François Saey (1775-1830), Ontvanger der Domeinen in de Franse tijd in Brugge

Het Frans bewind betekende ook voor Brugge een ingrijpende verandering. Het einde van het ancien régime betekende in feite de secularisatie van de samenleving. Na een eerste bezetting door de Fransen op 11 november 1792 (en een Tweede Oostenrijkse Restauratie) komt Brugge opnieuw in Franse handen op 25 juni 1794. Dat zal duren tot 11 februari 1814, wanneer de eerste Pruisische jagers te paard in de stad staan. De abdicatie van Napoleon op 6 april 1814 betekent het einde van de Franse heerschappij in Europa (1). Daarvoor hoeft niet gerefereerd te worden aan Waterloo 1815. Dat was een wanhoopspoging van Napoleon die krijgsheer was en nooit een vredesapostel wilde zijn.

Over de bestuurlijke veranderingen schreef Jan Anseeuw een goed overzicht en geeft op basis van een almanak uit 1810 een opsomming van de belangrijkste ambtenaren onder wie François Saey (2). Jan Anseeuw merkt terecht op dat bijna al die topfuncties werden toegewezen aan Fransen. François Saey was echter een uitzondering, een autochtone Bruggeling. Zijn vader, van beroep bediende,  heette François en zijn moeder was Marie De Busschere, beiden geboren in Brugge. Als oudste zoon kreeg hij bij de geboorte op 18 november 1775 de namen François David Joseph. Later zal hij zijn eigen oudste zoon ook François noemen. François David, huwde met Bernardine Autrique (° Brugge, 20 augustus 1775) en samen kregen ze vijf kinderen.

Ze woonden aanvankelijk in de Boomgaardstraat A4/26 (Oostenrijks nummer) , nu Boomgaardstraat 10 en later verhuisden ze naar Spiegelrei A3/58 (nu Spiegelrei 12). Therèse De Vinck (° 27 februari 1783) uit Gistel was de inwonende dienstbode. François Saey werd al in 1795 aangesteld als Ontvanger der Domeinen (Receveur des Domaines) en was toen pas 20 jaar oud. Op die leeftijd heeft men nog de neiging om de zaken heftig aan te pakken en dat blijkt wel uit zijn schrijven van 5 januari 1795 aan het stadsbestuur van Blankenberge waarin hij zijn aanstelling meedeelt. Hij was van hogerhand aangesteld geworden om te doen de regie, ontfang ende ontdeckinge van alle slag van incommen, voorts comende uyt de goederen toebehoort hebbende aen het voorgaende gouvernement, aan het gewesen fransch clergé, verlaeten huysen van geestelijcken ende alle andere uytgewekene persoonen, aengeslaegen ende geconfisqueert ten profijte van de fransche republique (3).

Later, na het bereiken van een rijpere leeftijd, zal hij er alles aan doen om zich te integreren in het Brugs maatschappelijk leven en daarbij blijkt het jaar 1813 van cruciaal belang. In 1813 werd hij ingewijd in de Brugse loge La Réunion des Amis du Nord. Hij komt voor op de tableau (ledenlijst) van 1813 met de graad van leerling (4). Eveneens in 1813 werd hij lid van de kruisbooggilde van Sint-Joris (5); in dat zelfde jaar werden ook nog twee andere leden van La Réunion des Amis du Nord lid van de Sint-Jorisgilde. Leerzaam is de manier waarop hij genoteerd staat in het ledenregister van de Société Litéraire. De Sint-Jorisgilde en de Société Litéraire waren op dat ogenblik de twee voornaamste societygenootschappen in Brugge. La Réunion des Amis du Nord was dat ook maar was toch op de eerste plaats een inwijdingsgenootschap. Veel leden van die loge waren al ingewijd in loges buiten Brugge, voornamelijk in Frankrijk.  

Op 6 juni werd hij in de Société Litéraire als lid aanvaard met de volgende annotatie: Saey, receveur des domaines à Bruges, réçu le 6 juin 1813 – disparut en 1816 et décéda à l’ étranger sans avoir reparu (6). Die verdwijning en overlijden in het buitenland staat in contrast met de vermelding van zijn overlijden in Vilvoorde in 1830 (7).

Weduwnaar geworden was François Saey hertrouwd op 27 april 1814. Dit huwelijk werd voltrokken in Brugge met als ambtenaar van de burgerlijke stand Jean Charles Stochove, maire adjoint (8). De bruidegom was 38 jaar en de bruid Helene Françoise Govaert (° Brugge, 14 januari 1789) was 25 jaar. Zij was de oudste dochter van Pierre Govaert, een Brugse edelsmid die op dat moment al was overleden in het jaar X van de Republikeinse kalender (+ 29 oktober 1801 ) maar vertegenwoordigd werd door haar moeder Florentine Devos. Er waren verschillende getuigen onder wie de edelsmid Jean Brandt (41 jaar). In deze akte is François Saey niet langer Ontvanger van de Domeinen maar wordt hij particulier genoemd , dat betekent ambteloos burger. In april 1814 deed men er al verstandig aan om  de Franse openbare dienst te verlaten. Na de val van Napoleon is inderdaad gebleken dat er sprake was van repressie tegen de bonapartisten door de royalisten.

In de zomer van 1815 begon “La Terreur blanche” en dat bleef duren tot dat koning Lodewijk XVIII  in september 1816 er een einde aan maakte (9). Het valt dus niet uit te sluiten dat François Saey uiteindelijk slachtoffer werd van deze repressie en epuratie. Zo werd destijds ook de naam van François – Xavier de Langhe (1785-1853) met inkt uitgewist op zijn meesterdiploma uitgereikt op 18 december 1813 door zijn loge La Réunion des Amis du Nord (10). Een vorm van mislukte zelfbescherming maar zonder schade voor zijn verdere carrière als volksvertegenwoordiger. F. de Langhe werd auditeur benoemd bij de Conseil d’ Etat de l’Empire Français” (Raad van State) en daarna in 1811-1814 Sous–Préfet (onderprefect) van het arrondissement in Brugge. Van 1819 – 1830 was hij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.  Meewerken in een meer of minder invloedrijke positie om maatregelen van de vijand af te dwingen wordt nu collaboratie genoemd.

Bij ons verliep de overgang van het ene in het andere régime meestal rimpelloos. Jean Charles Stochove (1762-1829) werd in het nieuwe bestuur van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden opnieuw schepen in Brugge tot hij zelf ontslag nam in 1817 (11). Stochove zat altijd in die besturen om de katholieke zaak te verdedigen. In de Franse tijd kan men nog niet spreken over politieke collaboratie omdat wij zelf per 1 oktober 1795 Fransen waren geworden. Er was geen eigen bestuur en daardoor kon er geen sprake zijn van landverraad. Er was nog geen sprake van het recht op zelfbeschikking. Het streven naar moderniteit heeft wel zware groeipijnen doorstaan. Een eigen natievorming liet nog 15 jaar op zich wachten: 1830. Eerst moest nog het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder Willem I uitgezweet worden.

Willy Dezutter

1 Henk Anseeuw, Jan Anseeuw, Bert Gevaert (red.), Brugge voor Napoleon. Een stad onder Frans bewind, 1794-1814. Brugge, 2021, p. 17-21 (Tijdlijn). Zie ook: A. Van den Abeele, Het eerste stadsbestuur van Brugge na de inlijving bij de Franse Republiek, 22 januari 1795-7 maart 1796, in: Brugs Ommeland, 2008, 2, p. 51-68.

2 J. Anseeuw, Bestuurlijke veranderingen in de Franse tijd, in: Brugge voor Napoleon, op. cit. p. 37-66, vooral p. 52-53. De namen van de functies werden vertaald uit het Frans. Het ware beter geweest om de oorspronkelijke Franse benamingen te behouden en tussen haakjes een Nederlandse benaming te geven.

3 Elie Bilé, Blankenberge. Een rijk verleden, een schone toekomst. Gemeentebestuur van Blankenberge, 1971, p. 51. 

4 Deze tableau wordt beschreven in: Willy Dezutter, François Bertram-Boudeloot, (1766-1826), achtbare meester van de Brugse loge “La Réunion des Amis du Nord” in relatie tot de kunstschilder Joseph Odevaere (Brugge 1775-Brussel 1830), in: Brugs Ommeland, 2022, 3, p. 200-206. Joseph Odevaere werd ingewijd in de loge La Réunion des Amis du Nord in 1813. In 1818 werd hij lid van de Sint-Jorisgilde.

5. A. Vanhoutryve, De Brugse Kruisbooggilde van Sint-Joris, Handzame, 1968, p. 249. Dit boek van de historicus André Van Houtryve (1920-2015) blijft nog altijd het beste boek over die schuttersgilde omdat hij de namen van alle leden opnam (weliswaar dikwijls met verkeerde transcriptie) in een chronologische lijst tot 1856. Dat is het grote manco in het nieuwe boek van Marc Lemahieu, De Brugse kruisboogschutters en hun Sint-Jorisgilde. Brugge, 2022.

6 Openbare Bibliotheek Brugge (OBB), Hs nr. 604. Société Litéraire – nummer 538.

7 Jan Anseeuw, Bestuurlijke veranderingen, Brugge voor Napoleon, p. 52.

8 Huwelijksakte Saey-Govaert, Stadsarchief, Brugge. In de akte wordt de naam gespeld als Saeij. In alle andere gevallen Saey. Wij raadpleegden eveneens de bevolkingsregisters op www.archiefbankbrugge.be  Adjoint au maire= schepen.

9 Pierre Triomphe, 1815. La Terreur blanche, Toulouse, Privat, 2017.

10 Willy Dezutter, François – Xavier de Langhe (1785-1853) en Félix de Gelcke (1784-1824), leden van de Brugse loge “La Réunion des Amis du Nord”, in: Brugs Ommeland, 2022, 4, p. 284.

11 Andries Van den Abeele, Het geslacht Stochove. Komen en gaan van een adellijke familie in Brugge, in: Vlaamse Stam, 2002, 4-5, p. 203-217, vooral p. 214-215. Jean Charles Stochove werd begraven in de Begijnhofkerk van Brugge (Van den Abeele, t.a.p.) en niet in de familiekelder op het kerkhof van Sint Kruis zoals vermeld bij E. Coppieters de ter Zaele en Ch. Van Renynghe de Voxvrie, Histoire professionelle et sociale de la famille Coppieters 1550-1965, Brugge, 1966, deel 1, p. 405.

Dit artikel verscheen in het tijdschrift Brugs Ommeland, 2023, 3, p. 221-224.

Louis de Potter (1786-1859) en de vrijmetselarij

Bij gemeenteraadsbesluit van 26 april 1957 kreeg Louis de Potter in Brugge een straatnaam (1) en dat was zeker niet voorbarig gezien zijn rol als wegbereider van de Belgische revolutie en later als lid van het Voorlopig Bewind. Hij was niet alleen politicus maar ook journalist en publicist. Zijn lijst van publicaties is indrukwekkend (2).

Het was wachten tot het aantreden van Pierre Vandamme (1895-1983), die op 1 juli 1956 Victor Van Hoestenberghe (1868-1960) was opgevolgd als burgemeester van Brugge (van 1924-1956), dat een republikein en antiklerikaal genade vond. Ook de tweede schoolstrijd (1950-1958) woedde nog volop.

Overal valt te lezen dat hij geboren werd in Brugge, alleen R. Dalemans en N. de Potter geven als geboorteplaats Loppem (3). Hij was de zoon van Pierre-Clément de Potter de Droogenwalle (1759-1824) die gehuwd was met Marie-Catherine Maroucx d’Opbrakel ( 1753 – 1833). Zijn vader liet een neoclassicistisch landhuis bouwen in Loppem maar officieel waren zij gedomicilieerd in Brugge, waar hij aan de Dijver maar liefst drie huizen in bezit had. Het landhuis in Loppem werd in 1862 afgebroken toen daar het neogotische kasteel van Loppem (bouwheer Charles van Caloen) verrees (4). Het is aan de Dijver dat Louis de Potter op woensdag 26 april 1786 om zes uur ’s avonds het levenslicht zag (5).

In de zomer van 1859 bracht De Potter nog enkele weken door in Blankenberge om te herstellen van een chronische bronchitis maar zijn toestand verslechterde zodat zijn vrouw en zoon hem naar Brugge overbrachten waar hij op vrijdag 22 juli 1859 zou overlijden op de leeftijd van 73 jaar. Hij was toen wel gedomicilieerd in Brussel. Hij werd begraven op het kerkhof van Sint-Joost-ten-Node (Brussel) en later bijgezet in het familiegraf op de openbare begraafplaats van Evere (6). De Potter was Bruggeling maar als revolutionair speelde zijn leven zich af zowel in Brussel als in ballingschap in Parijs.

Vrijmetselaar

Zowel de vrijmetselarij als de religie zijn in de loop der tijd geëvolueerd. Wat vijftig jaar geleden nog een doodzonde was, is het nog steeds maar wordt niet meer zo gepercipieerd. Het gebod tot mishoren, vleesderving op vrijdag, de praktijk van het biecht horen, e.a. zijn binnen de katholieke kerk niet meer hetzelfde als zestig jaar geleden toen met het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) de kerk bij de tijd werd gebracht. De vrijmetselarij evolueerde van een gezelligheidsvereniging (18de eeuw) naar een combattieve loge in het midden van de 19de eeuw en dat onder impuls van het Grootoosten van België en hierbij geholpen door een blunder van het Belgische episcopaat.

In België betekent het jaar 1838 een eerste keerpunt in de verhouding tussen vrijmetselarij en episcopaat. De oprichting van de loge La Fidélité in Gent in 1837 was hen een doorn in het oog. In december 1837 publiceerden kardinaal Engelbert Sterckx en de Belgische bisschoppen een herderlijke brief met een veroordeling van de vrijmetselarij. De gelovigen werd uitdrukkelijk verboden toe te treden of te sympathiseren en dit op straffe van excommunicatie (7). Op verzoek van de Brugse bisschop Frans-René Boussen (bisschop van 1834-1848) verscheen er ook een Nederlandstalige versie. Deze zendbrief werd op de eerste zondag van 1838 in alle kerken vanaf de preekstoel voorgelezen (8). Die bisschoppelijke oorlogsverklaring, door de koning en de regering beschouwd als ferm overdreven, wijzigde de oriëntering van de Belgische vrijmetselarij die steeds meer evolueerde in de richting van het antiklerikalisme. In tegenstelling tot de bisschoppelijke verwachtingen traden de vrijmetselaars niet massaal uit, maar versterkte de brief de belangstelling voor de vrijmetselarij en werden in totaal elf nieuwe loges opgericht. Dat was o.m. het geval in Brugge waar door het Grootoosten van België op 27 mei 1839 een constitutie werd verleend voor de oprichting van de loge La Tolérance. Zo’n naam zou men enkele jaren voordien nooit aan een loge gegeven hebben.

Louis de Potter trad toe tot de vrijmetselarij toen die nog een totaal ander karakter vertoonde. De tentoonstelling (met bijgaande catalogus) over Een eeuw vrijmetselarij in onze gewesten 1740-1840 in de ASLK-Galerij in Brussel in 1983 heeft de standaard gezet voor het wetenschappelijk onderzoek over dit onderwerp. De gezaghebbende Prof. André Uyttebrouck (ULB) schreef daarin dat de Potter onder het Frans bewind lid werd van de loge La Paix in Brussel (9). Sindsdien wordt dat overal steeds maar herhaald. Prof. Uyttebrouck gaf hiervoor geen bron op maar het lag wel voor de hand om dat te veronderstellen aangezien de naam van de Potter als erelid voorkomt op een tableau (gedrukte ledenlijst) van de loge La Paix uit 1814 (10).

De ereleden, zoals in het geval van dirigent en componist Charles Hanssens (Gent 1777- Brussel 1852), bij La Réunion des Amis du Nord in Brugge (11) behoorden meestal tot een andere loge dan de eigen werkplaats. Paul Delsemme (12) maakte van erelid het woord lid in 1814 en legde daarmee opnieuw de basis voor algemene navolging (13). Alleen R. Dalemans en N. de Potter (14) trokken de vermelding van Delsemme in twijfel omdat De Potter zich in 1814 al in Italië bevond. Hij kon dus gewoonweg geen vrijmetselaar geweest zijn! Daar gaan ze wel erg kort door de bocht met hun saga.

In de Koninklijke Bibliotheek van België in Brussel wordt een reeks maçonnieke handschriften uit de 19de eeuw bewaard onder de titel Tableaux des FFF comportant différentes loges des pays et de l’ Europe (15). Daar valt te lezen dat Louis-Joseph-Antoine de Potter (Bruges, 1785), homme de lettres, op 10 oktober 1808 in Brussel werd ingewijd bij de vrijmetselaarsloge La Candeur (16). Deze notitie werd geschreven in de periode dat hij al in Rome verbleef gezien de vermelding membre non résidant à Rome. De expliciete vermelding van de precieze inwijdingsdatum wijst er wel op dat de auteur goed op de hoogte was. De Potter was op het moment van de inwijding 22 jaar oud. De minimum leeftijd lag toen op 21 jaar en is sindsdien ongewijzigd gebleven (17).

In de 18de eeuw was de logenaam La Candeur nog heel gewoon bijv. (Parijs (Fr.), Gent (B), Culemborg (Ned.) hoort in dat rijtje thuis en toen het Grand Orient de France op 8 november 1804 in Brussel een nieuwe loge oprichtte koos men ook voor die naam. Men zou de naam in het Nederlands kunnen vertalen als de oprechtheid, de onbedorvenheid, de argeloosheid. In de 18de eeuw en begin 19de eeuw werden in de naamgeving de goede betrekkingen tussen de leden benadrukt: broederschap, vriendschap, verbond, trouw, standvastigheid, argeloosheid, gelijkheid, gerechtigheid e.d. (18). Op 6 maart 1809 werd aan La Candeur ook een kapittel gehecht. Aan die kapittelgraden zal De Potter niet zoveel belang gehecht hebben want hij was niet zo voor het rituele aspect van de vrijmetselarij. Hij was een man van actie en niet van zelfbespiegeling. Op 20 april 1816 fuseerde La Candeur met de Brusselse loge La Paix (gesticht 28.4.1802) en bleef onder de benaming La Paix et Candeur bestaan tot in 1836 (19).

