Tag Archives: Volkskundemuseum

Patacons: voortverkopers uit Brugge (begin 20ste eeuw)

Het Stedelijk Museum voor Volkskunde van Brugge werd officieel geopend op 29 juni 1973 door Kamervoorzitter Achiel Van Acker (Brugge 1898 – Brugge 1975), Minister van Staat én volkskundige. Hij was al in 1937 één van de eerste leden van de Bond der Westvlaamse Folkloristen.  

De basiscollectie werd aangeleverd door het voormalig Folkloremuseum in het Belfort (opening 1 juli 1939 – heropening 6 november 1948). De eigenaar en beheerder van dat museum was de Bond der Westvlaamse Volkskundigen (voorheen Folkloristen genoemd). Gedurende de periode 1971-1972 was het Folkloremuseum reeds gesloten wegens restauratiewerken aan het Belfort. In 1972 startte het stadsbestuur van Brugge de onderhandelingen voor de overname van de collecties en dat leidde tot de overbrenging naar de gerestaureerde  Schoenmakersrente in de Balstraat vanaf 1 februari 1973.

In 1982 verrees op de hoek van de Balstraat en de Rolweg de museumherberg “De Zwarte Kat” en in 1989 en 2003 vond een verdere museumuitbreiding in de Rolweg plaats (1). Het Volkskundemuseum, zoals het nu heet, beschikt over een grote verzameling patacons die voor het grootste deel al aanwezig was in de verzameling van het Folkloremuseum. Ze werd door ons opnieuw gepresenteerd in 1973 samen met een vollaard met patacons die bewaard bleef in de oude collectie.

Een patacon is een schijf in pijpaarde met figuurtjes die nadien met de hand werden ingekleurd. Naast religieuze voorstellingen komen ook veel militairen (invloed volksprenten), dieren en bloemen voor. De jongere exemplaren werden vervaardigd uit gips. Zij dienden als versiering van de kerst- en nieuwjaarsbroden. Een dergelijk brood noemde men een vollaard. Het brood werd met patacons versierd.

Patacon van pijpaarde met voorstelling van het bolspel.
Landelijk tafereel met vier deelnemers onder wie twee met traditionele blauwe kiel.
Diameter 21,6 cm. Verzameling Volkskundemuseum, Brugge.  Foto Stad Brugge-Cel Fotografie.

De versteende vollaard uit de oude collectie werd door ons geconserveerd in 1982. Dit delicate werk werd met succes uitgevoerd door Francine Huys, van 1972 tot 2014 restaurateur bij de Stedelijke Musea Brugge. De vollaard werd geïnjecteerd met een emulsie van polyvinylacetaat, een synthetisch polymeer. Toen wij op 1 april 2007 de dienst voortijdig verlieten, verkeerde die vollaard nog steeds in perfecte staat.

In hetzelfde jaar 1982 lieten wij door Frans Tavernier (1932-2018) , broodbakker in de Rodestaat op Sint-Anna (Brugge) drie vollaards bakken die we in het museum permanent exposeerden. Hij was vertrouwd met dat product en kende het recept (2). In 1983 leerden wij Walter Plaetinck (1931-2018) kennen die door ons werd geïnitieerd in het onderwerp patacons en die in navolging van het Brugs Museum voor Volkskunde vollaards liet maken voor zijn toekomstig Bakkerijmuseum in Veurne dat geopend werd op 25 juli 1985. Ook in 1989 hebben we nog collegiaal samengewerkt.

De collectie patacons van het Volkskundemuseum konden we al in 1973, dank zij hoofdconservator A. Janssens de Bisthoven (1915-1999) en conservator V. Vermeersch (1937-2020), aanvullen met de kostbare patacons uit de reserves van het Gruuthusemuseum (3). In 1919 schonk Adolf Duclos ( 1841-1925), priester-historicus en schrijver van het bekende boek Bruges histoire et souvenirs (1910), een twaalftal patacons daterend uit de eerste helft van de 19de eeuw, aan het Oudheidkundig Museum (4). Het betrof mooie grote en zeldzame exemplaren. 

