Het uithangbord van de Brugse kunstsmid Alfons Lenoir (1885-1975) (1)

In april 1974 vond in het Parochiaal Centrum van Sint-Anna een tentoonstelling plaats “Kunstenaars van bij ons”, ingericht door de Kulturele Kring Sinte-Anna. Op deze tentoonstelling was werk vertegenwoordigd van de Brugse kunstsmid Alfons Lenoir (Brugge 31 januari 1885 – Brugge 3 maart 1975), o.a. het smeedijzeren uithangbord dat jarenlang aan zijn woning hing in de Rolweg. Door bemiddeling van “De Vrienden van de Stedelijke Musea” kon het begin 1975, een paar maanden voor zijn dood, aangeworven worden voor het Stedelijk Museum voor Volkskunde van Brugge (2).

Alfons Lenoir werd op 31 januari 1885 geboren te Brugge en overleed op 90-jarige leeftijd in zijn geboortestad op 3 maart 1975. Tijdens de uitvaartplechtigheid in de Sint-Annakerk stond de kist, bedekt met de pauselijke vlag, opgesteld op de gesmede lijkbaar die hijzelf ooit vervaardigde. Deze lijkbaar berustte overigens reeds in het museum van de Sint-Annakerk en werd speciaal voor deze gelegenheid nog eens gebruikt.

Rouwplakbrief van de Brugse kunstsmid Alfons Lenoir aan de buitenmuur van de Sint- Annakerk, Brugge. Foto Stedelijk Museum voor Volkskunde Brugge, 1975.

Alfons Lenoir leerde het vak bij de Brugse smid Fonteyne. Toen in oktober 1908 de Vrije Beroepsschool of Vakschool (Groeninge nr. 58) werd opgericht, werd hij belast met de lessen metaalbewerking. Reeds in maart van dat jaar was hij naar Brussel gezonden om zijn opleiding te voltooien in de grote werkhuizen De Moor aan de Antwerpse Steenweg. De werkhuizen Demoor fabriceerden machines die op hun beurt dienden om werktuigen te vervaardigen. De avondlessen van de Vakschool werden in 1919 omgevormd tot dagonderwijs. Daardoor ontstond het Vrij Technisch Instituut (V.T.I., Boeveriestraat) (3). A. Lenoir was gedurende 42 jaar, van 1908 tot 1951, als leraar pas-, draai- en smeedwerk aan die instelling verbonden (4). Daarnaast was hij als zelfstandig meester-kunstsmid gevestigd op het adres Rolweg 48.

Het uithangbord

In 1925-1926 vervaardigde hij een smeedijzeren uithangbord dat op hoger vernoemd adres tegen de gevel hing. Het kunstwerk (125 x 120 cm), dat 103 kg weegt, bestaat uit een slang met een zwarte kop die in de muil het bord houdt met de naam A. Lenoir. De hoge verticale console toont een lang kronkelend slangenlijf waarlangs een draak opklimt. Het dragende gedeelte wordt verder versierd met arenden , vruchten en bladeren (zie afbeelding).

Uithangbord uit 1925-1926 van de Brugse kunstsmid Alfons Lenoir.
Foto Stedelijk Museum voor Volkskunde Brugge, 1975.

In een dagboek heeft A. Lenoir over het ontstaan van dit kunstwerk het volgende geschreven: Dikwijls had ik in vergaderingen horen zeggen dat de hedendaagse stielmannen de kunstwerken van vroegere eeuwen niet meer konden maken. Die gedachte deelde ik niet en wilde bewijzen dat onze vaklieden nog even bekwaam waren en dit zou ik bewijzen door het smeden van een uithangbord dat desnoods voor eigen gebruik zou dienstig zijn (5). Deze redenering hebben wij nog gehoord. Niettemin is A. Lenoir er in geslaagd om een originele versiering te bedenken voor een uithangbord dat qua conceptie en constructie aansluit bij de 19de eeuwse voorbeelden (6).

Ander kunstsmeedwerk van Lenoir wordt nog bewaard in de Sint-Annakerk te Brugge. Naast de reeds vermelde lijkbaar zijn dat het versierd smeedwerk bij het beeld van Sint-Anna en bij het beeld van O.-L.-Vrouw van Altijddurende Bijstand. Verder bevindt er zich nog werk van hem te Sint-Kruis, te Oostende (kerk van Sint-Pieter en Paulus), De Pinte, Tielt, Wevelgem. In het buitenland in Engeland, Uruguay (Montevideo) en Zaïre (Congo). Het uithangbord beschouwde hij zelf als zijn meesterwerk dat nu bewaard zal blijven in het Stedelijk Museum voor Volkskunde op Sint-Anna (7). Het doet ons een genoegen om deze bijdrage te kunnen aanbieden aan Antoon Lowyck, de zoon van meestersmid Oscar Lowyck (8).

Willy Dezutter

1 Deze bijdrage verscheen eerder in Het Brugs Ommeland, driemaandelijks tijdschrift voor Brugge en Ommeland uitgegeven door de Heemkundige Kring “Maurits Van Coppenolle”, 1979, 4, p. 281-284. Dit kwartaalnummer 4, werd aangeboden aan Antoon Lowyck (1914-2005) t.g.v. zijn 65ste verjaardag. Hij was jarenlang hoofdredacteur van het tijdschrift “Ons Heem”. Dit huldenummer (p. 258-398)  werd op groter formaat (27 x 21,5 cm) samengesteld onder redactie van M. Ryckaert (redactiesecretaris), W.P. Dezutter en A. Vandewalle. Vijftien auteurs verleenden hun medewerking.

2 De onderhandelingen gebeurden met de dochter Lut Lenoir (1946-2022) door toenmalig conservator Willy Dezutter. Lut Lenoir was beeldend kunstenaar met als specialisatie de textiele kunsten. Zij werd bekend om haar figuratieve batikschilderijen.

3 In 1932 verhuisde de school naar de Boeveriestraat. In januari 2022 verhuisde men naar een nieuw schoolgebouw in de Vaartdijkstraat 3 in Brugge. Inmiddels kan men raadplegen Vrij Technisch Instituut Brugge op nl.wikipedia.org

4 De geschiedenis van deze katholieke onderwijsinstelling geschreven door A. Vervenne en F. Van Gool, verscheen onder de titel “Van rijke geest tot fijne hand. De evolutie van een humane instelling tot een modern technisch instituut”, Brugge, 1979, 80 pp. Uit de titel blijkt niet dat het handelt over het V.T.I. en over de onderwijsopdracht van A. Lenoir treft men geen woord aan.

5 Dit uithangbord kon voor iedereen dienstig zijn. Enkel de naam, in gesmede letters, diende vervangen te worden. 

6 E. Barberot, Traité pratique de serrurerie. Parijs, 1888, p. 350-351.

7 Over A. Lenoir verschenen enkele notities in tijdschrift West-Vlaanderen, 1963, p. 17, tijdschrift ’t Schrijverke (Kulturele Kring Sinte -Anna), jg. 4, 1975, nr.1 0, p. 4-6, het Brugsch Handelsblad 22 maart 1975, W.P. Dezutter en M. Goetinck, Catalogus Op en om de bouwwerf. Brugge, 1975, p. 191 nr. 238. 

8 In 1974 verscheen van de volkskundige Hervé Stalpaert het boek “Volkskunde van Brugge”, Brugge, 1974, 303 pp. De biografie en de bibliografie van H. Stalpaert (1914-1981) verscheen in het boek (p. 277-298) onder de naam van Antoon Lowyck maar werd in feite geschreven en samengesteld door H. Stalpaert zelf. Wij sluiten ons aan bij deze logica: het is uiteindelijk de auteur die bij leven en welzijn de gegevens aanlevert.

(Afbeeldingen)

1 Rouwplakbrief van de Brugse kunstsmid Alfons Lenoir aan de buitenmuur van de Sint- Annakerk, Brugge. Foto Stedelijk Museum voor Volkskunde, Brugge. 1975

2 Uithangbord uit 1925-1926 van de Brugse kunstsmid Alfons Lenoir. Foto Stedelijk Museum voor Volkskunde, Brugge. 1975

Joseph-Bruno Alleweireldt (1778-1850), lid van de loge “La Réunion des Amis du Nord” te Brugge

In zijn bijdrage “De Brugse werken van architect Isidore Alleweireldt” (Brugs Ommeland, 2009, 2, p. 71) schrijft Jaak A. Rau dat architect Alleweireldt (1824-1892) weinig respect had voor de gotische bouwstijl. Had dat psychologisch gezien te maken met het feit dat hij lid was van de Loge en dat de gotiek als “katholieke” kunst doorging?, vraagt de auteur zich af.

Niet Isidore maar zijn vader, de dokter Joseph-Bruno Alleweireldt (1778-1850) was lid van de vrijmetselaarsloge “La Réunion des Amis du Nord” die in Brugge actief was van 1803 tot 1831. De premisse als zouden vrijmetselaars per definitie beeldenstormers zijn berust sowieso al op vooringenomenheid maar is hier volstrekt onjuist.

Op de ledenlijst van 1818 en 1819 wordt Joseph-Bruno vermeld, die van 1808 tot 1824 zijn dokterspraktijk uitbouwde in Brugge. Andries Vanden Abeele, die een nauwkeurige Alleweireldt genealogie schreef (Brugs Ommeland, 1985, 3, pp. 179-199), veronderstelt dat Joseph in de periode 1810-1825 lid was van La Réunion des Amis du Nord. Aangezien hij niet meer voorkomt op de bewaarde ledenlijsten van 1821 en 1824 vermoeden we dat hij reeds eerder de loge verliet.

Joseph Alleweireldt was ook publicist. In 1818 verscheen een geneeskundige studie van hem bij de drukker E. Terlinck in de Breidelstraat. Emmanuel–Jacques Terlinck (1778-1836) werd op 16 augustus 1812 ingewijd bij La Réunion des Amis du Nord en kan beschouwd worden als de drukker van de loge. Een volgende studie uit 1824 verscheen bij drukker F. De Pachtere en niet meer bij Terlinck. Reeds in 1975 vestigden wij de aandacht op Terlinck als vrijmetselaar toen we een staalboek van hem uit 1827 aan het licht brachten (Op en om de bouwwerf, Brugge, .1975, p 166). Dit typografisch modelboek bevat 37 bladen (45 x29,5 cm) met op blad 15 drukblokken met maçonnieke symbolen.

Constant Ansiaux

In de periode 1818-1819 kon Joseph ook nog twee collega’s van hem in de loge ontmoeten. Men vergaderde toen Steenhouwersdijk 13, nu nr. 3 , en sinds 1985 hotel Die Swaene. Het was het eigendom van Charles Doudan (1773-1861). In februari 1831 zal hij de vereffening van de werkplaats op zich nemen. Joseph-Marie-Constant-Philippe Ansiaux (meestal Constant(in) genoemd) was geneesheer-majoor bij de 6de Afdeling infanterie. Deze Afdeeling was gelegerd in het voormalige Karthuizerklooster in de Langestraat. Hij werd geboren te Luik op 26 september 1782 en overleed te Brugge op 20 september 1821. De pers omschreef hem als een man algemeen om zyne kunde en dienstveerdigheyd geagt. In het jaar van zijn overlijden was hij nog adjunct-redenaar. Op de ledenlijst van 3 mei 1824 wordt Constant Ansiaux vermeld in de colonne funéraire of rouwplank.

Constantin Rodenbach

Een andere bekende figuur was dokter Constantin Rodenbach (1791-1846). Hij was de oom van de dichter Albrecht Rodenbach en de grootvader van Georges Rodenbach, de schrijver van “Bruges la morte” (1892). In 1821 was Constantin Rodenbach, geboren in Roeselare, maar sinds 1819 geneesheer in Brugge de Voorzittend Meester van die loge en de ex-Voorzittend Meester Charles Doudan werd de secretaris.  Begin 1827 nam dr. C. Rodenbach ontslag bij La Réunion des Amis du Nord.  Hij zou de leiding nemen van de anti-orangisten in Brugge.

De Omwenteling vond plaats in 1830. In december 1837 vond door de Belgische bisschoppen de publieke veroordeling plaats van de Belgische vrijmetselarij. De brief werd de eerste zondag van januari 1838 op alle preekstoelen van het land voorgelezen. Volgens de bisschoppen waren de vrijmetselaars “onwaardig de heilige absolutie te ontvangen”. De bisschoppelijke oorlogsverklaring wijzigde de oriëntering van de Belgische vrijmetselarij, die steeds meer evolueerde in de richting van het antiklerikalisme. Constantin Rodenbach werd volksvertegenwoordiger voor de Katholieke Partij en niet voor de liberalen! 

Willy Dezutter

U kunt uit dit artikel citeren mits bronvermelding met de volgende referentie: Willy Dezutter, Joseph-Bruno Alleweireldt (1778-1850) lid van de loge “La Réunion des Amis du Nord” te Brugge, op willydezutter.be [online] geraadpleegd op … (datum).

