Kindersterfte en kraambedsterfte: de casus Van Caillie (Torhout, 18de eeuw)

In de 18de eeuw, maar ook in de 19de eeuw, was de kindersterfte nog zeer hoog. In menig gezin stierf een kind tijdens of kort na de geboorte. Dramatisch werd het zonder meer wanneer ook de moeder kwam te overlijden (1). Als voorbeeld geven we hier de casus Van Caillie op basis van de voortreffelijke genealogie van André Van Caillie (2). Deze familie van huidenvetters (3) uit Torhout leverde in de 19de en 20ste eeuw een groot aantal notarissen in Brugge en Oostende.

Crispinus Van Caillie, huidenvetter in Torhout werd geboren op 28 mei 1716 in Roeselare en overleed in Torhout op 26 juni 1787. Op 5 mei 1742 was hij in Torhout gehuwd met Regina Van Hove (Torhout 8 juli 1715 – Torhout 20 december 1749). Ze kregen vier kinderen van wie alleen de oudste dochter Maria (1743-1824) in leven bleef. Het tweede kind Carolus (Torhout 2 februari 1746 – Torhout 12 april 1746) stierf twee maanden na de geboorte. Het derde kind Anna leefde van 30 juli 1748 tot 7 augustus 1748 en het vierde kind Joannes van 8 december 1749 tot 13 december 1749. De moeder Regina Van Hove bleef in het kraambed op 20 december 1749.

Crispinus Van Caillie zal hertrouwen in Torhout op 12 mei 1750 met Anna Theresia Magerman (Torhout 27 september 1730 – Torhout 26 augustus 1786). Ze kregen samen nog negen kinderen. Het eerste kind Joannes werd geboren op 23 december 1753 en overleed drie jaar later op 4 december 1756. Het vijfde kind Isabella was ook geen lang leven beschoren. Zij werd in Torhout geboren op 8 november 1761 en overleed aldaar op 27 mei 1765. Het zesde kind Angela leefde van 18 december 1763 tot 18 maart 1764. Het zevende kind (weer) Carolus (Torhout 24 juli 1765 – Torhout 1 april 1774) valt ook nog binnen deze categorie en werd negen jaar oud. Crispinus kreeg dus in twee huwelijken dertien kinderen van wie er zeven vroegtijdig stierven (4). Zijn derde zoon Joannes uit het tweede huwelijk, kreeg de naam van de eerder gestorven Joannes. Het was de vaste gewoonte om de naam van een overleden kind opnieuw te gebruiken. “Laat de kleinen tot Mij komen. Want voor dezulken is het rijk der hemelen” (5). Volgens de katholieke geloofsleer worden gedoopte kinderen jonger dan zeven jaar onmiddellijk deelachtig aan de “gelukzaligheid”.

Joannes Van Caillie, eveneens huidenvetter in Torhout werd aldaar geboren op 15 maart 1758 en overleed in Torhout op 10 september 1824. Hij huwde met Francisca De Laeter (Koekelare 1 februari 1769 – Torhout 17 mei 1844). Ze kregen zeven kinderen. Joannes werd ook schepen van zijn stad en was er plaatsvervangend vrederechter. Hun vierde kind Augustus werd geboren in Torhout op 11 mei 1795 en overleed nog datzelfde jaar op 29 september 1795. Het jaar daarop werd weer een Augustus geboren op 12 augustus 1796 die zal overlijden op 12 december 1797.

Driemaal Auguste Van Caillie

Het zevende kind dat in dit gezin in Torhout werd geboren, was Auguste op 20 april 1801. Hij kreeg dus dezelfde naam als zijn twee overleden broertjes. Hij huwde in Torhout op 28 april 1831 met Amélie Sophia Opsomer. Zij was op 27 december 1803 geboren in Esen (prov. West-Vl., bij Diksmuide) en zal overlijden in Torhout op 5 maart 1836. Ze was weduwe van Pieter Jan Dassonville, overleden in 1825 (6). Net als zijn vader was hij huidenvetter van beroep en engageerde hij zich eveneens in de politiek. Auguste was schepen van Torhout van ca. 1831 tot 1854 en van 1864 tot 1867. In 1855 werd hij burgemeester van Torhout tot in 1864 maar verzaakte aan een nieuwe benoeming. In 1858 werd hij verkozen tot provincieraadslid maar werd in 1866 niet herkozen. Op 10 augustus 1867, 66 jaar oud, overlijdt hij in Torhout (7).

Carolus Van Caillie

De oudste zoon van Joannes Van Caillie (1758- 1824) was Ludovicus Josephus (Torhout 20 augustus 1790 – Torhout 15 maart 1862). Die bracht het van verificateur bij de Domeinen tot secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën. Hij werd in 1819 ingewijd bij de Brugse vrijmetselaarsloge La Réunion des Amis du Nord. Die loge bestond in Brugge van 1803 tot 1831 (8). Hij bleef ongehuwd en om die reden werd zijn broer Carolus de nieuwe stamhouder. Carolus Joannes Van Callie werd geboren in Torhout 16 december 1791 en overleed in Brugge op 3 maart 1862. Zijn één jaar oudere broer Ludovicus of Louis zou twee weken later overlijden. Carolus huwde in Torhout op 20 mei 1813 met Marie Thérèse d’Aussy de Breemeersch de ter Hellen (Wingene 5 juli 1793 – Brugge 8 maart 1833). Hij was huidenvetter in Brugge maar ontwikkelde samen met de familie d’Aussy nog andere economische activiteiten o.m. in Torhout. Zelfs Crispinus Van Caillie (1716 -1787) had in Torhout al vanaf ca. 1763 alle gronden in bezit van de straat waar zijn huidenvetterij gevestigd was (9).

Het echtpaar Van Caillie– d’Aussy kreeg negen kinderen. Hun derde kind Henricus werd geboren in Brugge op 1 juni 1818 maar overleed al op 6 juni 1818. Het vijfde kind Silvia werd geboren in Brugge op 7 april 1822 en overleed op 23 maart 1823. Hun laatste kind Gustavus werd geboren in Brugge op 6 januari 1833 en overleed in Oostende op 9 januari 1913. De moeder overleed op 8 maart 1833, twee maanden na de geboorte van haar zoon. De oudste zoon Edouard (Brugge 11 mei 1814 – Brugge 3 januari 1883) werd notaris in Brugge (10). Maar dan zijn we al ruim in de 19de eeuw.

In deze casus gaat het over frequente zwangerschappen van levend geboren kinderen. Het voorbeeld werd door ons willekeurig gekozen. Het is geen specifiek gegeven voor de familie Van Caillie maar een exemplarisch voorbeeld van een algemeen fenomeen in Vlaanderen in een omschreven periode.

Willy Dezutter

1 Zie algemeen: Chris Vandenbroeke, Zuigelingensterfte, bevallingsstoornissen en kraambedsterfte (17e – 19e eeuw). Studia historica Gandensia, 226, Gent, 1978, p.133-163 en Isabella Devos en Thijs Lambrecht (red.), Overzicht van de zuigelingen – en kindersterfte in Zuid-Vlaanderen. 18e – 19e eeuw, in: Bevolking, voeding en levensstandaard in het verleden. Verzamelde studies van Prof. dr. Chris Vandenbroeke, Gent Academia Press, 2004, p. 291-310.

2  André Van Caillie, Répertoire généalogique de la famille Van Caillie. Oostende, 1975. Uitgave in eigen beheer, gestencild, 208 pp. + bijlagen p. 209-263. Met dank aan hoofdarchivaris Jan D’hondt (Stadsarchief, Brugge) en Eddy Dubruqué (V.V.F. Brugge).

3 De huidenvetter (fr. tanneur) smeerde de gelooide huiden in met vet. In de Grote van Dale komt het woord niet meer voor. In Zuid-Nederland was dit het gewone woord voor leerlooier; in 1907 was het woord huidevetter (nu huidenvetter) al onbekend in Noord-Nederland. Cfr. Het WNT.