Italië

In 1811 vertrok hij naar Italië en verbleef tot 1821 in Rome en van 1821 tot 1823 in Florence. In Rome verdiepte hij zich op kritische wijze in de kerkgeschiedenis en zijn boeken werden prompt op de index geplaatst (20). Niet dat er onwaarheden in stonden maar de macht van de kerk werd aangetast dus moest het geneutraliseerd worden.

We hoeven ons geen zorgen te maken over zijn financiën want hij kwam uit een welstellende adellijke familie. Na het overlijden van zijn vader in 1824 nam hij persoonlijk afstand van zijn adellijke titel maar niet van het geërfde vermogen! Wel werd hij in 1815 tot provisor van het Hospitium van Sint-Juliaan-der-Vlamingen benoemd, een pelgrimshospitaal in Rome. Er waren verschillende provisoren en hij werd de chanoine laïque genoemd (Souvenirs Intimes, p. 38).

De Brugse kunstschilder Joseph Odevaere (1775-1830) vertrok eind oktober 1805 vanuit Parijs naar Rome waar hij zou blijven tot 1812. In dat jaar was hij ook in Parijs en op 22 november  1812 is hij aanwezig in Gent (21). In Rome maakte hij in 1811 een portret van Louis de Potter, “De Potter spelend op een gitaar” dat zich in het Kasteel van Loppem (Zedelgem-Loppem) bevindt (22). De vriendschap tussen De Potter en Odevaere bleef bestaan. In 1823 waren beiden lid van de eerste Société des Douze, een geleerd, literair en culinair genootschap dat bijeenkwam in Brussel en uit twaalf personen bestond.

Joseph Odevaere zal in de eerste helft van 1813 ingewijd worden als leerling bij de loge La Réunion des Amis du Nord in Brugge. Zijn initiator was Voorzittend Meester (Achtbare Meester) François Bertram (1766-1826), reder van beroep. Hij kreeg in 1826 een kerkelijke begrafenis en werd bijgezet in de familiekelder vak 11, grafnummer 44 op het kerkhof van de parochie Sint-Kruis (23). Ook de broer van Joseph Odevaere, de grootgrondbezitter Anselme Odevaere jr. (1779-1839) werd lid van La Réunion des Amis du Nord.  Hun vader Anselme Odevaere (1744-1810) was sinds 1766 lid van de loge La Discrète Impériale in Aalst en niet bij La Parfaite Egalité in Brugge (24). J. Odevaere hoefde dus niet door De Potter gestimuleerd te worden om met de vrijmetselarij in aanraking te komen, het is duidelijk dat zij zich verwant voelden.

Datzelfde gevoel zal bestaan hebben tussen hem en de schilder François-Joseph Navez (1787-1869), met wie hij hecht bevriend was. De jonge schilder Navez woonde van december 1817 tot in 1819 in hetzelfde huis als de Potter en zijn geliefde Matilde. F.J. Navez zal op 25 maart 1834 ingewijd worden bij de Brusselse loge Les Amis Philanthropes. De Potter werd dus altijd al omringd door gelijkgestemden.

Hierbij mogen we zeker zijn belangrijkste huisgenoot niet vergeten, zijn geliefde Matilde Malenchini-Meoni (Livorno 3.12.1779 –  Fiesole 8.9.1858). Matilde was kortstondig gehuwd met Vincenzo Malenchini maar bleef haar leven lang de achternaam Malenchini gebruiken. V. Malenchini was vrijmetselaar. Matilde bleef bij De Potter zowel in Rome als in Florence. In mei 1826 kwam er een eind aan die liefdesverhouding en namen Louis en Matilde in Parijs afscheid van elkaar (25). Zij ontving van hem een jaarlijkse rente van 1200 francs.   De Potter (die zeven jaar jonger was dan haar) had een uitgesproken kinderwens waaraan zij niet kon voldoen.

Daarom ging hij op zoek naar een geschikte partner buiten het adellijk milieu en viel zijn oog op Sophie Van Weydeveldt, alias De Campré (1808-1896). Die schonk hem reeds op 11 november 1827 in Brussel een zoon Agathon. Zij was 18 jaar en hij 40 toen ze kennis kregen. In totaal kregen ze vier kinderen. Er waren al twee zonen geboren, Agathon en Eleuthère, alvorens ze officieel in het huwelijk traden op 28 oktober 1830 (25a).   De Stedelijke Musea van Brugge bezitten een mooi portret van Louis de Potter geschilderd door Matilde Malenchini-Meoni (26). Het kan ontstaan zijn in 1822 en hij werd geportretteerd in de bibliotheek van de familie Ricci in Florence. Zijn verblijf in Florence moest De Potter in het voorjaar 1823 onderbreken omdat de familie hem terugriep wegens ernstige ziekte van zijn vader Pierre Clément de Potter (27) die op 23 januari 1824 zal overlijden in Brussel waar hij verbleef om gezondheidsredenen. Hij werd wel overgebracht naar Loppem waar hij bijgezet werd in een nieuwe grafkelder op het kerkhof. Zijn echtgenote vond later daar ook haar laatste rustplaats. Oorspronkelijk zou Louis terugkeren naar Italië maar allerlei besognes met de erfeniszaken weerhielden hem daarvan.

Portret van Louis de Potter door Matilde Malenchini-Meoni. Olieverf op doek 61×49 cm. Groeningemuseum, Brugge. Datering ca. 1822.

Brussel

De Potter bleef niet in Brugge maar verhuisde in juni 1824 opnieuw naar Brussel samen met zijn moeder. Hij vroeg ook aan Matilda Malenchini om vanuit Italië naar Brussel te komen. In Parijs wachtte hij haar op en op 31 juli 1824 werd zij in het vreemdelingenregister van Brussel ingeschreven (28). Hun huis in Brussel (Nieuwstraat 449) werd het trefpunt voor Italianen op doorreis maar er waren er ook die langer bleven.

Eén van hen was Martial Reghellini (1758-1853) die zich ook M. Reghellini de Schio noemde omdat hij afkomstig was van Schio (prov. Vicenza, Italië). Hij was vrijmetselaar en liet zich bij aankomst in Brussel op 12 november 1825 affiliëren bij de Brusselse loge Les Vrais Amis de l’Union (29). In Brussel ontplooide hij een grote maçonnieke activiteit ook op het vlak van publicaties (30). Het bekendst zijn L’Esprit du dogme de la Franche Maçonnerie (31) en La Maçonnerie considérée comme le résultat des religions égyptienne, juive et chrétienne (32). Reghellini ging veel te rade bij de Potter en bedankte hem uitvoerig in zijn boeken. Prof. John Bartier weet ons dan ook te vertellen dat de Potter hem gedurende 35 jaar steunde met geld, wijn en goede raad (33). Reghellini gaf op 23 september 1840 plots ontslag in zijn loge en zal overlijden in Elsene op 19 augustus 1853. Het oordeel van de Potter zelf was niet min: M. Reghellini Italien, sachant beaucoup de choses, mais les sachant mal (34).

De Souvenirs intimes

Louis de Potter zijn memoires, de Souvenirs Intimes,  werden postuum uitgegeven in het jaar 1900 (34a). Samen met zijn Révolution belge de 1828 à 1839. Souvenirs personnels. (Brussel, 1839) vormen zij de complete gedenkschriften. Het was zijn zoon Agathon de Potter (1827 –1907) die instond voor de uitgave en ter aanvulling het laatste hoofdstuk schreef. Het boek begint met een Avis Essentiel waarin L. de Potter vraagt om het kort na zijn overlijden uit te geven maar dit in overleg met de weduwe. Zijn echtgenote Sophie Van Weydeveldt (1808–1896) verzette zich daartegen.

Die wens werd door Agathon , die instond voor de uiteindelijke redactie gerespecteerd en hij zal het boek pas publiceren na het overlijden van zijn moeder. Er werden op verzoek van zijn moeder en zijn zus Marie-Christine (in 1812 gehuwd met baron Joseph-Bernard van Caloen) ook enkele intieme zaken geschrapt. Die wegelaten gedeelten worden in de tekst aangeduid met puntjes. Uit de Avertissement vernemen we dat hij het op schrift stellen eindigde in 1851 en aan zijn zonen vraagt om het te voleindigen met een laatste hoofdstuk. Zijn tweede zoon Eleutherius (1830–1854) overleed in 1854 in Pisa (Italië) dus werd het de oudste zoon Agathon die de taak op zich nam. In de Préface staat nogmaals duidelijk dat hij deze memoires schreef ter attentie van zijn kinderen. Het eerste deel van het boek behandelt de periode 1786–1839. Hij schrijft echter niet over zijn toetreding tot de vrijmetselarij. Wat dat aspect betreft blijven we dus op onze honger zitten. 

Besluit

Louis de Potter bleef voor zijn broeders Notre Respectable Frère, ook toen hij niet meer op de kolommen verscheen. Zijn moederloge La Candeur was in 1816 gefuseerd met La Paix en na terugkeer in Brussel in 1824 nam hij daar niet meer deel aan de arbeid. Hij werd dus ingewijd op 10 oktober 1808 bij de loge La Candeur en niet bij La Paix zoals tot nu werd aangenomen. In 1809 kan hij al meester-vrijmetselaar geweest zijn. De aanneming tot leerling, bevordering tot gezel en de verheffing tot meester nam toen slechts één jaar in beslag. Bij La Paix werd hij, zeker sinds 1814, vermeld als erelid terwijl hij toen in Rome verbleef. Dat is niet wereldschokkend maar doet wel een hardnekkige mythe teniet. Niettemin werd hij in de revolutiejaren 1830 nog steeds gerekend tot de groep van vrijmetselaren (35); het cliché wilt nu eenmaal dat vrijmetselaars complotteurs zijn. Wel werd hij regelmatig uitgenodigd om zich bij een loge aan te sluiten zo onder meer door Lucien Jottrand (1804-1877) die in 1860 een zeer betrouwbare biografie schreef (36). Ze hadden samen gewerkt op de redactie van de Courriers des Pays-Bas waar ze elkaar voor het eerst ontmoetten in april 1826 (37).

Ook Goswin baron de Stassart (1780-1854) bleef hem mon frère noemen. Deze liberale politicus was grootmeester van het Grootoosten van België (G.O.B.) van 1835 tot 1841. Hij zal in 1841 aftreden omdat de denkrichting van het G.O.B. totaal veranderde. We schetsten dat reeds hogerop. Op 22 november 1838 schreef L. de Potter een brief aan De Stassart met de merkwaardige zin Maçon aussi peu zélé que je suis mauvais catholique (38). De weinig vlijtige maçon De Potter stierf zonder de genademiddelen van de kerk maar de Stassart bleef katholiek. De Belgische vrijmetselarij zal pas tussen 1842-1848 zich definitief mengen in de strijd om de politieke macht met het antiklerikalisme als hefboom (39).  Na 1871 werd door het Grootoosten van België (stichting 13 januari 1833) de aanroeping van de Opperbouwmeester van het Heelal (Le Grand Architecte de l’Univers) en het geloof in de onsterfelijkheid van de ziel niet meer verplicht gesteld. Toen was de nieuwe marsrichting voor iedereen duidelijk.

Willy Dezutter

Résumé françaisLouis de Potter et la Franc-Maçonnerie

Louis de Potter (Bruges/Belgique 1786 – Bruges/Belgique) 1859) est un journaliste, historien, homme d’État  et révolutionnaire belge. Il appartenait à une famille très aisée anoblie le 17 avril 1764. Sur l’avis de ses médecins qui lui conseillent un changement de climat, il part pour l’Italie en 1811 et vit d’abord à Rome pendant dix ans, puis à Florence pendant deux ans  de 1822 à 1823.

À Rome il fait la connaissance de la peintre Matilde Malenchini (1779 – 1858), de sept ans son ainée, avec qui il a une relation, partageant avec elle, de 1817 à 1820 une maison chez son compatriote, le peintre François-Joseph Navez. Ils vécurent ensemble à Florence de 1821 è 1823. En 1823, Louis de Potter doit rentrer à Bruges en raison de la santé de son père. Après la mort de son père en 1824, il s’installe à Bruxelles avec sa mère. Il commence sa carrière politique en tant que rédacteur au Courrier des Pays-Bas, journal libéral d’opposition, où il déploie sa verve de polémiste contre le clergé catholique, l’aristocratie et le gouvernement de Guillaume 1er des Pays-Bas. Il devient un tribun et porte-drapeau du peuple dans les médias. Le 28 septembre 1830, du balcon de l’Hôtel de Ville de Bruxelles, acclamé par 20.000 citoyens, Louis de Potter prononce un vibrant discours de l’indépendance de la Belgique. Louis de Potter fut  intégré au gouvernement provisoire belge [référence fr.wikipédia.org grâce à Andries Vanden Abeele].

Louis de Potter a été initié à la loge La Candeur à Bruxelles le 10 octobre 1808. Il avait vingt-deux ans à ce moment-là. Le 20 avril 1816 La Candeur fusionnait avec la loge Bruxelloise La Paix (fondée 28.4.1802) et continuait à exister sous le nom La Paix et Candeur jusqu’en 1836. Chez La Paix il était mentionné depuis 1814 comme membre honoraire. Contrairement à tout ce qu’on a toujours prétendu Louis de Potter n’a pas été initié à la loge La Paix à Bruxelles mais bien le 10 octobre 1808 à la loge La Candeur dans la même ville. C’est Willy Dezutter, l’auteur de cette contribution et spécialiste de la maçonnologie belge, qui a constaté ce nouveau fait historique du curriculum maçonnique de Louis de Potter.

1 A. Schouteet, De straatnamen van Brugge. Brugge, 1979, p. 135. Het betreft een zijstraat van de Koolkerkse Steenweg.

2 Hij kreeg een zeer mooi artikel op de internetencyclopedie Wikipedia en zijn levensverhaal werd boeiend verteld door Johan op de Beeck, Het verlies van België. De strijd tussen de Nederlandse koning en de Belgische revolutionairen in 1830. Amsterdam,2015. Meer preciseringen bij Els Witte, Belgische Republikeinen. Radicalen tussen twee revoluties (1830-1850), Antwerpen, 2020. p. 40-42 en 122-124. In dit werk van Els Witte staan geen verwijzingen naar de vrijmetselaarsstatus van De Potter, dat is eveneens het geval voor de grondige biografie in 2 delen van John Goddeeris, Louis De Potter, Brugge 1786-1859, Koninklijke West-Vlaamse Gidsenkring, Ieper, deel 1, 2019 en deel 2, 2020.

3 R. Dalemans en N. de Potter, Louis de Potter. Révolutionaire Belge en 1830. Charleroi, 2011, p. 13. Louis Joseph Antoine de Potter werd ontegensprekelijk geboren in Brugge op 26 april 1786 in het ouderlijk huis aan de Dijver. Zie: J. Goddeeris, L. de Potter, deel 1, p. 10. 

4 V. van Caloen, J. van Cleven en J. Braet, Het Kasteel van Loppem. Oostkamp, 2001, p. 11 en 23.

5 J. Op de Beeck, Het verlies van België, p. 12.

6 J. Op de Beeck, idem, p. 429-430.

7 J. Bartier, La condamnation de la franc-maçonnerie par les evêques belges en 1837. In: Guy Cambier (red.), Laïcité et Franc-Maçonnerie, Brussel, 1981, p. 225-232 en H. Hasquin, Les Catholiques Belges et la Franc-Maçonnerie. Waterloo, 2011, hfst. III De la rupture catholique à la singularisation maçonnique (1837-1872).

8 Die zendbrief verscheen eveneens integraal in de katholieke Gazette van de Provincie West-Vlaenderen en der Stad Brugge, nr.5, woensdag 10 January 1838.

9 Een eeuw vrijmetselarij in onze gewesten. 1740-1840. Galerij ASLK, Brussel, 1983, p. 224. Zonder bronverwijzing en datering.

10 L.J. Peellaert, La représentation maçonnique dans les noms de rues de Bruxelles. Brussel, 1982, p. 325. In de bijdrage van Marc D’Hoore, Politiek/Brussel, stad van vrijmetselaars, in A. Despy-Meyer (red.), Brussel, vrijmetselaars in de stad. Brussel, 2000, p. 28 e.v. komt L. de Potter niet voor.

11 W.P. Dezutter, De loge “La Réunion des Amis du Nord” (1803-1831) in Brugge, in: Brugs Ommeland, 2010,1,p. 39-51 en op www.willydezutter.be Charles Hanssens, ledenlijst 1808, erelid. Was in 1807 medeoprichter van de loge “Les Vrais Amis” in Gent.

12 P. Delsemme, Les écrivains francs-maçon de Belgique. Bibliothèque de l’ULB. Brussel, 2004, p. 68. De bewaarplaats van die ledenlijst wordt nooit door iemand aangegeven maar bevindt zich in de Koninklijke Bibliotheek van België, Brussel, handschrift 11.215 A.

13 Op www.wikiwand.com  staat hij bij Franc-Maçonnerie bruxelloise au XIXe siècle vermeld als lid van La Paix, Grand Orient de Belgique (dat pas in 1833 werd opgericht !).

14 R. Dalemans en N. de Potter, op.cit. p. 107.

15 Deze reeks loopt van de nrs. 11.215 t/m 11.221. Met dank aan Dr. L. Reynhout, Kon. Bibliotheek Brussel, afd. handschriften.

16 Kon. Bibliotheek, Brussel, handschrift 11221 D. Het geboortejaar van De Potter is wel 1786, niet 1785.

17 Art. 67 van de statuten en reglementen van de Brugse loge “La Réunion des Amis du Nord”, goedgekeurd op 13 okt. 1804, luidt “Aucun individu ne pourra être présenté à l’initiation qu’il n’ait accompli sa 21e année”. Exemplaar privé verzameling, Brugge.

18 A. U[yttebrouck], Idealen en deugden, menselijke betrekkingen, in: Charles L. Tomas, (red.), De vrijmetselarij en Europa van de 18de eeuw tot heden. Brussel, 1993, p. 111.