De hemelvaart van Jezus Christus

Als het over religie gaat raakt men snel in een discussie waar geloven belangrijker is dan weten. Na de kruisdood kwam de verrijzenis of opstanding (1). De verrijzenis vergt al een hele krachttoer maar om het nog gecompliceerder te maken ging men in de eerste eeuwen van het christendom ook nog eens over tot een uitbreiding van geloofsartikelen of geloofsbelijdenis (het credo) ook bekend als “de twaalf artikelen van het geloof”. Het geloof in de heilige geest, het geloof in de kerk en het geloof in de gemeenschap van de heiligen slaan we hier nog even over. Er blijven er dan nog drie over: de hemelvaart, de wederkomst en de “Dag des Oordeels” (2). Er zijn wel meer waanzinnige ideeën waarmee men beroemd en rijk kan worden.

De hemelvaart

Hemelvaartsdag is voor iedereen, gelovig en ongelovig, zeer interessant wegens het lange weekend, ook wel “verlengd weekend” geheten (donderdag, vrijdag, zaterdag, zondag). Kennelijk is er daarvoor genoeg economische draagkracht. In het christendom herdenkt men op die dag dat Jezus Christus is opgevaren naar god, zijn vader in de hemel. Dat gebeurde op de veertigste dag van zijn opstanding. Deze gebeurtenis staat beschreven in het evangelie van Marcus 16:19, Lucas 24:51 (die maakte de feitelijke reconstructie van dit gebeuren) en in Handelingen 1:1-12.

Zijn discipelen waren bij de hemelvaart aanwezig en Jezus beloofde hen om binnen korte tijd de “Heilige Geest” te sturen om hen te ondersteunen. Dat zou dan tien dagen later gebeuren (Pentékosté, vijftig). Dit pinkstergebeuren van de “uitstorting van de Heilige Geest” was in feite een vorm van opwekking , een poging tot nieuw leven inblazen van het geloof om de moed niet te verliezen. In de “Hemel” zit Jezus aan de rechterhand van “God de Vader” om mee te regeren. Bij de “Wederkomst” zal hij terugkeren op aarde om het “Laatste Oordeel” uit te voeren. Daar kan een modern mens niets mee aanvangen; dat is antieke kosmologie.

Om geloofsafval tegen te gaan hebben moderne theologen in de 20ste eeuw al vlug beweerd dat we hier niet moeten denken aan een beweging in de ruimte. Het is natuurlijk een leuk grapje: “Jezus, de eerste astronaut”. Het heeft niets met ruimtevaart te maken maar met het erkennen dat Christus rechtstreeks naar de hemel “opsteeg” (los van tijd en ruimte) om terug te keren naar waar hij vandaan kwam: bij zijn vader. De Sovjet-Russische kosmonaut Joeri Gagarin (1934-1968), die op 12 april 1961 in zijn Vostok 1 als eerste mens een ruimtevlucht maakte in een baan om de aarde,  kon achteraf dan ook verklaren: “Ik ben god daarboven niet tegengekomen”(3). In ieder geval viel er geen bovennatuurlijke entiteit te ontwaren. De vier astronauten van de Artemis II missie (1 april – 11 april 2026) vlogen 406.771 kilometer van de aarde, verder dan een mens ooit in de ruimte is geweest. Er gebeurden uitgebreide en gedetailleerde observaties om een toekomstige maanmissie voor te bereiden maar ook nu was er geen spoor van een god en engelen.

De hemelvaart van Jezus Christus is een fantasieverhaal dat dingen symbolisch moet verklaren hoewel woorden tekort schieten. De r.k. theoloog prof. E. Schillebeeckx (1914-2009) spreekt niet over hemelvaart maar over “verhoging” (4). Pasen is bij hem de verrijzenis en hemelvaart is de verhoging. De lutherse predikant en theoloog (en verzetsstrijder tegen het nazisme) Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) gaf goed aan wanneer het moment werd bereikt dat het sprookje niet meer dient verklaard te worden: “Mij dunkt dat het beter is te zwijgen bij de grens van ons weten”.

De hemelvaart, zeg maar de verdwijning van Jezus, heeft nog tot devotionele problemen geleid. In de Wet van Mozes (Torat Moshe) wordt de besnijdenis op de achtste dag bevolen in het boek Leviticus (12:3). Bij een rituele besnijdenis wordt de voorhuid van de penis weggesneden. Dat gebeurde ook bij de jood Jezus Christus (5). Die voorhuid was er niet meer bij de hemelvaart dus bleef die als reliek bewaard. Er zijn in Europa 18 kerken die de heilige voorhuid, of een deel van de voorhuid (zoals in Antwerpen), bewaren. Toch zijn er nog meer zogenaamde primaire relieken van Jezus bewaard zoals de navelstreng van na zijn geboorte, de melktanden, haren uit de baard, tranen die hij plengde (de lacryma Christi) en natuurlijk het bloed vergoten aan het kruis. Secundaire relieken zijn: doornen van de doornenkroon, spijkers en uiteraard ook veel splinters van het kruis. Uiteraard gaat het om vervalsingen. Het wordt hoog tijd dat men in de r.k. kerk ophoudt met al die onzin en ook serieus afstand neemt van al die verschijningen van Maria en wonderbaarlijke genezingen.

De kerk worstelt sinds zijn bestaan met het vraagstuk van kwaad en lijden wat ook veel gelovigen doet afhaken.  Het probleem van het kwaad en het lijden is het vraagstuk van de theodicee ofwel het geloven in een almachtige god die het kwaad en lijden in de wereld toelaat. Het idee van een persoonlijke god, ongenaakbaar en verborgen, valt nog door niemand te verdedigen. Op een ongevoelige god die zou bestaan buiten het universum zit niemand te wachten. Het christendom is een mythische godsdienst met ingrediënten zoals een maagdelijke geboorte, een verrijzenis uit de doden en een hemelvaart. 

Willy Dezutter

1 Zie voor de verrijzenis/opstanding het artikel van Willy Dezutter, De verrijzenis van Jezus Christus, op de blog willydezutter.be geplaatst op 1 mei 2026. Het mag overal ongelimiteerd geciteerd of overgenomen  worden en dat geldt ook voor het artikel over de voorhuid en bijgaand artikel over de hemelvaart. 

2 De Wederkomst (Parousie) en de Dag des Oordeels hebben wij behandeld in onze bijdrage “Het spiritueel testament van paus Franciscus (1936-2025) Een kritische ontleding”, op deze blog willydezutter.be geplaatst op 1 juni 2025. Beide gaan terug op typische apocalyptische geschriften die barsten van de fantasierijke beeldspraak. Moderne christelijke theologen beschouwen deze teksten als niet meer toepasselijk voor onze tijd.

3 Nikita Chroesjtsjov (1894-1971), de toenmalige secretaris-generaal van de Communistische partij van de Sovjet-Unie maakte aan het Centraal Comité onmiddellijk bekend dat “Gagarin in de ruimte had gevlogen maar daar geen god had gezien”. 

4 E. Schillebeekcx, Jezus. Het verhaal van een levende. Bloemendaal, 1974, p. 436.

5 Zie daarvoor Willy Dezutter, De voorhuid van Jezus Christus, op de blog willydezutter.be geplaatst op 1 april 2026.

De verrijzenis of opstanding van Jezus Christus

De leraar katholieke godsdienst Ignace Demaerel doet ieder jaar zijn uiterste best om in een column stil te staan bij de betekenis van Pasen en uiteraard staat de opstanding van Jezus hierbij centraal (Knack.be 3 april 2026).

Enkele decennia terug was het zelfs nog de bisschop zelf of een pater die zich daaraan waagde maar nu stuurt men liever een leerkracht godsdienst in de vuurlinie om het onwaarschijnlijke en onmogelijke te blijven verdedigen. Ignace Demaerel verwijst naar de 2,5 miljard (1) christenen die wereldwijd deelnemen aan de paasviering om de opstanding uit de dood te legitimeren maar dat wordt in de logica en argumentatieleer aangeduid als de “ad populum-drogreden”. Het idee dat een stelling waar of juist is, gewoon omdat een grote groep mensen dat gelooft, is logisch onjuist. De populistische drogreden is geen waarheid. De mate waarin een mening wordt gedeeld zegt niets over de feitelijke juistheid ervan (2). 

Hij is waarlijk opgestaan

Op Pasen is het vers van de dag Mattheüs 28:6 waar een engel over Jezus zegt: “Hij is hier niet, Hij is opgestaan”. “Hij is waarlijk opgestaan” is de vreugdevolle paasgroet en weerspiegelt de kern van de boodschap van de verrijzenis. Op de derde dag na zijn kruisiging is Jezus triomfantelijk uit de dood opgestaan. “Christus is verrezen” zei de engel. Het is een prefiguratie van de phishing mail. Engelen behoren tot de voorstellingswereld van de apocalyptiek en zijn geen godsdienstwetenschappelijk begrip. Geestelijke, niet lichamelijke wezens, bestaan gewoonweg niet.

Het christendom staat of valt met de verrijzenis

Volgens het dogma van het christendom werd Jezus gekruisigd als zoenoffer voor onze zonden. Voor de Neanderthalers (mensen uit het Laat-Pleistoceen) kwam hij te laat, die waren zo’n 40.000 jaar voordien uitgestorven. Voor de Azteken kwam hij te vroeg. Pas in 1492 werd Amerika ontdekt door Christoffel Columbus en Hernando Cortès, op zoek naar goud, verwoestte het laatste Aztekenrijk in 1511. Deze genocide was kennelijk Gods wil. De Kerk geeft altijd pasklare antwoorden op de vragen die zij zich zelf stelt. Ook deze “zielen” werden gered. In de tweede helft van de vierde eeuw voegde men gewoon een vijfde artikel toe aan de apostolische geloofsbelijdenis (De twaalf artikelen van het geloof): “nedergedaald ter helle”. In de tijd tussen zijn sterven en zijn opstanding is de geest van Christus namelijk tussentijds afgedaald in het dodenrijk (de Hades) (en niet de hel !). Daar ging Jezus ook aan de doden het evangelie verkondigen en de zielen bevrijden vanaf Adam. Dat verhaal (nota bene een dogma !) berust op twijfelachtige Bijbelse gronden en werd door de protestantse theoloog Johannes Calvijn (1509-1564) afgedaan als een “fabel”. En dan is men verbaasd dat de mensen niet kunnen geloven dat de rooms-katholieke theologie oprecht zoekt naar de waarheid.

Om het christendom (en zij die erin geloven) een eerlijke kans te geven zijn we er steeds van uitgegaan dat zijn levensloop niet een mythisch gebeuren was maar het historisch mensenleven van een prediker en genezer. Maar nu wordt het moeilijk. De gekruisigde Jezus is verrezen ! De kritische benadering zoals wij die voorstaan laat geen ruimte voor een beschrijving van de werkelijkheid gebaseerd op miraculeuze gebeurtenissen. “Geleden onder Pontius Pilatus, gekruisigd, gestorven en begraven” dat zijn constateerbare feiten die ook nog over andere mensen kunnen gezegd worden. Maar “Ten derde dage opgestaan uit de doden” dat klinkt toch al wat minder gewoon. Hier vertoeven we dan ook niet langer in de wereld van de wetenschap maar komen we in de sfeer van het geloof. Zeg maar het onwaarschijnlijke en het onmogelijke. De Jezus van het geloof en de Jezus als historische figuur zijn twee verschillende mensen.

Men vroeg eens aan de Japanse schrijver Haruki Murakami (geb. Kyoto, 1949) waarom zoveel mensen van oudsher geloven in bovennatuurlijke fenomenen en occulte zaken. Zijn antwoord: “Omdat de overgrote meerderheid van de mensen niet gelooft in de feiten zoals ze zijn, maar in de feiten zoals ze graag zouden hebben dat ze waren”. Ook de bevreesde en radeloze discipelen van Jezus, die wellicht in Jeruzalem vergaderden, kozen voor een constructie achteraf. Ze kozen resoluut voor het zelfbedrog.

Het christendom staat of valt met de verrijzenis (ook herrijzenis, opstanding, wederopstanding) van Jezus uit de doden. De kruisiging mocht niet het einde betekenen. Bekend is het woord van Paulus aan de gemeente in Korinthe: “Indien Christus niet is opgewekt, dan is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof” (1 Kor.15:14). Paulus schreef dat in 56 of 57 na Christus toen de evangeliën nog moesten geschreven worden. Hij heeft Christus overigens nooit gekend en ontmoette alleen de verrezen Heer ! Toen werd hij de apostel van de heidenen en de feitelijke stichter van het Christendom. Jezus verscheen aan Paulus als een “geestelijk lichaam”. Lang voor het optreden van Jezus (de periode 30-33) geloofden de joden (behalve de Sadduceeën) in de opstanding zodat het opportuun was om dat farizees gedachtengoed over te nemen. Paulus was trouwens voor zijn bekering een Farizeeër (Fil.3:5).

De dood, het verblijf van drie dagen in de onderwereld, en de opstanding daarna van een god, was in de Oudheid al lang bekend. Denken we slechts aan de god Attis die herrees. Ook toen riep men na drie dagen “Hij leeft”. Zijn mysteriecultus verspreidde zich over het oude Griekenland en het Romeinse rijk.