4 Andre Van Caillie, Répertoire, 1975, p. 27-29.

5 Sinite parvulos venire ad me. Talium est enim regnum coelorum. Uit de liturgie van de kinder- of engelenmis.

6 André Van Caillie, Répertoire, 1975, p. 31.

7 Luc Schepens, De provincieraad van West-Vlaanderen. 1836/1921. Lannoo, Tielt-Amsterdam, 1976, p. 573-574 en nl.wikipedia.org/wiki/ Auguste_ Van Caillie

8 Willy P. Dezutter, De loge “La Réunion des Amis du Nord” (1803-1831) in Brugge, in: Brugs Ommeland, 50 (2010), p. 39-51 en Willy Dezutter, Ludovicus Josephus Van Caillie (1790-1862), in : Brugs Ommeland, 2020,2, p. 130-131.

9 M. Mestdagh, Torhout. De geschiedenis van een stad. Torhout, 2000, p. 124-125. Vanaf 1865 baat de fam. Vancaillie-d’Aussy de huidenvetterij-maalderij in Torhout verder uit. Na W.O. I schakelt de fam. Van Caillie- d’Aussy over op de graanhandel.

10 André Van Caillie, Répertoire, 1975, p. 34.

Generaal Antoine Rousseaux (1756-1827), commandant van het Land van Cadzand in 1809

Johannes Was (1810-1852), predikant in Waterlandkerkje van 1839 tot aan zijn overlijden in 1852, gaf in 1846 een werkje uit getiteld Oorsprong en lotgevallen van het dorp Waterlandkerkje in Zeeuwsch-Vlaanderen. Zijn tekst werd heruitgegeven in Tijd/Schrift (1). Daarin verwijst J. Was naar den Franschen Generaal Rosseau, commandant van het land van Cadzand.

In augustus 1809 diende men in Waterlandkerkje op zijn bevel de kerk af te staan om te dienen als kruitmagazijn. Die generaal Rosseau was Antoine Alexandre Rousseaux, een generaal tijdens de Franse Revolutie en het Keizerrijk van Napoleon. Hij werd geboren in Parijs op 17 september 1756 en overleed in Metz op 15 april 1827. Hij startte zijn militaire carrière als gewoon soldaat op 1 oktober 1775 en werd op 29 augustus 1803 bevorderd tot brigadegeneraal. Het was hij die in 1809 een invasie verhinderde van de Engelsen op het Eiland Cadzand. Napoleon gebruikte de term Île de Cadzand, hoewel het toen geen eiland meer was.

Op 4 juli 1811 werd hij Baron de l’ Empire, de nieuwe napoleontische adel. In zijn wapenschild staat in de bovenste helft een haan op een olijftak met zwaard (symbool van de waakzaamheid) en daarnaast een degen (de eresabel die aan hem werd uitgereikt door Napoleon). In de onderste helft een zeilschip (driemaster) op zee varend langs de kust. Dit laatste kan een verwijzing zijn naar de monding van de Westerschelde. Na de slag bij Waterloo (16 juni 1815) werd hij op 6 oktober van dat jaar op rust gesteld (2).

Het wapenschild van baron en generaal Antoine Rousseaux

De achtergrond van de feiten zijn bekend. Zeeland was ten tijde van het Franse Keizerrijk voor een groot deel in handen van Napoleon. De Britten wilden eerst Vlissingen veroveren en daarna doorstoten naar Antwerpen, een Franse oorlogshaven. Het pistool gericht op de borst van Engeland. Veel Engelse soldaten werden in Zeeland ziek van de Zeeuwsche koorts (een soort malaria). De Britten bleven uiteindelijk vastzitten op Walcheren en trokken zich op 6 september 1809 terug. De aanval op Antwerpen gaven ze op (3).

Bij de voorbereiding van de Britse expeditie dacht men ook aan een aanval op het Eiland van Cadzand met de bedoeling om van daaruit de aanval op Antwerpen te richten. Daarbij stond vooral de vernietiging van de Franse batterij in Breskens voorop. Die was volledig bemand en bestond uit 26 stukken. De troepen die op 31 juli 1809 in Cadzand moesten landen kwam nooit aan land. Het slechte weer speelde een rol maar het werd ook verhinderd door generaal Rousseaux die nochtans over niet meer dan 300 man beschikte van de Garde Nationale. Er was echter wel versterking nodig. Vanuit Gent kwamen twee liniebataljons van de 48e en 65e Franse infanterieregimenten. Na het afslaan van de Britse vijand kon generaal Rousseaux die twee infanteriebataljons overzetten naar Vlissingen. Niettemin viel op 15 augustus, na een lange beschieting door de Engelsen, ook deze stad in handen van de Britten. Er bleven ook cohorten van de Garde Nationale achter in Hulst, IJzendijke en Oostburg (4).

De opeising van het kerkje van Waterlandkerkje als kruitmagazijn (kruitkamer, la poudrière) was een strategisch juiste beslissing. Het kerkje was gelegen tussen Oostburg en IJzendijke (een centraal gelegen bevoorrading) en zou bij een eventuele ontploffing het minst schade aanbrengen aan de burgerbevolking. De napoleontische legers eisten meestal een kerkgebouw op om te dienen als kruitmagazijn. Alleen in vestingsteden en forten of op strategische vaarroutes werd een vast kruitmagazijn voorzien. Dit was het geval in het Fort van Lillo ten noorden van Antwerpen op de rechteroever van de Schelde. Daar werd in 1810 op last van Napoleon een kruitmagazijn gebouwd ter bewaring van 50 ton buskruit. Dit kruitmagazijn bestaat als bouwwerk nog steeds en is het laatst overgebleven gebouw in zijn soort. Het is nu een beschermd monument.

Generaal Rousseaux werd in Cadzand aangesteld op 23 april 1809, hield in juli-augustus de Engelsen tegen en werd in oktober 1809 opnieuw commandant van het Eiland van Cadzand. Zijn militaire carrière, van soldaat tot generaal, werd op 6 augustus 1811 bekroond met zijn benoeming tot divisiegeneraal. Door de aanval van de Engelsen in 1809 werden de Fransen alerter en dat leidde vanaf 1811 tot nieuwe versterkingen in Cadzand en Breskens zoals het Fort Impériale, het Fort Napoléon en het Fort du Centre ( 5). Maar die stellingen zouden weldra door de Nederlanders overgenomen worden. Na de Volkerenslag bij Leipzig ( 16-19 oktober 1813) ging het snel bergafwaarts met de Fransen die gedwongen werden om het land te verlaten. Op 16 maart 1815 ontstond het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.  

Willy Dezutter

1 Geert Stroo, Een beknopte geschiedenis van Waterlandkerkje 1674-1850, in Tijd/Schrift, jg. 14 (2019), 3, pp. 34-49, vooral p. 38-44.

2 Georges Six, Dictionnaire biographique des Généraux et Amiraux de la Révolution et de l’Empire (1792-1814), Paris, 1934 (heruitgave 1971), 2 delen, hier deel 2.

3 T. van Gent, De Engelse invasie van Walcheren in 1809. (Uitgeverij de Bataafsche Leeuw), Amsterdam, 2001 en R.H.M. van Immerseel, Van fort Napoleon tot camping Napoleon Hoeve, in: Bijdragen tot de geschiedenis van West-Zeeuws-Vlaanderen nr. 30, 2002, p. 177-230, vooral p. 178-194.

4 Zie voor de krijgsverrichtingen : J.G. Kerkhoven, De Engelse inval in Zeeland in 1809. In: Armentaria, 7, (1972) Jaarboek van het Nationaal Militair Museum, Leiden. Ook digitaal raadpleegbaar op www.marsethistoria.nl/images/zeeland 1809.pdf  J.G. Kerkhoven heeft het over generaal Rousseau maar het is wel degelijk Rousseaux.