19 A. de Witte, Sceau de la loge “Paix et Candeur” à l’Orient de Bruxelles. Uitgever J. Goemaere, Brussel, 1901, 10 p. (Revue Belge de numismatique). Alphonse de Witte (1851-1916) was numismaat. Zie over hem Andries Van den Abeele, De Bruggeling Bruno De Witte en zijn nakomelingen, in Brugs Ommeland 62 (2022), 4, p.245-259, vooral p. 256-258.

20 De Potter, Considérations sur l’histoire des Grand Schisme d’Occident. Brussel, P.J. De Mat, 1816, 2 vol. Idem, L’Esprit de l’Eglise ou Considérations sur l’histoire des conciles des papes, depuis Charlemagne jusqu’à nos jours. Parijs, 1821, 6 vol. Hij publiceerde onder de naam “ De Potter.”

21 M. Woussen en D. Coekelberghs, in: D. Coekelberghs en P.Loze (red.), Om en rond het neo-classicisme in België. Brussel, 1986, p. 169-171. Zie voor de carrière van J.D. Odevaere: Jean Luc Meulemeester, Brugse kunstenaars tijdens de Franse overheersing , in: H. Anseeuw, J. Anseeuw, B. Gevaert (red.), Brugge voor Napoleon, Brugge, 2021, p. 349-416, vooral p. 360-367.

22 V. van Caloen, J. van Cleven en J. Braet, op. cit. p. 170.

23 Willy Dezutter, François Bertram-Boudeloot (1766-1826), achtbare meester van de Brugse loge “La Réunion des Amis du Nord” in relatie tot de kunstschilder Joseph Denis Odevaere (Brugge 1775-Brussel 1830), in: Brugs Ommeland, 62 (2022), 3, p. 200-206, vooral p. 202-204.

24 A. Van den Abeele, In Brugge onder de acacia. De vrijmetselaarsloge “La Parfaite Egalité” (1765-1774) en haar leden. Brugge, 1987,p. 322 en Guy Schrans, Vrijmetselaars te Gent in de XVIIIe eeuw. Gent, tweede vermeerderde druk, 2009, p. 428.

25 M. Schillings, Malenchini-Meoni, Maria Metilde, genaamd Matilde, in Nationaal Biografisch Woordenboek, deel 21, Brussel, 2014, kol. 697-709. Zie ook de bijlage van M. Schillings, Louis de Potter in Rome en Florence 1811-1823, in J. Goddeeris, L. De Potter, 2019,deel 1, p. 18-28.

25a John Goddeeris, Louis De Potter, op.cit. deel 1, 2019, p. 37. Met expliciete verwijzing naar de huwelijksakte van 28 oktober 1830. Volgens het artikel Louis de Potter op nl.wikipedia.org zou hij burgerlijk gehuwd zijn in Brussel in 1826. Dat zou dan niet juist zijn ? De Potter liet nooit weten aan Matilde Malenchini – Meoni , die probeerde contact te houden, dat hij al gehuwd was in 1826 om haar niet te verontrusten. Daarom huwde hij pas later. Ook J. Braet geeft de datum 1826 in V. van Caloen, e.a. Het Kasteel van Loppem, p. 12. L. De Potter schrijft zelf in zijn Souvenirs Intimes (p. 64): “Le 11 novembre 1827, après environ un an de mariage, ma femme mit au monde son premier enfant”. Misschien was dat een leugentje om bestwil want zijn eerste twee kinderen kwamen ter wereld met de naam van zijn partner: Agathon en Eleutherius kregen de achternaam De Campré !

26 D. Marechal, Van portrettisten en geportretteerden. Enkele negentiende eeuwse schilderijen en miniaturen in Brugs stedelijk bezit, in: Jaarboek van de Stedelijke Musea, 1989-1990. Brugge, 1991, p. 227-229. Het portret van L. de Potter in het Groeningemuseum werd door hem in 1989 volkomen juist toegeschreven aan Matilde Malenchini -Meoni . Dit portret is niet gesigneerd en niet gedateerd. Zie ook: D. Marechal (samensteller) en G. Platteau (redacteur), De Romantiek in België: tussen werkelijkheid, herinnering en verlangen. Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel/Lannoo, Tielt, 2005, p. 144-145 (notities D. Marechal).

27 Men heeft beweerd dat Pierre Clément de Potter ook vrijmetselaar was. Dat is onjuist. Men verwart met Pierre de Potter (Gent 1723-1783), secretaris van de loge “La Bienfaisante” in Gent. Zie: G. Schrans, Vrijmetselaars te Gent, o.c. p. 461.

28 M. Schillings, NBW, op.cit. kol.704.

29 Voor een korte geschiedenis van die werkplaats zie: E. Witte en F. Borné, Documents relatifs à la franc-maçonnerie belge du XIXe siècle 1830-1855, Leuven, Centre interuniversitaire d’histoire contemporaine, 1973, p. 794.

30 J. Bartier, Francs-maçons italiens et français à Bruxelles à l’ époque du roi Guillaume, d’après des documents inédits, in: Guy Cambier (red.), Laïcité et Franc-Maçonnerie. Brussel, 1981, p. 203-224.

31 Esprit du dogme de la Franche Maçonnerie, recherches sur son origine et celle de ses différents rites, y compris celui du carbonarisme par le f[rère] M[artial] R[eghellini] de Schio, Bruxelles, Tarlier, 1825, in -8°, 273 p. Zijn werken waren al in zijn tijd omstreden in maçonnieke kringen wat hem noopte tot een apart verweerschrift (Brussel, Tarlier, 1827, 24 p.).

32 La Maçonnerie considérée comme le résultat des religions égyptienne, juive et chrétienne, 2 vol in -8°, Bruxelles, Tarlier, 1829, 471 en 476 p. 

33 J. Bartier, op.cit. p. 211.

34 J. Bartier, op.cit. p. 212.

34a Louis de Potter, Souvenirs intimes. Retour sur ma vie intellectuelle et le peu d’incidents qui s’y rattachent, 1786 à 1859. Uitgever Imprimerie Veuve Monnom, Brussel, 1900, 399 pp.

35 Yves Hivert-Messeca, L’ Europe sous l’Acacia. Histoire des Francs-maçonneries européennes du XVIIIe siècle à nos jours, deel 2, 19de eeuw, Editions Dervy, Parijs, 2014 hfst. La Franc-Maçonnerie dans le nouveau Royaume de Belgique.

36 Lucien Jottrand, Louis De Potter, Brussel, A. Decq, 1860, p. 6 “Louis de Potter est né à Bruges le 26 avril 1786. Sa famille était noble”.

37 L. Jottrand, op.cit. p. 23

38 Autograaf van de brief op https://tresordelacademie.be en in Marie-Rose Thielemans, Inventaire des archives du baron de Stassart: correspondance reçue par le baron Stassart. Brussel, Algemeen Rijksarchief, 1973.

39 Els Witte, Belgische Republikeinen, p. 248-250.

U kunt uit dit artikel citeren mits bronvermelding met de volgende referentie: Willy Dezutter, Louis de Potter (1786 – 1859) en de vrijmetselarij, op willydezutter.be [online] geraadpleegd op …..datum.

De Mona Lisa van Leonardo da Vinci: een nieuwe benadering

Op het eind van de zomer van 1516, net voor de sneeuw in de Alpen de overtocht onmogelijk kon maken, sluit Leonardo da Vinci (1452-1519) zich aan bij de karavaan van het hof van de Franse koning François I (1494-1547). Deze jonge koning (22 jaar oud) zou zijn laatste, maar meest toegewijde mecenas worden.

Voor het eerst in zijn leven voelt Leonardo da Vinci onvoorwaardelijke steun en begrip. En voor het eerst verlaat hij Italië. Hij is 64 jaar, maar lijkt veel ouder en weet dat dit waarschijnlijk zijn laatste reis zal zijn. De muilezels, die het transport doen van de meubelen van het gevolg van de Franse koning, de koffers met linnen en die met manuscripten werden extra beladen met drie schilderijen van Leonardo da Vinci: Maria met Kind en Sint Anna (168 x 112 cm), Johannes de Doper (69 x 57 cm) en de Mona Lisa (77 x 53 cm) (1). Deze drie schilderijen worden nu bewaard en tentoongesteld in het Louvre in Parijs.

Portret van de Mona Lisa, Leonardo da Vinci, Louvre, Parijs. Geheelopname.
Maria met Kind en Sint-Anna, Leonardo da Vinci, Louvre, Parijs.
Johannes de Doper, Leonardo da Vinci, Louvre, Parijs.

In 1516 was Leonardo da Vinci deze drie kunstwerken nog voortdurend aan het bijwerken met een nooit gezien perfectionisme. Vooral de Mona Lisa, die het resultaat was van 17 jaar werken aan een schildertechniek die de Renaissance ten top is. De genialiteit van deze techniek wordt zeer ondergewaardeerd. Daarom zullen we de materiële gegevens van de Mona Lisa, onderzocht met de meest moderne onderzoekstechnieken, van heel nabij bekijken.

Leonardo da Vinci heeft zich voorzien van een paneel in populierenhout als drager. De zeer hoge kwaliteit met fijne vezels en rechtlijnige nerven wijzen er op dat de plank uit het midden van de boomstam komt. Schildertechnisch is er niets veranderd sedert Leonardo da Vinci. Zo gebruiken we nog steeds dezelfde Italiaanse termen (2): La tecnica di Leonardo.

De imprimatura

Om het paneel ondoordringbaar te maken voor de verflagen die het zullen bedekken, werd het bestreken met verschillende lagen huidenlijm. De eerste lagen drongen in de vezels van het hout. Daarna werd gesso aangebracht: krijt (streekgebonden), gemengd met loodwit en huidenlijm. Na iedere laag gesso werd het oppervlak fijngewreven tot een zeer zacht, glad geheel. Als alle houtnerven bedekt waren en de gesso stralend ivoorkleurig was, kwam de ondoordringbare loodwitlaag, gemengd met gele aardpigmenten (uit de streek), zoals oker, om de gesso minder zuigend te maken en om het bindmiddel van de komende olieverflagen te verhinderen in te dringen (3).

De puntasecca

Met de droge naaldtechniek en de hulp van sjablonen werd de tekening overgebracht: de ondertekening, spolvero genoemd.

Opname tijdens onderzoek naar de ondertekening op het paneel van de Mona Lisa, Louvre, Parijs, 2021, door P. Cotte: stippellijnen langs het hoofd en de handen. Dit is de SPOLVERO, de sjabloontechniek, het overbrengen van de voorbeeldstudies op het origineel. De speld is niet gebruikt.

De pentimenti

De aanzet van het schilderij gebeurde met een waterverftechniek: aquarel (bindmiddel Arabische gom) of tempera, zoals de techniek bij Jan van Eyck: eiwit of eigeel (of beiden) gemengd met pigmenten (4). Leonardo da Vinci  had de werken van Van Eyck gezien in Italië en wilde dezelfde rijkdom van glanzende kleuren als email, maar hij wilde nog meer naar de natuur schilderen, meer beweging en vernieuwing. Giorgio Vasari (1511-1574) bejubelde dat in zijn boek Levens van de meest beroemde schilders, beeldhouwers en architecten (1550). Het verschil in schildertechniek tussen de overgenomen techniek van Jan van Eyck en de vernieuwingstechniek van Leonardo da Vinci is uitgesproken zichtbaar in de veroudering. Een kopie van de Mona Lisa uit de tijd van een leerling van Leonardo toont ons het verschil: de kopie is egaler, gladder van aspect. Het origineel van Leonardo is veel beweeglijker en leeft door de ontelbare jeugdbarsten, veroorzaakt door de gelaagde sfumato.

Vergelijking van het portret van de Mona Lisa door Leonardo da Vinci met een kopie door één van zijn leerlingen uit de tijd (bewaarplaats: Prado, Madrid). De kopie is vervaardigd met de schildertechniek van Jan Van Eyck: glad, egaal, statisch met olieverf en glacis.
,
Mona Lisa, Leonardo da Vinci (origineel – ter vergelijking met vorige afbeelding)

De modellata of secunda imprimatura

Voortgezette aanzet, nat in nat gewerkt in waterverftechniek, werd er gemodelleerd in bruintinten: oker, amber en loodwit, uitgewreven met vingers, handpalmen en penseel.

Secunda Imprimatura: Leonardo da Vinci, Aanbidding der Wijzen (1481), Uffizi Galleria, Florence.
Dit onafgewerkt werk toont de modellata of secunda imprimatura.

De sfumato

Op de droge modellata kwam de sfumato: subtiele, transparant en semi-transparante verflaag, als een rookgordijn aangebracht met penseel en uitgewreven om de lagen in elkaar te laten vloeien. Dit tamponeren gebeurde met de vingers, duimen en handpalmen. De onderschildering was nog steeds zichtbaar en bracht doorheen de sfumato diepte en reliëf. Deze techniek was zeer vernieuwend, de verf eveneens want die werd gedraaid met lijnolie. Vóór Leonardo da Vinci werkte men in Italië uitsluitend met tempera. Tevens werd deze olieverf gemengd met hars, een techniek die de Italianen en ook Jan van Eyck en andere Westerse kunstenaars, hadden leren kennen door de handel met het verre China: laktechniek. Vanaf het begin van de vijftiende eeuw werden lakobjecten uit China geïmporteerd (5).

Houten schaal met lakwerk. Zhou -dynastie , China, 430 j. vóór de jaartelling,
Museum van Hunan, China.

De smorzatura

Subtiele clair obscur effecten werden verkregen door de smorzatura: op de lichte tonen kwam een glacis, een ultradunne doorschijnende verflaag met vluchtig bindmiddel in donkere toon en omgekeerd op de donkere delen met lichte kleur. Deze glacis werden opgebracht met het penseel maar in de materie gewreven met de vingers. Deze ultradunne verflagen zijn in olieverf, gemengd met hars. De inkarnaten (vleeskleuren) werden verkregen door het ineenwerken van opeenvolgende transparante lagen. De nuances die men hierbij kan bekomen zijn oneindig en brengen de geportretteerde als het ware tot leven. Ze geven een effect van beweging.

Leonardo da Vinci bestudeerde intens de beweging van de spieren van het gezicht zoals hij ook de beweging van water wilde vastleggen. Bij een rayon X fluorescentie – spectroscopie in 2010 werden meer dan 30 lagen glacis boven elkaar aangetroffen op het gezicht van de Mona Lisa (6).

Detail van het portret van de Mona Lisa: het gezicht. Niets laat dertig lagen vermoeden.
Detail van de ogen en de neus van de Mona Lisa. Daar waar Leonardo da Vinci heeft opgehoogd met loodwit laat de verflaag door de veroudering nerveuse barsten zien (in het harde loodwit).
Diepe, rechte craquelures volgen de nerven van het paneel. Daar waar de schaduwen met zachte aardekleuren, zoals okers, zijn gesuggereerd zijn er fijne ouderdomsbarsten. 

Deze lagen bestonden uit olieverf met toevoeging van harsen. De gebruikte verfstoffen voor de Mona Lisa zijn onder andere gele en rode oker, cinnaber, gebrande omber, verdigris (7) azuriet, lapis lazuli en loodwit. De ondertekening en onderschildering verdwijnt maar speelt mee om de rijke tonen op te bouwen. Ook het landschap is opgebouwd uit olieverf met toevoeging van harsen. De eerste laag bestaat uit loodwit met azuriet, geglaceerd met ultramarijn. De sfumato werd verwezenlijkt met blauwe pigmenten (8), groene aarde en gele oker en aangebracht in gradaties om het atmosferische perspectief te bekomen: hoe verder het landschap verwijderd van de kijker, hoe meer sfumato.

Twee landschappen aan weerszijden van de Mona Lisa:
de sfumato laat het landschap als het ware bewegen.

Leonardo da Vinci was de eerste kunstschilder na Van Eyck die werkte met een wetenschappelijk brein en de grote vernieuwing van de Renaissance een sleutelwerk bezorgde met het portret van de Mona Lisa.

Waarom vergezelde de Mona Lisa Leonardo da Vinci tot in zijn atelier toen hij stierf ? 

Het droogproces was problematisch

Door de ontelbare doorzichtige verflagen met als bindmiddel lijnolie, vergezeld van harsen, was het drogen een probleem. Het bindmiddel (de lijnolie) droogt aan het oppervlak, waar het zich verbindt met de zuurstof uit de lucht, maar eronder kan de glacis nog niet droog zijn. Het vlies aan de oppervlakte isoleert de rest van de verfmassa van de lucht en vertraagt zo het oxydatieproces of droging (de verbinding met zuurstof). Het kon maanden, zo niet jaren duren vooraleer zo’n glacis droog was. Het te vroeg aanbrengen van een bovenliggende glacis op een onderliggende kon jeugdbarsten veroorzaken en de leesbaarheid van het schilderij aantasten.

De experimenten waren niet voltooid

Om het droogproces te versnellen had Leonardo da Vinci jarenlang geëxperimenteerd met het koken van oliën, onder andere notenolie en lavendelolie (spijkolie), samen met harde natuurlijke harssoorten. Hij had het paneel van de Mona Lisa langdurig blootgesteld aan de zon. Om de olieverf sneller te laten drogen voerde hij experimenten uit door het bijvoegen van metaaloxyden (verbindingen met zuurstof): lood of mangaan of allebei tegelijk, wat zeer giftig was en nu verboden producten zijn. 

Het blijven zoeken naar de beste balsem

Leonardo da Vinci voerde proeven uit met verschillende soorten verdunningsmiddelen of balsems genoemd, om de olieverf gemakkelijk uit te strijken zoals spijkolie of Venetiaanse terpentijn. Het nadeel was opnieuw de lange droogtijd. Ze worden nu nog gebruikt (9).

Leonardo da Vinci wilde het verouderingsproces zien

De drogende lijnolie veranderde langzaam maar zeker het aspect van de verflaag.

Hij streefde de perfectie na

Het portret van de Mona Lisa zou de vernieuwing belichamen, geschilderd naar de natuur, als een bewegend beeld. Hij wilde een verflaag met een hardheid en glans die aan email doet denken, maar toch levendig blijft. Daarom voegde hij nog voortdurend glacis toe. Om de verbeeldingskracht te hebben om te voorzien welk resultaat je beoogt na 30 lagen glacis op elkaar aan te brengen moet je Leonardo da Vinci heten. Het portret van de Mona Lisa was Leonardo’s testament. Het testament van een experimentele wetenschapper, filosoof, maar bovenal geniaal kunstschilder.