De vier evangeliën

 Ook in de vier evangeliën komt men de opstandingsverhalen tegen. Denken we maar aan al die voorspellingen “Op de derde dag zal hij verrijzen” bij Mattheüs 16:21; Marcus 8:31; Lucas 9:22. Die evangeliën schijnen maar één doel te hebben, namelijk dat Jezus de voorspellingen uit de joodse bijbel (Oude Testament) moet vervullen. De evangeliën van Marcus, Mattheüs en Lucas worden de synoptische evangeliën genoemd. Die evangelisten (Marcus 69-70) en Mattheüs en Lucas (rond 80-90) brachten ook allerlei versieringen aan. Zij moesten vooral bewijzen dat de leerlingen zelf het lichaam niet hadden gestolen.

Het verhaal over “het lege graf” komt in alle vier de evangeliën (dus ook Johannes 11:25 en Jo 20:9) voor maar niet bij de grote verkondiger Paulus. Die weet niets af van die legende zoals hij ook geen weet heeft van een maagdelijke geboorte (Eerste Brief aan de Korintiërs, 15:8). In de apocriefe (3) evangeliën wordt alles natuurlijk aangedikt: daar was het graf al zevenvoudig verzegeld ! De evangeliën bevatten niet alleen mooie legendes (zoals het verhaal over de Emmaüsgangers, Lucas 24:13-35) maar ook een schitterend liefdesverhaal dat zich afspeelde aan het lege graf. Het sprookje uit Johannes 19:25 waar de huilende Maria Magdalena de tuinman ontmoette. We kunnen niet genoeg benadrukken dat dit atypische evangelie pas dateert uit de eerste helft van de tweede eeuw maar dat het nu nog altijd verteld wordt alsof Johannes ooggetuige was. De nieuwtestamentische opstandingsverhalen bevatten veel legendes, tegenstijdigheden, verschillen en ongerijmdheden. Een betrouwbare reconstructie is bijna onmogelijk en veel theologen beschouwen het dan ook als een hopeloze onderneming.

Het opstandingsgeloof is van in het begin verkeerd gebracht. Wellicht heeft men er nooit bij stilgestaan dat er grenzen zouden komen aan de goedgelovigheid van de mensen. Men heeft het theologisch voorgesteld als de reanimatie van een dode maar dat was (om het modern te zeggen) slechte marketing. Een fantasie of wensdroom bleek uiteindelijk toch te werken bij de volgzame gelovigen en dat tot op de dag van vandaag. Of men het nu fysiek of psychologisch verklaart, het blijft buiten de werkelijkheid. We hebben hier niet te maken met historische mededelingen maar met geloofsgetuigenissen. Het christendom werd op die manier gereduceerd tot het geloof van de overleveringen. De absolute noodgreep bestaat erin om te verklaren dat god zelf Jezus uit de dood heeft opgewekt. Jezus is dan het waarachtige teken van gods werkelijkheid in de wereld. In Jezus van Nazareth heeft god zichzelf geopenbaard. Christus werd op die manier de Zoon van God. God (die niet bestaat) inroepen als de genezer van alle kwalen is natuurlijk een adequate oplossing.

Het christendom als inspiratiebron voor sociaal engagement willen wij natuurlijk niet bestrijden maar een vrijzinnig humanist heeft geen god nodig om tot hetzelfde inzicht te komen. Doe het goede om het goede en wat je zelf niet wilt, doe dat ook de ander niet. Het zou toch echt wel moeten lukken dat werkelijk gebeurt wat we diep van binnen verlangen: voortbestaan na de dood en de mensen van wie wij houden terugzien. Een god die dat belooft kan niet bestaan. 

Besluit

Het geloof in de verrijzenis van Jezus Christus kunnen we volledig verwerpen. De discipelen van Jezus hadden zoveel met hem opgetrokken en nu was hij er plots niet meer. Voor hen was hij niet dood, ze voelden nog zijn aanwezigheid. Paulus had de onweerstaanbare overtuiging dat Jezus levend was in hem. Hij had daarvoor geen leeg graf nodig. Wanneer je gelooft in Jezus kun je de “verrijzenis” er wel bijnemen. Het volstaat om te denken dat Jezus aanwezig is.

Zo’n verschijning (hallucinatie) leidt zelden tot permanente psychiatrische observatie. In tegendeel, men kan altijd nog heilig verklaard worden. Het breken en het delen van het brood kon door de volgende generaties verder gezet worden. De herinnering werd terug werkelijkheid. De dood van Jezus heeft inderdaad niet verhinderd dat zijn leer werd vervormd en ingebed in het machtige kerkinstituut. De opstanding is dus volledig geslaagd. Theologisch is dit voor velen wellicht te minimalistisch maar het is niet meer dan dat. De discipelen waren zo sterk onder de indruk gekomen van de persoonlijkheid van hun charismatische profeet dat ze eenvoudig niet konden geloven dat hij dood was.

De eerste christenen hielden geen rekening met historische feiten maar ze geloofden in de persoon van Jezus. Voor hen was hij waarlijk opgestaan. Hun zending werd hun waarheid. Jezus zelf was er niet meer dus schakelden zij maar over naar de kerkelijke verkondiging van Christus. De overgang van Jezus zelf naar de kerkelijke verkondiging. Zo kon men de meubels redden. De historische Jezus werd de gepreekte Christus. 

Maar als het al waar is dat de verrijzenis de essentie is van het christelijk geloof dan is het al even waar dat god zijn eigen zoon heeft terechtgesteld.

Willy Dezutter 

1 Het christendom is met ruim 2,4 miljard aanhangers de grootste monotheïstische wereldgodsdienst, gebaseerd op het leven en de leer (en de aangepaste kerkleer !) van Jezus Christus zoals beschreven door de vier evangelisten in het Nieuwe Testament. De drie hoofdstromingen zijn het rooms-katholicisme, het protestantisme en de orthodoxie. 

2 In het verleden geloofde de meerderheid dat de aarde plat was, maar dat maakte het niet waar.

3 De apocriefen van het Nieuwe Testament zijn teksten die in het vroege christendom door sommige christenen werden beschouwd als door god geïnspireerd maar uiteindelijk niet werden opgenomen in de canon van het N.T. Bekend zijn o.m. de jeugdevangeliën zoals het proto-evangelie van Jacobus en het kindsheidsevangelie van Thomas. Het zijn fantasierijke verhalen over de jeugd van Jezus.    

De voorhuid van Jezus Christus

Jezus van Nazareth werd door zijn christelijke volgelingen Jezus Christus genoemd. Hij was een Joods religieus leraar over wie in het Nieuwe Testament wordt verteld dat hij omstreeks het jaar 30 na het begin van de jaartelling actief zou geweest zijn in het toenmalige Galilea en Judea. Hij is de centrale figuur in het christendom en wordt door gelovige christenen beschouwd als de zoon van God.

Het christendom is ontstaan binnen de context van het jodendom en veel van de eerste volgelingen waren joden. De echte ontwikkeling van de christelijke identiteit komt er pas in de derde en vierde eeuw. Pas in 313 werd het christendom een gelegaliseerde godsdienst (het zgn. Edict van Milaan).

Tijdens het Eerste Concilie van Nicea , in 325 samengeroepen door keizer Constantijn , werd de officiële leer van de toenmalige kerk vastgelegd. De goddelijkheid van Jezus werd toen gedefinieerd, bijna drie eeuwen na zijn dood ! Tijdens het Concilie van Constantinopel, gehouden in 381, werd de leer van de Triniteit vastgelegd (de Vader, de Zoon en de Heilige Geest). Op die twee concilies werd de geloofsbelijdenis vastgelegd als een theologisch dictaat dat geldt tot op de dag van vandaag.

Het was de vroege kerk een doorn in het oog dat de Mithtrascultus maar bleef voortduren. Om de zonnedienst te kunnen beëindigen besloot paus Julius I (pontificaat 337-352) in het jaar 340 dat de christenen voortaan op de dies natalis solis invincti het geboortefeest van Jezus Christus moesten vieren. Voor de geboorteherdenking is gewoon gekozen voor 25 december, het Romeinse feest van de Sol Invictus, de winterzonnewende. De kerk was altijd zeer gekant tegen zogezegde heidense gebruiken maar het van oorsprong heidense feest van 25 december hebben zij geadopteerd om zo iedereen geruisloos aan zich te binden.

Paus Johannes-Paulus II (1920-2004) heeft zelf in 1994 verklaard dat Jezus Christus niet echt geboren was op 25 december maar dat deze datum gekozen werd omdat het al de datum was van een heidens midwinterfeest. Dat bewijst dat we niet genoeg kunnen blijven herhalen dat dit hele kerstverhaal een mythe is dat heden ten dage is uitgemond in een mooi feest van de middenstand.

De rooms-katholieke kerk kende volgens de oude liturgische kalender van de Romeinse ritus op 1 januari het feest van de Besnijdenis des Heren (Circumcisio Domini). Jezus werd volgens de joodse traditie acht dagen na zijn geboorte besneden. Dat is de laatste dag van het Kerstoctaaf, de zevende dag na Kerstmis. De besnijdenis van Jezus wordt alleen vermeld in het evangelie van Lucas (Lucas, 2:21) : Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen. Jezus werd op die manier opgenomen in het volk van Israël en werd hij deelachtig gemaakt aan het verbond van god met Abraham.

Friedrich Herlin, Besnijdenis van Jezus op het retabel van de twaalf apostelen (1466). Sint-Jacobskerk van Rothenburg Ob der Tauber.

Dit sluit aan bij de terechte ophef die regelmatig ontstaat, in België en andere landen,  over het ritueel besnijden van Joodse jongetjes die dit zonder toestemming moeten ondergaan en waarbij een inbreuk wordt gepleegd op de integriteit van het lichaam (1).

In de Wet van Mozes (Torat Moshe) (2) wordt de besnijdenis op de achtste dag bevolen in het boek Leviticus (12:3). Bij een rituele besnijdenis wordt de voorhuid van de penis weggesneden. In de rooms-katholieke kerk werd de rituele besnijdenis gelukkig geen “eeuwenoude traditie” en de viering van “De Besnijdenis des Heren” werd in de jaren zestig van de vorige eeuw afgevoerd van de liturgische kalender. In de katholieke kerk bestaat het kinderdoopsel, een besprenkeling met water, waardoor het pasgeboren kind wordt opgenomen in de katholieke gemeenschap. Het is de keuze van de ouders voor een onmondig kind maar die kan als volwassene andere paden inslaan en kiezen voor kerkuittreding. Het jodendom ziet Jezus als een afvallige jood. Bij de islamitische initiatierituelen komt de besnijdenis van jongens voor bij het bereiken van de puberteit. Hoewel algemeen verspreid in de islamitische wereld is het echter niet verplicht want het staat niet vermeld in de Koran.

De relikwie van de voorhuid (o.m. in de kathedraal van Antwerpen)

Met relieken moet men altijd oppassen. Er zijn verschillende hoofden van de Heilige Johannes, honderden splinters van het kruis van Jezus en evenveel doornen van de doornenkroon, heiligen met drie benen, drie zweetdoeken van de H. Veronica en natuurlijk ook Heilig Bloed in Brugge en andere steden. Meestal producten van de dubieuze reliekenhandel in Constantinopel in de 13deeeuw. Er was handel en diefstal van relieken(3).

Tot op de dag van vandaag zijn er priesters en gelovigen die de hemelvaart van Christus blijven beschouwen als een letterlijk gebeurd feit. Dat wijst op een gebrek aan intelligentie. Relieken die te maken hebben met Jezus zelf zijn zeldzaam want zijn lichaam verrees en later steeg hij op ten hemel.

Toch zijn er primaire relieken bewaard. We sommen ze kort op: de navelstreng van na zijn geboorte, de voorhuid na de besnijdenis, de melktanden, haren uit zijn baard, tranen die hij plengde en natuurlijk het bloed vergoten aan het kruis. En dan zijn er nog de secondaire relieken zoals de doornenkroon, spijkers en uiteraard houtsplinters van het kruis. Er zijn zoveel splinters bewaard , genoeg om er honderden kruisen mee samen te stellen ! Een doorn van de doornenkroon van Jezus is aanleiding geweest voor de bouw van vele kathedralen, bijvoorbeeld la Sainte Chapelle in Parijs. Die relieken dienden om de betekenis van Jezus aanschouwelijker te maken en van een historische basis te voorzien. Tegelijk waren het bronnen van inkomsten maar ook van prestige voor de bezitters als trekkers van bedevaartgangers.

De Reformatie verwierp in de 16de eeuw die religieuze economie. In het rooms-katholicisme bestaat die volksdevotie tot op vandaag. De voorhuid (Preputium Domini) van Jezus zou volgens de redenering van de theologen als enig lichaamsdeel zijn achtergebleven toen hij veertig dagen na Pasen opsteeg naar de hemel. Er zijn in Europa 18 kerken die de heilige voorhuid , of een deel van de voorhuid, als relikwie bewaren. Christus werd pas bekend in het jaar 33 maar dat stukje weggesneden huid had nog niets van zijn versheid verloren.

In de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen bewaarde men tot in de 16de eeuw het Sanctum Praeputium Domini, de Heilige Voorhuid van de Heer. Deze relikwie zou door een kapelaan van  Godfried van Bouillon (1060-1100) zijn meegenomen tijdens de kruistocht en daarna geschonken zijn aan de kathedraal van Antwerpen.