5 R.H.M. van Immerseel, a. w. blz. 186 e.v. 

 

Carnavalsverbod in Brugge 1830-1833

Het carnaval werd verboden omdat we in oorlog waren met Nederland ! De Belgische revolutie tegen koning Willem I begon in Brussel op 25 augustus 1830 en op 4 oktober 1830 riep het Voorlopig Bewind de onafhankelijkheid uit. Exit het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) ondanks de Tiendaagse Veldtocht die er nog op zou volgen in 1831.

Door dit carnavalsverbod dienden de handelszaken die gespecialiseerd waren in carnavalsartikelen hun waren van de hand te doen. In de Gazette van Brugge van 4 mei 1831 lezen we daarvan een voorbeeld: Bij uytscheyding. Verkooping van schoone mascaraeden – en balkleeren. Op dynsdag 10 mey 1831 zal er in de verkoopzaal van J. Berger te Brugge, openbaerlyk verkogt worden 200 à 220 fraeye Bal – en Mascaraede-costumen als: Chevaliers, Domino’s, Pères Nobles, Spagniaers, (1) Bergères, Pierrots, militaire uniformen en veel vrouw-costumen.

Voor zover we konden nagaan zou het carnaval zich slechts langzaam hernemen. Herbergiers mochten, na aanvraag bij de politie, carnavalsbals organiseren op vastenavond. Een eerste voorbeeld vonden we pas terug in de Gazette van Brugge van 27 februari 1835 toen de uitbater van de Halve Maen een carnavalsbal gaf op zondag 1, maandag 2, dinsdag 3 en zondag 8 maart 1835. Ook van 1795 tot 1815 werd het carnaval in Brugge verboden.

(1) Zie de woordverklaring hieronder.

Spagniaers – Deze Spanjaarden komen we in 1831 in Brugge tegen bij de uitverkoop van carnavalskostuums. Het land waar ze vandaan kwamen was Spangien en tegen die Spanjaards hebben we 80 jaar oorlog gevoerd. In het Noorden langer (1568-1648) dan in het Zuiden (val van Antwerpen 1585) maar toch lang genoeg om sporen na te laten in de beeldvorming. De familienaam Spanjaer(t)s en Spaenjers komt in Nederland nog frequent voor. De stereotiepe uitbeelding van de Spanjaard gaat terug op de beeltenis van de Spaanse soldaat uit de 2de helft van de 16de eeuw met zijn pofbroek en strakke kousen en een geplooide kraag. Al vanaf de 17de eeuw werden de kleuren van de kledij lichter zodat ze later perfect pasten bij een vrolijk gebeuren zoals carnaval. Het is trouwens opvallend hoe in de Nederlandse prentkunst uit de eerste helft van de 19de eeuw (1830-1850) de Spanjaarden nog altijd uitgebeeld worden in een 16de eeuws kostuum compleet met pluimhoed. Wij zien er een sterke aanwijzing in dat de Spagniaer model gestaan heeft voor wat men later “Zwarte Piet” is gaan noemen. De donkere huidskleur uit het zonnige zuiden staat bijgevolg los van de Afrikaanse slaaf. De stoute kinderen gingen in de zak van Sinterklaas en werden meegenomen naar… Spanje.

Willy Dezutter

Een vrijzinnig weekblad (1849). Over het woord ‘vrijzinnig’ in Vlaanderen.

In Biekorf, 117 (2017), 2, zoekt F. Bastiaen naar de betekenis van het woord vrijzinnig zoals dat voorkwam in de titel van het Eeklose weekblad “De Eeclonaer” (1). Dit weekblad werd in 1849 opgericht door Pieter Ecrevisse en hij noemde zijn blad “onafhankelijk en vrijzinnig”.

Het woord vrijzinnig had in die periode nog niets te maken met de tegenstelling gelovig-ongelovig. De taalkundige prof. dr. Roland Willemyns (VUB) heeft dat woordveld voor het eerst onderzocht in 1979 (1) en er in 2007 opnieuw over gepubliceerd samen met zijn opvolger prof. Wim Vandenbussche (3). We zullen hier de historisch-semantische ontwikkeling van de term “vrijzinnig” niet opnieuw uit de doeken doen maar R. Willemyns wees er op dat tot de jaren zestig van de 20ste eeuw de term vrijzinnig liberaal betekende. Liberaal in de betekenis van “aanleunend bij de liberale partij”.

Wanneer men in de 19de eeuw iemand wilde aanduiden die ongelovig was (wat in de praktijk betekende dat hij niet-praktiserend katholiek was) noemde men die persoon een vrijdenker en niet een vrijzinnige. Het woord vrijzinnig kreeg pas veel later de connotatie onkerkelijk en antiklerikaal. Het blad van het bekende liberale “Van Gheluwe’s Genootschap” in Brugge noemde zich in 1928 nog “Vrijzinnig Strijdblad uitgegeven door het Van Gheluwe’s Genootschap-Liberale Volksbond”. Het woord onderging dus een betekenisverandering die in Vlaanderen totaal anders verliep dan in Nederland waar men ons woord vrijzinnig niet eens kent. Het “Vrijzinnig Protestantisme” (ondogmatisch) staat daar tegenover het orthodox-protestantisme. Het vrijzinnig-humanisme zoals wij dat kennen van na 1950 omvat ook atheïsme en agnosticisme.

Wie in de 19de eeuw ook niet moest onderdoen voor allerlei verwensingen was de dichter Guido Gezelle (1830-1899) die ook actief was als politiek journalist. Van 1864 tot 1870 was hij uitgever van zijn eigen krant “’t Jaer 30” waarin hij de vijanden (de liberalen) de mantel uitveegde in vlijmscherpe bewoordingen (4). Vooral de leden van de loge moesten het ontgelden hoewel er toen niet eens een vrijmetselaarsloge actief was in Brugge ! De Brugse loge “Les Vrais Amis Réunis”, opgericht in 1846 staakte haar werkzaamheden al in 1852. De Brugse vrijmetselaars vonden vanaf 1867 een onderkomen bij de loge “La Liberté” (gesticht in 1866) in Gent. Van daaruit en vanuit Brussel werd dan op 4 juni 1881 de loge ‘La Flandre” (G.O.B.) opgericht. Er stonden nu weer anderen klaar om een scheldkoor aan te heffen.      

Willy Dezutter

1 F. Bastiaen, Poekenaar Aloys Walgrave (1844-1908) en zijn “Jantje van Pouke”, in: Biekorf, 117 (2017), 2, p. 223

2 R. Willemyns, De term “vrijzinnigheid”. Een eerste poging tot vergelijkend onderzoek van het woordbeeld. Antwerpen, Humanistisch Verbond, 1980.

3 R. Willemyns en W. Vandenbussche, Over Kaloten, Tjeven en andere Cistjes. Verwensingen in 19de eeuwse teksten. In: De Sleutelbrug, driemaandelijks tijdschrift van het Vrijzinnig Centrum Brugge,  2008, I, p. 3-7 met vervolg in Idem, 2008,2 en 2008, 3. Dit artikel verscheen eerst in: F. Moerdijk, A. van Santen en R. Tempelaars (red.), Leven met woorden. Opstellen aangeboden aan Piet van Sterkenburg. Leiden, 2007, p. 339-351 en digitaal raadpleegbaar op homepages.vub.ac.be/-wvdbussc/kaloten.pdf

4 Dirk Van Tieghem, Gezelles Gazette. De strijd tussen blauw en zwart. Uitgaven West-Vlaamse Gidsenkring, Brugge, 2019.   

Franz Liszt en de Belgische vrijmetselarij

In tegenstelling tot W.A. Mozart (1756-1791), die muziek schreef voor maçonnieke inwijdingen, was dit engagement er niet bij Franz Liszt (1811-1886) hoewel hij ingewijd werd in de vrijmetselarij.

