  De Zuidelijke Nederlanden kwamen onder Oostenrijks bewind en dit zou zo blijven tot 1794. Keizer Karel VI (1685-1740) voorzag in de Pragmatieke Sanctie (1713) dat zijn oudste dochter, Maria Theresia van Oostenrijk, hem zou opvolgen maar pas bij de Vrede van Aken in 1748 werd dat door de Europese machten aanvaard.  Haar oudste zoon, keizer Jozef II (1741-1790), volgde haar op bij haar dood in 1780.  Hij was een verlicht monarch maar zijn moderniserende hervormingen veroorzaakten veel tegenstand.

In de Advertentie van 26 april 1785 wordt verwezen naar het Edict van 26 juni 1784 betreffende het verbod om nog in en rond de kerken te begraven.  De kerkhoven dienden uit de steden te verdwijnen en in Brugge werd op 1 november 1784 een nieuw Algemeen Kerkhof in gebruik genomen.  Hoe één en ander evolueerde werd al uitstekend behandeld door André Vandewalle (3).

Het kerkhof schijnt nu eenmaal al altijd een favoriete plek geweest te zijn voor allerlei activiteiten die men er niet zou verwachten.  Denken we maar aan de verboden op de prostitutie in Utrecht (1403) en Amsterdam (1413).  Ontelbaar zijn eigenlijk de Placaeten, gaande van de Middeleeuwen tot eind 18deeeuw, waarbij het verboden werd om allerlei volksspelen en kansspelen te beoefenen op de kerkhoven (4).  Ook moderne politiereglementen leggen nog altijd beperkingen op zoals in het geval van onze Vlaamse kustgemeente Middelkerke, waar art. 35 onder meer bepaalt dat het verboden is “handelingen te begaan die in strijd zijn met de welvoeglijkheid, te zingen of muziek te maken, te spelen en te roken” (5).

Op een voormalig kerkhof kan de rust ook verstoord worden door een plotse hype.  In de zomer van 2016 werd dat op verschillende plaatsen vastgesteld.  Op het oud kerkhof van Roeselare liepen de fervente Pokémon-Go-spelers met hun smartphones te jagen op die Japanse monstertjes (6).  Ook in 1785 in Brugge nam de overheid dus maatregelen.  En dat gebeurde door uitroeping en afficheren.  In Brugge gebeurde de mondelinge afkondiging van de Hallegeboden vanaf het balkon, het Gebodtsveynstere in die Halle, van het Belfort of Halle.  Vanaf 1769 gebeurde dat vanaf de pui van het stadhuis.  De oorspronkelijke Advertentie van 26 juni 1769 zegt dat in het toekomende de Publicatiën sullen gebeuren in den Balcon van de Vierschaere van het Stads-huys. Men zegt ook uitdrukkelijk dat die wijziging er kwam omdat de uitroeping vanaf de Halle dikwijls niet verstaanbaar was.

Het belang van de mondelinge bekendmaking

Vóór de Franse Tijd werden de algemene en plaatselijke verordeningen bekendgemaakt door openbare omroeping en door aanplakking.  Door P. De Win en F. Moens wordt ingegaan op de rechtshistorische betekenis van de orale bekendmakingen in het verleden (7).  Wij willen in dit verband een aanvulling geven door te wijzen op het algemeen verspreide analfabetisme, dat de mondelinge instructie levensnoodzakelijker maakte dan de schriftelijke communicatie.  Bij de burgerij (en Franstalige adel), de toplaag van de maatschappij, bestond er geen analfabetisme.  Albert Martens onderzocht voor de periode 1779-1796 de huwelijksakten van Hansbeke en uit zijn onderzoek bleek dat 72,7 % van de totale groep betrokken personen ongeletterd waren en de overige 27,3 % kunnen als min of meer geletterd aangezien worden (8).  Voor Brugge beschikken we over de volgende cijfers. In 1797-1815 was nog 28 % van de middenklasse van Brugge analfabeet, bij de geschoolde werklui 55 % en bij de ongeschoolde werklui 84 % (bron: H. Callewaert, Bijdrage tot de studie van het analfabetisme en het lager onderwijs te Brugge,  1963, onuitgegeven – geciteerd bij W. Vandenbussche (9), p. 144, grafiek 1).  In 1815-1830 was dit gezakt tot 18 %, 41 % en 75 %, voor de periode 1830-1840 was dit 13 %, 27 % en 59 %.

Mensen die niet konden lezen en schrijven waren zeer gebaat met een duidelijke mondelinge afkondiging, ook uitroeping genoemd.  En dan nog lijkt ons dit meer een juridische formaliteit dan een efficiënt middel.  Een beetje in de zin van “iedere Belg wordt geacht de wet te kennen”.  We moeten wel beseffen dat de reguliere afkondiging centraal staat om te vermijden dat men aan strafvervolging zou ontkomen door te beweren dat men een wet niet kent.  Het gaat op de eerste plaats om voorkomen van straffeloosheid.  Elk zegge het voort !

Bij de ordeverstoring op het kerkhof is er ook duidelijk sprake van jongens. Het is nu eenmaal een vaststaand feit dat vrouwen een geringer aandeel hebben in de criminaliteit dan mannen, dat is nu nog het geval maar was dit ook vroeger (10).  Er is ook een verband tussen laaggeletterdheid en criminaliteit.  In de achttiende eeuw was de geletterdheid van de misdadigers in het Brugse Vrije aanmerkelijk lager dan die van de doorsnee plattelandsbewoners (11).  In de Advertentie wordt ook een uitdrukkelijk beroep gedaan op het ouderlijk gezag.  Privaatrechtelijk waren de ouders verantwoordelijk voor de minderjarige kinderen en die kinderen waren verplicht hun ouders te gehoorzamen.  We mogen ons daar niet op verkijken; nu is men meerderjarig vanaf 18 jaar maar tijdens het Ancien Régime was men minderjarig tot de leeftijd van 25 jaar.