Patacon van pijpaarde met voorstelling van een berenleider.
V.l.n.r. Bedelend kind, berenleider met stok, de vedelaar, dansende beer met muilkorf en stok.
Het is een waarheidsgetrouwe weergave. Diameter 15,5 cm.
Verzameling Volkskundemuseum, Brugge. Foto Maurice Platteeuw, Brugge  

De distributie van de patacons

De beste studies over dit onderwerp zijn nog altijd die van M.A. Arnould (5) voor Wallonië en de studie van J. Pieters (6) voor wat Vlaanderen betreft (6).

In Rond de Poldertorens 2024, 2-3 brengt Johan Deckers een goed overzicht en schenkt ruim aandacht aan herkomst, productie en gebruik van de patacon (7). Tot nu toe is de distributie, de verdeling van producent naar de detailhandel onderbelicht gebleven. Dat is nochtans een belangrijke schakel. Hoe geraakten die patacons bij de plaatselijke bakker ? Die tussenhandel (het doorverkopen) was in handen van een voortverkoper die voor eigen rekening en op eigen risico handelde. Voor Brugge kennen we op z’n minst twee van dergelijke kleinhandelaren. Een belangrijke voortverkoper was de kruidenier Henri Dhondt uit de Steenstraat 68 in Brugge (8). Een grote leverancier van patacons in Brugge was het huis Leclercq-Carron uit Baudour (Henegouwen, sinds de fusie van 1977 gemeente Saint-Ghislain).

In Wallonië noemt men de vollaard of kerstkoek een cougnou of cougnole. De patacons noemt men dan “ronds de cougnoles”. Henri Dhondt betrok tussen 1918 en 1922 jaarlijks 500 tot 600 kilo patacons uit Baudour (9). De voortverkopers kochten daar de patacons per kilo. De grote exemplaren werden ook per stuk verkocht. Het bedrijf Leclercq-Carron werd opgeheven in 1950. De belangrijkste zaakvoerder was Jules Leclercq (Baudour, 1887-1931).

Rond 1950 is de vollaard met patacons trouwens ook verdwenen uit de bakkerswinkels met nog enkele uitlopers tot ongeveer 1960, terend op de voorraad. Weliswaar was er af en toe een heropleving met patacons in gips zoals in 1991 toen we dit volksgebruik, middels een klein volkskundig onderzoek, signaleerden zowel in Brugge, Wenduine, Blankenberge als in Koksijde. De Belgische kust springt daarbij in het oog. Het was toen geen nieuwjaarsgebruik meer maar er deed zich een verschuiving voor naar de periode rond Sinterklaas, te weten 6 december. In Wallonië en Noord-Frankrijk ging het duidelijk vooral om een kerstgebruik. Voortverkoper Henri Dhondt was geen bakker maar kruidenier. Het past volledig in het aanbod van een kruidenier waar er altijd al een breed assortiment voorhanden was (10).

Toch waren er ook Brugse bakkers die zich onledig hielden met de handel in patacons. Dit was het geval met de gebroeders Louis Troffaes (1872-1951) en Richard Troffaes (1880-1953). Dat waren zonen van Jan Troffaes (geb. Westkapelle, 14 december 1840) die in de Dorpsstraat van Dudzele bakker en tapper was van 1871 tot 1920 (11). Men kon er brood kopen maar in de gelagzaal werd er ook bier getapt door zijn vrouw Mathilde Zwaenepoel. De bakkerswinkel van Louis en Richard Troffaes was gevestigd in de Ezelstraat 92 in Brugge (12).