Dat gebeurde op 18 september 1841 waar hij toetrad tot de loge “Zur Einigkeit” in Frankfurt am Main. Hij vulde op het voorgedrukte aanvraagformulier (dat bewaard bleef) in dat hij rooms-katholiek was en in Parijs woonde. Hij moest niet wachten en kon onmiddellijk ingewijd worden. De Voorzittend Meester was de beroemde Georg Kloss (1787-1854), hoogleraar geneeskunde (1).

Een rondreizende pianovirtuoos beschikt niet over zoveel tijd. Dat bleek andermaal het geval toen hij een oponthoud had in Berlijn en daar, na toelating van Frankfurt, in februari 1842 op één en dezelfde dag bij de loge “Zur Eintracht” werd bevorderd tot gezel en verheven tot meester. Na 1848 schijnt hij het contact met de vrijmetselarij te hebben verloren. Dat past ook wel in het algemene beeld van een vrijmetselarij die, ook in ons land, evolueerde in antiklerikale richting.

Hij kon al evenmin wachten toen hij op 30 juli 1865 in Rome op één dag alle vier de lagere wijdingen ontving binnen de R.K. Kerk. Hij kreeg de tonsuur maar bleef subdiaken. Dat is de reden waarom hij soms wordt aangesproken als “abbé” Liszt (2).

Franz Liszt

Toch kwam Liszt veelvuldig in contact met de vooraanstaande Belgische maçon Victor Lynen in Antwerpen. Victor Lynen, groothandelaar in Antwerpen, stamde uit een “Kupfermeisterfamilie” (messingindustrie) uit Stolberg (D). Zijn vader William vestigde zich in 1833 in Antwerpen waar Victor geboren werd op 30 september 1834. In 1855 verkreeg hij de Belgische nationaliteit. Wanneer hij overlijdt op 8 oktober 1894 worden familie, vrienden en zakenrelaties uitgenodigd op de burgerlijke begrafenis. Victor Lynen werd in 1863 ingewijd bij de Antwerpse loge “Les Amis du Commerce et de la Persévérance Réunis” waar hij tweemaal Voorzittend Meester werd. Van 1887-1889 was hij grootmeester van het Grootoosten van België. Hij stond bekend voor zijn filantropie en mecenaat.

De 69-jarige Franz Liszt gaf in 1881 een concert in Antwerpen en logeerde van 24 tot 29 mei bij Victor Lynen en dat zal nog eens het geval zijn in 1882, 1885 en 1886. In 1886 vertoefde hij ten huize Lynen van 20 april tot 27 april. Dat viel juist in de Goede Week van Pasen en Liszt volgde de diensten in de kerk van Sint-Jozef, gelegen op 300 meter van de woning van Victor Lynen (3). Op 7 mei 1882 gaf Victor Lynen in zijn salons een concert ter ere van Liszt. Ter afsluiting zong de bariton E. Blauwaert drie maçonnieke cantates van Gustave Huberti (1843-1910), lid van de loge Les Amis Philantropes in Brussel (4). Bij zijn bezoek aan Antwerpen in 1886 kloeg de toen 74-jarige Liszt over vermoeidheid en zou op 31 juli 1886 overlijden tijdens de Bayreuther Festspiele.

De connectie Liszt-Lynen is een mooi voorbeeld van vriendschap en tolerantie die de ideologische scheidslijnen overschreed. Liszt mocht braaf ter kerke maar Lynen hield consequent vast aan zijn adagium “Le prêtre à L’Eglise ! L’instituteur à l’ école” en trakteerde hem op maçonnieke cantates.

Willy Dezutter

1 De indrukwekkende maçonnieke bibliotheek van Kloss kwam na zijn overlijden, door bemiddeling van grootmeester Prins Frederik (1797-1881) terecht in de bibliotheek van het Grootoosten der Nederlanden.

2 Biografie op www.lisztkring.nl

3 Erik Baeck en Hedwige Baeck-Schilders, Victor Lynen, Antwerpse gastheer van Franz Liszt, in: Tijdschrift van de Franz Liszt Kring, 2012, pp. 10-21.

4 Erik Baeck en Hedwige Baeck-Schilders, Liszt et Anvers, in: Revue de musicologie, 1994,2, pp. 306-322. In 1879 speelde men de cantate “La Consécration du Temple” van componist G. Huberti bij de inwijding van de nieuwe tempel van Les Amis Philantropes. 

FC Brugge en het borstbeeld van Albert Dyserynck (1932)

Al van bij de stichting van de voetbalclub FC Brugge in 1891 genoot deze vereniging de sympathie van de Brugse vrijmetselaarsloge La Flandre (opgericht 4.6.1881).

In 1900 was de advocaat Raymond Seresia (1851-1903), stichtend lid van La Flandre in 1881, één van de beschermende leden. Iemand als Fernand Hanssens (1882-1962), aannemer van openbare werken, lid van La Flandre sinds 1919, werd ook secretaris en voorzitter van FC Brugge en telde 63 jaar lidmaatschap. Zijn schoonbroer Prosper De Cloedt (1878-1955), ook een ondernemer, was mecenas van de loge La Flandre (Beenhouwersstraat 2, Brugge) maar evenzeer van FC Brugge. In 1924 werd hij de eerste secretaris en stichtend lid van de vzw La Flandre.

Een zeer geliefde voorzitter was Albert Dyserynck (Oostende 1872-Sijsele 1931), algemeen agent van de Nederlandse Gist- en Spiritusfabriek in Brugge. Hij was bestuurslid van FC Brugge sinds 1913 en werd eind 1918 voorzitter. In 1919-1920 speelde Brugge kampioen en dat straalde natuurlijk ook op hem af. Zondag 21 maart 1920 was voor F.C. Brugge een onvergetelijk hoogtepunt. De laatste competitiewedstrijd tegen Racing Mechelen werd gewonnen en zo hield men Union van een nieuwe titel af. Dat was dit jaar precies 80 jaar geleden. Na het behalen van de landstitel verhuisde FC Brugge naar de “Klokke” waar voorzitter Dyserynck het complex in eigendom aan de vereniging had geschonken.

Dyserynck werd bij La Flandre ingewijd op 19 juni 1923. Hij bleef voorzitter van FC Brugge tot aan zijn tragisch overlijden op 9 februari 1931. Op die dag slipte, door ijzel op de weg, zijn auto (een Minerva, bestuurd door zijn chauffeur) in Sijsele -Donk (op de grens van West -en Oost-Vlaanderen) en vond hij de dood toen de auto tot stilstand kwam tegen een boom. Zijn chauffeur werd zwaar gewond. Op 12 februari 1931 vond de burgerlijke begrafenis plaats; in de indrukwekkende rouwstoet werden 101 rouwkransen meegedragen.

101 rouwkransen op de burgerlijke begrafenis van Albert Dyserynck. 
(Foto A. Bruselle, Stadsarchief Brugge)
101 rouwkransen op de burgerlijke begrafenis van Albert Dyserynck.
(Foto A. Bruselle, Stadsarchief Brugge)

Op de algemene begraafplaats op Steenbrugge werd de enige grafrede gehouden door Edouard Everaerts (1865-1944), een broeder van La Flandre maar ook de eerste voorzittend meester van de vrijmetselaarsloge Aurore (Droit Humain, Brugge) in 1930-1932.  

Burgerlijke begrafenis van Albert Dyserynck op 12 februari 1931.
(Foto A. Bruselle, Stadsarchief Brugge)  

Vanaf 15 september 1931 sprak men niet meer over de “Klokke” maar werd het omgedoopt tot “Dyserynck Stadion” en dat tot in 1975.