In 1426 werd de Broederschap ende Gulde vande Heÿliger Besnidenisse ons liefs Heeren Jesu Christ opgericht. Tijdens een jaarlijkse processie werd de relikwie van de voorhuid (in feite een fragment) in een reliekhouder getoond aan de gelovigen. Er was ook een Besnijdeniskapel in de Antwerpse kathedraal, nu Antoniuskapel. De relikwie verdween tijdens de beeldenstorm van 1566 maar de broederschap bleef bestaan tot 1786. Het ledenregister (hernieuwd 1684) en de boekhouding van 1559 tot 1720 bleven bewaard (4).

Omdat er, vooral in Europa, zoveel relieken van de voorhuid in omloop waren, decreteerde het Vaticaan in de 14de eeuw dat de enige echte relikwie zich bevond in de basiliek van Sint-Jan van Lateranen in Rome. De inwoners van Calacata (Calcata), een dorpje ten noorden van Rome, hebben altijd beweerd dat hun voorhuid de enig echte was. Een engel (!) overhandigde op het eind van de 8ste eeuw de voorhuid aan Karel de Grote die in de H. Grafkapel aan het bidden was. Hij gaf het tijdens zijn kroning tot keizer in 800 cadeau aan paus Leo III die het onderbracht in de kerk van Sint-Jan van Lateranen in Rome. In de 16de eeuw werd Rome geplunderd door Duitse huursoldaten. Eén van die soldaten vestigde zich in Calacata en bracht de gestolen relikwie mee. Jaarlijks organiseerden de inwoners een processie op 1 januari. De relikwie werd bewaard in een bronzen kistje onder het altaar maar werd in 1984 gestolen. Sindsdien is de “Voorhuid van de Verlosser” nog altijd spoorloos en trekt de processie niet meer door de straten.

Terloops wijzen we er op dat het Karel de Grote (+ 814) was, de Karel I van het Heilige Roomse Rijk, die de Saksen onder dwang tot het christendom liet bekeren. Hij voerde de doodstraf in tegen het blijven uitoefenen van hun traditionele Germaanse godsdienst. In de 12de eeuw werd Karel zalig verklaard !

Nog in 1862 verscheen er een brochure waarin de echtheid van de heilige voorhuid uit Charroux bij Poitiers werd bekrachtigd. Een aantal katholieken namen er echter aanstoot aan dat die relikwie bewaard werd in een meisjespensionaat van de zusters Ursulinen. Op bevel van de bisschop van Poitiers werd het daarop overgebracht naar het Bisschoppelijk Paleis waar het stof kon vergaren.

In het klooster van Sint-Cornelis in Compiègne bezat men zelfs als reliek het mes waarmee de besnijdenis werd uitgevoerd ! Aan zoveel onzin diende op den duur een einde gemaakt te worden. In 1900 vaardigde het Vaticaan een decreet uit tegen de verering van de Heilige Voorhuid op straffe van excommunicatie. Volgens het kerkelijk recht betekent dat de uitsluiting uit de kerk en verlies van sacramenten. De zwaarste vorm van kerkelijke straf moest toegepast worden om dit bijgeloof te bestrijden. Paus Leo XIII, pontificaat 1878-1903 en een intellectueel, pleitte voor een katholieke wetenschapsbeoefening maar ook voor de gewantrouwde natuurwetenschappen. Hij werd daardoor gewantrouwd door de ultrakatholieken. Het decreet kwam er vooral omdat de Kerk te veel in verlegenheid werd gebracht.

Willy Dezutter

1 Jan De Zutter, Niet meer van deze tijd. Niet-medische besnijdenis van jongens, in: Het Vrije Woord. Driemaandelijks tijdschrift Humanistisch Verbond, 70 (2025), 2, p. 10-12.

2 De Wet van Mozes (Hebreeuws : Torat-Moshe) is de verzameling religieuze, ceremoniële en morele wetten en voorschriften die god volgens de Hebreeuwse bijbel via Mozes aan het volk van Israël gaf. Het omvat de eerste vijf boeken (de Thora of Pentateuch) inclusief de Tien Geboden. Binnen het orthodox jodendom gaat men voor de absolute acceptatie van de Thora als ultieme waarheid. Dit dogmatisch denken is natuurlijk niet meer van deze tijd. Die boeken (rollen) kregen vorm in de periode 8ste tot 2deeeuw voor onze tijdrekening. Ook “eeuwenoude tradities” zijn niet onveranderlijk. Het argumentum ad antiquitatem is een drogreden. In Ieper (West-Vlaanderen) gooit men tijdens de kattenstoet ook geen levende katten meer van het Belfort. Daar is men al in 1817 mee gestopt.

3 Marc Van Strydonck, e.a. Relieken, echt of vals ? Davidsfonds/Leuven, 2006.

4 Deze tot voor kort onbekende documenten werden in december 2025 geveild bij Arenberg Auctions, Brussel. Zie ook algemeen: Wendy Wauters, De geuren van de kathedraal. De overweldigende 16de eeuw in Antwerpen, Lannoo/Tielt, 2023.              

Drie oorlogsslachtoffers (1940-1945) van de Brugse loge La Flandre

Op de colonne funéraire (rouwplanken) van de Brugse loge La Flandre, opgericht op 4 juni 1881, staan de namen van drie broeders aangeduid in rode letters. Ze onderscheiden zich daarmee van de andere namen op de rouwplanken van broeders die afreisden naar het Eeuwige Oosten (1) die worden weergegeven met zwarte letters. Dit onderscheid in kleur werd aangebracht om duidelijk te maken dat de drie afgestorven broeders omkwamen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

La Flandre behoort tot de obediëntie (koepelorganisatie) van het Grootoosten van België (G.O.B.) , (gesticht 1833), een adogmatische strekking binnen de vrijmetselarij die staat voor scheiding van kerk en staat en individuele gewetensvrijheid. Het G.O.B. had in de Tweede Wereldoorlog 108 slachtoffers te betreuren: 65 weerstanders en politieke gevangenen, 17 gedeporteerde joodse broeders, 11 maçons die vermoord werden door collaborateurs, 9 gesneuvelden bij militaire operaties, 2 krijgsgevangenen en 4 die niet werden geïdentificeerd (2). Die broeders werden in het algemeen eerder omgebracht omdat ze verzetsdaden pleegden dan om hun hoedanigheid van vrijmetselaar (3) en daarenboven werden ze zeer dikwijls aangegeven door collaborateurs.

Grootmeester Jules Hiernaux (1881-1944) werd in 1944 in zijn huis door rexisten (Belgische fascistische politieke beweging) vermoord. Natuurlijk werd door de Duitsers wel de gehele vrijmetselarij geviseerd door de verordening van 20 augustus1941 waarbij de loges werden ontbonden en hun goederen aangeslagen. In Brugge vond in het logegebouw in de Beenhouwersstraat 2 van 8 tot 22 februari 1942 de anti-maçonnieke tentoonstelling plaats die werd georganiseerd door de vzw Volkswacht onder leiding van de collaborateur Joris Desbonnet (Gent 1914 – Dadizele 1993).

Affiche van de anti-maçonnieke tentoonstelling uit 1942 (verzameling vzw La Flandre, Brugge)

Per 1 maart 1943 sloeg de DeVlag (Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap) er zijn tenten op om te blijven tot 10 september 1944, twee dagen vóór de bevrijding van Brugge door de Canadezen. De leider van de DeVlag was toen de Brugse leraar Zeger Andries (1901-1967) die later kon gearresteerd worden en veroordeeld werd (4).

Albert Dalcq (1900 – 1940)

Albert Dalcq werd geboren in Couvin op 31 mei 1900. Na de Eerste Wereldoorlog besloot hij om beroepsofficier te worden in het Belgisch Leger. Op 26 december 1925 werd hij bevorderd tot artillerie-luitenant en zijn benoeming tot artillerie-kapitein volgde op 26 september 1938. In volle mobilisatietijd werd hij kapitein-commandant (5).

In de ochtend van 10 mei 1940 viel het Duitse leger Nederland en België binnen. Cdt. A. Dalcq behoorde tijdens de Achttiendaagse Veldtocht tot de eenheid van het 20steartillerie. Zij en anderen moesten het Albertkanaal verdedigen. Het Fort van Eben-Emael was het centrale punt van de Belgische verdediging aan zijn oostgrens. Het bewaken van de bruggen over het Albertkanaal bij Vroenhoven, Veldwezelt en Kanne, was daarbij cruciaal. Het Fort van Eben-Emael en twee bruggen over het Albertkanaal werden bij verrassing genomen door Duitse parachutisten. Bij deze actie sneuvelde Cdt. A. Dalcq op 10 mei 1940 in Veldwezelt (6). Op 28 mei 1940 capituleerde België. Op 29 mei 1940 stond de Geheime Feldpolizei al in het logegebouw in Brugge.

Marcel Van den Broucke (1888 – 1945)

Hij werd geboren (7) in Sint-Joost-ten-Node op 6 april 1888 . Hij studeerde aan het Koninklijk Atheneum van Brugge waar hij Julius Sabbe (1846 – 1910), ooit stichtend lid van La Flandre in 1881,  als leraar Nederlands had. In Knokke werd hij directeur van de Bank van Brussel.

Vanaf 1 augustus 1921 werd hij liberaal schepen voor onderwijs in Knokke. Op 8 december 1940 nam hij ontslag als schepen en op 27 februari 1941 als gemeenteraadslid. In 1932 was hij medeoprichter van het Willemsfonds-Knokke en in zijn loge La Flandre was hij Achtbare Meester van 1932 tot 1936. Er wordt een portret van hem als Voorzittend Meester bewaard in La Flandre (zie afbeelding) maar dat werd na de oorlog opnieuw uitgevoerd door kunstschilder Armand Van Reck (Blankenberge 1901 – 1981), lid van La Flandre. Er werden immers in totaal bij La Flandre tijdens de oorlog negen schilderijen in olieverf gestolen. Die portretten van Achtbare Meesters (voorzitters) werden nooit teruggevonden.

Portret van Marcel Van den Broucke (1888-1945) als Achtbare Meester van La Flandre (1932-1936). Schilderij in olieverf (afm. 78 x 63 cm), door Armand Van Reck (1901-1981).
Verzameling vzw La Flandre. Foto J. Godecharle, Brugge 

Op 2 juli 1944 werd hij in Knokke als weerstander gearresteerd door de Gestapo en overgebracht naar de Kriegswehrmachtgefängenis van Gent. Op 12 augustus 1944 arriveerde hij, met nog andere Knokkenaars, in het concentratiekamp van Buchenwald.   Daar bezweek hij op 3 maart 1945 (8). Op 1 november 1948 werd door het gemeentebestuur van  Knokke een bronzen gedenkplaat onthuld in aanwezigheid van zijn weduwe Alice D’Hoore (9).

Theodule Macharius ( 1902-1945)

Hij werd geboren (10) te Denderbelle op 13 december 1902. Op 30 juni 1928 behaalde hij zijn diploma van onderwijzer aan de Rijksnormaalschool van Gent. Hij werd onderwijzer aan de gemeentescholen van Sint-Gillis-bij-Dendermonde, Kortrijk, Denderbelle, Hoboken en aan de RMS van Pecq. Op 24 oktober 1931 werd hij benoemd als leraar aan de Rijksmiddelbare School van Brugge. Op 23 september 1939 werd hij gemobiliseerd en bleef tot 26 augustus 1940 onder de wapens.

Tijdens de bezetting stichtte Theodule Macharis de Brugse afdeling van het Onafhankelijkheidsfront dat uit twee afdelingen bestond: de Patriottische Milities en het Partizanenleger. In 1944 werd Theodule Macharis in het partizanenleger aangeduid als instructeur voor Limburg en daar werd hij door de Duitsers aangehouden en op transport gesteld naar het concentratiekamp Neuengamme.

Op 3 mei 1945 werden duizenden gevangenen van Neuengamme in schepen geladen, waaronder de Cap Arcona en achtergelaten in de baai van Lübeck. Op die manier probeerden de nazi’s het bestaan van het kamp te maskeren. De geallieerden (Royal Air Force) zagen de schepen aan voor troepentransportvaartuigen en brachten de schepen tot zinken. Zesduizend gevangenen kwamen om. Zoals Theodule Macharis kregen ze als plaats van overlijden Neustadt (Holstein) dat in de Lübeckerbocht ligt. Er is daar ook een herdenkingsmonument (11).   

De laatste zitting bij La Flandre vóór de oorlog was 10 maart 1940 en na de oorlog was vanaf 3 maart 1945 de tempel weer bruikbaar. Het was de dag dat hun ex-Achtbare Meester Marcel Van den Broucke bezweek in Buchenwald (12).