Willy Dezutter

Noten

  1. https://nl.wikipedia.org/wiki/Hangjongere
  2. We haalden deze voorbeelden uit de brochure van de Stad Brugge die maar liefst 33 blz. wijdde aan “Het Brugs hangjongerenbeleid” (2010).  Die voorbeelden haalde men uit het boek van J. Van Weringh, Overlast en onrust is van alle tijden. Meppel, Boom, 1978.  Denk nu ook aan het fenomeen van de GAS-boetes (gemeentelijke administratieve sancties).  Wet van 13 mei 1999 met rondzendbrief 2001, reparatiewet in 2005, verstrengde wet per 1 januari 2014.
  3. André Vandewalle, De 19de-eeuwse centrale begraafplaats van Brugge in historisch perspectief, in: Brugs Ommeland, 1986, 4, pp. 201-224.
  4. In het algemeen: H.L. Kok, De geschiedenis van de laatste eer in Nederland. Lochem, 1970 (tweede editie 1990), pp. 85-88, kerkhofontwijding en Sophie Balace en Alexandra De Poorter, Tussen Hemel en Hel. Sterven in de middeleeuwen, 600-1600, Brussel, 2010.
  5. Politiereglement op het gemeentelijk kerkhof. middelkerke.be/reglementen/gemeentelijkkerkhofbegraafplaats.html
  6. Het Laatste Nieuws 16 juli 2016.  Dit fenomeen deed zich in verschillende gemeenten voor en na enige regelgeving op verschillende locaties verboden.
  7. De Win en F. Moens, De “roepstenen” en “kerkpuien” in de provincie Oost-Vlaanderen. Bijdrage tot de orale bekendmakingen in het verleden. Handelingen van de Maatschappij voor Geschiedenis en Oudheidkunde te Gent, N.R. XLII, 1988, pp. 5-68.  Inventaris voor Oost-Vlaanderen maar ook voorbeelden uit West-Vlaanderen.
  8. Albert Martens, Peiling naar het analfabetisme omstreeks het einde van de XVIIIde eeuw aan de hand van de parochiale huwelijksakten van Hansbeke (1779-1796), in: Het Land van Nevele, jg. III (1972), 4 op landvannevele.com/nl/peiling-naar-het-analfabetisme
  9. Wim Vandenbussche, Verbinden, verdelen en overheersen.  Taal, identiteit en macht in de 19deeeuw: Brugge als casus. In: Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, 27, (2001) 4, pp. 437-458.
  10. Vanhemelryck, Misdaad en straf.  Recent onderzoek naar de geschiedenis van de criminaliteit.  Bijdragen en Mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, 93, (1978),2, p. 186. Digitaal raadpleegbaar.
  11. Vanhemelryck, op.cit. p. 189 met verwijzing naar E. Huys, De criminaliteit in het Brugse Vrije in de tweede helft van de XVIII eeuw op grond van de “crimiboeken”.  Onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Vrije Universiteit Brussel, 1976.

Dit artikel verscheen in het tijdschrift Brugs Ommeland, 2019, 1, pp. 58-64 inclusief de bijlage met woordverklaring.

Den Heere ende Wet der stad van Brugge klagten bekomen hebbende, dat’er dikwils verscheyde Perzoonen, ende naementlyk Jongens hun op de gewezen Kerk-hoven ontrent de Lyk-Kapellen (2) in de respectieve Prochien binnen deze Stad verzaemelen, ten tyde dat des avonds den Lyk-wagen aldaer, agtervolgens ’s MAJESTEYTS Edict van den 26 Juny 1784, komt haelen de doode Lighaemen, om die uyt de Lyk-Kappellen te transporteren naer het nieuw Kerk-hof, ende dat de zelve Perzoonen ende Jongens hun aldaer onbehoorelyk draegen, jae (3) zelfs tot stooring, zoo van de gemeente ruste als van de geleyders van den gezeyden Lyk-wagen, groot gedruys ende geschreeuw maeken, omme waer inne kragtelyk te worden voorzien, zoo is ‘t, dat den Heere ende Wet dezer stad aen een-ieder ferieuzelyk verbied zig op eene onbehoorlyke wyze ontrent de gezeyde Lyk-kapelle te laeten vinden, om ten tyde dat de doode Lighaemen op de Lykwaghens beweegt ende naer het Kerk-hof worden vertransporteert, eenig gedruys ofte geschreeuw te maeken, op de boete van 12 ponden paresis, waer vooren de Ouders van de minderjaerige zullen responsabel zijn, ofte op pene van andere arbitraire straffe, in cas van insolventhede (4).

Ordonnerende alle Officieren, Schaedebeletters (5) ende borgerlyke Soldaeten (6) daer op strictelyk te letten ende deze te doen onderhouden. Ende op dat niemand hier van en zoude pretexëren cauze van ignorantie (7), wierd gerezolveert deze te laten publiceren ten Stadhuyze, mitsgaeders bekent te laeten maeken bij Trommelinge (8), zoo in de oude als nieuwe Stad, ende by affixie (9) ter gecostumeerde plaetzen.

Actum in Kamer den 21 April 1785.  My prezent P. DE LA RUE (10).

Gepubliceert ten Stadhuyze den 26 April 1785. My prezent T. KESTELOOT de jonge (11).

Tot BRUGGE, by JOSEPH VAN PRAET, Drukker der Stad en Lande van den Vryen (12).

Commentaar en woordverklaring

Men kan zo’n stuk papier (H 40,5 cm x B 32 cm;  privé-verzameling Brugge, ook in openbare verzamelingen bv. Stadsarchief Brugge, Oud Archief, reeks 122. Plakkaten, 2de reeks, reg. 36, nr. 59) kapot analyseren maar één ding zal men nooit weten: hoe klonk die taal ?  Dat is het fonologisch aspect, zeg maar de uitspraak van de taal.  Bij de officiële voorlezing vanaf de pui van het stadhuis zal de toonhoogte zeker verschild hebben van de dagelijkse omgangstaal.  En ook die omgangstaal verschilt tot op de dag van vandaag.  Er is een groot verschil tussen de uitspraak van het “Poldernederlands” in het Noorden en de “Vlaamse tussentaal” in het Zuiden.  Wat grasduinen op www.neerlandistiek.nl kan helpen om meer te vernemen.