Om de betreurde voorzitter te eren werd op 14 februari 1932 aan de hoofdingang een borstbeeld onthuld van de hand van de beeldhouwer Octave Rotsaert (1885-1964).

Inhuldiging van het monument Albert Dyserynck (1872-1931) .
aan de binnenzijde van het voetbalstadion van FC Brugge. 14 februari 1932.
(Foto A. Bruselle, Stadsarchief Brugge)  

Het werk van Rotsaert kennen we o.m. van de twee bizons op de Canadabrug (Bevrijdingsbrug, Brugge) en het ruiterstandbeeld van Koning Albert I in het Koning Albertpark van Brugge.

De maquette van het borstbeeld van Albert Dyserynck (1872-1931) .
(Foto A. Bruselle, Stadsarchief Brugge)  

Om het monument Dyserynck te kunnen realiseren werd er een erecomité opgericht met als voorzitter Paul Noë (1876-1953), erelid van FC Brugge en lid van La Flandre. Ondervoorzitter van dat comité was notaris Raphaël Rodenbach (1861-1951). Rodenbach was 30 jaar toen hij lid werd bij La Flandre, bleef 60 jaar actief (was o.m. voorzittend meester in 1925-1927) en overleed op de leeftijd van 90 jaar. Hij was weduwnaar en het huwelijk Rodenbach-De Bloom bleef kinderloos. Ingevolge een eigenhandig geschreven testament van 28 januari 1949 legateerde hij een bedrag aan de “Vrienden van de Schamele Arme”, aan de loge La Flandre en aan FC Brugge. Zowel La Flandre als FC Brugge steunden “De Schamele Arme” (Les Amis du Pauvre Honteux), een goed doel dat op discrete wijze financiële steun verleende aan noodlijdenden. Het comité ter oprichting van het borstbeeld was een uitgebreid en representatief comité dat over alle partijgrenzen heen naar resultaat streefde samen met het Uitvoerend Comité waarvan Fernand Hanssens de voorzitter was.

Uit bovenstaande blijkt wel duidelijk de toenmalige innige band tussen de loge La Flandre en FC Brugge.

Willy DEZUTTER  

Litt. Dries Vanysacker, Van FC Brugge tot Club Brugge KV (1891-2010), Brugge, 2010 en Willy Dezutter, Raphaël Rodenbach (1861-1951), achtbare meester van de Brugse vrijmetselaarsloge La Flandre, in: Brugs Ommeland, 2016, 3, pp. 147-159.

Ludovicus Josephus Van Caillie (1790-1862)

De familie Van Caillie is een familie van huidenvetters uit Torhout die in de 19de en 20ste eeuw een groot aantal notarissen leverde in Brugge en Oostende. De stamvader was Crispinus Van Caillie, huidenvetter in Torhout maar geboren in Roeselare (1716) en overleden in Torhout (1787).

Crispinus kreeg in twee huwelijken dertien kinderen waarvan er zeven vroegtijdig stierven. Zijn derde zoon uit het tweede huwelijk was Joannes Van Caillie (1758-1824), eveneens huidenvetter in Torhout. De oudste zoon van Joannes Van Caillie was Ludovicus Josephus (Torhout 20.8.1790 – Torhout 15.3.1862). Die bracht het van verificateur bij de Domeinen tot secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën in Brussel. Voorheen was hij directeur van het Bestuur der Registratie en Domeinen in Aarlen (Arlon). Hij was secretaris-generaal onder de liberale politicus Laurent Veydt (Antwerpen 1800 – Brussel 1877), die van 12.8.1847 tot 18.7.1848 Minister van Financiën was in de liberale regering Rogier I (1847-1852).

In 1819, de periode van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, werd Ludovicus Van Caillie ingewijd bij de Brugse vrijmetselaarsloge La Réunion des Amis du Nord (1). Charles Doudan (1773-1861) was toen Achtbare Meester. Die loge bestond in Brugge van 1803 tot 1831. Op de tableau (ledenlijst) van 1821 staat hij nog vermeld als compagnon (gezel). Dat wijst op een zekere stagnatie op weg naar het meesterschap. Constantin Rodenbach (1791-1846) was toen Achtbare Meester. In 1822 en 1823 betaalde hij nog zijn volledig lidgeld. Dat bedroeg 12,70 francs per semester. De Franse frank bleef tijdens de Hollandse tijd wettig betaalmiddel. Nergens vonden we een betaling voor de derde graad. Hij werd klaarblijkelijk geen meester-vrijmetselaar. Voor het meesterdiploma werd 6 francs betaald maar uiteraard wordt dat voor hem evenmin vermeld. In 1824 gaf hij zelf ontslag in zijn loge. Zijn logecarrière was dus van korte duur.

In 1833 werd het Grootoosten van België opgericht (stichting 13 januari 1833, installatie 23 februari 1833) maar dat werd na verloop van tijd een geheel ander soort vrijmetselarij. Hij bleef ongehuwd en om die reden werd zijn broer Carolus de nieuwe stamhouder. Carolus Van Caillie (Torhout 1791-Brugge 1862) werd huidenvetter in Brugge. Zijn oudste zoon Edouard (Brugge 1814-Brugge 1883) werd notaris in Brugge. Dat was dus een neef van Ludovicus. De zoon van Edouard, met gelijklopende voornamen, Louis Joseph Van Caillie ( Moerkerke 1854- Brugge 1896) werd eveneens notaris.

Willy Dezutter

(1) Willy. P. Dezutter, De loge “La Réunion des Amis du Nord” (1803-1831) in Brugge, in: Brugs Ommeland, 50 (2010), p. 39-51.

Een Brugs huwelijk, baron Victor de Crombrugghe in de Sankta Eugenia (Stockholm, 1839)

Op 15 juni 1839 werd in de Sankta Eugeniakerk van Stockholm (Zweden) het kerkelijk huwelijk voltrokken tussen baron Victor de Crombrugghe de Looringhe (Brugge 11.3.1813 – Ichtegem 30.1.1849) en Herminie de Crombrugghe de Beaupré (Brugge 9.4.1813 – Brugge, 30.9.1867), dochter van Jacques de Crombrugghe (Brugge 1788 – Brugge 1852) en Anne Custis de Calvoorde (Brugge 1792 – Brugge 1855).

De bruidegom was haar volle neef. Dat werd in de familie eerder regel dan uitzondering. Haar schoonvader was baron Pie (van Pius) de Crombrugghe de Looringhe (Brugge 5.8.1782 -Ichtegem 25.12.1869) die gehuwd was met Jeanne van Ockerhout de ter Zaele (Brugge 1785 – Stockholm 1839). In het gezin De Crombrugghe-Custis waren er drie dochters en twee zonen. De oudste dochter Elisa (1812-1881) huwde in 1840 in Brugge met haar volle neef baron Emile-Victor de Crombrugghe (1809-1892), Herminie was in 1839 in Stockholm gehuwd met een volle neef en de jongste dochter Ida (1818-1891) huwde  op 2 augustus 1841 in Brugge met haar volle neef Auguste de Crombrugghe (1809-1859). Een neef-nichthuwelijk kwam in die tijd in adellijke kringen veelvuldig voor. We wezen daar reeds eerder op . (zie: De Herckenrode, Brugs Ommeland., 2019, 3, p. 195-197 en op deze blog).