Willy Dezutter

  1. Het Eeuwige Oosten of E.O. is de maçonnieke uitdrukking om het overlijden van een broeder aan te duiden. Zijn of haar naam wordt dan bijgeschreven op de rouwplanken.
  2. Philippe Cullus, Les Francs-Maçons de Belgique et la deuxième guerre mondiale, in: 50 ans après, des maçons témoignent/ 50 jaar nadien, getuigenissen van vrijmetselaars. Brussel, 1996, p. 18. Op 1 maart 1940 waren er in België (G.O.B.) 29 loges en 4.679 leden. Op 1 maart 1950 was dat cijfer 4.102 of een nationaal verlies van 12,33 %. In Vlaanderen bedroeg het verlies -3,63 %. Ibidem, p. 17. Op 1 maart 2016 telde het G.O.B. 115 loges en 10.167 leden.
  3. José Gotovitch, Réflexions d’un historien, in: 50 ans op.cit. p. 129. De vervolging van de joden was eerder het gevolg van de nazi-ideologie.
  4. Willy Dezutter, De Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVLAG) in Brugge (1940-1944), in:  Brugs Ommeland , 58 (2018), p. 60-64 en online op willydezutter.be .
  5. Koninklijk Legermuseum, Brussel. Dossier A. Dalcq stamnr. 23089. Eenheid 20ste artillerie. Kapitein-commandant van de 2de groep 4de batterij.
  6. Behalve A. Dalcq sneuvelden op 10 mei 1940 ook nog vijf Belgische soldaten bij Veldwezelt.
  7. Marcel-Auguste-Marie Van den Broucke, Sint-Joost-ten-Node 6 april 1888. Bezweken in Buchenwald 3 maart 1945.
  8. Het Guldenboek van de Belgische Weerstand. Brussel, uitgave Leclercq, 1948, p. 419.
  9. Brochure “Hulde aan Marcel Van den Broucke” met een rede door toenmalig (katholiek) schepen van onderwijs Eugène Mattelaer die “de geest van diepgeworteld humanisme” prees. Eugène Mattelaer (1911-1999) was van 1947 tot 1966 schepen, van 1966 tot 1971 burgemeester van Knokke en nadien van Knokke-Heist tot 1973.
  10. Theodule, Placide, Antoon Macharis, geb. Denderbelle 13.12.1902- omgekomen Neustadt (Holstein) 3 mei 1945. Hij was ongehuwd.
  11. In totaal kwamen 1571 Belgen om in Neuengamme. www.KZ-gedenkstaette-neuengamme.de/geschichte/totenbuch/
  12. Zijn portret kon niet geïdentificeerd worden door Jeffrey Tyssens en Dominiek Dendooven, (red.) “De Heeren Broederkes van den Moortelbak”. 250 jaar vrijmetselarij in West-Vlaanderen, Brussel, 2015, p. 177 en bijgevolg verneemt men ook niets over dit oorlogsslachtoffer.

Compagnonnage – een historisch overzicht

Drie legenden

(1) Les Enfants de Salomon

Volgens bepaalde, soms erg verwarrende legenden hebben de wortels van de compagonnage een Bijbelse oorsprong. De geschiedenis van de bouwgezellen zou opklimmen tot koning Salomon (omstreeks 965-926 vóór onze tijdrekening), de bouwer van de Tempel van Jeruzalem.

Volgens het boek der Koningen (V,27 – 30,VI), met de geschiedenis van de Israëlische monarchie, liet koning Salomon uit dank aan Jahweh een tempel bouwen. Dertigduizend bouwvakkers stonden onder leiding van Hiram Abif, ook Adoniram genoemd. Zeventigduizend lastdragers en tachtigduizend steenhouwers stonden in voor het reusachtige werk, onder toezicht van drieëndertighonderd man. Leerlingen en gezellen werkten onder leiding van de meesters. Jaloerse gezellen wilden van de bouwmeester Hiram het meesterwoord vernemen. Omdat hij weigerde dit bekend te maken, vermoordden ze hem en begroeven hem op een veld buiten de tempel. Ze werden ontmaskerd en door koning Salomon terechtgesteld. Hiram werd met grote eer in de tempel begraven.

De bouwgezellen – les Compagnons du Devoir de Liberté– beschouwden deze tempelbouwers als hun historische voorgangers en noemden zich les enfants de Salomon. In dit verhaal, met het benadrukken van het hoge aantal deelnemers om de belangrijkheid te onderstrepen, herkennen wij elementen die we ook aantreffen in de meestergraad van de vrijmetselarij.   

(2) Les Enfants de Maître Jacques

Les Compagnons du Devoir noemden zich Les Enfants de Maître Jacques, verwijzend naar de steenhouwer uit Gallië die aan de bouw van de tempel van Jeruzalem had meegewerkt na de belangrijkste plaatsen in Griekenland en Egypte te hebben bezocht.

Na de bouw van de Tempel verliet hij Juda samen met Père Soubise, met wie hij in onmin raakte. Hij ontscheepte in Marseille en vormde een groep van dertien compagnons en veertig discipelen, met wie hij drie jaar lang rondreisde. Hij trok zich in eenzaamheid terug in Sainte-Baume-en-Provence. Hij werd er verraden door één van zijn leerlingen en door een groep gewapende mannen vermoord. In deze legende vertoont het leven van Maître Jaxques treffende gelijkenissen met dat van Jezus Christus.

Sainte-Baume is voor de compagnons een bekend bedevaartsoord waaraan ook de legende van Maria-Magdalena is verbonden. Maria-Magdalena speelt eveneens een belangrijke rol in de compagnonnage. De uitbeelding van de verschijning van Christus aan Maria-Magdalena, de dag na de kruisiging en de graflegging en de dag vóór de verrijzenis, en de woorden Noli me tangere (wil mij niet aanraken) worden in de symboliek van de compagnonnage gebruikt. Anderen zien in Maître Jacques de laatste grootmeester van de Tempeliers, met name Jacques de Molay, die in 1314 in Parijs op de brandstapel stierf. De Tempeliers hebben een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling en de verspreiding van de West-Europese bouwkunst in de periode na de kruistochten. Nog anderen zien in Maître Jacques een zekere Jacques Moler, tijdens de middeleeuwen een meester van de bouwgezellen. Ook steenhouwers (of loups-garous), schrijnwerkers en slotenmakers (of dévorants) volgden de ritus van de Kinderen van Maître Jacques.

(3) Les Enfants du Père Soubise

Volgens een derde opvatting had de benedictijnermonnik Père Soubise, samen met zijn vriend Maître Jacques, aan de bouw van de Tempel van Salomon meegewerkt. Nadien kwam hij terug naar Gallië. Beiden raakten in onmin wat aanleiding gaf tot onenigheid tussen hun volgelingen. De timmerlieden die zich Enfants du Père Soubise noemden, werden aangeduid met de naam drilles.

Compagnons du Tour de France. v.l.n.r. Koning Salomon, Maître Jacques, Père Soubise.

Historische achtergronden

De juiste oorsprong van de compagnonnage blijft duister daar historische gegevens en documenten schaars zijn. In Frankrijk ontwikkelde de compagnonnage zich los van (en soms in conflict met) het ambachtswezen en leidde, zeker vanaf het einde van de middeleeuwen, een afzonderlijk en discreet bestaan met eigen gebruiken en riten. Later, vooral sinds het 19deeeuwse mysterieuze romantisme, heeft deze discretie bijgedragen tot de geheimzinnige reputatie van de beweging.

De Compagnonnage ontwikkelde en verspreidde zich vooral in Frankrijk. Ten noorden van de Seine kwam ze pas vanaf de 16de-17de eeuw voor en dan nog in veel mindere mate. Het corporatief groeperen van werklieden met gelijke beroepsspecialiteiten was een uitgesproken stedelijke aangelegenheid. Een degelijke beroepsopleiding, onderlinge bijstand en de beleving van een gemeenschappelijke ethiek waren de oogmerken.

Er was een duidelijk onderscheid tussen enerzijds de ambachtsbesturen, met een protectionistisch corporatief systeem, die maatschappelijke en economische doelstellingen nastreefden, en anderzijds de compagnonnage, die enkel werklieden verenigde en louter gericht was op technische en spirituele waarden. De liefde voor het kwaliteitsvolle werkstuk was primordiaal. Zo’n werkstuk, als meesterproef, werd een chef-d’œuvre genoemd. Zij staan op tentoonstellingen en in de gespecialiseerde musea (Tours, Parijs, Arras) nog altijd in de grote belangstelling.

Chefs-d’œuvre. Musée du Compagnonnage, Tours.

Tijdens de bloeiperiode van de kathedralenbouw telden de gezellenorden enkel ambachtslui uit de bouwwereld: metselaars, steenhouwers, timmerlieden, schrijnwerkers, slotenmakers, dakdekkers e.a. Later kwamen daar andere beroepslui bij maar steeds lag de klemtoon op het bewerken van een of ander materiaal, hetzij steen, hout, leder of metaal. Ook het verwerven, verbeteren en doorgeven van beroepskennis stond centraal. Aan de stipte naleving van de reglementen werd streng de hand gehouden. Deze hadden betrekking op de opleiding van de leerling, het bekomen van de graad van meester, de indeling van de werkdag, de verplichtingen op de feestdagen en niet in het minst de kwaliteit van het geleverde werk. De leertijd bedroeg gemiddeld drie tot vijf jaar. Dan kon de gezel, na het afleveren van een wel omschreven werkstuk – het meesterwerk – het meesterschap verwerven.

De Compagnons du Devoir, benaming die reeds voorkomt in de 13de eeuw, hebben een oudere geschiedenis dan de corporaties. De term devoir betekent het geheel van reglementen, riten en codes eigen aan de vereniging. Reeds in 1276 vormde zich in Straatsburg onder de bouwvakkers een loge van vrijmetselaars (Frei-Mauer). Menig metselaar, steenhouwer en timmerman werkte daadwerkelijk mee aan de bouw van talrijke kathedralen. De bloeiperiode situeerde zich in de 12de en 13de eeuw.

De meest gekwalificeerden noemden zich Compagnons du Saint Devoir de Dieu. Ze waren vrij om van de ene bouwwerf naar de andere te trekken (men noemt dat de franchise). Hun beroepskennis werd doorgegeven van meester op leerling. Deze hoofdzakelijk mondelinge kennisoverdracht versterkte nog het discrete karakter van het meesterschap. De beroepssolidariteit werd steeds hoog geprezen.

Pas in de 15de eeuw werd in de archiefstukken melding gemaakt van de compagnonnage. Tot in de 17de eeuw kende ze een eerder clandestien en discreet karakter. Om aan de voogdij van de ambachten te ontsnappen werd toevlucht gezocht tot het zich in het geheim organiseren. Dit werd door de overheid getolereerd. Deze handelwijze versterkte nog het samenhorigheidsgevoel en het bevorderde het esoterische karakter. De Franse Revolutie bracht de compagnonnage een zware slag toe. In 1791 verbood de wet Le Chapelier het verder bestaan ervan. Dit leidde tot ongenoegen en veroorzaakte opstootjes. Clandestien bleef ze bestaan. 

De compagnonnage in de 19de eeuw en heden ten dage

De compagnonnage maakte in de 19de eeuw een versnelde evolutie door. Agricol Perdiguier (1805-1875), Avignon la Vertu, de grote promotor van de compagnonnage in Frankrijk vanaf het tweede kwart van de 19de eeuw, streefde naar een samensmelting van de verschillende Devoirs. In 1839 publiceerde hij zijn Livre du Compagnonnage dat een groot succes kende en meermaals werd herdrukt. Het inspireerde onder meer George Sand tot haar roman Compagnon du Tour de France (1841).

Portret van Agricol Perdiguier (1805-1875), Avignonais la vertu, de grote promotor van de Compagnonnage in Frankrijk. Olie op paneel, ca.1860-1865.

Onder koning Louis-Philippe (1830-1848) was er opnieuw een tendens om beroepsverenigingen op te richten. Op 21 maart 1848 organiseerden de Compagnons de tous les devoirs een mars naar Parijs waaraan ongeveer tienduizend leden deelnamen. De revolutie van 1848 had in zekere zin een gunstige invloed op deze opflakkering.

Onder keizer Napoleon III (1848-1851 president, keizer 1852-1870) werden werknemerssyndicaten gescheiden van werkgeversorganisaties. In 1889 werd de Union Compagnonnique des Devoirs Unis opgericht; zij bracht de verschillende beroepen samen. De Union stond open voor beroepen waar de winkelhaak niet te pas komt, zoals bakker en kok.

In 1900 waren er in Frankrijk drie ritussen actief: l’Ancien Devoir, die de ritus van Maître Jacques en Père Soubise volgde en verder de timmerlieden, schrijnwerkers en slotenmakers van de Devoir de Liberté en tenslotte de Union Compagnonnique.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd onder bescherming van maréchal Pétain in 1941 een Association ouvrière opgericht. Na de Tweede Wereldoorlog konden de timmerlieden zich opnieuw organiseren.

Momenteel zijn er in Frankrijk drie families:

(1) De Fédération Nationale Compagnonnique des Métiers du Bâtiment, die een tijdschrift verzorgt: Compagnon et Maîtres d’Oeuvre. Tot deze vereniging behoren ook Belgen.(1).

(2) Daarnaast bestaat de Union Compagnonnique des Compagnons du Tour de France des Devoirs Unis (ontstaan in 1889), met een eigen tijdschrift Le Compagnonnage (met zetel in Versailles).

(3) De Association Ouvrière des Compagnons du Devoir du Tour de France (ontstaan in 1941). Er is ook een internationale Confédération Compagnonnages Européens (Europäische Gesellenzünfte) (C.C.E.G.), die voor het eerst in 1953 samenkwam. In België bestaat de Conservatoire Compagnonnique des Métiers en Belgique (Dolhain, Wallonië). Toegankelijk voor mannen èn vrouwen. 