Francine Huys

1 W. Isaacson, Leonardo de Vinci, La Biographie, traduit de l’anglais (Etats -Unis) par A.-S. De Clercq en J. Gerlier, Presses polytechniques et universitaires, Lausanne, 2019, p. 487.

2 M. Faldi, La tecnica di Leonardo, ARTE NET, december 2022, gesteund op wetenschappelijk onderzoek van de schildertechniek en het “Trattato della pittura di Leonardo da Vinci”, Parigi, 1651.

3 L. Kuiper, Restaureren van schilderijen. Unieboek, Bussum, 1973, p. 14.

4 M. Depoorter, Jan van Eycks ontdekking van de natuur, in: M. Martens, T.-H. Borchert, J. Dumolyn, J. De Smet en F. Van Dam, Van Eyck. Een optische revolutie, Hannibal-M.S.K. Gent, 2020,p. 231.

5 X. de Langlais, Technisch handboek voor de kunstschilder, Gaade Uitgevers, Amerongen, 1985, p. 20-22.

6 W. Isaacson, Leonardo de Vinci, La Biographie op.cit. p. 473.

7 R.J. Gettens en G.L. Stout, Painting Materials, Dover Publications Inc., New York, 1966, p. 169 en R.D. Harley, Artists’ pigments, Butterworth & Co. Ltd, Londen, 1970, afbeelding 5: de winning van kopergroen.

8 M. Faidutti en C. Versini, Le manuscrit de Turquet De Mayerne, Lyon, 1974, p. 162 recept voor indigo : granen koken van de Sigillum Salomonis. De blauwe pigmenten, gebruikt voor de sfumato, zijn hier hoogst waarschijnlijk indigo.

9 G. Nedey, Peintures et Vernis, Presses Universitaires de France, Paris, 1969, p. 34.

C.V.

De kunstenares Francine Huys (geb. Brugge, 1954) was van 1972-2014 verbonden aan het restauratieatelier van de Stedelijke Musea van Brugge (B), maar woont nu in Calenzana (Corsica, Frankrijk). Zij genoot haar opleiding aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten van Brugge en kreeg daarna haar 8 jaar praktijkervaring bij de restaurateur Edmond Florens (Lanaken, 1936 – Brussel, 2005). In het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK-Brussel) liep zij stage bij de restaurateurs Georges Messens en Jozef Grosemans (specialisatie lijmen van panelen). Zij werkte aan belangrijke werken van de Vlaamse Primitieven zoals De Marteling van de heilige Hippolytus (1475-1479), Sint-Salvatorskathedraal Brugge). Dit schilderij werd begonnen door Dieric Bouts (+ 1475) en Hugo van der Goes schilderde de stichtersportretten en werkte het af. Verder de Dood van Maria van Hugo van der Goes en het huidevettersretabel (Sint-Salvatorskathedraal, Brugge). Daarbij werden telkens heel wat ontdekkingen gedaan die nadien met veel nut konden gebruikt worden door de kunsthistorici. 

U kunt uit dit artikel citeren mits bronvermelding met de volgende referentie: Francine Huys, De Mona Lisa van Leonardo da Vinci: een nieuwe benadering, op willydezutter.be [online] geraadpleegd op …(datum).

Henri David Seligmann (Brugge 1868-Elsene 1955)

Henri David Seligmann werd in Brugge geboren op 2 januari 1868 (1) als tweede zoon van David Seligmann, pianomaker, 48 jaar oud en geboren in Wesel (Pruisen) en zijn echtgenote Delphine Hambourg, 29 jaar oud, geboren in Arnheim (Arnhem, prov. Gelderland, Nederland) (2).

In tegenstelling tot wat men zou denken is Henri een veel voorkomende Joodse naam. Zijn oom Henri Hambourg, een broer van zijn moeder, werd op 6 augustus 1843 geboren in Rotterdam.   Het Joodse echtpaar Seligmann-Hambourg woonde met hun kinderen in de Sint-Jacobsstraat 51a te Brugge. Er was in het huisgezin al een dochter Adèle (° Brugge, 1859) en een zoon Maximilien (° Brugge, 1861). In 1873 werd in Brugge een laatste zoon geboren Sigismond Albert. Hij zou verder door het leven gaan als Albert en Albrecht.

Henri David Seligmann (37 jaar) huwde op 10 oktober 1905 in Leuven met Alice Françoise Buelens (° Schaarbeek, 23.10.1873) die toen 32 jaar was. Zij woonde in Schaarbeek maar verbleef in Leuven. De vader van de bruid was Antoine Buelens uit Schaarbeek. De moeder van de bruid Jeanne Françoise Vranckx woonde eveneens in Schaarbeek maar liet zich op het huwelijk vertegenwoordigen per notariële volmacht. Ook Delphine Hambourg, de moeder van de bruidegom, die in Jambes (Namen) woonde, liet zich per notariële volmacht vertegenwoordigen (3). Tussen de twee schoonmoeders zat er kennelijk een haar in de boter. Moeder Delphine Hambourg, weduwe geworden, woonde in Jambes (Namen) en niet meer in Brugge. Haar man David was immers in Brugge overleden op 13 april 1904.

De bruidegom was op dat moment adjunct luitenant bij de Generale Staf van het Belgisch leger en woonde in Jambes (Namen). Voordien woonde hij in Sint-Joost-ten- Node. Op het ogenblik van zijn huwelijk was hij al vrijmetselaar. Hij moet vóór 1905 ingewijd geweest zijn bij de vrijmetselaarsloge La Flandre in Brugge. Deze werkplaats van het Grootoosten van België werd opgericht op 4 juni 1881 en was toen nog hoofdzakelijk samengesteld uit Franstalige liberalen. Hij was oud-strijder 1914-1918 en infanterie-officier.  

Op 1 april 1915 werd aan het IJzerfront bij koninklijk besluit de Militaire Veiligheid opgericht, de Sûreté Militaire. Majoor H. Seligmann  kreeg als cryptograaf de leiding van de militaire inlichtingendienst in 1915-1917 (4). Daarna werd hij directeur-generaal van het Militair Cartografisch Instituut (nu Nationaal Geografisch Instituut) en was verantwoordelijk voor de aanmaak van de militaire stafkaarten (topografische kaarten). Als stafofficier ging hij op pensioen met de graad van luitenant-generaal.  Hij overleed op 87 jarige leeftijd op 26 maart 1955 in de gemeente Elsene (Ixelles) en werd gecremeerd (5).

Hij stond volstrekt los van de joodse geloofsbeginselen en hij ging, net als zijn broer Max Seligmann (1861-1937), volkomen seculier door het leven. Zij gingen hun eigen weg en niet die van de halacha, de weg van de rabbijnse wetgeving.

Willy Dezutter

1 Men leest soms ook 3 januari maar dat was de dag van de aangifte van de geboorte.

1a Zie ook: Willy Dezutter, David Seligmann (1819-1904), pianomaker in Brugge. Op willydezutter.be .

2 Stadsarchief Brugge, Akten Burgerlijke stand, Geboorten 1868.

3 Rijksarchief Leuven, Burgerlijke stand, huwelijken. Provincie Vlaams Brabant. Inventarisnummer 36894/ 0 0001, 10 oktober 1905, aktenummer 300.

4 Kenneth Lasoen, Geheim België . De geschiedenis van de inlichtingendiensten 1830-2020. Lannoo, Tielt, 2020, p. 142.

5 De wet op de crematie kwam tot stand op 21 maart 1932 vanwege de oprichting van een crematorium in Ukkel. De eerste crematie vond plaats op 21 juni 1933.

David Seligmann (1819-1904), pianomaker in Brugge

David Seligmann werd op 6 december 1819 geboren in Wesel (Pruisen). Tijdens het Congres van Wenen (1815) werd Wesel teruggegeven aan Pruisen. Thans maakt het deel uit van de deelstaat Noordrijn-Westfalen (Duitsland) (1).

Wesel was in het begin van de 19de eeuw een groot knooppunt van Joodse reizigers (2). De vader van David, Marc (Marcus, Markus) Seligmann, echtgenoot van Rica Mendel, was op 20 mei 1854 overleden in Wesel. Hij was van beroep Lotterie-Kollekteur. Het beroep van loterijexploitant was vrij toegankelijk voor Joden en gaf sociaal aanzien. Ze hadden de status van koopman en het waren ondernemers.

Al van in de 18de eeuw was er in Duitsland een echte loterijkoorts met een veelvoud aan loterijspelen. Daarbij speelden Joodse Lotteriekollekteure een hoofdrol (3). Zo waren Abraham Seligmann (1756-1796), zijn twee zonen en zes van zijn kleinkinderen, allen uit Frankfurt, allemaal aan het werk als loterijexploitanten. Al die nazaten bleven actief tot 1866 (4). Na het overlijden van zijn vader besliste de 35 jarige David om te emigreren. Die Joodse Arbeitswanderer trokken veelal naar Noord-Nederland, België, Frankrijk en Zwitserland op zoek naar werk maar ze waren vooral op zoek naar een geschikte huwelijkspartner (5).

Hij trok naar België en kwam in 1854 bij de Joodse gemeente in Oostende terecht (6). Hoe groot die gemeenschap was omstreeks 1854 weten we niet maar eind 19de eeuw betrof het ongeveer 150 Joodse permanente residenten (7). Lang verbleef hij niet in Oostende want in 1855 vinden we hem terug in Brugge. Volgens het bevolkingsregister (8) kwam hij op 20 juni 1855 vanuit Oostende aan in Brugge en werd ingeschreven op het adres Cordouaniersstraat A1/38 (Oostenrijks nummer). Zijn beroep is facteur van piano’s en zijn burgerlijke staat ongehuwd.

Al van bij aankomst in Brugge geeft hij het beroep op van pianomaker. Als vrijgezel zal hij eerst van start zijn gegaan als pianostemmer. Bij een piano die in een huiskamer staat diende normaal gezien tweemaal per jaar een stembeurt uitgevoerd te worden, na de zomer en na de winter. Een pianostemmer was gelijktijdig ook een pianotechnicus. Begin 1857 vestigde hij zich als pianobouwer en pianostemmer in de Sint-Jacobsstraat (9). Nu kon ook aan trouwen gedacht worden.

Op 7 februari 1859 huwde hij in Sint-Joost-ten-Node (Brussel) met Delphine Hambourg, geboren op 4 september 1838 te Arnheim (Arnhem, prov. Gelderland, Nederland). De bruid was 19 jaar jonger dan de bruidegom. Haar ouders, Isaac Hambourg (10) en Rachel Lambert woonden in Brussel. De vader van de bruidegom, Marcus Seligmann, was in 1854 overleden. De moeder, Rica Mendel, 64 jaar oud en wonende in Keulen was afwezig met volmacht afgeleverd door notaris Jean Guillaume Muller uit Keulen (11). Op het adres Sint-Jacobsstraat 51a in Brugge werd het wel zeer druk.

Behalve David en zijn vrouw Delphine waren er de vier in Brugge geboren kinderen Adèle (3.11. 1859) Maximilien (22.9.1861), Henri David (2.1.1868) en Sigismond Albert (2.7.1873) en dan ook nog eens twee zusters van zijn vrouw, te weten Claire en Pauline Hambourg. Zijn schoonmoeder Rachel Lambert kwam er ook wonen (12). David stichtte in de Sint-Jacobsstraat zijn pianozaak en vanaf 1893 kreeg hij hulp van zijn zoon Sigismond Albert (13). Ze deden ook handel in muziekinstrumenten. David Seligmann werd al altijd Fabricant de piano genoemd. De pianohandel is een moeilijke handel omdat zo’n instrument een hele generatie kan meegaan. Een piano kan ook gehuurd worden. Zij waren bouwers van zogenaamde rechte piano’s . Deze buffetpiano of kamerpiano kenmerkt zich door de verticale snaren en een hogere kast. Het is het instrument van de gegoede burgerij (14).

Ook na het overlijden van vader David in 1904 werd de zaak verder gezet onder de naam Seligmann & Fils. De bloeiperiode was van 1890-1912. Hun firmanaam komt niet meer voor in de Provinciale Almanak en Wegwijzer van de Stad Brugge van 1914 (15). Stamvader David Seligmann is op 13 april 1904 overleden in Sint-Michiels. Hij overleed om vier uur ’s morgens in zijn echtelijke woning in de toenmalige Kortrijkschesteenweg 26. Hij werd 84 jaar en dan ben je zonder beroep. Zijn vrouw Delphine Hambourg (66 jaar) woonde op hetzelfde adres. Hij werd begraven op het Centrale kerkhof van Brugge in Assebroek. 

Willy Dezutter

  1. Hij werd dus geboren in Wesel en niet in Worms. Zie: M. Carlier, Joodse aanwezigheid in Brugge en Oostende in de negentiende eeuw, in: Biekorf (122), 2022, 4, p. 432.
  2. Cilli Kasper-Holtkatte, Im Westen Neues. Migration und ihre Folgen: deutsche Juden als Pioniere jüdischen Lebens in Belgien, 18./19. Jahrhundert. Brill, Leiden, 2021, p. 156. In deze studie komt Brussel, Antwerpen en Gent uitvoerig aan bod. Brugge wordt niet behandeld wat er op wijst dat het minder belangrijk is voor de Joodse diaspora.  
  3. Wolfgang Treue, Hof-Agenten und Haupt-Collecteurs. Juden als Pioniere im Lotteriewesen, in: Michaela Schmölz-Häberlein (red.), Jüdisches Leben in der Region. Herschaft, Wirtschaft und Gesellschaft im Süden des Alten Reiches. Baden-Baden, 2018, p. 151-172.
  4. Christian Kullick, “Der herrschende Geist der Thorheit”. Die Frankfurter Lotterienormen des 18. Jahrhunderts und ihre Durchsetzung. Studien zu Policey, Kriminalitätsgeschichte und Konfliktregulierung (M. Stolleis en K. Härter, red.), Frankfurt am Main, 2018, p. 185.
  5. Cilli Kasper-Holtkatte, Im Westen Neues, 2021, p. 143.
  6. M. Carlier, Joodse aanwezigheid in Brugge en Oostende, p. 432.
  7. De Joodse gemeenschap in Oostende. Synagogeoostende.be De Synagoge gelegen aan het Filip Van Maastrichtplein 3 in Oostende werd in 1910-1911 gebouwd in neo-romaanse stijl naar een ontwerp van de Nederlands-Joodse architect Joseph De Langhe (Amsterdam 1883-Antwerpen 1948).
  8. Stadsarchief Brugge, bevolkingsregisters 1846-1856. Archiefbankbrugge.be
  9. M. Carlier, Joodse aanwezigheid in Brugge en Oostende, p. 432-433.
  10. Hambourg (Hamburg, Hamburger) is een plaatsgebonden Joodse achternaam.
  11. Rijksarchief Brussel (Vorst), Burgerlijke stand Brussel, inventarisnummer 85552/00252 7 febr. 1859, huwelijksakte nummer 17. Er waren vier getuigen. Drie uit Brussel en één uit Brugge: Jacques François Eugène Vitse, 47 jaar en handelaar.
  12. Stadsarchief Brugge, bevolkingsregisters 1866-1880 Brugge, Sint-Jacobs. Volume 52. Archiefbankbrugge.be
  13. M. Carlier, Joodse aanwezigheid in Brugge en Oostende, p. 433.
  14. Een vleugelpiano heeft horizontale snaren en is breed gebouwd. Het is een concertpiano.
  15. Provinciale Almanak en Wegwijzer van de stad Brugge en provincie West-Vlaanderen voor het jaar 1914, (135), Brugge, 1914, p. 214 (rubriek piano’s).
  16. Stadsarchief Brugge, akten Burgerlijke stand Sint-Michiels, Overlijdens, register 015. Er wordt nog eens uitdrukkelijk vermeld dat hij geboren werd in Wesel (Pruisen).

De invoering van de burgerlijke stand in de Zuidelijke Nederlanden en in de Noordelijke Nederlanden

In het tijdschrift Biekorf (1), aflevering 4, 2022, lezen we op p. 494 de volgende zin: Napoleon heeft de burgerlijke stand opgericht en alle burgers verplicht om zich te laten registreren. Dat is wat kort door de bocht.

Met het Eeuwig Edict van 1611, uitgevaardigd door de aartshertogen Albrecht en Isabella, werd de eerste aanzet gegeven tot een algemeen wetboek in de Zuidelijke Nederlanden. In dit Eeuwig Edict (3) wordt ook vastgelegd dat doopsels, huwelijken en begrafenissen in de Zuidelijke Nederlanden verplicht moeten geregistreerd worden. Dat gebeurde door de R.K. Kerk in de parochieregisters. Dat was al eerder bepaald op het concilie van Trente (1545-1563) en werd vanaf omstreeks 1600 algemeen toegepast. De parochieregisters van Brugge zijn tegenwoordig digitaal raadpleegbaar op archiefbankbrugge.be (4).

Tijdens de Franse Revolutie (1789-1799) was er een politieke omwenteling waarbij in Frankrijk de absolute monarchie werd afgeschaft en de macht van adel en geestelijkheid werden teruggedrongen. Napoleon Bonaparte (1769-1821) pleegde in 1799 een staatsgreep en installeerde zichzelf als eerste consul; in 1804 liet hij zich tot keizer van Frankrijk uitroepen. Maar nog tijdens de Franse Revolutie werd met de Franse wet van 20 september 1792 de burgerlijke stand tot stand gebracht. Die wet zorgde er voor dat de gemeentebesturen de taken overnamen van de parochies. De ambtenaar van de burgerlijke stand nam het over van de parochiepriester inzake de registratie van geboortes, huwelijken en overlijdens. Die secularisatie was zonder meer revolutionair te noemen. In Engeland zou de burgerlijke stand pas ontstaan in 1837.