  1. Niet in de betekenis van “annonce” of om reclame te maken maar als bekendmaking van een wetgevende verordening.  Met het Wapen van Brugge (kopergravure 12 x 9 cm).  De klimmende leeuw heeft een kroon maar geen halsband.  Dat is typisch detailverlies van een graveur.  Boven het wapenschild staat de kroon op de gotische letter b en niet in de kroon.  Als slecht uitgevoerde schildhouders zijn er de leeuw en de beer met een halsband.  Onderaan op het lint het motto S.P.Q.B. of Senatus PopulusQue Brugensis (“bestuur en bevolking van Brugge”).  Deze afbeelding komt uit het staalboek van de drukker en werd, in overleg met het stadsbestuur, gebruikt voor de officiële aankondigingen.  Het geheel is van middelmatige kwaliteit zoals dit dikwijls het geval is bij overheidsdrukwerk.
  2. Op elk kerkhof van iedere parochie stond er een lijkkapel.  Op het afzonderlijke kerkhof van het St.-Janshospitaal (Brugge), dat ook een eigen parochie was, stond er een laatgotische lijkkapel.  Op dit kerkhof werd er nog begraven tot in 1805 (het Franse decreet dateerde van 1804).  In 1806 werd de lijkkapel omgevormd tot leslokaal ontleedkunde.  In 1856 afgebroken bij de bouw van de nieuwe ziekenzalen (1856-1858) naar ontwerp van architect Isidore Alleweireldt.  De laatgotische lijkkapel komt voor op het bekende caritastafereeltje uit de 18de eeuw.  Zie: A. Dewitte, Dood en devotie in het Brugse Sint-Janshuis, in: Biekorf, 89 (1989), 1, p. 149-153.
  3. Men zou ook de linguïstiek erbij kunnen betrekken.  Maar er zijn er ongetwijfeld anderen die dat beter kunnen.  Gijsbert Rutten m.m.v. Rik Vosters, Een nieuwe Nederduitse spraakkunst. Taalnormen en schrijfpraktijken in de Zuidelijke Nederlanden in de achttiende eeuw. VUB Press, Brussel, 2011 en Roland Willemyns, Het Verhaal van het Vlaams. De geschiedenis van het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden. Standaard Uitgeverij/Het Spectrum, 2003, Idem, Dutch. Biography of a Language. Oxford University Press, 2013.
  4. Insolventhede = insolventie, financieel onvermogend; het niet kunnen betalen.  De term “insolventhede” komt men in de 18deeeuw overal tegen in de “Placcaet-boecken” : “…..by vluchtte of insolventhede vanden afgaende Pachter…..”.
  5. Schaedebeletter is de Brugse naam voor politieagent.  E.Verwijs en J. Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek, ’s-Gravenhage, 1889, dl. VII, kol. 209 en Andries Van den Abeele, Uit het leven van schadebeletter Carolus Coucke. Brugge,1984.
  6. Borgerlyke Soldaeten = de Burgerlijke Wacht van Brugge.  Hun voornaamste taak was de rust te bewaren in de stad.  Zie: Yvan Vanden Berghe, Jacobijnen en Traditionalisten.  De reacties van de Bruggelingen in de Revolutietijd (1780-1794) Pro Civitate Historische Uitgaven, 32, 1972, deel I, p. 178-182.
  7. Dat is de al eeuwen vaststaande uitdrukking gebruikt door de vorsten en die tot een klassieke formule uitgroeide: “…..afin que nul ne puisse pretendre cause d’ignorance…..”” (brief van Maximiliaan van Oostenrijk aan Brugge anno 1494). L. Gilliodts-Van Severen, Inventaire des archives de la Ville de Bruges, VI, Brugge, 1885, p. 395-397.
  8. De overheid kondigde de berichten aan met tromgeroffel.  Dit heeft oorspronkelijk een militaire achtergrond.  In de Middeleeuwen gebeurde de afkondiging van de Hallegeboden “metter clocke” dat wil zeggen dat er voorafgaand geluid werd met de stedeklok.  De belleman of uitklinker stond in voor het omroepen van de private berichten.  A. Vandewalle, Klinkers met de bel en met het bekken.  De omroepers van boodschappen te Brugge, voornamelijk in de zeventiende eeuw.  In: Van Middeleeuwen tot Heden.  Bladeren door de Brugse Kunst en Geschiedenis. Brugge, 1983, p. 115-119.
  9. Affixie = aangeplakte bekendmaking.  Op de gecostumeerde of gebruikelijke plaatsen.
  10. De La Rue, advocaat, rechter (1787), vanaf 11.12.1789 stadspensionaris. Yvan Vanden Berghe, Jacobijnen op.cit. 1972, deel II, p.24-25 en p.40. Actum = treedt in werking/wordt van kracht.
  11. Deze advertentie werd op 26 april openbaar afgekondigd of afgeroepen aan het stadhuis, zie SAB, nr.120. Hallegeboden 1775-1786, folio 230. Theodore-Joseph Kesteloot sr. (1710-1790) was advocaat bij de Raad van Vlaanderen vanaf 1731 en werd raadpensionaris en griffier van de tresorie van de stad Brugge.  Hij overleed te Brugge op 16 december 1790.  Zijn zoon Theodore de jonge, geboren op 17.12.1736 trad in de voetsporen van zijn vader.  Zo was hij vanaf 1761 advocaat bij de Raad van Vlaanderen, griffier van de Voogdijkamer van de Stad Brugge en gouverneur van de Bogardenschool. Hij stierf te Brugge op 10.11.1793.  Zie: Yvan Vanden Berghe, Jacobijnen, op.cit. 1972, deel I, p. 246 en deel II p.24-25.
  12. Drukker Joseph Van Praet (1704-1792) werd vanaf 1767 de officiële drukker voor het stadsbestuur van Brugge.  Zie: A. Van den Abeele, De Brugse drukker-uitgever Joseph Van Praet (1724-1792) en zijn tijd, in: Handelingen Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, 1996, pp. 196-238.