Spiegel van de Compagnonnage, 19de eeuw.

De initiatie

Een belangrijke gebeurtenis in de opleiding van de compagnons is het ondernemen van de Tour de France, waarbij gezellen in wijzerzin van de ene stad naar de andere trekken om zich bij een plaatselijke meester te bekwamen in hun vak. Ontstaan in een ver verleden werd deze gewoonte pas op het einde van de 16de eeuw goed georganiseerd.

Nu nog doen vele jongeren jaarlijks deze ronde en dit gedurende twee tot zes jaar. Zij verblijven dan in de lokale cayenne-herberg, waar de mère, een echtgenote van een meester, instaat voor hun logies. Na hun dagtaak krijgen de gezellen vervolmakingscursussen. Ze verblijven meestal zes maanden tot een jaar in dezelfde stad. Compagnons noemen zich onder elkaar pays (die hun beroep op de grond uitoefenen) of coterie (die hun beroep op de steigers uitoefenen). Net als vroeger kan men door het vervaardigen van een meesterstuk (een chef-d’œuvre) het meesterschap verwerven.

De inwijding gebeurt in 11 stappen. Bij de initiatie moet de compagnon beloven het geheim van de Devoir te bewaren. Deze belofte wordt met eigen bloed ondertekend. De aspirant-meester moet allerlei vragen beantwoorden en proeven doorstaan. Zuiveringsritussen door water en vuur geven aan de ceremonie een spirituele dimensie. Tenslotte krijgt de geïnitieerde een eigen symbolische naam. De naam bestaat uit twee delen: de naam van de streek of stad van herkomst en een hoedanigheid van de geïnitieerde. Ze kunnen de symbolische gouden oorringen (les joints) dragen en de wandelstok (la canne, zinnebeeld van rechtschapenheid en van steun op de lange tocht) ter hand nemen. De wandelstok kan op verschillende manieren vastgehouden worden, telkens met een eigen symbolische betekenis.

In de geest van de compagnons wordt sterk de nadruk gelegd op de menselijke vorming: broederlijkheid, vriendschap en gemeenschapsgevoel zijn waarden die onmiddellijk ermee kunnen worden geassocieerd. De compagnons koesteren een echte liefde voor goed uitgevoerd werk met groot respect voor de handenarbeid. De compagnonnage en de vrijmetselarij vertonen veel overeenkomsten in symboliek en werkwijze maar zijn organisatorisch totaal van elkaar gescheiden (2).

Willy Dezutter               

Noten

  1. De eerste compagnon in België was Arthur Vandendorpe (Brugge 1937 – Brugge 2025), sinds 1964 aspirant-lid en sinds 1969 compagnon van de Compagnons Charpentiers des Devoirs en bekende restaurateur van monumenten. Zijn symbolische naam was Brugeois le Soutien des Couleurs des Compagnons Charpentiers des Devoirs. Op de bouwwerf bracht hij altijd een groot publiciteitsbord aan met passer en winkelhaak, eveneens een bekend symbool van de compagnonnage. Menig vrijmetselaar die dit zag belde mij op met de overbodige vraag of hij vrijmetselaar was! De gedachte alleen al. Door onverdraagzaamheid en kans op broodroof is het in België nog altijd niet opportuun om zich op zo’n wijze te afficheren als vrijmetselaar-ondernemer. Ook Engelse toeristen/vrijmetselaars in Brugge raakten in de war. Arthur Vandendorpe overleed in Brugge op 30 juni 2025 en werd 88 jaar. De uitvaart vond plaats op zaterdag 5 juli in de Sint-Salvatorskathedraal van Brugge.
  2. Zeer bekend en het bezoeken waard is het Musée du Compagnonnage in Tours (Rue Nationale 8) (FR). Sinds 1994 is er ook Une maison des Métiers (Rue Maximilien Robespierre 9) van de Fédération Compagnonnique in Arras (FR.). De belangrijke Fédération Compagnonnique des Métiers du Bâtiment vindt men Av. Jean Jaurès 143 in Parijs. Algemene inlichtingen en bibliografie: www.compagnonnage.org .

Het ezelsvel van Jan van Eyck

De kunstschilder Jan van Eyck (ca. 1390-1441) kwam oorspronkelijk uit de wereld van de miniatuurkunst. Van Eycks schilderstijl, met zijn nadruk op waarneming en detail, wortelde in de ontwikkelingen in de miniatuurkunst van die tijd. Zijn vermogen om minuscule details te schilderen getuigt van een scherpe blik en een nauwkeurige weergave van de werkelijkheid, een eigenschap die hij deelde met de miniatuurkunstenaars.

Zijn werken, zoals “Het Lam Gods”, tonen een ongekend realisme en detail, waarbij hij miniaturen omzette in levensechte figuren. Zijn intensief kleurenpalet: de kracht van de hoofdkleuren rood, groen en blauw verenigd, de vertrouwdheid met de weergave van het licht zien we terug in miniaturen die aan hem zijn toegeschreven (1). Hij hield nauwe banden aan met de boekverluchters in Brugge, die van topniveau waren.

Hij was dus vertrouwd met de techniek van de boekverluchting en kende de dragers, het perkament, als geen ander. Perkament had vanaf de 2de eeuw al de papyrus vervangen als drager van handschriften, vooral in vochtige klimaten zoals het onze. V oor de voornaamste opdrachtgevers was ezelsvel het hoogwaardige perkament, het meest duurzame als drager. Ezelsvel had de eigenschap om de toegevoegde versieringen op de omslag van het boek zoals goud- of zilverbeslag, email, bergkristallen, edelstenen of ivoren plaatjes met snijwerk bijeen te houden en moeiteloos te dragen. Ook waren de lichte kalverenvellen of velijn minder bestand tegen atmosferische invloeden vanwege hun geringe dikte, wat tot vervormingen kon leiden. Het ezelsvel was bovendien bestand tegen herhalingen of verbeteringen. Het wegkrabben met een schrapmes kon zonder probleem herhaald worden op een drager uit ezelsvel, gezien de stevige dikte.

Deze dragers bleven lang populair, tot in de 18de eeuw voor luxe-handschriften. Om atmosferische invloeden minder kans te geven prepareerden en beschilderden de Vlaamse Primitieven hun panelen en lijsten (de panelen waren al ingewerkt in de lijst bij aanvang van de preparatie) op voor- en achterzijde. Zo ook deed Jan van Eyck dit met het Portret van Margareta van Eyck in 1439 (2).

Op vraag van Dirk De Vos (3), conservator Groeningemuseum en van het restauratieatelier van de Stedelijke Musea, waarvan ik deel uitmaakte, werd de achterzijde van het ingewerkt paneel met het portret van Margareta van Eyck nader onderzocht door de professoren Roger Van Schoutte en Hélène Verougstraete (KUL en UCL). Het paneel in eik had, onder invloed van atmosferische invloeden en veroudering ( het krimpen van het hout), het zo kenmerkende barstennet veroorzaakt in de preparatie- en verflaag aan de voorzijde, goed zichtbaar in het gezicht van de geportretteerde Margareta. Door de krimping (veroudering) van de lijst in de eikenhouten drager was er aan beide kanten baardvorming. Alles normaal dus, uitgezonderd de porfierschildering op de achterzijde van het portret, dat niet het minste craqueluurtje vertoonde. Deze drager had heel erg weinig of niets bewogen, was niet verouderd en praktisch niets gekrompen. Een paar vezels aan de baard werden uitvergroot onder de microscoop en de mysterieuze drager bleek een ezelsvel te zijn, gemaroufleerd op het eiken paneel. De buitengewone kwaliteit van de porfierimitatie-schildering was dus te danken aan een ezelsvel.

Portret van Margareta van Eyck (1439). Voorzijde. Groeningemuseum, Brugge.

Achterzijde portret Margareta van Eyck. Porfierschildering op ezelsvel gemaroufleerd op het paneel. Groeningemuseum, Brugge.

We kunnen ezelsvel bij de Ieperse mercenier Joseph van Houtte in de 18de eeuw voor Memorieboeken dus letterlijk interpreteren (Biekorf, 2025-2,p.254). Met memorieboeken, ook memoriaal genoemd, kunnen diverse soorten schriften, registers of boeken worden bedoeld voor bijvoorbeeld verenigingen en broederschappen. Op deze manier zal het ezelsvel, vooral voor de kaften, zijn nut meer dan bewezen hebben. Dat Jan van Eyck ook de bijzondere eigenschappen van het ezelsvel kende, laat ons toe hem te leren kennen als geniaal kunstenaar maar ook als gedreven ambachtsman (4).

Francine Huys

1 Maurits Smeyers, Vlaamse miniaturen. Davidsfonds, Leuven, 1998, p. 257 en p. 259.

2 Dirk De Vos, Stedelijke Musea Brugge. Catalogus schilderijen 15de en 16de eeuw, 1979, p. 225-227.

3 Willy Dezutter, In memoriam Dirk De Vos (1943-2024), in: Brugs Ommeland, 2024, 1, p. 58-62.

4 Jan Dumolyn en Frederik Buylaert, De wereld van Jan van Eyck, in: M. Martens, e.a., Van Eyck. Een optische revolutie. Gent, 2020, p.89.

Dit artikel verscheen in het tijdschrift Biekorf, West-Vlaams Archief voor Geschiedenis, Archeologie, Taal- en Volkskunde, 125 ( 2025), 3, p. 376-378.

ADDENDUM

Er kwam een reactie op mijn artikel “Het ezelsvel van Jan van Eyck”, verschenen in het tijdschrift Biekorf van september 2025, door Anna Koopstra (Groeningemuseum) in Biekorf van maart 2026 onder de titel “Het ezelsvel van Jan van Eyck ?”

Als begeleidster van de professoren Roger Van Schoute en Hélène Verougstraete (UCLouvain en KULeuven) in 2000 en als restaurator in dienst van het Groeningemuseum (Brugge) sedert 1972, was ik erbij toen de achterzijde van het topstuk, het portret van Margareta van Eyck door Jan van Eyck, schildertechnisch werd onderzocht.

Het was fascinerend voor mij te ontdekken dat de veroudering van de porfierschildering van Van Eyck niet het minste barstennet vertoonde, ook niet onder de microscoop. Wat een verschil met de voorzijde van het paneel dat Jan van Eyck op de traditionele manier had laten prepareren en het typisch uitgesproken vertoonde barstennet door het bewegen van de eikenhouten drager. Er is dus een materie die het verouderen van de porfierschildering aan de achterzijde tegenhoudt. De wetenschappers van de National Gallery in Londen onderzochten de verflagen van de porfierschildering, maar niet de drager.

Persoonlijk denk ik ook niet dat Jan van Eyck zich er gemakshalve vanaf maakte en de rode verf heeft gespetterd op het paneel. Er bestond immers een schilderborstel (spiteerborstel) die verf kon spetteren door de haren ervan naar achter te trekken en dan los te laten waardoor fijne spatjes verf op de grondering terecht kwamen. Dat de porfierschildering virtuoos is uitgevoerd kan niemand betwisten, maar de materie, die zich als drager onder de schildering bevindt en de veroudering tegenhoudt, kan geen grondering zijn op de houten drager omdat er geen barstennet is.

Er is een consensus in de kunsthistorische wereld over het feit dat dit topstuk werkelijk het portret is van de vrouw van Jan van Eyck (1) maar het element van de drager(s) van de achterzijde blijft dus hypothetisch. De meest geavanceerde onderzoeken zijn moeilijk in dit geval omdat de voorzijde eveneens geprepareerd en beschilderd is en bepaalde technieken van onderzoek daardoor uitgesloten zijn. Over het motief van duurzaamheid dat Jan van Eyck handhaafde zal iedereen het met mij eens zijn. Dat is nu net zijn betrachting geweest met dit topwerk omdat het kunstwerk het portret is van zijn eigen vrouw.

Hij was hier niet gebonden aan een opdrachtgever en die vrijheid kon wel eens aanleiding geven tot een experiment. Ongebruikelijk was het opschrift waardoor het paneel tot de kijker spreekt en het is alsof de lijst van kostbaar marmer is. De porfierschildering op de achterzijde waarbij de lichtreflecties als pasteus hoogsel zijn aangebracht geeft het geheel een rijke indruk. Ook is porfier aangezien als onvergankelijk, als een triomf over de tijd en geldt ook de verwijzing naar een 33ste (de leeftijd van Margareta van Eyck) huwelijksverjaardag. Een vernieuwend opschrift en misschien ook een ongekende methode om veroudering door beweging van de dragers, zoals eiken panelen, tegen te gaan kon hij hier toepassen. Achterzijden van panelen, ook bij altaarstukken, zijn altijd meer beschadigd dan de voorzijden.

Een methode om de achterzijde extra te beschermen tegen minder gunstige bewaringsomstandigheden, hier door Jan van Eyck geoptimaliseerd, is onzichtbaar tot bij ons gekomen. Een gemaroufleerde perkamenten drager, verenigd door de jaren heen met het houten paneel, kan niet verschijnen op het beeld van een röntgenonderzoek. Maar het is niet omdat je iets niet ziet, dat het er niet is… Het precieuze vellum (de huid van ongeboren kalfjes) heeft niet de stugheid van een ezelshuid, die in dit geval nodig is.