De wet uit 1792 tastte de godsdienstbeleving niet aan, de dooppraktijk werd immers niet afgeschaft en het bleef de Joden toegestaan om de besnijdenis uit te voeren. Die overgang verliep trouwens nergens vlekkeloos. Het is niet omdat een wet kracht van uitvoering krijgt dat het ook direct in praktijk kan gebracht worden. Een evaluatie uit 1820 bracht aan het licht dat zo’n proces meer dan dertig jaar in beslag kon nemen (5). Pas op het einde van het keizerrijk begon het min of meer routine te worden maar met grote verschillen tussen de steden en het platteland.

Op 1 oktober 1795 werden de Oostenrijkse Nederlanden, het prinsbisdom Luik, Maastricht en de omgeving van het Pruisische Kleef officieel als départements belgiques (Belgische departementen) door de Franse Republiek geannexeerd. Het gebied wordt in negen Franse departementen verdeeld. De Franse tijd in België wordt eigenlijk al gemarkeerd door de Slag bij Fleurus op 26 juni 1794 toen de Fransen de Oostenrijkers dwongen om de Zuidelijke Nederlanden te verlaten. Bij decreet van 17 juni 1796 werd ook in de Belgische departementen de burgerlijke stand ingevoerd.

Dat gold dus ook voor Zeeuws-Vlaanderen en in enkele delen van Nederlands Limburg. Van 1795 tot 1814 was het huidige Zeeuws-Vlaanderen (voorheen Staats-Vlaanderen) een onderdeel van Frankrijk. Het maakte deel uit van het Scheldedepartement (Département de l’Escaut, met hoofdstad Gent). Brugge werd de hoofdstad van het Departement van de Leie (Département de la Lys).

De noordelijke departementen tijdens het Franse Keizerrijk in 1811. Commons.wikimedia.org.

Op 20 juli 1814 werd Zeeuws-Vlaanderen officieel bij de provincie Zeeland gevoegd (6). Op 1 augustus 1814 wordt Willem I de nieuwe koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (de bufferstaat Nederland, België en Luxemburg), hoewel de echte Nederlandse tijd in België pas begint op 21 september 1815. Dat wil zeggen nadat Napoleon definitief verslagen werd op 18 juni 1815 in de Slag bij Waterloo. Na een revolutionaire opstand maakte België zich op 4 oktober 1830 onafhankelijk van Nederland en ontstond het Voorlopig Bewind. Op 4 juni 1831 werd Leopold van Saksen-Coburg tot koning der Belgen gekozen.

In Nederland was er van 1795-1806 de Bataafse Republiek en in 1806 ontstond het Koninkrijk Holland met Louis Bonaparte (Koning Lodewijk), de broer van Napoleon, als koning. Lodewijk trad zelf af in 1810 en heel het Koninkrijk Holland werd geannexeerd door het Eerste Franse Keizerrijk. Pas vanaf 1 januari 1811 werd de burgerlijke stand ingevoerd in Nederland. De feitelijke invoering verschilt van plaats tot plaats.

Vlissingen

In Vlissingen (Walcheren) werd de burgerlijke stand al ingevoerd op 1 april 1808. Bij het “Verdrag van den Haag” in 1795 werd beslist dat Frankrijk een garnizoen militairen in Vlissingen mocht stationeren. In 1807 werd Vlissingen al ingelijfd bij het Franse keizerrijk van Napoleon Bonaparte. Dat was te danken aan haar strategische ligging ten opzichte van erfvijand Engeland. Vlissingen had een aparte status. Pas op 15 mei 1810 werd Zeeland een afzonderlijk departement: het Département des Bouches de l’Escaut (het departement van de Monden van de Schelde).

Code civil, burgerlijke stand en achternamen

Door een arrest van het Directoire van 16 frimaire van het jaar V (6 december 1796) werd België onderworpen aan de Franse wetten. Op 21 maart 1804 werd de Code Civil of Burgerlijk Wetboek afgekondigd. In 1807 werd de titel veranderd in Code Napoléon. Deze Code Napoléon was een codificatie van het privaatrecht die ook buiten Frankrijk van grote invloed bleef. Er ontstond rechtseenheid en er kwamen belangrijke wijzigingen in de burgerlijke staat. Onder meer het huwelijk werd onttrokken aan het kerkelijk recht.

De Code Civil werd al in 1804 in zijn oorspronkelijke vorm van kracht in Brussel (7). Gelijktijdig verscheen er ook een Nederlandse vertaling. Gedurende heel de Franse tijd maar ook de periode van het Verenigd Koninkrijk bleef die versie van kracht ondanks alle commissiewerk van koning Willem I om tot een vernieuwde en aangepaste uitgave te komen (8). De Franse Code Civil werd in Nederland van kracht op 1 mei 1809. Het nieuwe Nederlandse Burgerlijk Wetboek zag het licht op 1 oktober 1838 (9).

De invoering van de burgerlijke stand in Frankrijk, België, Nederland en in andere veroverde gebieden, had in feite een tweeledig doel: het makkelijker maken van de belastingheffing en de oproeping voor de dienstplicht (de conscriptie). Na de val van Napoleon heeft dan ook niemand de burgerlijke stand weer afgeschaft !

In Nederland stelde zich nog een ander probleem. In tegenstelling tot Vlaanderen beschikten heel wat inwoners nog niet over een vaste achternaam en gebruikten nog altijd een vadersnaam (de patroniemen). Napoleon zag zich dus genoodzaakt om voor Nederland een apart decreet af te kondigen. Met dit decreet van 18 augustus 1811 werd iedereen die nog geen familienaam had verplicht om een vaste achternaam te kiezen. Niet iedereen was gehaast om dat te doen en daarom kwam er een nieuw decreet op 17 mei 1813 waarin werd bepaald dat men nog de tijd kreeg tot 1 januari 1814 om aan die eis te voldoen (10).  

De Franse tijd eindigde in Noord-Nederland toen Napoleon  op 16-19 oktober 1813 bij Leipzig werd verslagen. In november verjoegen geallieerde troepen (een coalitieleger van Rusland, Pruisen, Oostenrijk en Zweden) de Fransen uit Nederland. Op 21 juni 1814 besloten de geallieerde overwinnaars tot het samengaan van de Zuidelijke met de Noordelijke Nederlanden onder Willem I die trouwens op 30 november 1813 al teruggekeerd was vanuit Engeland. Het aandringen van de Fransen om een achternaam te kiezen werd opeens voor veel Nederlanders niet meer dringend. Er zijn er die menen dat dit een stille verzetsdaad was tegen Napoleon maar wij menen te weten dat, zelfs nu nog, veel Nederlanders niet zoveel op hebben met overheidsregistratie (11).

Onder het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was die zaak nog altijd niet geregeld. Koning Willem I zag zich genoodzaakt om op 8 november 1825 een Koninklijk Besluit uit te vaardigen waarin nogmaals werd aangedrongen op het laten vastleggen van een achternaam. Men kreeg daarvoor nog zes maanden de tijd. In Nederland gebeurde de invoering van de burgerlijke stand in 1811 door toedoen van Napoleon maar in de Zuidelijke Nederlanden (vanaf 1830 Koninkrijk België) werd de aanzet al gegeven met het decreet van 1796 (12).

Willy Dezutter

Dit artikel verscheen in Tijd/Schrift, Bulletin van de Heemkundige Kring West-Zeeuws-Vlaanderen, 2023, 3, p. 8-12.

Noten

1 Biekorf. West-Vlaams Archief voor geschiedenis, archeologie, taal- en volkskunde, 122, (2022), 4, p.494.

2 G. Martyn, Het  Eeuwig Edict van 12 juli 1611: zijn genese en zijn rol in de verschriftelijking van het privaatrecht. Algemeen Rijksarchief, Brussel, 2000. Dit Edict had minder invloed in de Noordelijke Nederlanden dan in de Zuidelijke Nederlanden omdat het Noorden zo goed als onafhankelijk was.

3 Eeuwig in de betekenis van zeer belangrijk.

4 Het Stadsarchief van Brugge zorgt voor een enorm aanbod aan online informatie. De ontsluiting o.l.v. hoofdarchivaris Jan D’hondt is fenomenaal te noemen.

5 Gérard Noiriel, L’ identification des citoyens. Naissance de l’état civil républicain, in: Genèses. Sciences sociales et histoire, 13, (1993), p.3 -28, p. 8. In Corsica (Frans eiland) werd dertig jaar na de afkondiging de wet nog altijd niet correct toegepast (G.Noiriel, p. 9). In twee derde van de gemeenten beschikte men over geen registers van de burgerlijke stand !

6 André Bauwens en Hans Krabbendam (red.), Scharnierend Gewest. 200 jaar Zeeuws-Vlaanderen 1814-2014. Bijdragen tot de geschiedenis van West-Zeeuws-Vlaanderen, 42, (2014).

7 Code Civil, édition parfaitement conforme à l’édition originale, Bruxelles, chez Huyghe, 950 p.

8 Daniel Polverelli, Le rayonnement des institutions napoléoniennes à travers le monde. Parijs, 2022, p.32.

9 Daniel Polverelli, Le rayonnement des institutions napoléoniennes , p.59.

10 R.F. Vulsma, Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister. Centraal Bureau voor Genealogie (Den Haag, 1988), p. 10 en lemma Burgerlijke stand op nl.wikipedia.org

11 Denk aan het persoonsbewijs voor de Nederlandse Joden, het beste voor heel Europa, ontwikkeld door de Nederlandse ambtenaar Jacobus Lambertus Lentz. Het werd duizenden fataal tijdens de Tweede Wereldoorlog. Herinvoering van de identificatieplicht lag in Nederland daardoor lang moeilijk. De algemene identificatieplicht is er nu van kracht sinds 1 januari 2015.

12 Vanaf 1 januari 1850 wordt in Nederland de bevolkingsregistratie (bevolkingsregister) doorlopend bijgehouden. In België officieel vanaf 1 januari 1847.

Minister Léo Collard (1902-1981) was geen vrijmetselaar. Een andere kijk op de schoolstrijd.

In 2022 verscheen in Antwerpen het boek “Wie wij waren”, een gesprek tussen politicus Herman Van Rompuy (° 1947) en journalist Rik Van Cauwelaert (° 1950). Het tweegesprek vond plaats in de bibliotheek van de Abdij van Affligem en hun dialogen, waarbij ze terugkijken op 75 jaar veranderingen in de wereld, is goed voor 303 bladzijden (1).

Het moet voor beiden geen gemakkelijke opgave geweest zijn om uit het hoofd al die feiten te herproduceren. Er is weliswaar nog een vierkoppige redactievergadering geweest (Wie wij waren, p. 6) maar dan nog is het onvermijdelijk dat er dingen over het hoofd worden gezien. We haasten ons om te zeggen dat het boek in zijn geheel verbluffend goed en eerlijk in elkaar steekt maar het blijft natuurlijk de opinie van twee personen. Men leert dan ook veel bij vanuit de interne keuken. Ze waren dikwijls zelf getuigen.

We denken aan de periode  van de eerste ministers Leo Tindemans, Wilfried Martens, Jean-Luc Dehaene, allen CD&V. Zelf herinneren wij van Wilfried Martens vooral “regeren met volmachten”. Hij liet in 1982 de Belgische frank devalueren met 8,5 procent en dat na onderhandelingen “en petit comité” in Poupehan. En dan waren er in 1987 nog de harde besparingsmaatregelen (loonmatiging, bevriezing van de index). En Martens had het steeds over “licht aan het eind van de tunnel”. Maar dat bleek misleiding te zijn. Toen stond onze welvaart onder druk en nu is dat nog altijd zo. Zoals iedereen het zegt: we werden toen bestolen. Daarover wordt in het boek niet gesproken. Het belicht vooral de successen van de christendemocratie.

Een tweede hold up vond plaats onder het premierschap van Jean Luc Dehaene (1940-2014). Die voerde in 1993 een crisisbelasting in van 3% op de personenbelasting. En Dehaene zorgde met zijn volmachten voor een niet-indexatie die zes jaar zou duren. Dus twee keer geschoren. Het beste bewijs dat hun besluiten niets hebben uitgehaald is het feit dat de belastingdruk in België nog altijd torenhoog is gebleven. Voor een alleenstaande zonder kinderen met een doorsnee loon bedraagt de belastingdruk maar liefst 53 procent. Het overheidsbeslag op arbeid is nergens zo groot als in ons land. Tweeverdieners met kinderen zien 45,5 procent van hun loon afvloeien naar de belastingen, het hoogste percentage van alle OESO-landen (2).

Om van onderwerp te switchen nog een kleine opmerking over het verschil tussen spreektaal (middels bandopname) en het geschreven eindresultaat. Op p. 17 heeft Rik Van Cauwelaert het over de finale 800 meter die gelopen werd door Roger Moens op de Olympische Spelen van Rome in 1960. Hij heeft het dan over de “latere winnaar Schnell“. Dat is genoteerd op het gehoor. Het betreft hier de Nieuw-Zeelandse atleet Peter Snell (1938-2019) die in 1960 de gouden medaille op de 800 meter won ten koste van de Belgische sprinter Roger Moens (° 1930) die tweede werd en geklopt werd op de streep. 

Léo Collard

In zijn boek over de geschiedenis van de vrijmetselarij “De Kinderen van Hiram” (3) vermeldt Andries Van den Abeele In het hoofdstuk “Vrijmetselarij en onderwijspolitiek” uiteraard Léo Collard maar uit alles blijkt dat hij perfect weet dat Collard geen vrijmetselaar was. De letterkundige Johan Ballegeer (1927-2006) schreef in het jaar 2000 zijn boekje “Het Oosten Brugge” over vrijmetselaarsrelicten in Brugge (4). In het Koninklijk Atheneum van Brugge – thans Atheneum Brugge Centrum genoemd – in de Sint-Clarastraat (5) bevindt zich een gedenksteen die verwijst naar de eerstesteenlegging. J. Ballegeer verwoordt dit als volgt: ” De eerste steen van dit gebouw werd gelegd op 19 februari 1955 door Br.: A. Van Acker, eerste minister in aanwezigheid van L. Collard, minister van Onderwijs en Br.: Omer Vanaudenhove, minister van Openbare Werken” (6). Ook hier wordt duidelijk gemaakt dat L. Collard geen vrijmetselaar was. De twee andere waren het wel.

In het gesprek tussen Herman Van Rompuy en Rik Van Cauwelaert wordt er gesproken over de vierde regering Achiel Van Acker , een regering van socialisten en liberalen van 23 april 1954 tot 26 juni 1958. Met het vooruitzicht op die paarse regering “ging er toch een lichte paniekgolf door de katholieke rangen“. Die regering werd door de Christelijke Volkspartij (CVP) als een bedreiging gezien. Rik Van Cauwelaert ziet in Julien Kuypers (1892-1967), de kabinetschef van minister Léo Collard , de verantwoordelijke voor het uitbreken van de schoolstrijd. Hij noemt hem “ten voeten uit een logeman”. H. Van Rompuy antwoordt daar op: “Net als Collard. In die tijd kon je geen minister van Onderwijs worden als je niet bij de loge was” (7). Zoals we intussen weten slaat hij de bal daar totaal mis.

Volgens Rik Van Cauwelaert was het op instigatie van Kuypers dat de schoolstrijd begon. Hier wordt de geschiedenis geweld aangedaan door de aanleiding te verzwijgen. Van 1950 tot 1954 was de Franstalige christendemocraat Pierre Harmel (1911-2009) minister van Openbaar Onderwijs, de eerste katholieke minister op die post in 30 jaar. Het was dus tijd voor een revanchistische politiek. Het betrof immers een homogene regering CVP-PSC. De oprichting van nieuwe rijksscholen maakte hij afhankelijk van adviezen van commissies waarin ook vertegenwoordigers van het katholiek onderwijs zitting hadden. De schoolwetten van minister Harmel uit 1952 zetten veel kwaad bloed bij de oppositie van socialisten en liberalen, de verdedigers van het Rijksonderwijs en vormden de aanleiding tot de tweede (8) schoolstrijd (9).

Harmel benoemde zomaar eventjes 110 permanente interimarissen van katholieke strekking in het Rijksonderwijs met de bedoeling het staatsonderwijs te infiltreren en later volledig bestuurlijk over te nemen. Dat moest natuurlijk gestopt worden. Bij het officieel onderwijs was de overheid de inrichtende macht.

Bij de verkiezingen van 11 april 1954 verloor de CVP haar volstrekte meerderheid. Achiel Van Acker (1898-1975) werd in 1954 eerste minister en Léo Collard (PSB/BSP) minister van Onderwijs. De kabinetschef van Collard, Julien Kuypers, was voorheen secretaris-generaal bij het ministerie van Onderwijs , en had de onderwijsproblematiek al grondig bestudeerd en werd betrokken bij de reorganisatie van de onderwijswetgeving.

Julien Kuypers was lid van de Antwerpse vrijmetselaarsloge Marnix van Sint- Aldegonde (10) maar hoefde niet te wachten op instructies van het Grootoosten van België vanuit de hoofdzetel van de obediëntie in Brussel. Ook Achiel Van Acker was een overtuigd vrijdenker en lid van de loge La Flandre (G.O.B.) in Brugge. Hij werd daar ingewijd op 29 januari 1929 en was op 27 februari 1945 adjunct-redenaar van zijn werkplaats (11). Achiel/Achille Van Acker wordt terecht beschouwd als de vader van de Sociale Zekerheid (besluitwet van 28 december 1944) (12). Een humanistisch besluit waar iedere Belg trots op kan zijn.  Zijn regering in 1954 bestond uit 9 ministers van de BSP/PSB en de Liberale Partij had er 7.

De wet Collard van 1955 verminderde de subsidies van de scholen van het vrij onderwijs en voorzag in de oprichting van een groot aantal rijksscholen. De wet vormde de directe aanleiding tot de schoolstrijd tussen het katholiek onderwijs en het staatsonderwijs. De toenmalige CVP-oppositie onder leiding van Théo Lefèvre (1914-1973) en gesteund door de katholieke kerk, organiseerde massaal betogingen tegen deze wet. Dat ging toen nog gemakkelijk met een bevolking die niet ontvoogd was. De felheid van het protest was buitenproportioneel en leek meer op een schooloorlog. Een oorlog tussen vrijzinnigen en katholieken.