 

Bijlage:  Advertentie

Den Heere ende Wet der stad van Brugge klagten bekomen hebbende, dat’er dikwils verscheyde Perzoonen, ende naementlyk Jongens hun op de gewezen Kerk-hoven ontrent de Lyk-Kapellen (2) in de respectieve Prochien binnen deze Stad verzaemelen, ten tyde dat des avonds den Lyk-wagen aldaer, agtervolgens ’s MAJESTEYTS Edict van den 26 Juny 1784, komt haelen de doode Lighaemen, om die uyt de Lyk-Kappellen te transporteren naer het nieuw Kerk-hof, ende dat de zelve Perzoonen ende Jongens hun aldaer onbehoorelyk draegen, jae (3) zelfs tot stooring, zoo van de gemeente ruste als van de geleyders van den gezeyden Lyk-wagen, groot gedruys ende geschreeuw maeken, omme waer inne kragtelyk te worden voorzien, zoo is ‘t, dat den Heere ende Wet dezer stad aen een-ieder ferieuzelyk verbied zig op eene onbehoorlyke wyze ontrent de gezeyde Lyk-kapelle te laeten vinden, om ten tyde dat de doode Lighaemen op de Lykwaghens beweegt ende naer het Kerk-hof worden vertransporteert, eenig gedruys ofte geschreeuw te maeken, op de boete van 12 ponden paresis, waer vooren de Ouders van de minderjaerige zullen responsabel zijn, ofte op pene van andere arbitraire straffe, in cas van insolventhede (4).

Ordonnerende alle Officieren, Schaedebeletters (5) ende borgerlyke Soldaeten (6) daer op strictelyk te letten ende deze te doen onderhouden. Ende op dat niemand hier van en zoude pretexëren cauze van ignorantie (7), wierd gerezolveert deze te laten publiceren ten Stadhuyze, mitsgaeders bekent te laeten maeken bij Trommelinge (8), zoo in de oude als nieuwe Stad, ende by affixie (9) ter gecostumeerde plaetzen.

Actum in Kamer den 21 April 1785.  My prezent P. DE LA RUE (10).

Gepubliceert ten Stadhuyze den 26 April 1785. My prezent T. KESTELOOT de jonge (11).

Tot BRUGGE, by JOSEPH VAN PRAET, Drukker der Stad en Lande van den Vryen (12).

Commentaar en woordverklaring

Men kan zo’n stuk papier (H 40,5 cm x B 32 cm;  privé-verzameling Brugge, ook in openbare verzamelingen bv. Stadsarchief Brugge, Oud Archief, reeks 122. Plakkaten, 2de reeks, reg. 36, nr. 59) kapot analyseren maar één ding zal men nooit weten: hoe klonk die taal ?  Dat is het fonologisch aspect, zeg maar de uitspraak van de taal.  Bij de officiële voorlezing vanaf de pui van het stadhuis zal de toonhoogte zeker verschild hebben van de dagelijkse omgangstaal.  En ook die omgangstaal verschilt tot op de dag van vandaag.  Er is een groot verschil tussen de uitspraak van het “Poldernederlands” in het Noorden en de “Vlaamse tussentaal” in het Zuiden.  Wat grasduinen op www.neerlandistiek.nl kan helpen om meer te vernemen.

  1. Niet in de betekenis van “annonce” of om reclame te maken maar als bekendmaking van een wetgevende verordening.  Met het Wapen van Brugge (kopergravure 12 x 9 cm).  De klimmende leeuw heeft een kroon maar geen halsband.  Dat is typisch detailverlies van een graveur.  Boven het wapenschild staat de kroon op de gotische letter b en niet in de kroon.  Als slecht uitgevoerde schildhouders zijn er de leeuw en de beer met een halsband.  Onderaan op het lint het motto S.P.Q.B. of Senatus PopulusQue Brugensis (“bestuur en bevolking van Brugge”).  Deze afbeelding komt uit het staalboek van de drukker en werd, in overleg met het stadsbestuur, gebruikt voor de officiële aankondigingen.  Het geheel is van middelmatige kwaliteit zoals dit dikwijls het geval is bij overheidsdrukwerk.
  2. Op elk kerkhof van iedere parochie stond er een lijkkapel.  Op het afzonderlijke kerkhof van het St.-Janshospitaal (Brugge), dat ook een eigen parochie was, stond er een laatgotische lijkkapel.  Op dit kerkhof werd er nog begraven tot in 1805 (het Franse decreet dateerde van 1804).  In 1806 werd de lijkkapel omgevormd tot leslokaal ontleedkunde.  In 1856 afgebroken bij de bouw van de nieuwe ziekenzalen (1856-1858) naar ontwerp van architect Isidore Alleweireldt.  De laatgotische lijkkapel komt voor op het bekende caritastafereeltje uit de 18de eeuw.  Zie: A. Dewitte, Dood en devotie in het Brugse Sint-Janshuis, in: Biekorf, 89 (1989), 1, p. 149-153.
  3. Men zou ook de linguïstiek erbij kunnen betrekken.  Maar er zijn er ongetwijfeld anderen die dat beter kunnen.  Gijsbert Rutten m.m.v. Rik Vosters, Een nieuwe Nederduitse spraakkunst. Taalnormen en schrijfpraktijken in de Zuidelijke Nederlanden in de achttiende eeuw. VUB Press, Brussel, 2011 en Roland Willemyns, Het Verhaal van het Vlaams. De geschiedenis van het Nederlands in de Zuidelijke Nederlanden. Standaard Uitgeverij/Het Spectrum, 2003, Idem, Dutch. Biography of a Language. Oxford University Press, 2013.
  4. Insolventhede = insolventie, financieel onvermogend; het niet kunnen betalen.  De term “insolventhede” komt men in de 18deeeuw overal tegen in de “Placcaet-boecken” : “…..by vluchtte of insolventhede vanden afgaende Pachter…..”.
  5. Schaedebeletter is de Brugse naam voor politieagent.  E.Verwijs en J. Verdam, Middelnederlandsch Woordenboek, ’s-Gravenhage, 1889, dl. VII, kol. 209 en Andries Van den Abeele, Uit het leven van schadebeletter Carolus Coucke. Brugge,1984.
  6. Borgerlyke Soldaeten = de Burgerlijke Wacht van Brugge.  Hun voornaamste taak was de rust te bewaren in de stad.  Zie: Yvan Vanden Berghe, Jacobijnen en Traditionalisten.  De reacties van de Bruggelingen in de Revolutietijd (1780-1794) Pro Civitate Historische Uitgaven, 32, 1972, deel I, p. 178-182.
  7. Dat is de al eeuwen vaststaande uitdrukking gebruikt door de vorsten en die tot een klassieke formule uitgroeide: “…..afin que nul ne puisse pretendre cause d’ignorance…..”” (brief van Maximiliaan van Oostenrijk aan Brugge anno 1494). L. Gilliodts-Van Severen, Inventaire des archives de la Ville de Bruges, VI, Brugge, 1885, p. 395-397.
  8. De overheid kondigde de berichten aan met tromgeroffel.  Dit heeft oorspronkelijk een militaire achtergrond.  In de Middeleeuwen gebeurde de afkondiging van de Hallegeboden “metter clocke” dat wil zeggen dat er voorafgaand geluid werd met de stedeklok.  De belleman of uitklinker stond in voor het omroepen van de private berichten.  A. Vandewalle, Klinkers met de bel en met het bekken.  De omroepers van boodschappen te Brugge, voornamelijk in de zeventiende eeuw.  In: Van Middeleeuwen tot Heden.  Bladeren door de Brugse Kunst en Geschiedenis. Brugge, 1983, p. 115-119.
  9. Affixie = aangeplakte bekendmaking.  Op de gecostumeerde of gebruikelijke plaatsen.
  10. De La Rue, advocaat, rechter (1787), vanaf 11.12.1789 stadspensionaris. Yvan Vanden Berghe, Jacobijnen op.cit. 1972, deel II, p.24-25 en p.40. Actum = treedt in werking/wordt van kracht.
  11. Deze advertentie werd op 26 april openbaar afgekondigd of afgeroepen aan het stadhuis, zie SAB, nr.120. Hallegeboden 1775-1786, folio 230. Theodore-Joseph Kesteloot sr. (1710-1790) was advocaat bij de Raad van Vlaanderen vanaf 1731 en werd raadpensionaris en griffier van de tresorie van de stad Brugge.  Hij overleed te Brugge op 16 december 1790.  Zijn zoon Theodore de jonge, geboren op 17.12.1736 trad in de voetsporen van zijn vader.  Zo was hij vanaf 1761 advocaat bij de Raad van Vlaanderen, griffier van de Voogdijkamer van de Stad Brugge en gouverneur van de Bogardenschool. Hij stierf te Brugge op 10.11.1793.  Zie: Yvan Vanden Berghe, Jacobijnen, op.cit. 1972, deel I, p. 246 en deel II p.24-25.
  12. Drukker Joseph Van Praet (1704-1792) werd vanaf 1767 de officiële drukker voor het stadsbestuur van Brugge.  Zie: A. Van den Abeele, De Brugse drukker-uitgever Joseph Van Praet (1724-1792) en zijn tijd, in: Handelingen Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, 1996, pp. 196-238.