Mijn opmerking over de afwezigheid van het barstennet in mijn artikel “Het ezelsvel van Jan van Eyck” in Biekorf 2025 blijft dus geldig. Niets belette de kunstenaar, die als baanbreker bekend stond, een innovatie door te voeren.

Francine Huys

1 Jacques Paviot, De familie Van Eyck, in: M. Martens e.a., Van Eyck. Een optische revolutie, Gent, 2020, p. 79.  

Huldeblijk aan Bernard Dezutter (1944-2010)

Inleiding

Het is nu weer al vijftien jaar geleden dat mijn broer Bennie plotseling overleed ten gevolge van een hartstilstand. Dat was op 31 augustus 2010 en dat bericht sloeg bij mij in als een bom.

In het vooruitzicht van de begrafenisdienst schreef ik een lijkrede in de veronderstelling dat ik die zelf zou voorlezen. Toen dit ogenblik aanbrak bleek ik emotioneel niet in staat om die plicht te vervullen.  De tekst bleef vervolgens vijftien jaar op de computer staan.

Gelukkig bracht Guido Paridaen, voorzitter van de wielervereniging De Wielertoerist, een gloedvol maar ingetogen betoog waarin hij hulde bracht aan zijn voorganger Bennie. De uit Aardenburg afkomstige dichteres Anne Kempe (Middelburg, prov. Zeeland), droeg rouwgedichten voor uit eigen werk. Dat werd zeer gewaardeerd.

Bennie was vrijzinnig-humanist en zeer gehecht aan Aardenburg (West-Zeeuws-Vlaanderen) maar was op het ogenblik van overlijden gedomicilieerd in Maldegem (B). Dank zij mijn vriend Walter Dierick, diaken in de R.K. Kerk van Aardenburg , werd de mogelijkheid geboden om Bennie te begraven op het R.K. kerkhof van Aardenburg waar ook zijn ouders rusten. Walter kon dat in zijn treffende homilie mooi verantwoorden door te verwijzen naar Johannes 14:2 “In het huis van mijn vader zijn vele woningen”.

Het verdriet omwille van het verlies van mijn broer zal altijd blijven maar na vijftien jaar wordt het tijd om mijn tekst uit 2010 publiek te maken. Ik doe dat als huldebetoon maar vooral uit dankbaarheid omdat hij mij in de mogelijkheid stelde om te studeren aan de Rijksuniversiteit Gent terwijl hij op dat ogenblik mede-kostwinner was. De eerlijkheid gebied mij te zeggen dat er ook enige hoogdringendheid begint mee te spelen. I k steven af op de leeftijd van 80 jaar en het uur van de waarheid kan ook voor mij elk moment toeslaan. We zijn er niet beducht voor.

Willy Dezutter, Brugge, 1 december 2025

In honorem Bernard Dezutter (1944-2010)

Bernardus Franciscus Dezutter werd op 29 januari 1944 als eerste zoon van Achiel Dezutter en Anna Musson geboren in Sluis-Heille. Het was een thuisbevalling zoals dat toen en zelfs nu nog veel het geval is in Nederland. De Tweede Wereldoorlog woedde nog in alle hevigheid. Brugge werd pas bevrijd op 12 september 1944 en in Knokke zwegen de wapens pas op 1 november van dat jaar. Het echte strijdtoneel om de verovering van de Schelde speelde zich af in de maand oktober in West-Zeeuws-Vlaanderen en de streek rond Moerkerke. Hector Dezutter, broer van vader Achiel, kwam toen om in het oorlogsgeweld.

Bernard werd genoemd naar zijn beide grootvaders Bernardus Dezutter (toen nog De Zutter geschreven) afkomstig uit Middelburg in Vlaanderen (nu gemeente Maldegem) en naar Franciscus Musson uit Draaibrug/Aardenburg.

Het ongelukkig toeval wil dat de tante van Bernard, die in het ouderlijke huis woonde in Draaibrug, daags na hem overleed in het ziekenhuis in Oostburg op de leeftijd van 88 jaar. Tante Liza Musson was de zus van zijn moeder Anna. We zullen haar maandag begeleiden naar haar laatste rustplaats, net als Bennie (zijn roepnaam) op hetzelfde R.K. Kerkhof van Aardenburg.

Vader Achiel werd geboren op 20 december 1913 in Sluis-Heille en zijn moeder Anna Musson op 16 april 1917 in Draaibrug/Aardenburg. Zij huwden op 20 mei 1943 in volle oorlogstijd. Bennie werd geboren in Heille. Hij was een “zevenmaandertje” die zou uitgroeien tot een boom van 1,93 meter! Maar ook zijn broer Willy zou op 23 maart 1946 nog geboren worden in het kapot geschoten huisje dat moeizaam was herbouwd en nog altijd bestaat.  Willy werd genoemd naar de grootvader van zijn moeder Willem Musson. Dochter Anna-Marie werd geboren op 30 april 1953 in Aardenburg waar sinds 1951 de winkel in de Weststraat een begrip werd. 

Annemarie, officieel Anna-Marie, kreeg de voornaam van haar moeder Anna en van haar grootmoeder Marie Musson.

Bennie is dus een volbloed oud-Heillenaar, de plaats waar zijn vader een handeltje opstartte in groenten en fruit.  Er waren overwegend Belgische klanten. In 1950 werd er een winkel gebouwd in de Weststraat in Aardenburg die opende in 1951.  De aannemer was de firma Theofiel sr. en Albert Van Hoorickx uit Sluis-Heille.  Dit aannemingsbedrijf bestaat nog altijd en staat onder de leiding van Theo.  Bennie en Willy (toen nog Willie) mochten dikwijls meerijden in de auto van Albert Van Hoorickx om in Aardenburg de kleuterschool in de Weststraat te bezoeken, later Westmolenstraat.  Ook Jozef Van Deursen, nu wonende in Sluis, genoot dat voorrecht.

Aardenburg

Het winkelbedrijf in Aardenburg was aanvankelijk toegespitst op groenten en fruit maar werd uitgebreid met een afdeling kruidenierswaren. In de jaren zestig volgde een verbouwing met o.m. een afdeling bloemen en planten. Vader Achiel bouwde ook een goed beklante huis-aan-huis bestelronde uit in Aardenburg, Heille, Eede en De Biezen. Al vroeg werd Bennie de meewerkende zoon en later nam hij ook de ronde over. De tijd dat de groenteboer, de bakker en de melkboer nog aan thuisbezorging deden ligt reeds lang achter ons en ook het kleinwinkelbedrijf kreeg het vanaf de jaren zeventig al lastig. Toch bleef Weststraat 25 een begrip.  Ook Weststraat 28 waar boekhouder D. Kempe woonde met wie Bennie nauw samenwerkte voor het op orde houden van de winkelboekhouding.  Pas vele jaren later zou dochter Anne Kempe ook in het leven verschijnen van broer Willy. Maar dat is een heel ander hoofdstuk.

In 1983 werd de winkel wegens pensionering van het ouderpaar Dezutter opgeheven. Zijn ouders en Bennie bleven er wel wonen. Thans is het weer een winkelpand en dit sinds het overlijden van Achiel en Anna in 1998. Beiden liggen naast elkaar begraven op het R.K. Kerkhof en Bennie bleef tot november van vorig jaar de trouwe leverancier van de traditionele chrysanten namens de kinderen. Ook het kweken van de eigen chrysanten bleef hij trouw.

De terugkoppeling naar de voormalige bloemenwinkel is hier het bindteken.  De duiven van vader Achiel werden toen geadopteerd door neef Gerard Dezutter uit Eede die uitgerekend vandaag samen met Arlette hun Gouden Bruiloft vieren in “De Tol” het voor Bennie zo vertrouwde stamlokaal van De Wielertoerist.

Al in zijn Aardenburgse periode was er bij Bennie de liefde voor de wielersport. Ooit was hij officieel coureur, net als zijn veel te vroeg gestorven neef Norbert Dezutter uit Eede.  Toen Bennie nog amateurwedstrijden reed, was zijn grootste supporter ome Herman Musson uit Eindhoven. Ook met de ons te vroeg ontvallen neef Frans Musson uit Sluis was hij erg bevriend, net zoals tot op heden met diens broer Walter. Walter en Rita waren in zijn familiaal leven een begrip net, zoals hij ook nooit het contact verloor met Guido en Ludo Dhondt (en nonkel René!) in Eede en tante Madeleine De Taeye-Dezutter eveneens in Eede.

Het wielertoerisme was zijn lust en zijn leven. Tot enkele dagen voor zijn dood bleef hij daar zeer toegewijd mee bezig. En wie in de familie herinnert zich niet de heroïsche bergbeklimmingen zoals op de Mont Ventoux. De fotoalbums vormen nu een mooie herinnering.  Gedurende vele jaren was hij de actieve voorzitter van De Wielertoerist, waarin hij opgevolgd werd door Guido Paridaen.

Alpe d’Huez. Zomer 1978. v.l.n.r. Bennie Dezutter, Willy Dezutter, Helena Jansen.

Bennie was lid van De Wielertoerist sedert 1973, het jaar van oprichting. In totaal 37 jaar was hij dus trouw lid van de club. Hij vervulde 22 jaar een bestuursfunctie, waarvan twee jaar als penningmeester.  Dat moet een zeer eerlijke penningmeester geweest zijn want in eerlijkheid en oprechtheid blonk hij uit.

Bennie Dezutter. Brugge-Mont Ventoux. Zomer 1978.

Hij was ook twintig jaar voorzitter en dit tot eind 1997, waarvan zeventien jaar na elkaar van 1980-1997. Hij koos toen resoluut voor de zorg voor zijn vader en moeder die beiden zouden overlijden in 1998.

Zijn zus Anna-Marie was intussen gehuwd met Philip Keijmel en vestigden zich uiteindelijk in Vlissingen. Hij werd de peter van hun zoon Sebastian.

Broer Willy studeerde archeologie aan de Rijksuniversiteit in Gent en dat op een ogenblik dat zijn ouders en niet in het minst broer Bennie hard moesten werken. Gelukkig liep die studie in 1970 goed af en kon hij, na een tussenstop van twee jaar in Gent, in 1973 conservator worden bij de Brugse Musea. Hij is zich er scherp van bewust dat het dank zij de steun van Bennie was dat het materieel mogelijk bleek.  Hij blijft hem daarvoor voor altijd erkentelijk en dankbaar.  Dit wijst op het vriendelijke en verdraagzame karakter van Bennie.

Brugge

Na de stopzetting van de winkel was het niet zo evident om opnieuw elders aan de slag te gaan in een vergelijkbare branche. Uiteindelijk kwam hij goed terecht in de Groendienst van de Stad Brugge. Daar kon hij weer vertoeven in serres en was hij actief in de ploeg die in de binnenstad de plantsoenen onderhield.  Tengevolge van een hernia, waaraan hij geopereerd werd, bleek het niet meer mogelijk om in de Groendienst het dagelijkse werk te verrichten.

Door een mutatie naar de Stedelijke Musea van Brugge kon hij beginnen als museumsuppoost. Zijn vaste stek werd het Memlingmuseum en de museumapotheek.

Daar werd hij ook Bruggeling en veranderde zijn naam in Bernard. Bennie verwees naar zijn Nederlandse en Aardenburgse roots, een streek waaraan hij gehecht bleef getuige het feit dat wij elkaar hier vandaag treffen. Hij was uiteindelijk een Erdenburger gebleven.

Onnodig te zeggen dat Bennie in het museum gerekend werd tot de meest toegewijde personeelsleden. Hij wist van huis uit wat het was om zorgzaam te zijn en verantwoordelijkheid te dragen.

Aanvankelijk woonde hij in Brugge maar de langste tijd woonde hij in een eigen huis in Oostkamp.  Hij had dat samen aangekocht en op een gegeven moment diende het verkocht te worden. Dank zij zijn vriend en grote koersmaat Willy Pollier kon hij aan zeer gunstige voorwaarden zijn intrek nemen in een woning aan de Brugsesteenweg in Maldegem. Wij zijn Willy en zijn vrouw dankbaar voor de steun.

In februari 2009 ging Bennie met pensioen bij de Stad Brugge. Een werkzaam leven zat er op met de gebruikelijke tegenslagen die bij het leven horen. Maar nooit hebben we hem horen klagen.

Maar het is voor velen een grote troost dat zijn laatste levensjaren zo positief konden verlopen op relationeel vlak dank zij zijn levensgezel Jacqueline Willem.

Veldegem

Een zestal jaren geleden leerde hij Jacqueline Willem kennen die haar man te vroeg verloor. Ze ging een nieuwe relatie aan met Bennie die kan beschouwd worden als voorbeeldig en liefdevol. Zijn grote geluk vond hij bij Jacqueline in Veldegem, gelegen tussen Brugge en Torhout. Daar werd hij volledig opgenomen in de familie. Zij volgde zijn doen en laten in het museum maar volgde ook zijn wielersport.  Ook de vrienden- en familiekring van Bennie nam zij over. Zij vormden het perfecte koppel. Samen gingen ze op reis en restaurantbezoek en Bennie werd betrokken bij alle familiegebeurtenissen van de familie Van Eenoo-Willem.