De stembusuitslag van 1958 stond in het teken van de Schoolkwestie. De CVP behaalde de volstrekte meerderheid in de Senaat, maar niet in de Kamer. Premier Gaston Eyskens ( 1905-1988) probeerde toen om tot een compromis te komen over het schoolprobleem. Op 20 november 1958 werd het Schoolpact afgesloten tussen katholieken, liberalen en socialisten. Het bracht een redelijke schoolvrede.

Sinds het schoolpact behoort alle onderwijs binnen de Vlaamse Gemeenschap tot één van de drie onderwijsnetten. We kunnen dat hier niet allemaal ontleden en dit projecteren op de huidige toestand anno 2023. Onderwijs-experten mogen zich daarmee bezig houden (13). Wel kunnen we stellen dat momenteel ongeveer 75 % van de middelbare scholen tot Katholiek Onderwijs Vlaanderen behoort, de grootste koepel van het vrij gesubsidieerd onderwijs. Als netwerkorganisatie van katholieke inrichtende machten wordt ze door de Belgische Bisschoppenconferentie belast met de coördinatie en de vertegenwoordiging van het katholiek onderwijs in Vlaanderen. De katholieke schoolidentiteit staat voorop in voortdurende samenwerking met de KU Leuven. De K van katholiek is extreem belangrijk voor hen. De scheiding van kerk en staat is in België nog niet gerealiseerd want dat katholieke onderwijs is een zuiver katholiek project en wordt door de staat gefinancierd.

Ook het mooie woord humanisme werd gekaapt. Het Sint-Lodewijkscollege in Brugge zegt op hun website dat ze hun inspiratie halen vanuit het christelijk humanisme. De katholieke scholen zijn ook meesterlijk in het veranderen van de naam van de school om de indruk te geven dat ze een zekere neutraliteit zouden nastreven. De mensen worden in de val gelokt. De vrije basisschool Mariawende in Sint-Kruis (Brugge) heet nu Mozaïek wat zoveel wil zeggen als: iedereen welkom ! Ook ongelovigen of andersgelovigen. Natuurlijk is er wel geen keuze: men is verplicht om katholieke godsdienst te volgen ook al is men niet gedoopt en deed men geen eerste en plechtige communie. Dat geldt uiteraard ook voor het secundair onderwijs. Maar dat vak wordt ook niet meer gegeven zoals in de tijd van de Mechelse catechismus. Ook de gescheiden leerkracht blijft nu voor de klas staan. De kameleon-politiek van het katholiek onderwijs heeft nu ook de klanten van dat onderwijs aangetast.

Individualisme en peergroup

Dat het katholiek onderwijs zo sterk staat blijkt nog steeds te maken te hebben met het vermeende elitaire karakter. Het gemeenschapsonderwijs is verplicht om alle rangen en standen toe te laten en kan zich geen uitsluiting permitteren. Arbeiderskinderen zitten daar op de schoolbanken naast verwende kinderen van hoger opgeleiden. Ook overtuigde vrijzinnigen sturen tegenwoordig hun kinderen naar het katholiek onderwijs. Zelfs wanneer ze niet gedoopt zijn en de vrijzinnige ouders, vóór hun verblijf op een niet-katholieke basisschool, kozen voor het vak niet-confessionele zedenleer. Ze vieren zelfs nog hun Lentefeest en verdwijnen dan in september naar een katholiek college. Vroeger zou men dat gewoon hypocriet gevonden hebben. Nu gebeurt dat zonder schroom en wordt dat  niet meer gezien als verraad. Dat het vrijzinnig humanisme  niet alleen een levensbeschouwing is maar ook een levenshouding, wordt op slag onbelangrijk.

Vasthouden aan een principiële levensovertuiging wordt beschouwd als iets dat niet meer van deze tijd is. Antiklerikaal zijn is ouderwets en totaal voorbijgestreefd. Er is immers de scherpe daling van het misbezoek op zondag en de daling van de priesterroepingen. Nog ongeveer vijf procent van de Belgische bevolking gaat elke zondag naar de mis maar de Heilige Jozef blijft wel nog altijd de beschermheilige van België. De secularisering (verwereldlijking/ontkerkelijking) is een feit en katholieke instellingen begonnen te vervellen. De ontzuiling werd ingezet. We hebben gewonnen, waarover maken we ons nog druk ! In 2006 werd het Vlaams Verbond van Katholieke Scouts en Meisjesgidsen (VVKSM) gewoon Scouts en Gidsen Vlaanderen. Ook daar is iedereen welkom. Het is maar één voorbeeld.

Wat is eigenlijk de oorzaak van deze evolutie ? Een kind van 12 jaar is tegenwoordig thuis de baas en de ouders scharen zich volledig achter de doelstellingen en verlangens van het kind. Op zich is dat een positieve ontwikkeling: individualisering en emancipatie. De druk van de samenleving neemt daardoor af. De rechten van het individu worden boven die van de gemeenschap geplaatst. Onafhankelijkheid staat centraal.

Het is dus een filosofisch probleem geworden: autoriteit vanuit een bepaalde maatschappelijke positie wordt niet meer erkend. Het kind behoort tot een peergroup (vriendenkring) van andere kinderen van dezelfde leeftijd, status en belangstelling en ontwikkelen gemeenschappelijke gedragscodes. Ze worden gesocialiseerd binnen een gesloten peergroup, bijvoorbeeld van een sportclub waarbij gelijkgestemde ouders de doelstellingen overnemen.

Het gezin behoort dan ook tot die primaire groep. Het individu identificeert zich met de sportclub en heel het gezin neemt die identiteit over. Die groep geeft een gevoel van bescherming en geborgenheid en wanneer het sportteam wint is er grote vreugde en geluk. Wanneer die teamleden zich inschrijven in de katholieke secundaire school en je blijft alleen achter omdat je om ideologische redenen geacht wordt om naar het gemeenschapsonderwijs te gaan ontstaat er verdriet omwille van het verlies van je vriendinnen en vrienden. Wanneer je, als vader en moeder, in de groep van de ouders dan meedeelt dat jouw Jan of Mieke naar de Middenschool gaat en niet naar het College valt er een diepe stilte omdat ze hun misprijzen niet kunnen wegsteken.

Niet elke sportclub is natuurlijk even hard onderhevig aan de druk van de omgeving. Dit geldt vooral voor de sporten waarbij de kinderen uit de meer dan gemiddeld rijke gezinnen komen (hockey, tennis, golf en paardrijden).

De “upper middle class” kijkt met een heel andere mentaliteit naar het voortgezet onderwijs dan de bescheiden maar hardwerkende loontrekkende. Hier blijft de sociale segregatie een rol spelen ook al zal men zich haasten om dat te ontkennen. Nochtans is segregatie in het onderwijs nog altijd het grootste obstakel voor gelijke kansen voor leerlingen uit kwetsbare milieus en van leerlingen met een migratieachtergrond. De ouders, die beslissen in naam van het minderjarig kind, hebben altijd vrije schoolkeuze (Belgische grondwet artikel 24). Het is wel kiezen tussen vrij onderwijs (confessioneel onderwijs) en officieel onderwijs. Volgens het Belgisch familierecht moeten alle beslissingen door beide ouders samen zijn genomen. In alle gevallen moet je akkoord gaan met het pedagogisch project maar over de kwaliteitsnormen hoef je je geen zorgen te maken.

Alle erkende Nederlandstalige basis-en secundaire scholen voldoen aan de kwaliteitsnomen van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming. Alle scholen worden door de onderwijsinspectie onderzocht en doorgelicht. Die doorlichtingsverslagen kan je gewoon opvragen (14). Aan de kwaliteit van het onderwijs in de verschillende netten kan het niet liggen. Om een school te kiezen blijven er dan nog enkele andere criteria over: het pedagogisch project, ligt de school in de buurt, de voor-en naschoolse opvang, warme maaltijden, enz. En zeker niet te vergeten: de fietsveiligheid. In een recente bevraging gaf 6 op de 10 ouders aan dat ze fietsen naar school onveilig vinden. Daar hebben ze zeker een punt.

We voegen daar ook nog de sociale cohesie aan toe. Dat is een minder sympathiek aspect maar klassentegenstellingen blijven wel de realiteit. De tegenstellingen tussen de verschillende maatschappelijke klassen, het standsverschil, is alom tegenwoordig. Het werkt door op school en de woonomgeving en later bij de huwelijkskeuze. Het geluk van het kind dat zelf kiest blijft daardoor altijd beperkt. Maar tegenwoordig is dat niet meer zoveel het geval als in de tijd dat men dreigde om het kind te onterven. Op de leeftijd van 18 jaar is men wettelijk volwassen en verandert de ouderlijke macht.

Nochtans zou ik hier veel voorbeelden kunnen geven die nu als woke  gepercipieerd worden. Zelf mogen kiezen voor je eigen geluk is een mooie nieuwe verworvenheid. Maar geluk is niet maakbaar. Dat neemt niet weg dat men jongeren volledig moet vrijlaten om hun eigen weg te kiezen. Wees blij met die toegenomen mondigheid maar weet dan dat men in een loyaliteitsconflict is terecht gekomen. De loyauteit of loyaliteit is een kernwaarde, een morele verbintenis die je aangaat wanneer je voor een organisatie werkt of lid bent van een humanistische levensbeschouwelijke vereniging. Je sluit geen compromissen onder groepsdruk. De loyaliteit kan natuurlijk ook geschonden worden. In feite is het een ethisch probleem maar in de praktijk gaat men er aan voorbij alsof men van schoenen verwisseld. We zagen dat reeds vroeger bij de overlopers in de politiek. Een kind moet ook loyaal zijn aan de ouders. Vertel gewoon aan je kinderen waar je zelf voor staat zodat ze de inschikkelijkheid van hun ouders beter weten te waarderen. 

Willy Dezutter

1 Herman Van Rompuy en Rik Van Cauwelaert, Wie wij waren. Een gesprek. Davidsfonds/Standaarduitgeverij, Antwerpen, 2020

2 Nieuwsblad.be 25.4.2023.

3 Andries Van den Abeele, De kinderen van Hiram. Vrijmetselaars en Vrijmetselarij. Roularta Books, Brussel, 1991, 319 pp. Idem, De kinderen van Hiram. Vrijmetselaars en Vrijmetselarij. Roularta Books, Brussel, 2011, 405 pp. Over de vrijmetselarij bestaat nog altijd grote onwetendheid. Het beperkt zich tot stereotypen en onjuistheden. Ik citeer hier Andries Van den Abeele (editie, 2011, p. 203): “Zelfs in gecultiveerde kringen wordt veel kletspraat over de vrijmetselarij voor waar aangenomen“.

4 Johan Ballegeer, Het Oosten Brugge. Tempeliers-, compagnons- en vrijmetselaarsrelicten in Brugge. Brugge, 2000, 84 pp.

5 In 1850 vestigde het Atheneum zich aan de Verversdijk. In 1955 verhuisde het Koninklijk Atheneum naar de Sint-Clarastraat.

6 J. Ballegeer, Het Oosten Brugge, p. 12.

7 H. Van Rompuy en R. Van Cauwelaert, Wie wij waren, p. 12-13.

8 De eerste schoolstrijd was in 1878-1884. De liberale regering van Hubert Frère-Orban richtte in 1878 een Ministerie van Openbaar Onderwijs op en stemde op 10 juli 1879 de tweede organieke wet op het lager onderwijs (Wet Van Humbeeck). De Katholieke Kerk, de katholieke politici en het katholiek onderwijs reageerden bijzonder hevig. Zie: Jeffrey Tyssens, Om de schone ziel van ’t kind. Het onderwijsconflict als een breuklijn in de Belgische politiek. Gent, 1998.

9 Luc Huysse, De gewapende vrede. Politiek in België na 1945. Leuven, 1980. Hoofdstuk 3, 1950-1960 Eerst schoolstrijd dan godsvrede, p. 31-44.

10 De Nederlandstalige loge Marnix van Sint-Aldegonde (gesticht in 1889) in Antwerpen werd in 1959 stichtend lid van de nieuwe obediëntie Grootloge van België (GLB).

11 Willy Dezutter, De leden van de loge La Flandre in 1940. Een sociologische benadering. In: Biekorf, (116), 2016,3, pp. 308-335, vooral p. 323. Sinds deze publicatie verschijnen er overal in Brugge artikels over Achiel Van Acker en andere leden van La Flandre met de juiste data van toetreding maar altijd zonder verwijzing naar de wetenschappelijke bronpublicatie in Biekorf, 2016. Ze doen of ze dat zelf hebben gevonden en op den duur worden ze inderdaad zelf de bron doordat anderen weer naar hen verwijzen, enz. Om deze letterdieven te ontmoedigen zullen we vanaf nu niet meer in “open sources” over dit onderwerp publiceren. We doen nog liever onze geheimen mee in het graf. 

12 Pierre Vandervorst, Achille Van Acker, peetvader van de sociale zekerheid, in: Belgisch tijdschrift voor sociale zekerheid, 4e trimester, 2014, pp. 391-419.

13 Jan De Maeyer en Paul Wynants (red.), Katholiek onderwijs in België. Identiteiten en evolutie, 19de-21ste eeuw. Antwerpen, 2016.

14 onderwijs.vlaanderen.be        

Oog in oog met de schilderijenlijst van de “Dood van Maria” van Hugo van der Goes (15de eeuw) – deel 2

Smaken kunnen verschillen en de wereld van vandaag houdt van blikvangers. Topstukken zijn onze bijzondere erfenis en moeten buiten tendensen blijven. Ook de lijsten van deze kunstwerken kunnen niet meegaan met modeverschijnselen.

In de catalogus van de tentoonstelling in 1984 in het Rijksmuseum van Amsterdam “Prijst de lijst” maakt P.J.J. van Thiel (1) dit zeer duidelijk: “Immers, toevoeging van een lijst verandert niets aan de op een drager aangebrachte geschilderde voorstelling als zodanig. Maar de lijst, die het schilderstuk bovendien hanteerbaar en toepasselijk maakt, beïnvloedt wel de esthetische werking ervan. Elke cultuur adopteert een kunstwerk en selecteert door middel van de lijst die “eeuwige” waarden ervan, die haar in het bijzonder aanspreekt. Zo gezien zou men kunnen zeggen, dat een schilderij een door middel van de lijst cultureel geïndividualiseerd schilderstuk is.”

De Vlaamse Primitieven zagen schilderij en lijst als eenheid (2). Deze logische visie is in de kunsthistorische optiek een verlaten zienswijze geworden. Dat komt doordat lijsten en schilderijen in de praktijk onder twee verschillende vakgebieden zijn ondergebracht: de kunstnijverheid (de lijstenmaker) enerzijds en de schilderkunst anderzijds.

In Gent bijvoorbeeld bestonden er tussen 1500 en 1540  58 erkende ambachten (corporaties). Die 58 ambachten vertegenwoordigden een honderdtal verschillende beroepen. Tot die kleine neringen behoorden ook de schrijnwerkers die binnen hun rangen ook de lijstmakers telden (3). De lijst wordt daardoor onterecht als een op zich staand object gezien, los van het schilderij. Dat is een moderne visie, die niet strookt met de antieke opvattingen uit de 15de eeuw, waardoor de eigenheid teniet wordt gedaan.

Een “floating frame” geeft de mogelijkheid om het werk in de lijst te laten zweven, een commerciële uitvinding van hedendaagse lijstenmakers. Schwebenden Bilderrahmen, Encadrement cadre flottant, Floating Picture Frame, is een manier van inlijsten uit onze hedendaagse leefwereld, maar niet geschikt voor de “Dood van Maria” van Hugo van der Goes. De beslissing van de nieuwe donkergrijze, zwevende lijst, is waarschijnlijk genomen om de teruggevonden details te tonen aan de zijkanten van het werk en ook in navolging van de niet originele lijst rond “De Aanbidding van de Herders” van Hugo van der Goes uit de Gemäldegalerie in Berlijn. De werken hangen naast elkaar op de tentoonstelling “Zwischen Schmerz und Seligkeit” van Hugo van der Goes in de Gemäldegalerie, Berlijn, 2023.

De felle kleuren van het schilderij “De dood van Maria” (Dormitio) vragen een gouden venster. De originele lijsten van de andere werken op de tentoonstelling wijzen allemaal in die richting. Ze wijzen naar de oorspronkelijke functie, de religieuze. Buiten het gouden venster is de grauwe wereld, maar binnen het venster is de wonderlijke wereld van het bovennatuurlijke. We krijgen een inkijk in de mystieke wereld van het goddelijke. Dit is de esthetische functie van de lijst. Zo waren ook, vóór de geboorte van de Vlaamse Primitieven, de gouden vensterlijsten aanwezig in de manuscripten. In de “Très Riches Heures” van Jean, hertog van Berry, maakt bijvoorbeeld de miniatuur “De Kruisvinding” ons attent op de gouden omlijsting rond het kleurrijk tafereel van het “geprefereerde architectonische type” (4).

Miniatuur “De Kruisvinding” uit de Trés Riches Heures van Jean, duc de Berry. De schilder Jean Colombe (1440-1494 ?) heeft als omlijsting een gouden architectonische lijst geplaatst met trompe l’œil schildering.
Abraham en Sara begeven zich op Jahwehs bevel met hun kudde naar Kanaan. Bijbel van Jean de Sy. Vlaams verluchter te Parijs, ca. 1350. Parijs, Bibliothèque Nationale. Zie: M. Smeyers, Vlaamse Miniaturen,1998, p. 180.

De lijsten, waarin de panelen waren ingewerkt hadden de profielen van de venster- en deurramen van kerken en kathedralen, alles voor de eeuwigheid gemaakt. Een mooi voorbeeld treft men aan in R.H. Marijnissen en L. Kockaert, Dialoog met Het Geschonden Beeld (5).

Het noorderportaal van de Sint-Martinusbasiliek te Halle. De architectuur van dit portaal kon dienen als inspiratie voor een architectonische omlijsting rond een Vlaamse Primitief als symbool om als toeschouwer binnen te gaan in de spirituele wereld.