Een Folkloremuseum voor Brugge: een eerste poging in 1911

In 1865 werd in Brugge de Société d’ Archéologie opgericht met als doel het oprichten van een Oudheidkundig Museum.  Dat zou er komen in 1866 maar het duurde toch tot het jaar 1900 vooraleer het Gruuthusemuseum tot volle wasdom kwam (1).  Toch was er al een visionaire bestuurder die inzag dat de aangroei van de collecties selectiever diende te gebeuren. De toevloed van typische volkskundige objecten diende gekanaliseerd te worden om meer de nadruk te kunnen leggen op de oudere periodes uit de stadsgeschiedenis.

In 1911 werd een poging ondernomen om tot de oprichting van een Folkloremuseum (2) over te gaan, naast het bestaande museum van het Oudheidkundig Genootschap.  Het Folkloremuseum van Antwerpen, gesticht in 1907, zal daarbij wel inspirerend gewerkt hebben.  Dit initiatief kwam van Robert Coppieters ’t Wallant (1871-1955), bestuurslid van het Oudheidkundig Genootschap, die de stichting van een vereniging met als doel de oprichting van een Museum voor Folklore bepleitte.  Bij monde van voorzitter Albert Visart de Bocarmé werd dit voorstel se rapportant à la constitution d’une société ayant pour objet la formation d’un musée de Folklore besproken op 2 februari 1911 tijdens de bestuursvergadering van de Société d’Archéologie (3).  Robert Coppieters wenste, alvorens van start te gaan, dit eerst in alle collegialiteit voor te leggen aan het Comité directeur.  De meeste leden zagen er de noodzaak niet van in en wezen op het dubbel gebruik dat zou kunnen ontstaan met het reeds bestaande museum.  Onder meer A. Duclos (4) deelde die mening en hij beloofde la donation de quelques objets de confection primitive que les folkloristes rangent ordinairement parmi leurs collection.

Hij heeft de daad bij het woord gevoegd.  We zullen daarvan slechts één voorbeeld aanhalen.  In 1919 schonk A. Duclos een twaalftal patacons (5), daterend uit de eerste helft van de 19deeeuw, aan het Oudheidkundig Museum (6).  Het betrof mooie grote en zeldzame exemplaren die sindsdien berustten in de reserves van het Gruuthusemuseum en op ons verzoek in 1973 werden overgemaakt aan het nieuwe Stedelijk Museum voor Volkskunde dat op 29 juni 1973 ingehuldigd werd.

Sociologisch valt het te verklaren dat die initiatieven genomen werden door de toenmalige elite (adel en burgerij) die Franstalig waren.  Dit spanningsveld tussen Frans, het gebruik van Standaardnederlands en dialect is voer voor de socio-linguïstiek (7).  De Vlaamse volkscultuur werd gered door Franstaligen die de Franse taal als de lingua franca beschouwden maar niet Vlaams onvriendelijk waren.  In een andere stad nl. Antwerpen was het precies zo verlopen.  Het Folkloremuseum van Antwerpen, geopend op 18 augustus 1907, dankt zijn ontstaan aan een groep Franstaligen met o.m. de dichter Max Elskamp en de advocaat Edmond de Bruyn (de eerste conservator), die een Kring stichtten onder de benaming Conservatoire de la Tradition Populaire Flamande.

De eerste nawijsbare getuigenis van deze vereniging valt terug te voeren op het jaar 1901 (8).  Robert Coppieters ’t Wallant was in 1902 penningmeester van het organisatiecomité van de tentoonstelling over de Vlaamse Primitieven en in 1907 was hij commissaris van de Gulden Vlies tentoonstelling.  Hij werd ook de voorzitter van de Vrienden van het Prinselijk Begijnhof (zie afbeelding) waar kanunnik  Rodolphe Hoornaert (1886-1969) de rector was van de door hem gestichte kloostergemeenschap van Benedictinessen die in 1927 de plaats innamen van de begijnen (9).  Robert Coppieters was zeer actief in het culturele leven en een dynamische organisator van feesten en stoeten.  Van 1929 tot 1954, dus 25 jaar was hij onbezoldigd conservator van het Gruuthusemuseum.  Hij overleed op 15 december 1955, op 83-jarige leeftijd (10).  De overname van het Gruuthusemuseum door de Stad Brugge op 1 januari 1955 heeft hij dus nog kunnen meemaken.