Bennie werd er kind aan huis dank zij de acceptatie van de dochters van haar, te weten Maryke en Leen Van Eenoo. De echtgenoten Geert en Johan volgden moeiteloos en hetzelfde kan gezegd worden over de kleinkinderen Sander, Martijn en Kobe die dit trouwens zojuist tot uitdrukking brachten tijdens deze afscheidsdienst.

Zijn neven Jan Dezutter, zoon van Willy en Sebastian, de zoon van Anna-Marie en al de andere neven en aangetrouwde nichten van de familie Dezutter, Musson en Dhondt sluiten zich daar bij aan. De Aardenburgse inbreng werd op poëtischewijze vertolkt door Anne Kempe met eigen gedichten.

Bennie is ons te vroeg ontvallen.  Hij stierf tengevolge van een hartstilstand in Veldegem (B) op 31 augustus 2010.  Hij werd 66 jaar. Te kort kon hij genieten van de geneugten van het op pensioen zijn. Hij leefde harmonieus samen met zijn broer en zus en was volledig geïntegreerd in het gezin van Jacqueline in Veldegem.  Hij had enkel koersvrienden en geen vijanden. Wie kan dat zeggen dat hij plots sterft zonder vijanden te ontmoeten? We moeten het dus aanvaarden. Het is mooi en goed geweest.

Willy Dezutter, Brugge, 2 september 2010

Patacons: voortverkopers uit Brugge (begin 20ste eeuw)

Het Stedelijk Museum voor Volkskunde van Brugge werd officieel geopend op 29 juni 1973 door Kamervoorzitter Achiel Van Acker (Brugge 1898 – Brugge 1975), Minister van Staat én volkskundige. Hij was al in 1937 één van de eerste leden van de Bond der Westvlaamse Folkloristen.  

De basiscollectie werd aangeleverd door het voormalig Folkloremuseum in het Belfort (opening 1 juli 1939 – heropening 6 november 1948). De eigenaar en beheerder van dat museum was de Bond der Westvlaamse Volkskundigen (voorheen Folkloristen genoemd). Gedurende de periode 1971-1972 was het Folkloremuseum reeds gesloten wegens restauratiewerken aan het Belfort. In 1972 startte het stadsbestuur van Brugge de onderhandelingen voor de overname van de collecties en dat leidde tot de overbrenging naar de gerestaureerde  Schoenmakersrente in de Balstraat vanaf 1 februari 1973.

In 1982 verrees op de hoek van de Balstraat en de Rolweg de museumherberg “De Zwarte Kat” en in 1989 en 2003 vond een verdere museumuitbreiding in de Rolweg plaats (1). Het Volkskundemuseum, zoals het nu heet, beschikt over een grote verzameling patacons die voor het grootste deel al aanwezig was in de verzameling van het Folkloremuseum. Ze werd door ons opnieuw gepresenteerd in 1973 samen met een vollaard met patacons die bewaard bleef in de oude collectie.

Een patacon is een schijf in pijpaarde met figuurtjes die nadien met de hand werden ingekleurd. Naast religieuze voorstellingen komen ook veel militairen (invloed volksprenten), dieren en bloemen voor. De jongere exemplaren werden vervaardigd uit gips. Zij dienden als versiering van de kerst- en nieuwjaarsbroden. Een dergelijk brood noemde men een vollaard. Het brood werd met patacons versierd.

Patacon van pijpaarde met voorstelling van het bolspel.
Landelijk tafereel met vier deelnemers onder wie twee met traditionele blauwe kiel.
Diameter 21,6 cm. Verzameling Volkskundemuseum, Brugge.  Foto Stad Brugge-Cel Fotografie.

De versteende vollaard uit de oude collectie werd door ons geconserveerd in 1982. Dit delicate werk werd met succes uitgevoerd door Francine Huys, van 1972 tot 2014 restaurateur bij de Stedelijke Musea Brugge. De vollaard werd geïnjecteerd met een emulsie van polyvinylacetaat, een synthetisch polymeer. Toen wij op 1 april 2007 de dienst voortijdig verlieten, verkeerde die vollaard nog steeds in perfecte staat.

In hetzelfde jaar 1982 lieten wij door Frans Tavernier (1932-2018) , broodbakker in de Rodestaat op Sint-Anna (Brugge) drie vollaards bakken die we in het museum permanent exposeerden. Hij was vertrouwd met dat product en kende het recept (2). In 1983 leerden wij Walter Plaetinck (1931-2018) kennen die door ons werd geïnitieerd in het onderwerp patacons en die in navolging van het Brugs Museum voor Volkskunde vollaards liet maken voor zijn toekomstig Bakkerijmuseum in Veurne dat geopend werd op 25 juli 1985. Ook in 1989 hebben we nog collegiaal samengewerkt.

De collectie patacons van het Volkskundemuseum konden we al in 1973, dank zij hoofdconservator A. Janssens de Bisthoven (1915-1999) en conservator V. Vermeersch (1937-2020), aanvullen met de kostbare patacons uit de reserves van het Gruuthusemuseum (3). In 1919 schonk Adolf Duclos ( 1841-1925), priester-historicus en schrijver van het bekende boek Bruges histoire et souvenirs (1910), een twaalftal patacons daterend uit de eerste helft van de 19de eeuw, aan het Oudheidkundig Museum (4). Het betrof mooie grote en zeldzame exemplaren. 

Patacon van pijpaarde met voorstelling van een berenleider.
V.l.n.r. Bedelend kind, berenleider met stok, de vedelaar, dansende beer met muilkorf en stok.
Het is een waarheidsgetrouwe weergave. Diameter 15,5 cm.
Verzameling Volkskundemuseum, Brugge. Foto Maurice Platteeuw, Brugge  

De distributie van de patacons

De beste studies over dit onderwerp zijn nog altijd die van M.A. Arnould (5) voor Wallonië en de studie van J. Pieters (6) voor wat Vlaanderen betreft (6).

In Rond de Poldertorens 2024, 2-3 brengt Johan Deckers een goed overzicht en schenkt ruim aandacht aan herkomst, productie en gebruik van de patacon (7). Tot nu toe is de distributie, de verdeling van producent naar de detailhandel onderbelicht gebleven. Dat is nochtans een belangrijke schakel. Hoe geraakten die patacons bij de plaatselijke bakker ? Die tussenhandel (het doorverkopen) was in handen van een voortverkoper die voor eigen rekening en op eigen risico handelde. Voor Brugge kennen we op z’n minst twee van dergelijke kleinhandelaren. Een belangrijke voortverkoper was de kruidenier Henri Dhondt uit de Steenstraat 68 in Brugge (8). Een grote leverancier van patacons in Brugge was het huis Leclercq-Carron uit Baudour (Henegouwen, sinds de fusie van 1977 gemeente Saint-Ghislain).

In Wallonië noemt men de vollaard of kerstkoek een cougnou of cougnole. De patacons noemt men dan “ronds de cougnoles”. Henri Dhondt betrok tussen 1918 en 1922 jaarlijks 500 tot 600 kilo patacons uit Baudour (9). De voortverkopers kochten daar de patacons per kilo. De grote exemplaren werden ook per stuk verkocht. Het bedrijf Leclercq-Carron werd opgeheven in 1950. De belangrijkste zaakvoerder was Jules Leclercq (Baudour, 1887-1931).

Rond 1950 is de vollaard met patacons trouwens ook verdwenen uit de bakkerswinkels met nog enkele uitlopers tot ongeveer 1960, terend op de voorraad. Weliswaar was er af en toe een heropleving met patacons in gips zoals in 1991 toen we dit volksgebruik, middels een klein volkskundig onderzoek, signaleerden zowel in Brugge, Wenduine, Blankenberge als in Koksijde. De Belgische kust springt daarbij in het oog. Het was toen geen nieuwjaarsgebruik meer maar er deed zich een verschuiving voor naar de periode rond Sinterklaas, te weten 6 december. In Wallonië en Noord-Frankrijk ging het duidelijk vooral om een kerstgebruik. Voortverkoper Henri Dhondt was geen bakker maar kruidenier. Het past volledig in het aanbod van een kruidenier waar er altijd al een breed assortiment voorhanden was (10).

Toch waren er ook Brugse bakkers die zich onledig hielden met de handel in patacons. Dit was het geval met de gebroeders Louis Troffaes (1872-1951) en Richard Troffaes (1880-1953). Dat waren zonen van Jan Troffaes (geb. Westkapelle, 14 december 1840) die in de Dorpsstraat van Dudzele bakker en tapper was van 1871 tot 1920 (11). Men kon er brood kopen maar in de gelagzaal werd er ook bier getapt door zijn vrouw Mathilde Zwaenepoel. De bakkerswinkel van Louis en Richard Troffaes was gevestigd in de Ezelstraat 92 in Brugge (12).

Bij het onderzoek naar de verspreiding van de patacons dient men dus ook rekening te houden met de rol van de voortverkopers in de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. Toen was er een rechtstreekse lijn met Henegouwen. Zoals archeologisch onderzoek duidelijk maakt geldt dit niet voor de 17de en 18de eeuw toen er productiecentra waren in Berlare, Gent, Hamme, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Tienen, Turnhout, Wetteren en Zele(13). Die lange opsomming is louter indicatief maar vormt wel het bewijs dat de oorsprong van de productie niet moet gezocht worden in Henegouwen maar in Vlaanderen. De productiecentra in Wallonië zoals Baudour, Quaregnon en Saint-Ghislain ontstonden eind 18de eeuw. Wel werd uiteindelijk het marktaandeel overgenomen door de Waalse firma’s.

Willy Dezutter (geb. 1946), conservator van het Volkskundemuseum te Brugge (van 1973 tot 2007)

1 Willy Dezutter, Van Museum van Folklore naar Stedelijk Museum voor Volkskunde. Een Brugse metamorfose met hindernissen: 1936 tot 1972 en 1973-1982, 1989 en 2003, in: Brugs Ommeland, 2019, 2, p. 67-83. Op 14 sept. 2024 vond een geslaagde heropening plaats o.l.v. conservator Geert Souvereyns met o.m. een vernieuwing van de verwarming, verlichting en elektriciteit en interactieve toepassingen in de museumpresentatie.

2 Willy Dezutter, Vollaards en patacons, in: Brugs 0mmeland, 2018, 3, p. 192-193.

3 In 1865 werd in Brugge de Société d’ Archéologie opgericht met als doel het oprichten van een Oudheidkundig Museum. Dat zou er komen in 1866 maar het duurde toch tot het jaar 1900 vooraleer het Gruuthusemuseum tot volle wasdom kwam. Zie: Willy Dezutter, De stichting van het Gruuthusemuseum van Brugge in 1865, in: Brugs Ommeland, 2013, 3, p. 181-184.

4 Gemeenteblad der Stad Brugge, 1920, bijvoegsel 5, p. 274. Aanwinsten Oudheidkundig Museum, 1919.

5 M.A. Arnould, Les gâteaux de Noël et leur décoration en Hainaut, in: Enquêtes du Musée de la Vie Wallonne, Tome VII, 31e année, nos. 73-78, Liège, p. 1-74.

6 J. Pieters, De Patacons of schildekens onzer nieuwjaarskoeken, in: Ars Folklorica Belgica, I, Antwerpen, 1949, p. 107-148.

7 Johan Deckers, Een uniek staaltje Zuid-Nederlands erfgoed: de patacon en de vollaard, in: Rond de Poldertorens, 2024, 2-3, p. 54-63.

8 Provinciale Wegwijzer van West-Vlaanderen en de Stad Brugge 1932. Brugge, druk. Verbeke-Loys, p. LIV en p. 160.

9 Willy Dezutter, Stedelijk Museum voor Volkskunde. Beknopte gidsen van de musea van Brugge 1, Brugge, 1992, p. 4.

10 Willy Dezutter, Poer en zaed. Het assortiment van de kruidenierswinkel in de 19de eeuw, in: Biekorf, 112 (2012), 4, p. 380-383 en op de weblog willydezutter.be geplaatst op 30 maart 2013.

11 Johan Ballegeer (red.), Dudzeelse herbergen I (naar gegevens van +Pol Danneels ) op zwinstreek.eu en sincfala.be

12 Sinds 1954 bakkerij-patisserie opgericht door Fernand Spegelaere, sinds 1970 Chocolaterie Spegelaere, maar sinds 2024 te koop (Het Nieuwsblad 4 juli 2024).

13 Eva Van Nuland, Studie van Patacons uit een 18de eeuws vondstencomplex uit de Peperstraat in Aalst, in: Van Mensen en Dingen, tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen, 2006, 4, p. 339.

Dit artikel verscheen in het tijdschrift Brugs Ommeland, te citeren als Willy Dezutter, Patacons: voortverkopers uit Brugge (begin 21ste eeuw), in: Brugs Ommeland, 65 (2025), p. 85-90.

U kunt uit dit artikel citeren mits bronvermelding met de volgende referentie: Willy Dezutter, Patacons: voortverkopers uit Brugge (begin 20ste eeuw), op willydezutter.be (online) geraadpleegd op … [datum].