Bij het onderzoek naar de verspreiding van de patacons dient men dus ook rekening te houden met de rol van de voortverkopers in de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. Toen was er een rechtstreekse lijn met Henegouwen. Zoals archeologisch onderzoek duidelijk maakt geldt dit niet voor de 17de en 18de eeuw toen er productiecentra waren in Berlare, Gent, Hamme, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Tienen, Turnhout, Wetteren en Zele(13). Die lange opsomming is louter indicatief maar vormt wel het bewijs dat de oorsprong van de productie niet moet gezocht worden in Henegouwen maar in Vlaanderen. De productiecentra in Wallonië zoals Baudour, Quaregnon en Saint-Ghislain ontstonden eind 18de eeuw. Wel werd uiteindelijk het marktaandeel overgenomen door de Waalse firma’s.

Willy Dezutter (geb. 1946), conservator van het Volkskundemuseum te Brugge (van 1973 tot 2007)

1 Willy Dezutter, Van Museum van Folklore naar Stedelijk Museum voor Volkskunde. Een Brugse metamorfose met hindernissen: 1936 tot 1972 en 1973-1982, 1989 en 2003, in: Brugs Ommeland, 2019, 2, p. 67-83. Op 14 sept. 2024 vond een geslaagde heropening plaats o.l.v. conservator Geert Souvereyns met o.m. een vernieuwing van de verwarming, verlichting en elektriciteit en interactieve toepassingen in de museumpresentatie.

2 Willy Dezutter, Vollaards en patacons, in: Brugs 0mmeland, 2018, 3, p. 192-193.

3 In 1865 werd in Brugge de Société d’ Archéologie opgericht met als doel het oprichten van een Oudheidkundig Museum. Dat zou er komen in 1866 maar het duurde toch tot het jaar 1900 vooraleer het Gruuthusemuseum tot volle wasdom kwam. Zie: Willy Dezutter, De stichting van het Gruuthusemuseum van Brugge in 1865, in: Brugs Ommeland, 2013, 3, p. 181-184.

4 Gemeenteblad der Stad Brugge, 1920, bijvoegsel 5, p. 274. Aanwinsten Oudheidkundig Museum, 1919.

5 M.A. Arnould, Les gâteaux de Noël et leur décoration en Hainaut, in: Enquêtes du Musée de la Vie Wallonne, Tome VII, 31e année, nos. 73-78, Liège, p. 1-74.

6 J. Pieters, De Patacons of schildekens onzer nieuwjaarskoeken, in: Ars Folklorica Belgica, I, Antwerpen, 1949, p. 107-148.

7 Johan Deckers, Een uniek staaltje Zuid-Nederlands erfgoed: de patacon en de vollaard, in: Rond de Poldertorens, 2024, 2-3, p. 54-63.

8 Provinciale Wegwijzer van West-Vlaanderen en de Stad Brugge 1932. Brugge, druk. Verbeke-Loys, p. LIV en p. 160.

9 Willy Dezutter, Stedelijk Museum voor Volkskunde. Beknopte gidsen van de musea van Brugge 1, Brugge, 1992, p. 4.

10 Willy Dezutter, Poer en zaed. Het assortiment van de kruidenierswinkel in de 19de eeuw, in: Biekorf, 112 (2012), 4, p. 380-383 en op de weblog willydezutter.be geplaatst op 30 maart 2013.

11 Johan Ballegeer (red.), Dudzeelse herbergen I (naar gegevens van +Pol Danneels ) op zwinstreek.eu en sincfala.be

12 Sinds 1954 bakkerij-patisserie opgericht door Fernand Spegelaere, sinds 1970 Chocolaterie Spegelaere, maar sinds 2024 te koop (Het Nieuwsblad 4 juli 2024).

13 Eva Van Nuland, Studie van Patacons uit een 18de eeuws vondstencomplex uit de Peperstraat in Aalst, in: Van Mensen en Dingen, tijdschrift voor volkscultuur in Vlaanderen, 2006, 4, p. 339.

Dit artikel verscheen in het tijdschrift Brugs Ommeland, te citeren als Willy Dezutter, Patacons: voortverkopers uit Brugge (begin 21ste eeuw), in: Brugs Ommeland, 65 (2025), p. 85-90.