Wijding van het kloosterbeluik in het Begijnhof van Brugge. V.l.n.r. grootjuffrouw Geneviève de Limon Triest, priorin van de Benedictinessen, mgr. Henri Lamiroy, bisschop van Brugge, Robert Coppieters ’t Wallant, voorzitter van de Vrienden van het Prinselijk Begijnhof, rector-pastoor Rodolphe Hoornaert (foto A. Bruselle, Stadsarchief Brugge, fotoverzameling Beeldbank Brugge).

Een nieuwe poging

In Gent werd op 2 mei 1926 de Bond der Oostvlaamse Folkloristen opgericht.  Zij liggen aan de basis van het Gentse Folkloremuseum dat op 16 juli 1932 werd geopend.  Dat schudde de Bruggelingen weer wakker.  Onder impuls van Guillaume Michiels, Karel De Wolf en Evarist Vanheulenbrouck werd in november 1936 een Bond der Westvlaamsche Folkloristen gesticht.  De werking begon op 1 januari 1937 en de statuten verschenen in het Staatsblad van 22 oktober 1938.  Ze traden een eerste keer naar buiten met een grote Folkloretentoonstelling die van 27 maart tot 11 april 1937 plaatsvond in de Concertzaal (Boterhuis) in de Sint-Jacobsstraat.  Robert Coppieters ’t Wallant was toen eregast op de opening en staat prominent op de foto samen met hoofdman (voorzitter) Karel De Wolf (1883-1948) die het woord voert, burgemeester Victor Van Hoestenberghe en schepen L. Ryelandt (11).

De eerste doelstelling van de Bond was de oprichting van een permanent Folkloremuseum en in de schoot van de vereniging was Guillaume Michiels (1909-1997) aangesteld als conservator die met dit project onmiddellijk van wal stak (12).  De hulp van het Brugse stadsbestuur was daarbij onontbeerlijk.  Het College van Burgemeester en Schepenen liet aan de Bond weten dat men met ingang van 1 november 1938 zou kunnen beschikken over de Schermzaal op de eerste verdieping van de Halletoren.  Op 1 juli 1939 werd het Museum van Folklore in het Belfort officieel geopend.  Het waren slechte tijden om met een museum van start te gaan want twee maanden later op 26 augustus werd de mobilisatie afgekondigd en op 23 mei 1940 drongen de Duitse troepen de stad binnen.  Het museum zal pas officieel heropend worden op 6 nov. 1948.  Guillaume Michiels bleef conservator tot 14 okt. 1951.  Met die datum zijn we al ver verwijderd van ons uitgangspunt uit 1911 (13).

Willy Dezutter

1 Willy Dezutter, De stichting van het Gruuthusemuseum van Brugge in 1865. In: Brugs Ommeland, 2018, 3, p. 181-184.

2 Het woord folklore werd in 1846 geïntroduceerd in Engeland en had betrekking op the traditional beliefs, legends and customs.  In het derde kwart van de 19deeeuw duikt het woord Volkskunde op in het Duitse taalgebied in de betekenis van de studie van de traditionele volkscultuur.  In 1888 stichtten Pol de Mont (1857-1931) en August Gittée (1858-1909) in Gent het tijdschrift Volkskunde dat als ondertitel tijdschrift voor Nederlandse folklore meekreeg.  Dit toonaangevend cultureel tijdschrift bestaat nog steeds en is aan zijn 119de jaargang toe.  Het compositum volkskunde dat toen in onze taal werd ingevoerd wordt in het Nederlands en in het Duits op dezelfde wijze geschreven.  De oudheidkunde (archeologie) was een containerbegrip en had toen nog geen betrekking op de archeologie als oudheidkundig bodemonderzoek.

3 Procès-verbal de la séance du Comité directeur de la Société d’Archéologie le jeudi 2 février 1911. Register 1904-1912. Directie Stedelijke Musea, Brugge.

4 Adolf Duclos (1841-1925), priester-historicus en schrijver van het bekende boek Bruges, histoire et souvenirs (1910).

5 Een patacon was oorspronkelijk een Spaanse munt (17de-18deeeuw) ter waarde van ca. 50 stuivers. Die naam ging waarschijnlijk over op de schijven in gebakken aarde, die kleurrijk werden beschilderd, en die dienden als versiering van de kerst- en nieuwjaarsbroden (vollaards). Zie: Willy Dezutter, Vollaards en patacons. In: Brugs Ommeland, 2018, p. 192-193.

6 Gemeenteblad der Stad Brugge, 1920, bijvoegsel 5, p. 274. Aanwinsten Oudheidkundig Genootschap,1919.

7 W. Vandenbussche, Eeuwig zagen voor de Vlaamsche taal. De invloed van Eugeen Van Steenkiste op de vernederlandsing van de Brugse stadsadministratie. In: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal-en Letterkunde, jg.1995, nr.2-3, p. 264-284.

8 W. Van Nespen, Het Volkskundemuseum te Antwerpen. In: Gemeentekrediet van België, jg. 28,nr.108, 1974, p. 87.

9 Rik C.F. Dhondt, Problemen bij het omvormen van het Brugse begijnhof tot een parochie. In: Brugs Ommeland, 2009, p. 51-59.

10  E. Coppieters de ter Zaele en Ch. Van Renynghe de Voxvrie, Histoire professionelle et sociale de la famille Coppieters 1550-1965. Deel II. Tablettes des Flandres, deel 8, Brugge, 1968, p. 165-168.

11 Foto collectie Volkskundemuseum, Brugge.

12 Willy P. Dezutter, In memoriam Guillaume Michiels (1909-1997). Stichter-conservator van het Museum voor Volkskunde van Brugge, in: Biekorf, 97 (1997), 3, p. 294. De volkskundige Maurits Van Coppenolle (1910-1955), lid van de Bond sinds 1942, werd op 19 okt. 1947 verkozen in het nieuw bestuur van de Bond.