Baron Pius (Pie), Felix, Joseph de Crombrugghe, de vader van bruidegom Victor, begon zijn diplomatieke carrière tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden op 12.1.1816 als referendaris (secretaris) van het kabinet van koning Willem I ( 1772-1843) maar werd op 8.2.1816 al benoemd tot buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister in Denemarken. Kort daarna, op 19 april 1816 werd hij geaccrediteerd als gevolmachtigd minister in Stockholm (Zweden) waar hij op post bleef als hoofd van de delegatie tot 1 april 1841. Op 22 mei 1841 werd hij opgenomen als Commandeur-Grootkruis in de Orde van de Poolster. De toegewijde orangist werd dus ook bedankt door Karl XIV (Jean-Baptiste Bernadotte), Koning van Zweden. Hij bleef dus in Nederlandse dienst na de onafhankelijkheid van België (1830) en was nog kortstondig in diplomatieke dienst van Koning Willem II. Willem I overleed weliswaar in 1843 maar abdiceerde in 1840. Hiermee zijn de omstandigheden geschetst en de aanwezigheid in Stockholm verklaard.

In 1842, hij was toen zestig jaar, kocht hij het domein “Rosendahl” (oppervlakte 7 hectare) in Ichtegem (West-Vlaanderen). Deze naam was geïnspireerd op “Rosendahls Slott”, de zomerresidentie van de Zweedse koning. In 1847 kwam hij in dienst van Koning Willem II die hem op 19.12.1847 opnam in de Luxemburgse adel met de titel van baron overdraagbaar op alle afstammelingen. Koning Willem I had Pie al geadeld op 21.7.1816 als baron maar die titel was toen alleen overdraagbaar bij eerstgeboorte. Hij heette sindsdien De Crombrugghe de Looringhe. De adelgunst in 1847 was een mooie noodgreep en beloning voor iemand die in 1830 de Nederlandse nationaliteit verwierf en nooit Belgische baron kon worden. Wellicht hield dit ook verband met het feit dat Nederland in 1848 de adelstand staatsrechtelijk zou afschaffen. Luxemburg was in personele unie verbonden met Nederland tot aan het overlijden van Koning Willem III in 1890. Hij overleed in zijn kasteel in Ichtegem op 25 december 1869.

Sankte Eugenia en Joséphine de Beauharnais

Victor en Herminie trouwden op 15 juni 1839 in de Sankta Eugeniakerk van Stockholm. Die kerk werd pas gebouwd in 1837 en was de eerste katholieke parochiekerk sinds de Reformatie in Zweden. Tot 1781 bleef de katholieke kerk in Zweden strikt verboden maar kreeg in 1783 voor het eerst een apostolisch vicariaat. De Rijksdag brak in 1527 de contacten met Rome af; het episcopaat ging over naar het lutheranisme. Door de Uppsala Synode van 1593 werd het lutheranisme de enige toegestane godsdienst. De Tolerantie Act uit 1781 voorzag weliswaar vrijheid van godsdienst maar dat gold alleen voor christelijke immigranten. Vanuit pragmatisch oogpunt viel het personeel van de gezantschappen (zeg maar ambassadepersoneel) daar automatisch onder. Zo ook de katholieke familie De Crombrugghe. Pas bij edict van 1860 werd dit ook van kracht voor alle Zweden.

Een belangrijke rol in de emancipatie van de katholieken speelde Joséphine van Leuchtenberg of Joséphine de Beauharnais (Milaan 1807 – Stockholm 1876), koningin van Zweden en Noorwegen van 1844 tot 1859. Zij was de oudste dochter van de Franse generaal Eugène de Beauharnais, hertog van Leuchtenberg. Joséphine zal in 1823 huwen met Oscar (Parijs 1799 -Stockholm 1859) de kroonprins van Zweden, die als Oscar I in 1844 op de troon zal komen. Hij was de tweede koning uit het huis Bernadotte. Joséphine was vroom katholiek en stelde de achterstelling vast van het katholicisme in Zweden en Noorwegen (Noorwegen kwam in 1814 in Zweedse handen en werd pas in 1905 een onafhankelijke staat).

Door haar inspanningen werd op 16 september 1837 de Sankta Eugeniakerk gesticht als eerste katholieke kerk in Scandinavië sinds de Reformatie. Officieel werd de kerk genoemd naar de Heilige Eugenia (700-735), abdis van het klooster Mont Sainte-Odile in de Elzas. De Zweden hielden de Elzas bezet van 1632-1634 tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648). Maar het was voor iedereen duidelijk dat het eerder een eerbetoon was aan Joséphine Maximilienne Eugénie Napoléone de Beauharnais (bij aankomst in Stockholm werd zij wel verplicht om de naam Napoléone te schrappen !). Zij beschouwde het zelf als een eerbetoon aan haar vader Eugène de Beauharnais (1781-1824) en aan haar dochter Eugénie (1830-1889). Joséphine zal in 1856 ook de St. Olavkerk, de eerste katholieke kerk van Noorwegen sinds de Reformatie, helpen oprichten in Christiana. Het apostolisch vicariaat dat in 1783 werd opgericht werd pas in 1953 bisdom Stockholm, dat het gehele grondgebied van Zweden beslaat. Er zijn in Zweden minder dan 2% katholieken. Dit bisdom valt onder het rechtstreeks gezag van de Heilige Stoel. Wegens modernisering van de binnenstad van Stockholm werd in 1968 de oude Sankta Eugenia afgebroken. In de plaats kwam in 1982 een nieuwe kerk met dezelfde naam naast de voormalige Koninklijke Tuinen naar ontwerp van de Deense architect Jörgen Kjaergaard.

De familie De Crombrugghe deelde in Stockholm lief en leed. Het huwelijk van Victor en Herminie vond plaats op 15 juni 1839 maar enkele maanden later op 13 augustus 1839 zal zijn moeder Jeanne van Ockerhout de ter Zaele in Stockholm overlijden in de leeftijd van 54 jaar. Op 12 maart 1841 werd Georges-Jules, de eerste zoon van Victor en Herminie geboren in Stockholm. Deze zal later op 21.7. 1922 overlijden in Brugge waar hij van 1876-1899 schepen was en katholiek senator van 1882-1900. Hij bezat de Luxemburgse nationaliteit. In 1868 liet hij zijn barontitel bevestigen en werd in de Belgische adel opgenomen nadat hij zich had genaturaliseerd tot Belg. Hun tweede zoon Oscar werd niet meer in Stockholm geboren maar in Brussel op 27.4.1842. Weduwnaar Pie de Crombrugghe verloor zijn vrouw in 1839 en zijn zoon Victor in 1849. Die werd slechts 35 jaar oud en overleed in “Rosendahl” in Ichtegem. Geschiedenis is ook het omgaan met het verdriet van een ander.

Willy Dezutter

In memoriam Valentin Vermeersch (1937-2020)

Valentin Vermeersch was een veelzijdig kunsthistoricus die van 1980 tot 2000 de hoofdconservator was van de Stedelijke Musea van Brugge.

In 1960 studeerde hij aan de Rijksuniversiteit Gent af als licentiaat in de kunstgeschiedenis en oudheidkunde en werd in 1960-1961 wetenschappelijk medewerker in het Bijlokemuseum (Gent) en was in 1963-1964 de assistent van prof. J. Duverger (RUG). In 1964 werd hij in Brugge aangeworven als adjunct-conservator, later conservator (1972) van het Gruuthusemuseum. Aquilin Janssens de Bisthoven (1915-1999), in dienst bij de Brugse musea van 1954 tot 1980, had hem voorgesteld aan het Brugse stadsbestuur.

Valentin Vermeersch bezat een encyclopedische kennis over de kunstgeschiedenis en stelde zich als taak om de cultuureducatie te bevorderen. Tussen 1967 en 1971 publiceerde hij hoogstaande bijdragen over het Brugs kunstpatrimonium in het “Brugsch Handelsblad” wat resulteerde in zijn tweedelige publicatie Brugges Kunstbezit 1 en 2 uit 1969 en 1973.