Het effect van het binnenkijken in de andere religieuze en spirituele wereld werd bij middel van trompe l’œil schildering op de lijst versterkt. Het bedriegen  van het oog werd aangewend om het bijzondere van de religieuze voorstelling te benadrukken en ontzag voor het geloof te versterken. Hierbij ontstond ook de rol van diptieken, triptieken en veelluiken met grijsschilderingen (grisailles) aan de buitenzijden. In de vasten waren de luiken dicht, bij de religieuze feestdagen werden ze plechtig geopend en kreeg men een kijk op het paradijs. De schuin aflopende onderrand van de lijst was vervaardigd naar het model van kerkvensters (waar de regen kon aflopen); in P. Mitchell en L. Roberts, Frameworks (6) wordt dat “wasserschlag” of “rainsill” genoemd.

Vlaamse school, 15de eeuw. Madonna met kind. (Lissabon, Calouste Gulbenkian Museum). Voorbeeld van een architectonische lijst met een schuin aflopende onderrand naar het model van een kerkvenster. De in trompe l’oeil geschilderde bloemen op de onderrand gaan terug naar het gebruik van het strooien van bloemen tijdens de katholieke processies. Geheelopname.
Idem, detail onderzijde.
Idem, detail onderzijde.

Ook de hoekverbindingen onderaan,  waar profiel en onderrand van de lijst mekaar raken, verhogen de gelijkenis met een kerkvenster of een kerkportaal. De dieptewerking, versterkt door trompe l’œil elementen, is hier van het grootste belang.

De geboorte van de Vlaamse Primitieven is dus ontstaan uit een diepe devotie. Eerst waren de paneelschilderingen ingewerkt in kofferlijsten waarvan het huidevettersretabel uit de Sint-Salvatorskathedraal (Brugge) een voorbeeld is. Devotiestukken in koffers van klein formaat gingen mee op de veldtochten die edelen en religieuzen, die hen vergezelden, ondernamen. De eerste meubelen waren koffers (zit-en opbergmeubels), de eerste schilderijen eveneens. In de kerken en kathedralen kwamen de Vlaamse Primitieven op het altaar te staan en waren het altaarstukken. De schilderijen hingen dus niet aan de muren, die werden versierd met muurschilderingen. Het opstellen van de Vlaamse Primitieven op sokkels (8) in het Groeningemuseum te Brugge is een verwijzing naar de functie van het altaarstuk. Het werd in Brugge voor het eerst gebruikt o.l.v. conservator Dirk De Vos.

Triptieksokkel naar een ontwerp van conservator D. De Vos (Brugge).

In de toenmalige galerij van de Vlaamse Primitieven (eind jaren 70 van de vorige eeuw) was de intimiteit van het altaarstuk in de kapel van een kerk goed weergegeven. Door telkens individueel de schilderijen te kunnen bekijken in afzonderlijke compartimenten kon men als museumbezoeker telkens binnengaan in een andere, mystieke wereld. Deze galerij, die in 1981 ontdubbeld werd (9) plaatste het Groeningemuseum en de stad zelf op de favorietenlijst van de talrijke kunstliefhebbers van over heel de wereld. Het afbreken van deze galerij in 2002 was een betreurenswaardige en onverstandige museale ingreep.

Ontdubbeling van de Galerij der Primitieven (Groeningemuseum, Brugge). Dwarsdoorsnede, schaal: 2cm = 1 m. Tekening Fernand Sohier, architect.

In de 19de eeuw werden veel lijsten van Vlaamse Primitieven overgeschilderd aan de achterzijden omdat ze versleten waren. Dit gebeurde door restaurateurs maar ook door kerkpersoneel. De slijtage invullen was te omslachtig. De lijsten van de zijluiken waren aan de achterzijden versleten door het vele openen en sluiten van de luiken. Ook waren sommige achterzijden verwaarloosd of hingen tegen vochtige kerkmuren. Vele beschilderingen met marmerimitaties op de lijsten werden overgeschilderd.

Het restauratieatelier van de Brugse Musea heeft van vele Vlaamse Primitieven de marmerbeschildering terug blootgelegd. Op deze manier werd de dieptewerking en het venstereffect teruggebracht. Het portret van Margaretha van Eyck door Jan van Eyck (Groeningemuseum, Brugge, 1439) heeft een lijst die compleet in marmerimitatie is uitgevoerd. Dit is een briljante methode om het venstereffect te verkrijgen. De tekst boven en onder op de lijst is in trompe l’œil geschilderd alsof die in het marmer is gegraveerd. Het diffuus licht in de kerken en kathedralen en de vele devotiekaarsen gaven de Vlaamse Primitieven die mystieke uitstraling; het zicht op een andere wereld, door het venster van de lijst.

De “Dood van Maria” van Hugo van der Goes onder schel spotlicht is een schok wanneer men de oorspronkelijke bedoeling van het kunstwerk in gedachten houdt. Het venstereffect is helemaal verdwenen, de grijskleur van de nieuwe lijst staat op zichzelf. Er is teveel ruimte tussen het schilderij en de zijrand van de lijst. Het schilderij zweeft in zijn lijst. De lijst maakt geen deel uit van het werk. De opstaande rand van de schildering, de baard genoemd, en het onbeschilderde deel op de randen zijn zichtbaar. Dit is nooit de bedoeling geweest van de kunstenaar. Het oorspronkelijk venstereffect van de lijst is hiermee teniet gedaan. Dit is geen Vlaamse Primitief meer maar een religieuze voorstelling, zwevend in een presentatielijst, die met in omgevingskleuren beschilderde blokjes wordt vastgehouden. Nooit zou een restauratie mogen primeren boven de oorspronkelijke bedoeling van het kunstwerk, boven zijn reden van bestaan. Als de bedoeling van dergelijke inlijsting het tonen van teruggevonden details aan de zijranden (het schilderij werd ingekort) is, dan konden de kunsthistorici ook met goede fotografische opnames overweg (10).

Pronken met bedrevenheid en kennis, al is de bedoeling goed, blijft de verkeerde benadering. De restaurateur moet het kunstwerk dat aan haar of hem wordt toevertrouwd dienen. Deze houding is de juiste, het is het begin van een filosofie die het schilderij beschouwt als historisch erfstuk en de creatie van de kunstenaar, schilderij én lijst, eerbiedigt. Het geloof in de mogelijkheid om binnen te dringen in de geheimen van de kunstschilder en een hedendaagse toevoeging van een zwevende lijst te maken waarin het tafereel zwemt, getuigt van zelfoverschatting en is gevaarlijk (11).

Francine Huys

1 P.J.J. van Thiel en C.J. de Bruyn Kops, Prijst de Lijst. Rijksmuseum, Amsterdam, 1984,p. 11.

2 Francine Huys, Oog in oog met de schilderijenlijst van de “Dood van Maria” van Hugo van der Goes (15de eeuw), deel 1, op willydezutter.be [online], 1 juni 2023. 

3 Johan Dambrugge, Corporatieve middengroepen: aspiraties, relaties en transformaties, 16de eeuwse Gentse ambachtswereld, Academia Press, Gent, 2002, p. 23-24.

4 J. Longnon en R. Cazelles, vertaald door F. Oomes, De Trés Riches Heures van Jean, duc de Berry, Antwerpen, 1975 [bij nr.104] en Maurits Smeyers, Vlaamse Miniaturen van de 8ste tot het midden van de 16de eeuw. Davidsfonds/Leuven, 1998, p.180 en p. 470 Getijdenboek La Flora ca. 1490.

5 R.H. Marijnissen en L. Kockaert, Dialoog met Het Geschonden Beeld na 250 jaar restaureren, Mercatorfonds, 1995,p. 69.

6 P. Mitchell en L. Roberts, Frameworks. Form, function and ornement in European portrait frames, Londen, 1996, p. 88-89. 

7 Francine Huys, idem, deel 1.  

8  D. De Vos, Een nieuwe oplossing voor het veilig presenteren, verplaatsen en bestuderen van drieluiken: de glasdragende triptieksokkel, in: Museumleven, 7-8, huldenummer dr. A. Janssens de Bisthoven, 1980, p. 25-27.

9 D. De Vos, De herinrichting en heropening van het Groeningemuseum in 1983, in: Jaarboek van de Stedelijke Musea Brugge, 1983-1984, p. 87-102 en D. De Vos, De vernieuwing van het Groeningemuseum, Brugge, in: Museumleven, [Jaarboek voor museologie, Vlaamse Gemeenschap], 1984-1985, p. 32-43.

10 Francine Huys, idem, deel 1. 

11 In de catalogus van de Hugo van der Goes tentoonstelling in de Gemäldegalerie van de Staatlichen Museen in Berlijn (2023) wordt het schilderij “De dood van Maria” (Groeningemuseum, Brugge) afgebeeld zonder lijst. De lijst wordt ook niet besproken maar dat geldt overigens voor alle lijsten ! Hiermee wordt een heikel punt vermeden. Zie: Stephan Kemperdick en Erik Eising , Hugo van der Goes, Between Pain and Bliss, uitgever Hirmer, Berlijn, 2023, p. 227, cat.nr. 28. (p. 226-233) Catalogusnotitie door Till-Holger Borchert.

C.V.

De kunstenares Francine Huys (geb. Brugge, 1954) was van 1972-2014 verbonden aan het restauratieatelier van de Stedelijke Musea van Brugge (B), maar woont nu in Calenzana (Corsica, Frankrijk). Zij genoot haar opleiding aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten van Brugge en kreeg daarna haar 8 jaar praktijkervaring bij de restaurateur Edmond Florens  (Lanaken, 1936 – Brussel, 2005). In het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK-Brussel) liep zij stage bij de restaurateurs Georges Messens en Jozef Grosemans (specialisatie lijmen van panelen). Zij werkte aan belangrijke werken van de Vlaamse Primitieven zoals “De Marteling van de heilige Hippolytus” (1475-1479), Sint-Salvatorskathedraal Brugge. Dit schilderij werd begonnen door Dieric Bouts (+ 1475) en Hugo van der Goes schilderde de stichtersportretten en werkte het af. Verder de “Dood van Maria” van Hugo van der Goes en het huidevettersretabel (Sint-Salvatorskathedraal, Brugge). Daarbij werden telkens heel wat ontdekkingen gedaan die nadien met veel nut konden gebruikt worden door de kunsthistorici.

U kunt uit dit artikel citeren mits bronvermelding met de volgende referentie: Francine Huys, Oog in oog met de schilderijenlijst van de “Dood van Maria” van Hugo van der Goes (15de eeuw) – deel 2, op willydezutter.be [online] geraadpleegd op… (datum). 

Oog in oog met de schilderijenlijst van de “Dood van Maria” van Hugo van der Goes (15de eeuw) – deel 1

De “Dood van Maria” heeft Hugo van der Goes (ca. 1440-1482/1483) op een drager van eikenhout geschilderd. Zoals restaurateur Griet Steyaert schrijft in haar restauratierapport (1) is het kunstwerk geschilderd op een paneel samengesteld uit planken Baltische eik van zeer goede kwaliteit (2). Het eikenhout uit deze streken is veel fijner van vezel dan het eikenhout uit onze gebieden.

Goede kwaliteit, waarop wijst dit ? De manier waarop de panelen uit de boom werden gezaagd speelt hierbij een cruciale rol. Om planken van goede kwaliteit te hebben is er in de loop van de eeuwen niets veranderd; ze moeten uit het midden van de boom komen, namelijk uit het kernhout met gelijkmatige jaarringen. Kostbaar, omdat men doorheen de kern zaagt en daardoor veel afvalhout heeft. Dit is wat men noemt op kwartier gezaagd hout. Een dwarsdoorsnede toont dan de regelmatige, recht lopende jaarringen van een plank uit een radiaal snijvlak (zie illustraties 1 en 2 ). Panelen uit kwartier gezaagd hout is het meest duurzaam, het is hout dat het minst “werkt”.

Illustratie 1
Illustratie 2

Zelfs na eeuwen blijft het hout “werken”, zoals men de beweging van de houtstructuur noemt. Hierbij bedoelt men het krimpen en zwellen van het hout. De kracht van dit proces hangt af van de omvang van de vezels. Hoe fijner de vezels, hoe minder het hout “werkt” en hoe groter de kwaliteit. Wordt het hout door dit “werken” door de samenstelling van de panelen belemmerd, dan scheurt het ofwel breken de constructies. De tegengestelde krachten moeten dus bij de montage van de drager zo veel mogelijk worden weggewerkt. Daarbij is van groot belang dat de delen van zeer goede kwaliteit zijn zoals in dit geval de fijnvezelige Baltische eik. Met deze eigenschap van krimpen en zwellen moet men voor altijd blijven rekening houden.

Atmosferische invloeden zoals vochtigheid in de lucht, droogte, extreme temperaturen blijven altijd inwerken. Zelfs na honderden jaren blijven de vaste bestanddelen zoals: suiker, eiwit, gom, zout, enz. in het hout aanwezig (3). Hun onderlinge verhouding verandert niet zolang het hout zich in gelijkmatige lucht bevindt. Wordt het hout evenwel in een veel vochtiger lucht gebracht, dan wordt dit onmiddellijk anders doordat het hout dit water opzuigt en wel des te meer naarmate het meer is uitgedroogd en naarmate de vezels groter zijn. Het gevolg hiervan is dat het hout in volume toeneemt: het zwelt. Omgekeerd, wanneer de panelen in een veel drogere omgeving komen, gaan ze krimpen. Een harde, oude preparatie- en verflaag kan deze bewegingen niet volgen. De gevolgen zijn ernstige opstuwingen van de beschildering en zelfs verfverlies. Een plots omslaan van het klimaat, van hevige regen naar vorst, leidt telkens naar schade als er geen opvolging en klimaatbeheersing is.

De schrijnwerkers en kunstschilders hielden rekening met deze eigenschap van het hout. Ze monteerden de drager in zijn lijst om de krachten van het “werken” van het hout tegen te gaan. Drager en lijst werden samen als één geheel geprepareerd en beschilderd. Door herhaaldelijk krimpen van de drager is er aan de “werkende” zijranden een “baard” ontstaan: een opstaande rand van de preparatie- en verflaag. De drager komt hierbij uit de gleuf van zijn lijst en laat het ongeprepareerde hout zien.

Een paneel dat zijn originele afmetingen heeft zien krimpen krijgt deze nooit meer helemaal terug. Een zware krimping is dus definitief. Kunstwerken die van bij ons werden uitgeleend aan Spaanse musea bleken na terugkeer aan de twee zijden 1 cm kleiner, waarbij die bijna helemaal uit hun lijst waren gekomen. De lijst verliest hierbij zijn beschermende rol. Het droge landklimaat was de oorzaak. Deze schade is dus onomkeerbaar.

Om atmosferische invloeden minder kans te geven prepareerden en beschilderden de Vlaamse Primitieven hun panelen en lijsten op voor- en achterzijde. Zo hebben R. Van Schoute en H. Verougstraete (KUL en UCL) de achterzijde van Jan van Eyck, het portret van Margareta van Eyck uit 1439 (Groeningemuseum, Brugge) onderzocht omdat we geen barstennet (craquelures) , zelfs geen haarscheurtjes zagen met de microscoop in de porfierimitatieschildering. Vezels aan de rand van de schildering (de baard) konden geïdentificeerd worden als zijnde afkomstig van een… ezelsvel. De buitengewone kwaliteit van het werk van Jan van Eyck, uit één stuk en ingewerkt, werd dus ingenieus beschermd tegen klimaatinvloeden door een ezelsvel. Zo werden panelen zoveel mogelijk uit één stuk vervaardigd doch de grote altaarstukken moesten wel gemonteerd worden uit verschillende in elkaar gewerkte panelen. Deze montage werd verwezenlijkt door pen- en gatverbindingen (zie illustratie 3).

Illustratie 3a
Illustratie 3b

De zware (gewicht)drager van de “Dood van Maria” van Hugo van der Goes is op een zeer ongebruikelijke wijze door de schrijnwerker vervaardigd met houten pennen die de pen- en gatverbindingen versterken en het paneel doorboren. Deze constructie zien we eerder bij meubelmakers. Zoals Griet Steyaert aangeeft , heeft het hout “gewerkt” en schade veroorzaakt op deze fragiele plaatsen. De montage van de panelen werd verwezenlijkt door middel van de pen- en gatverbindingen en de snijvlakken werden gelijmd met dierlijke lijm vervaardigd uit runderhuiden. Deze lijm breekt moeilijk. Deze elasticiteit houdt de voegen dicht. De hoekverbindingen van de lijst daarentegen werden niet gelijmd. Ze schuiven in elkaar (illustratie 4).

Illustratie 4

Ook om het “werken” tegen te gaan werden de panelen door een lid van het ambacht van de schrijnwerkers ingewerkt in hun lijst, als steun en tegen het kromtrekken. Het hout gaat altijd terug naar de oorspronkelijke kromming van de boomstam.

Het lijmen van panelen was het privilege van de schrijnwerkers. Het conflict tussen de timmerlieden en de schrijnwerkers wordt het best duidelijk gemaakt in de Brugse slotbepaling van de akte van 5 juli 1555: “Ende waert dat eenich timmerman eenich vanden poncten hier vooren verclaert hadde ghenomen te makene, dat ghelijmt moest zijn, dat hij dat zoude moeten doen lijmen bij eenen vrije scrinewerker, mits dat lijmen den ambochte vanden scrijnwerkers toebehoort”. Uit andere Brugse archivalia, uitgaande van de schepenen, blijkt dat dit reeds in gebruik was in 1448 en 1433 (4).

De conclusie zou kunnen zijn dat het reeds veralgemeend in de praktijk gebracht werd in het eerste kwart van de 15de eeuw. De praktijk is er altijd eerst en daarna komt dan het reglement. Zo kreeg Hugo van der Goes een samengesteld paneel, ingewerkt in zijn lijst, ter beschikking. Het paneel in zijn lijst was al netjes en verfijnd geprepareerd met krijt- en lijmpreparatie en stond gebruiksklaar in zijn atelier. Lijst en werk waren en zijn dus één. De kunstenaar schilderde zo ook de voorstelling door op de lijst, bijvoorbeeld in trompe l’œil zoals bij Hans Memling, het portret van Sibylla Sambetha uit 1480 (Sint-Janshospitaal, Brugge – illustratie 5).