13 Schrijver dezes werd op 1.2.1973 conservator van het Stedelijk Museum voor Volkskunde in de Balstraat 27 dat op 29 juni 1973 officieel werd ingehuldigd. In een volgende bijdrage komen we terug op de periode 1937-1973.

Dit artikel verscheen in het tijdschrift Brugs Ommeland, 2019, 1, p. 53-57.

 

De muziek als glijmiddel voor geloof

De Britse auteur Karen Armstrong, schrijfster van het boek Een geschiedenis van God (1), wijst in een gesprek met Rik Torfs (2) op de verloren gegane band tussen religie en beleving.  De reformatie heeft in de 16deeeuw veel van de liturgie overboord gegooid en zich vooral geconcentreerd op het woord, de Schrift.  Maar, zo stelt ze, een religie zonder rituelen is geen religie meer.

Dat is zonder meer waar.  De aantrekkingskracht van de oosterse Kerken schuilt vooral in de liturgische gezangen, de rijke liturgische gewaden en veel wierook.  Sommige mensen geraken daar zodanig door in extase dat ze iconen beginnen te kussen.  Dat extravagante kennen we ook bij de gospeldiensten en de gebedsgenezing.  Karen Armstrong wijst ook op de muzikale en religieuze waarde van de Gregoriaanse gezangen.  De gregoriaanse muziek is de muziek die eigen is aan de Romeinse liturgie in de Katholieke Kerk.  Die liturgische gezangen vallen op door de vrije ritmiek en de stijgende en dalende melodie.  Die eenstemmige vocale muziek, uitgevoerd door een koor, weet gelovigen maar ook ongelovigen te beroeren.  Denken we maar aan het Dies Irae uit de dodenmis.  Door de liturgische bepalingen van het Tweede Vaticaans Concilie werd het formeel uit de rooms-katholieke dodenmis geschrapt.  De toorn van god op het einde der tijden werd weggepoetst.  We kennen het Dies Irae natuurlijk wel nog uit het Requiem in d-klein, KV626 uit 1791 van Wolfgang Amadeus Mozart.

Een herinvoering van de Latijnse liturgie (dat maakt het mysterie groter !) zal echter geen massa’s meer doen terugkeren naar de kerk.  Dat heeft men in de jaren zestig van de 20steeeuw al geprobeerd met de zogenaamde beatmissen, toen men aansluiting zocht bij de moderniteit, maar dat was ook maar van korte duur.  De jeugd werd er niet door aangesproken.  De ontkerkelijking is een feit en de verstandige mensen zijn ongelovig geworden en de opportunisten bekeerden zich tot een strikt persoonlijk ietsisme (3).  Verstandige burgers doen liever iets uit liefde voor de medemens dan uit liefde voor een onzichtbare en machteloze, want onbestaande god.  Er is geen hoop, noch op een verrijzenis noch op een hiernamaals.  Karen Armstrong zegt het zo: “Ik verwacht niet dat ik na mijn dood plotseling iemand terug zal zien. It looks too much like an awful school reunion”.  Het zou toch echt wel moeten lukken dat werkelijk gebeurt wat we diep van binnen verlangen: voortbestaan na de dood en de mensen van wie wij houden terugzien.  Een god die dat belooft kan niet bestaan.  Wat is dan de zin van het leven ?  Dat is het leven zelf.  Wie het niet aan kan, wijkt uit naar de fictie.

Maar we willen niemand zijn troost afpakken. Dat religie troostend kan werken, wil niet zeggen dat religie ook waar is (Richard Dawkins).  In een recensie over zijn pas verschenen boek wordt aan de Vlaamse schrijver Yves Petry gevraagd of hij gelovig is.  Daarop antwoordt hij o.m. “Toen ik later klassieke muziek ontdekte, maakte religieuze muziek zoals The Messiah van Händel, de Mattheuspassie van Bach of het Stabat Mater van Pergolesi veel indruk op me.  Ik kan ook zelf wel enkele gregoriaanse hymnes zingen.  Maar echt dogmatisme is in mijn ogen niet de ware vorm van religie.  Ik ben meer een aanhanger van het ietsisme, waar Etienne Vermeersch zo’n hekel aan had” (4).  De filosoof Etienne Vermeersch (1934-2019), een atheïst, was ook een groot muziekkenner en luisterde veel naar de uitvoeringen van de Mattheuspassie van J.S. Bach.  Hij wees er dan ook op dat het perfect mogelijk is om als atheïst ontroerd te worden door muziek waarin een religieuze boodschap zit (5).  Hij noemt het “voor mij ongeveer de allermooiste muziek die er bestaat”.  Niet onbelangrijk is dat hij zegt “voor mij” want wanneer duizend mensen naar de Mattheuspassie luisteren horen we allemaal hetzelfde, maar iedereen ervaart het op een enigszins verschillende wijze (6).  Dit hangt af van verschillende factoren.  Muziek beluisteren is zoals kijken naar kunst.  Men moet dat leren.

Johann Sebastian Bach (1685-1750) was een Duitse barokcomponist.  De Matthäus-Passion (BWV 244), is het lijdens- en sterfverhaal van Jezus Christus.  De katholieken, die een uitvoering bijwonen, staan er niet meer bij stil dat dit oratorium werd gecomponeerd voor de Thomaskirche in Leipzig waar Bach cantor was van 1723-1750.  Het is dus Lutherse kerkmuziek.  Dit verklaart waarom de uitvoeringen van de Matthäus-Passion zo populair zijn in Nederland.  Mocht Bach het katholicisme beleden hebben, was hij daar nooit aan bod gekomen.  Zelf hebben we meer dan 25 jaar naeen op Palmzondag de gerenommeerde uitvoering van de Mattheuspassie bijgewoond in de Sint-Baafskerk in Aardenburg (Zeeland) (7).  Daarbij rekenen we ook de uitvoeringen van dirigent Piet van Egmond (1912-1982).  Zijn gloedvolle interpretatie werkte doelbewust op het gemoed.  Dat beantwoordde volledig aan de doelstellingen van Bach zelf.  Die schreef over zijn muziek dat er twee doelen waren: het moest tot Gods eer en tot zielsverrukking leiden. “Zur Ehre Gottes und zur Ergötzung des Gemüths”.  De mystieke kracht van de religieuze muziek is het glijmiddel van het geloof.  De Roemeens-Franse filosoof Emil Cioran (1911-1995) kon dan ook beweren: “God heeft veel te danken aan Johann Sebastian Bach”.  Muziek beïnvloedt nu eenmaal de stemming.