In 1971 promoveerde hij aan de RUG tot doctor in de kunstgeschiedenis met als onderwerp “Grafmonumenten te Brugge voor 1578”. In 1976 werd dit uitgegeven bij de Brugse uitgeverij “Raaklijn” in drie volumes. Wij hielden bij de officiële presentatie ten stadhuize op 29 maart 1977 de feestrede. In 1980 werd hij bevorderd tot hoofdconservator (algemeen directeur) en dat gaf hem de gelegenheid om volledig tot ontplooiing te komen. Het Gruuthusemuseum kwam vanaf 1 april 1982 in de veilige handen van Stéphane Vandenberghe. Reeds in 1981 startte hij met een Informatiebulletin, later Museumbulletin. Ook zette hij toen een prestigieus jaarboek op waarvan er 10 volumes verschenen. Dat Jaarboek van de Stedelijke Musea, nu nog altijd de voornaamste bron van de museumgeschiedenis, werd op ondoordachte wijze door zijn opvolger Manfred Sellink afgeschaft.

In 1981 verscheen ook zijn rijk geïllustreerd Mercatorfondsboek Brugge: duizend jaar kunst. Van Karolingisch tot Neogotiek 875-1875. Hij lette bijzonder op de typografische verzorging van de tentoonstellingscatalogi zoals Pieter Pourbus (1984) door Paul Huvenne, Meesterwerken van de Brugse tapijtkunst (1987) door E. Duverger en G. Delmarcel en het zeer mooi uitgegeven Meesterwerken van de Edelsmeedkunst (1993) van Dominique Marechal. Hij was bijzonder goed ingewerkt in de wereld van de uitgevers en coördineerde belangrijke boeken zoals Brugge en de zee (1982), Vlaamse kunst van de oorsprong tot heden (1985) en Brugge en Europa (1992). Hij hield uitstekende relaties met de “Vrienden van de Musea” (museumvoordrachten, Jaarboek, Museumbulletin, de museumpromenades) en de door hem georganiseerde buitenlandse museumreizen waren legendarisch. Ook voorzitter Anne-Marie Meire had daarin een groot aandeel alsmede secretaris Daniël Declerck.

De Dienst Musea groeide onder hem uit tot een groot cultuurbedrijf. De Dienst Archeologie spreidde zijn vleugels uit (Hubert De Witte, stadsarcheoloog sinds 24.11.1977, vanaf 1.12.1989 ook Bieke Hillewaert) en op 1.1.1990 kwamen ook de OCMW-Musea (Sint-Janshospitaal-Memlingmuseum en Museum van de Potterie) over naar de Stedelijke Musea. Voordien bestond er al een hechte samenwerking. In 1985 waren het Belfort en het Gezellemuseum al ondergebracht bij de Dienst Musea. Hij trok ook externe deskundigen aan zoals Martine Bruggeman voor de kantcollectie en de numismatisch adviseur Juliaan Taelman (1922-2019). Voortdurend moest hij diplomatisch overleggen met zijn collega-conservators maar ook met het stadsbestuur en sponsors.

Er werden niet minder dan 69 tentoonstellingen georganiseerd in de periode 1980-2000 waaronder het belangrijke evenement “Vlaamse kunst op perkament” (1981), het werk van Willy Le Loup en de spraakmakende Memling tentoonstelling in 1994 met als drijvende kracht Dirk De Vos, de toenmalige conservator van het Groeningemuseum die ook instond voor de uitbreiding van de sectie hedendaagse kunst. Veel werd gerealiseerd in teamverband.

Zelf ontmoette ik Valentin Vermeersch voor het eerst in 1969 tijdens de tentoonstelling “Anonieme Vlaamse Primitieven” in het Groeningemuseum. Daarna zouden wij elkaar terugzien in 1971 in het kader van zijn doctoraat. Valentin was de laatste doctoraatsstudent van prof. J. Duverger (1899-1979) en ikzelf de laatste thesisstudent (1970). Ook dat schiep een band.

In 1972 kwam hij me opzoeken in Gent omdat men in Brugge op zoek was naar een conservator voor het Museum voor Volkskunde. Hij was zeer blij dat ik interesse betoonde want men was van plan om hem dat in de schoenen te schuiven. Hij stelde me voor aan A. Janssens de Bisthoven en aan cultuurschepen Fernand Traen (1930-2016) die dat beschrijft in zijn Brugse memoires (Brugge, 2015, p. 90). Op 1 februari 1973 kon ik in Brugge beginnen en al op 29 juni 1973, in een recordtempo, opende het nieuwe museum zijn deuren. Voor de twee bouwcampagnes (er volgde nog een derde in 2003) die daarna nog zouden gebeuren, verkreeg ik de volledige steun van de hoofdconservator. In 1982 ontstond de museumherberg “De Zwarte Kat” als onderdeel van het museum. Met dankbaarheid kijk ik terug maar dat had ik reeds laten blijken bij zijn vertrek toen ik op 21 september 2000 de laudatio hield op de afscheidsplechtigheid. Zijn opvolger Manfred Sellink zou in 2001 verklaren dat er de laatste twintig jaar niets gedaan werd in de musea. Een grovere belediging voor Valentin én het stadsbestuur valt er niet te bedenken, te meer omdat hij zelf met de staart tussen de benen vertrok in 2014.

Willy Dezutter 

Naschrift – Tweemaal een smadelijke aftocht

Valentin Vermeersch verliet de Stedelijke Musea officieel op 1 november 2000. Op sterk aandringen van cultuurschepen Yves Roose werd beslist om de leiding van de musea voortaan toe te vertrouwen aan een tweeledig directieteam, bestaande uit een hoofdconservator voor de inhoudelijke aspecten (algemeen museumbeleid, behoud en beheer van de collecties, tentoonstellings- en aankoopbeleid ) en een zakelijk directeur (management, personeelszaken, financiën). Dat werd grotendeels een fiasco met vergaande nefaste gevolgen zowel voor de goede werking als voor de motivatie van het personeel.

De nieuwe hoofdconservator werd Manfred Sellink (° 1962) die officieel van start ging op 1 februari 2001 i.p.v. op 1 januari. Als voormalig hoofdconservator van het Prentenkabinet van het Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam had hij zich nog geëngageerd voor de Pieter Breughel-tentoonstelling in het kader van Rotterdam Culturele Hoofdstad 2001. De zakelijk directeur Walter Rycquart (° 1961), voorheen kabinetssecretaris van de Antwerpse cultuurschepen Eric Antonis, begon wel op 1 januari 2001. Na verloop van tijd boterde het niet meer tussen Manfred en Walter. Ze stonden hiërarchisch op dezelfde hoogte en iedereen die iets kent van bestuurskunde weet dat zoiets niet werkt. Walter Rycquart wilde weg en solliciteerde eerst nog vruchteloos naar de post van directeur Culturele Zaken in Gent om in november 2008, na 7 jaar en 11 maanden,  uiteindelijk terug te keren naar Antwerpen. Eén dag later hing Manfred Sellink al het bordje “Artistiek Directeur” aan zijn deur op de Dyver 12. Exit de duobaan.

Daar waar Valentin Vermeersch het alleen deed had men er plots twee voor nodig. En dit op basis van hooggeleerd en dik betaald advies. Prof. Guido De Brabander ( Universiteit Antwerpen) ontving voor zijn audit de som van 2 miljoen frank. Vooraf een audit laten uitvoeren is voor de politiek altijd een duur maar handig middel om de uitkomst, die toch al vast ligt , zonder tegenwerpingen te kunnen valideren.