Illustratie 5
Illustratie 5b

Griet Steyaert sluit ook niet uit: “dat een stuk van die hemel en de neerhangende gordijnen ook op de oorspronkelijke lijst geschilderd waren” (in catalogus Oog in oog). De drager en zijn lijst zijn dus één kunstwerk. Bij de Vlaamse Primitieven zijn ze in elkaar gewerkt. Maar al te vaak worden dragers van hun lijst gescheiden. Daarmee wordt de eigenheid van het kunstwerk geschonden. Ook als de lijst niet meer oorspronkelijk is maakt die deel uit van de geschiedenis van het kunstwerk.

Het wordt natuurlijk een ander verhaal indien de oorspronkelijke lijst vervangen werd in de loop van de tijd door een ongepaste lijst, opgedrongen door een vernieuwend modebeeld, anders van sfeer is, teveel op zich staat of het werk niet ondersteunt. In het geval van “De dood van Maria” van Hugo van der Goes was de vervangende lijst passend en discreet. Er zijn nooit klachten geweest over de beschermende rol. Griet Steyaert is karig met woorden in haar restauratierapport (5) met betrekking tot de lijst. Nochtans maakt de lijst deel uit van het kunstwerk. De zeven horizontale panelen van ongeveer 2,5 cm dik hebben samen een niet te onderschatten gewicht dat opgevangen en verdeeld moet worden. In dit geval heeft deze drager zijn originele lijst verloren door een noodlottige ingreep in een ver verleden, gepaard gaande met een verkleining van het schilderij aan de vier zijden (6). Aan de rechterkant is de compositie nog oorspronkelijk, aan de linkerkant en bovenaan niet. Daar de onderzijde veel schade heeft opgelopen en de originele verflaag verloren is gegaan kan de omvang van de verkleining hier niet juist worden berekend. Zou het schilderij in de loop van zijn geschiedenis in een vochtige plaats zijn geborgen of zelfs in het water hebben gestaan met zijn onderzijde bijvoorbeeld door een overstroming (illustratie 6) ?

Illustratie 6a
Illustratie 6b

Dat zou het verloren gaan van zijn originele lijst en de schade onderaan, de verdwenen schildering, kunnen verklaren.

Conservator Dirk De Vos (Groeningemuseum, Brugge) en de leden van het restauratieatelier van de Brugse Musea hebben het schilderij tientallen jaren opgevolgd. De hechting van de verf- en preparatielagen , met de drager onderaan, vroeg menigmaal om fixatie. De vochtinwerking bij serieuze waterschade kan blijven doorwerken. Het onderste deel van de originele lijst zou wel eens kunnen in grote mate onbruikbaar zijn geworden zodat er werd geopteerd voor een nieuwe lijst, heel waarschijnlijk naar het originele model met de oorspronkelijke profielen.

De “Dood van Maria” (7) kan onmogelijk voldoende ondersteund worden door de recente, na de jongste restauratie aangebrachte metalen constructie achteraan zijn drager. De functie van een lijst waarin de drager schuift, is hierdoor niet te vervangen. Het kunstwerk “zweeft” nu in een nieuwe, te grote lijst. De bedoeling is het tonen van de volledige oppervlakte van het beschilderd paneel. Hierdoor kan men de door de vroegere verkleining van het paneel verborgen beschildering aan de uiterste zijrand zien. Deze constructie is ongezien en gevaarlijk. Vooral omdat het kunstwerk regelmatig zal reizen. De vorige lijst benaderde de originele en bracht het schilderij naar de voorgrond. De nieuwe lijst of, beter gezegd, de omkaderingspresentatie mist zijn doel: de bescherming van het kunstwerk. Lijst en schilderij zullen nooit één geheel vormen. De nieuwe lijst staat op zichzelf, een samenraapsel van profielen die aan de lijst van Jan van Eyck , De Madonna met Kanunnik Joris van der Paele uit 1436 (Groeningemuseum, Brugge) doet denken.

Het oudst gekende schilderij van Brugge is het huidevettersretabel uit de Sint-Salvatorskathedraal: Calvarie met de heiligen Catharina en Barbara, schilderij op paneel, 70×140 cm, Brugs Meester rond 1390-1415 (illustraties 7 en 8).

Illustratie 7
Illustratie 8

Het eikenhouten paneel vormt de bodem van een platte koffer met opstaande zijden van 13 cm waarop een deksel rust dat kan sluiten. Dit schilderij is dus stevig ingewerkt in een eiken kofferlijst met smeedijzeren sluitwerk (8). Onze paneelschilderkunst is geleidelijk op deze manier ontstaan met ingewerkte panelen in hun lijst (9).  De geboorte van de Vlaamse Primitieven.

Francine Huys

1 M. Depoorter, L. De Visch, M. Everaarts, S. Goegebuer, G. Steyaert, A. van Oosterwijk, Oog in oog met Hugo van der Goes. Oude meester, nieuwe blik. Brugge, 2022, p. 89.

2 W.P. Dezutter en M. Goetinck, Het historisch bouwmateriaal: hout, natuursteen, baksteen, in: W.P. Dezutter en M. Goetinck, catalogus tentoonstelling Op en om de bouwwerf, Stedelijke Musea, Brugge, 1975, pp. 69-89 en A. Viaene, Namen van ingevoerd timmerhout in Middelnederlandse teksten, in: Biekorf, 1964, pp. 79-84.

3 T. Krauth en F. Sales Meyer, voor Nederland bewerkt door F. Lz. Berghuis; derde, vermeerderde en herziene druk door G.A. Scholten, Onze betimmeringen, Leiden, 1903, pp. 32-36.

4 A. Van de Velde, De ambachten van de timmerlieden en de schrijnwerkers te Brugge, hun wetten, hun geschillen en hun gewrochten van de XIVde tot de XIXde eeuw, Gent, 1909, pp. 84-87. Het proces van de lijmpot.

5 M. De Poorter, L. De Visch, e.a. , Oog in oog met Hugo van der Goes. Oude meester, nieuwe blik., Brugge, 2022, p. 95.

6 D. De Vos, Stedelijke Musea Brugge. Catalogus schilderijen 15de en 16de eeuw, Brugge, 1979, pp. 210-213 en A. Janssens de Bisthoven, M. Baes-Dondeyne en D. De Vos, Stedelijk Museum voor Schone Kunsten (Groeningemuseum), Brugge, 1, Corpus van de vijftiende-eeuwse schilderkunst in de zuidelijke Nederlanden, Brussel, 1981, p. 2.

7 De gangbare titel de “Dood van Maria” kan ook vervangen worden door “Dormitio” zoals opgemerkt door J.L. Meulemeester, zie: J.L. Meulemeester, Over het inslapen van Maria en de tentoonstelling “Oog in oog met de dood” in het Brugse Sint-Janshospitaal, in Biekorf, (122), 2022, 4, pp. 440-453.

8 L. Devliegher, Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen , deel 8, De Sint-Salvatorskatedraal (sic) te Brugge, Inventaris. Tielt-Amsterdam, 1979, p. 168.

9  In deel 2 zullen we dieper ingaan op het esthetische aspect van de lijst.

Verantwoording illustraties

1 W.P. Dezutter en M. Goetinck, Catalogus tentoonstelling “Op en om de bouwwerf”, Brugge, 1975, p. 71. De snijvlakken van de boomstam.

2 W.P. Dezutter en M. Goetinck, Catalogus tentoonstelling “Op en om de bouwwerf”, Brugge, 1975,p. 73. Dwarsdoorsneden en snijvlakken van gezaagd hout.

3 Detailfoto van een pen- en gatverbinding bij een schilderij van de Vlaamse Primitieven. Foto Francine Huys. (a) Dieric Bouts en Hugo van der Goes, Marteling van de heilige Hippolytus (1470-1474), Sint-Salvatorskathedraal Brugge. Detail middenpaneel tijdens restauratie (museumatelier Brugge): open voeg met pen en gat vóór de herlijming van de panelen; (b) detail na restauratie.

4 T. Krauth, F. Sales Meyer, voor Nederland bewerkt door F. Lz. Berghuis, derde, vermeerderde en herziene druk door G.A. Scholten, Leiden, 1903, p. 86. Hoekverbindingen. De illustratie toont hier een voorbeeld dat van toepassing is in de meubelmakerij maar overeenkomsten vertoont met een schilderijpaneel in zijn lijst.

5 Hans Memling, Sibylla Sambetha, 1480. (Sint-Janshospitaal, Brugge). De kunstenaar schildert de vingers van haar hand in trompe l’œil op de lijst. 

6 Willem Benson (Brugge 1521-Middelburg 1574). Maagd met Kind (1550). Van dit schilderij bestaan verschillende exemplaren. Het schilderij met lijst heeft in een vochtige kelder gestaan. Het onderste deel van de lijst is weggeteerd door het water. De schade onderaan het paneel en de zijkanten van de lijst is enorm groot. Foto Francine Huys.

7 Anoniem Brugs Meester ca. 1390-1415. Calvarie met de heiligen Catharina en Barbara of Calvarie van de huidevetters. Dit paneel is één van de vroegste in Brugge bewaard gebleven schilderijen en één van de zeldzame schilderijen op hout uit de tijd vóór van Eyck. Het werd ca. 1415 hoogstwaarschijnlijk door een Brugse schilder vervaardigd. Foto departement Cultuur, Jeugd en Media, 1001 Brussel.

8 Idem Huidevettersretabel. Eén van de drie gotische hengsels op het deksel van het kofferpaneel. Het schilderij is een uitstekend voorbeeld van de toenmalige kunstproductie in Brugge en andere Vlaamse steden. Bovendien is het bijzonder dat dit schilderij in een koffer is gemaakt met een opklapbaar deksel met sterrenmotief. De opstaande rand rond het schilderij, die de diepte van de koffer maakt, heeft een speciaal fries met bollenmotief. Het werd door ons teruggevonden onder de overschildering met zwarte verf tijdens de restauratie van het schilderij in het restauratieatelier van de Stedelijke Musea van Brugge. Tekening uit L. Devliegher, Inventaris Sint-Salvators, 1978, p. 168. Foto M. Platteeuw, Brugge. 

C.V.

De kunstenares Francine Huys (geb. Brugge, 1954) was van 1972-2014 verbonden aan het restauratieatelier van de Stedelijke Musea van Brugge (B), maar woont nu in Calenzana (Corsica, Frankrijk). Zij genoot haar opleiding aan de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten van Brugge en kreeg daarna haar 8 jaar praktijkervaring bij de restaurateur Edmond Florens (Lanaken, 1936 – Brussel, 2005). In het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK-Brussel) liep zij stage bij de restaurateurs Georges Messens en Jozef Grosemans (specialisatie lijmen van panelen). Zij werkte aan belangrijke werken van de Vlaamse primitieven zoals de “Marteling van de heilige Hippolytus” (1475-1479), Sint-Salvatorskathedraal Brugge. Dit schilderij werd begonnen door Dieric Bouts (+ 1475) en Hugo van der Goes schilderde de stichtersportretten. Verder de “Dood van Maria” van Hugo van der Goes en het huidevettersretabel (Sint-Salvatorskathedraal). Daarbij werden telkens heel wat ontdekkingen gedaan die nadien met veel nut konden gebruikt worden door de kunsthistorici.

U kunt uit dit artikel citeren mits bronvermelding met de volgende referentie: Francine Huys, Oog in oog met de schilderijenlijst van de “Dood van Maria” van Hugo van der Goes (15de eeuw) – deel 1, op willydezutter.be [online] geraadpleegd op….. datum.

“God vond het allicht nog niet het moment”

Over calamiteiten en apathische goden

De pastoor (55 jaar) van de Sint-Jozefsparochie in Dudzele (Brugge) kreeg op 1 november (Allerheiligen !) 2022 een hartstilstand en verklaarde vier maanden later bij zijn heroptreden: (1) “God vond het allicht nog niet het moment”.

Wat is dat toch met die zelfingenomenheid en eigendunk van al die mensen ? Wanneer er een boot zinkt met honderd asielzoekers en één wordt gered, denkt die gelukkige dat dit te danken is aan de tussenkomst van Allah. Allah laat 99 onschuldige gelukzoekers verdrinken maar redt er één ! Maar ook de god van de Christenen houdt er dezelfde opvattingen op na, al of niet met de hulp van een beschermengel, de engelbewaarder.

Aardbeving

 Op 6 februari 2023 vond een ongekende zware aardbeving plaats in delen van Zuid-Turkije en Noord-Syrië. Een natuurramp met 50.000 doden, 44.000 in Turkije en 6000 in Syrië. Vond god het toen het meest geschikte moment om al die mensen te laten omkomen ? Was het een straf van god ? Zo dachten verschillende overlevenden er zelf over anno 2023 zoals in 1755 met de aardbeving in Lissabon.

Er is nog een lange strijd te gaan bij de bestrijding van het irrationele gedrag van mensen. Is er een verschil tussen de god van de christenen en die van de moslims ? De vraag stellen is ze beantwoorden. Er is inderdaad een verschil. De god van de christenen bestaat uit drie personen. Die “Heilige Drie-Eenheid” of “Drievuldigheid” bestaat uit “de Vader”, “de Zoon” (Jezus Christus) en de “Heilige Geest”. Het is een staaltje van krampachtige theologie waar niemand bij stil staat. Mocht men dit wel doen zou elk weldenkend mens onmiddellijk afstand nemen van die vergezochte constructie en per direct kerkverlater worden.

Bij Allah is het veel helderder. Hij is God en daarmee uit. Vele dagen na de aardbeving werden er nog een aantal mensen levend van onder het puin gehaald. Dat waren de zogenaamde mirakelreddingen. Alsof er ook hier sprake zou zijn van een goddelijke tussenkomst ! Ze werden gewoon gered dank zij de grote inzet van de hulpverleners en hun speurhonden. In Hatay (Turkije) werd er 23 dagen na de ramp nog een hond, een husky, levend van onder het puin gehaald. Allah heeft dus ook sympathie voor dieren.

Een aardbeving (of een andere natuurramp zoals een overstroming , een tornado, enz.) wordt doorgaans niet aangekondigd door waarzeggers. Er bestaan geen Hogere Machten en een tornado neemt geen bocht wanneer er een kerkgebouw in het vizier komt. Hij maakt in de VS ook geen onderscheid tussen katholieke en protestantse kerken. Hij vervolgt gewoon zijn verwoestende weg. Een seismoloog (aardbevingsdeskundige) kan misschien aan de hand van seismogrammen iets voorspellen maar ook dan is het dikwijls al te laat om een waarschuwing te laten uitgaan. Het antwoord op de vraag of men aardbevingen kan voorspellen is eigenlijk gewoon “neen” (3).

Ook de treinen naar het uitroeiingskamp Auschwitz werden tijdens de Tweede Wereldoorlog niet gestopt door de god van het Oude Testament. Wanneer hij daar al faalde en apathisch bleef kon hij zich altijd nog bedenken en de ovens stilleggen. Vroeger liet men een barende vrouw sterven in het kinderbed om het kind te kunnen redden. Een kind dat onmiddellijk de nooddoop kreeg toegediend want het zieltje moest gered worden. Men doopte zelfs met een zogenaamde doopspuit (2) in de baarmoeder, een doop “in uterus”. Een waanzinnige obsessie van de rooms-katholieke kerk. Alleen de vooruitgang van de geneeskunde heeft gezorgd voor een betere levenskwaliteit en levensverlenging. Dat is niet aangestuurd door een opperwezen maar maakt deel uit van de algemene vooruitgang. Vooruitgang in de wetenschap (handhygiëne en ontsmetten van instrumenten !) en vooruitgang in de bestrijding van het bijgeloof. Helaas houden beiden geen gelijke tred en blijft er een irrationele behoefte aan ongezonde spiritualiteit. Een spiritualiteit die geen verbinding maakt met de bovennatuur maar alleen nuttig kan zijn om zelf bedaarder door het leven te gaan. En dat willen we niemand afpakken. Troost en kracht als zelfsuggestie ook al wordt je kind van drie jaar overreden door een vrachtwagen. In het hier en nu kan een beetje meditatie soms helpen maar om het onbestaande hiernamaals te bereiken heeft het geen enkel nut. Enkel opportunisten krijgen dit verlangen niet gestild. 

De aardbeving van Lissabon (1755)

De zware aardbeving van Lissabon vond plaats op 1 november (Allerheiligen !) 1755. Er waren tienduizenden doden (4). Geologen hebben jaren later gesproken over een aardbeving (+ tsunami en brand) van 9 op de schaal van Richter. Op het moment van de ramp zaten de kerken vol met gelovigen en omdat de kerkgewelven instortten was het dodental onder de kerkgangers zeer hoog.

Veel filosofen, zowel toen als nu, stelden de vraag naar de rechtvaardiging van god. Die kwaadheid van god viel moeilijk uit te leggen temeer omdat Portugal een devoot katholiek land was en men dat geloof had voortgeplant in de koloniën. De Franse verlichtingsfilosoof Voltaire (1694-1778) nam een kritische houding aan en de Duitse verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804) verklaarde die aardbeving vanuit natuurlijke in plaats van bovennatuurlijke oorzaken. Hij stond daarmee aan de wieg van de seismologie. Het lijden in de wereld kan niet op een serieuze manier verklaard worden. Die theodicee is een hinderpaal voor alle godsdiensten. Een god die zowel volmaakt goed is en almachtig kan het lijden in de wereld niet toelaten tenzij hij ongevoelig is. Op zo’n god zit niemand te wachten. “Hier boven” is er alleen maar kosmisch stof. Die stofdeeltjes of micrometeorieten zijn soms minder dan een zandkorrel groot. In geloofszaken zijn de wetten van de fysica niet van kracht. Geloof is angst omzetten in hoop. Het hiernamaals is en blijft een illusie.

Willy Dezutter

1 Brugsch Handelsblad, 2 maart 2023. 

2 Dat was een kleine tinnen klisteerspuit die voor dit doel werd gebruikt. 

3 TimTrachet, Skeptisch nieuws. Nederlander “voorspelde” zware aardbeving, in: Skepp. Wetenschappelijk verantwoord magazine, jg. 22, lentenummer, 2023, p. 26.

4 Robert Verhoogt, Op reis door de aarde. Onder de grond in de negentiende eeuw. Amsterdam, 2020. Handelt o.a. over de aardbeving van Lissabon (1755) en die van San Francisco in 1906.