De muziektherapie is in feite een vorm van psychotherapie die wordt gebruikt voor de behandeling van psychische problemen.  Per slot van rekening is het geloof iets dat er van kindsbeen ingepompt wordt en door religieuze muziek kan die hersenspoeling op latere leeftijd nog geactiveerd worden.  Eigenlijk zou er beter gedragstherapie toegepast worden om van die neurose verlost te worden.  Dat is zo gek nog niet.  Angst en onzekerheid zijn nu eenmaal vaste bestanddelen bij elk geloof.  De Britse auteur Richard Dawkins wijdde in zijn boek “The God Delusion” een heel hoofdstuk aan de indoctrinatie tijdens de kinderjaren (8), de leeftijd waarop kinderen zeer ontvankelijk zijn voor allerlei bovennatuurlijke verhalen op gezag van de ouders en andere opvoeders.  De verhaaltjes over Sinterklaas worden op zeker moment opgeborgen maar de onzin over religie wordt nooit meer herroepen.  Het misbruik van het lichtgelovige kind en zijn kinderhersenen.  De Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) vestigde daar reeds de aandacht op in zijn essay “Over godsdienst” uit 1851.  Aan de dogma’s die ze ingestampt kregen mocht nooit meer getwijfeld worden (9).  Het boek werd in het Nederlands vertaald onder de veelzeggende titel “Het nut van vrome leugens. Over godsdienst” (10).

Psychologie en religie

Religie wordt wel eens verklaard vanuit het onderzoeksveld van de evolutionaire psychologie.  Daarvoor verwijzen we naar Richard Dawkins (11) wiens werk we hier niet gaan overdoen.  De psychologie is de studie van het menselijk gedrag.  Wat motiveert mensen en wat zijn hun emoties ?  Belangrijk hierbij is de persoonlijkheidspsychologie.  Zolang de persoonlijkheid nog niet stabiel is, zoals bij jonge kinderen, kan men nog veel kneden.  Het religieuze gevoel moet aangeleerd worden.  Dat is ook de reden waarom er enkel een priesterroeping kan voortkomen binnen een familiaal godsdienstig milieu.  De biotoop moet juist zitten, thuis en op school.  Het gaat om godsdienstige ontwikkeling en beleving.  Vanaf het moment dat men zelf begint na te denken kan daarin verandering komen (12).  De Duitse theoloog Eugen Drewermann (°1940) besloot op zijn 65steverjaardag zijn lidmaatschap van de katholieke kerk op te zeggen.  Hij pleit er voor om de letterlijke en historiserende lezing van de Bijbel los te laten.  Hij ziet god (na bestudering van de natuurwetenschappen, biologie en neurologie) als “psychologische werkelijkheid in de diepste lagen van onze persoonlijkheid” (13).  Met die psychische realiteit zitten we bij de psychoanalyse maar dat is wel de wereld van onbewuste wensen en daarmee samenhangende fantasieën.  Wanneer men daarin meegaat (14) kan het kloppen: god is dan een psychische fantasie.

Willy Dezutter

1 Karen Armstrong, Een geschiedenis van God. Uitgeverij Ambo/Anthos, Amsterdam, 2003.

2 Rik Torfs, Gesprekken over spiritualiteit, in: Knack, 49 (2019), 7, p. 64-69.

3 Het “ietsisme” is een term uit de jaren negentig van de vorige eeuw en slaat op het idee dat er “toch iets moet zijn”.  Veel mensen hebben het er moeilijk mee om te aanvaarden dat het na de dood afgelopen is.  Men gelooft niet echt meer maar om opportunistische redenen wil men daar nog geen afstand van doen.  Men is nog niet helemaal losgekomen van de religieuze indoctrinatie.  Het romantisch verlangen is gebleven.

4 Peter Casteels, De pessimistische sociaal democraat in Yves Petry, in: Knack, 49 (2019), 8, p. 92-95.

5 Dirk Verhofstadt, In gesprek met Etienne Vermeersch. Een zoektocht naar waarheid. Uitgeverij Houtekiet, Antwerpen-Utrecht, 2011, p. 404-406.

6 Dirk Verhofstadt, idem, p. 401.

7 Zo’n uitvoering is ook een society gebeuren voor de elite van Zeeland.  Het wordt gevolgd door een receptie voor genodigden die dan gezelschap zoeken om in een restaurant te dineren.  We bewaren er goede herinneringen aan.  Wir setzen uns mit Tränen nieder.

8 Richard Dawkins, God als misvatting (vert. van The God Delusion), Amsterdam, 2006, p. 333-366. “Delusion” betekent eigenlijk waan maar de Nederlandse uitgever koos voor een zachtere vertaling.  Katholieken mogen altijd nog uitgedaagd worden maar het protestantse volksdeel kan men beter ontzien.  Er wonen nochtans genoeg godsdienstwaanzinnigen in de Nederlandse biblebelt maar die weigeren antigodsdienstige literatuur te lezen.  Daarom veranderen ze ook nooit van standpunt.  De Ark van Noah is nog niet uit de vaart genomen.

9 Paul Cliteur, Arthur Schopenhauer over filosofie en religie, in: Torben Wolfs (red.), Schopenhauer lezen. Antwerpen-Apeldoorn, 2010, p. 135-151.

10 Uitgave Wereldbibliotheek, 2007. In de vertaling van Hans Driessen (1953-2017), o.m. de vertaler-specialist van de Duitse filosofen A. Schopenhauer, F. Nietzsche en Peter Sloterdijk.

11 Richard Dawkins, God als misvatting, p. 196-208.

12 Dit geldt niet alleen voor christenen maar evengoed voor moslims. Zie: Ali Rizvi, De atheïstische moslim. Een weg van geloof naar rede. Amsterdam, 2016.

13 Matthias Beier, Religie zonder angst en geweld. Hoofdlijnen van Eugen Drewermanns theologie van de menselijkheid. Vught, 2011.

14 De Vlaamse filosoof Maarten Boudry beschouwt de psychoanalyse als een pseudowetenschap. Zie: M. Boudry, Pseudowetenschap aan de universiteit op https://skepp.be/nl/psychologie-coaching/psychoanalyse/pseudo-wetenschap(13.12.2011).