Het parcours van Sellink verliep niet erg vlot. Er kwam kritiek op vergissingen bij infrastructurele ingrepen en op de verwaarlozing van collecties ( o.a. de koetsenverzameling). Van in het begin was het al duidelijk dat hij zeer asociaal omging met het personeel en in het bijzonder gedroeg hij zich deloyaal tegenover zijn directe medewerkers van het wetenschappelijk kader. Dat zou zich wreken en uiteindelijk koos hij eieren voor zijn geld. Hij verliet de Brugse musea en begon op 1 december 2014 als directeur-hoofdconservator van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. Dat was alleen maar mogelijk omdat niemand vanuit Brugge het had nodig gevonden om Brussel (Vlaamse Gemeenschap) en Antwerpen te alarmeren. Zo blij was iedereen dat hij weg was. Ze zouden het zelf maar moeten ondervinden. Ze kwamen er voldoende achter, van Antwerpen tot in Wenen (tentoonstelling Breughel) en in februari 2020 werd hij in Antwerpen “aan de deur gezet”. Officieel heette het “dat er geen draagvlak meer is voor Sellink” (Gazet van Antwerpen en De Standaard). Er werd zelfs over geïnterpelleerd in het Vlaams parlement (12.3.2020) en daar viel het woord “wanbeleid”. Tweemaal een smadelijke aftocht ? Eigenlijk driemaal want toen hij vertrok uit Rotterdam heeft men daar in het museum de vlag uitgestoken! 

Le méchant tombe dans le piège qu’il a tendu à un autre.      

Jan van Eyck achterstevoren gelezen

Het zal een druk “Jan van Eyck-jaar” worden met de grote tentoonstelling ” Van Eyck. Een optische revolutie” in Gent (Museum voor Schone Kunsten 1.2.-30.4.2020) en de tentoonstelling “Jan van Eyck in Bruges” (Groeningemuseum, Brugge  12.3.-12.7. 2020).

Wereldwijd zijn van Jan van Eyck slechts een twintigtal werken bewaard en de helft daarvan komt naar Gent. In Brugge zullen twee werken bijzonder in de kijker geplaatst worden: de Madonna met kanunnik Joris van der Paele en het portret van Margaretha van Eyck, de echtgenote van de schilder. Het zal uitkijken zijn naar de begeleidende publicaties maar we verwachten geen grote tegenspraak over zijn leven en werk. Degenen die over de “Vlaamse Primitieven” publiceren vormen een hechte aaneengesloten groep.

Nog voordat die spraakmakende tentoonstellingen van start gaan verschijnt er een magistraal boek (in het Nederlands !) dat een ruime synthese brengt over het onderwerp: Jean Luc Meulemeester, Jan van Eyck en Brugge, uitgever Stichting Kunstboek, Oostkamp, 2019, 320 p. Prijs 59,90 euro omdat 60 net iets harder klinkt. Van deze Brugse kunsthistoricus zijn we gewoon dat hij grondig en met kennis van zaken te werk gaat en daarbij altijd zijn bronnen opgeeft en geen literatuurverwijzing schuwt. Het is om die reden dat we het boek achterstevoren hebben gelezen. De inhoudstafel staat achteraan (p. 319) en dan volstaat één blik om te beseffen dat in dit boek de hele kunst- en cultuurgeschiedenis van Brugge in de 15de eeuw wordt belicht en niet één enkel schilderij. Er is ook aandacht voor de uitlopers tot in de 19de eeuw wanneer allerlei Van Eyckherdenkingen (bijv. het standbeeld e.d.) aan bod komen. Het uitgangspunt is nochtans maar één cruciaal schilderi,j namelijk het olieverfschilderij op paneel “Onze Lieve-Vrouw met het Kind Jezus, Sint-Joris, Sint-Donaas en kanunnik Joris van der Paele”, het pronkstuk uit het Groeningemuseum.

In elk hoofdstuk wordt de tekst ondersteunt door passende illustraties. Uit de fotocredits (p. 318) blijkt dat de auteur ook zelf een goede documentaire fotograaf is. Het boek is voorzien van een plaatsnamenindex (p. 316-318) en een personenindex (p. 312-315). Op het voordeel daarvan hoeven we niet extra te wijzen. De bibliografie (p. 298-311) bevat alle werken die er toe doen, zowel historisch als kunsthistorisch. En van één ding zijn we zeker: Jean Luc Meulemeester heeft die allemaal gelezen. Dat ziet men aan de noten (p. 272-297) waar je merkt dat hij de literatuur doorwrocht heeft en dikwijls van commentaar voorziet. Dat notenapparaat is indrukwekkend en bevat talrijke publicaties die niet extra werden opgenomen in de bibliografie. Sommige auteurs verzwijgen uit verstrooidheid of opzettelijk hun bronnen maar die worden door J.L. Meulemeester feilloos ontbloot door te verwijzen naar de archivalische bron waarop zij steunden. Hij is een auteur die zelf geen archiefonderzoek uit de weg gaat en zich bij het synthetiseren niet beperkt tot het samenvatten van de geldende opinies maar ook een eigen mening heeft. Zijn grote sterkte is alleszins zijn kennis van de christelijke symboliek en de liturgische gebruiken maar ook de kunstopvattingen an sich.

We zullen daar slechts één voorbeeld van geven. Het betreft de functie van het schilderij. In 1965 maakte A. Viaene in het tijdschrift Biekorf het aannemelijk dat het schilderij Madonna met kanunnik Van der Paele een grafpaneel was dat in functie stond van zijn graf in het hoogkoor van de Sint-Donaaskerk (1). Dat werd sindsdien overal nagevolgd. Tenzij men in het buitenland onwetend bleef. Er wordt immers zeer veel over onze Vlaamse Primitieven gepubliceerd in het Engels en een Nederlandstalig artikel dat verschijnt in een lokaal tijdschrift blijft lang onder de radar. Die stelling over het grafpaneel wordt niet meer bijgetreden door Till-Holger Borchert (directeur Groeningemuseum, Brugge) die al sinds 2006 en recent nog beweert dat het om een altaarstuk gaat (2). Jean Luc Meulemeester maakt het zonder meer duidelijk dat het wel degelijk om een grafepitaaf gaat. Dat maakt hij zeer overtuigend duidelijk van p. 159 t/m 174. Wij volgen hem totaal in zijn argumentatie.

Een auteur van een boek van dergelijke omvang staat altijd op de schouders van reuzen. Denken we slechts aan James Weale (3) en Elisabeth Dhanens (4). Het siert hem dat hij vol lof spreekt over het basiswerk van A. Janssens de Bisthoven (1915-1999), de toenmalige hoofdconservator van het Groeningemuseum (5). Jean Luc Meulemeester heeft hier een monumentale studie neergezet. Een monografie die hoofdzakelijk handelt over het beroemde schilderij van Joris Van der Paele maar met beschouwingen die verder reiken (6).

Willy Dezutter

1 A. Viaene, Het grafpaneel van kanunnik Van der Paele voltooid in 1436 door Jan van Eyck (Groeningemuseum Brugge), in: Biekorf, 66 (1965), 9, pp.257-264.

2 Till-Holger Borchert, De Vlaamse Primitieven in Brugge. Ludion, Brussel, 2019, p. 74. Deze paperback (128 p.) verscheen ook in het Engels zodat die omstreden opinie nu de wereld rond gaat.

3 W.H.J. Weale, Hubert and John van Eyck. Their Life and Work. Londen-New York, 1908. Heruitgave 2012 maar origineel ook online raadpleegbaar.

4 E. Dhanens, Hubert en Jan van Eyck. Antwerpen, 1980.

5 A. Janssens de Bisthoven, M. Baes-Dondeyne en D. De Vos, Corpus van de vijftiende- eeuwse schilderkunst in de Zuidelijke Nederlanden. Stedelijk Museum voor Schone Kunsten (Groeningemuseum) Brugge. Brussel, 1981.

6 Zie: Willy Dezutter, De rolbezetting bij kunstschilder Jan van Eyck en Rogier van der Weyden (15de eeuw), Brugge, 5 sept. 2018, op: www.willydezutter.be

Door de coronacrisis werd de tentoonstelling in Gent definitief gesloten. In Brugge kon herstart worden vanaf 18 mei 2020, na reservatie. De tentoonstelling in het Groeningemuseum wordt verlengd tot en met 6 september 2020.