U kunt uit dit artikel citeren mits bronvermelding met de volgende referentie: Willy Dezutter, Patacons: voortverkopers uit Brugge (begin 20ste eeuw), op willydezutter.be (online) geraadpleegd op … [datum].

De affiche van de Brugse “Chat Noir” (1896)

In 1881 stichtte Rodolphe Salis (1851-1897) op het nr. 84 van de Boulevard Rochechouart, aan de voet van de Butte Montmartre, in Parijs het cabaret “Chat Noir”. Dit artistiek en literair café werd wereldberoemd (1).

In juni 1885 verhuisde Salis, met een opgemerkte optocht door de straten van Parijs, naar het adres Rue Laval 12. Het was daar dat Aristide Bruant (1851-1925) in 1885 zijn beroemde ballade “Autour du Chat Noir” lanceerde.

Geïnspireerd op het Parijse voorbeeld stichtte men in Brugge eveneens een “Chat Noir” weliswaar met een meer literair karakter. Maar het bier van lid en brouwer Jules D’Hoedt (1843-1904) was volgens de bewaard gebleven notulen “délicieuse et hygiënique”.

Op 14 oktober 1894 kwam men voor het eerst samen in het zaaltje van het café “Lion Belge” in de Langestraat nr. 137 recht tegenover de kazerne van het 3de Regiment Lanciers. Dit was de officiële oprichtingsvergadering. De stichter-voorzitter was de kunsthandelaar Camille Verhaeghe (1847-1908) (bekend door het huis met de houten gevel aan de “Botanieken Hof”), de militair Alfred Algrain (1850-1918), commandant van de Genie en in 1892 de eerste voorzitter van de Cercle photographique de Bruges (2) en verder zijn kaartersmaat in café Vlissinghe (3), de kantoorbediende (“commis”) bij de Genie Auguste Bricusse (geb. te Tintigny, prov. Luxemburg op 21 juli 1845). En tot slot de bekende Brugse kunstschilder Flori Van Acker (1858-1940) die meteen een zwarte kat in houtskool tekende op de schouw van de Lion Belge.

Dit viertal ging over tot het rekruteren van nieuwe leden en vanaf januari 1895 beschikte men over een voldoende aantal om de vereniging structuur te geven (4).

Vanaf de start was men op zoek naar een “Sire” (een Rodolphe Salis) en ze vonden die in de persoon van de edelman en vrijgezel Alphonse van Hamme de Stampaertshoucke (1852-1903). Hij werd “le Roi du Chat Noir”. Hij trad zelf op als peter van de edelman Aquilin Arents de Beertegem (1849-1923) die kan beschouwd worden als de mecenas van deze Kring. Reeds op 20 juni 1895 schonken beide edellieden een prachtige vergadertafel met in het midden een gesculpteerde zwarte kat en de familiewapens van beide schenkers (5).

De spil van het genootschap werd atheneumleraar Pierre Huybrechts (1861-1928), de secretaris (6) die de notulen opstelde en ze rijk illustreerde. De “Chat Noir” werd dank zij hem een bloeiende “cercle artistique” met tal van activiteiten: het inrichten van literaire voordrachten, het organiseren van concerten en kunsttentoonstellingen en daarnaast hield men het ook op de ontspanning door het beoefenen van het kaartspel en het organiseren van wedstrijden op de teerlingbak. Ze bezaten ook een leeskabinet en een spaarkas. In 1898 telde men 43 leden. Vanaf 1901 verminderden de activiteiten die tenslotte uitdoofden nog voor de Eerste Wereldoorlog (7).

Van de Brugse “Chat Noir” zijn een aantal relicten bewaard gebleven zoals de originele sprekerston en de affiche van Théophile Steinlen die men kan terugvinden in de herberg “In de Zwarte Kat”, de museumherberg van het Volkskundemuseum op de hoek van de Rolweg en Balstraat (ingang museum en herberg via Balstraat 43). Deze museumherberg werd geopend op 27 augustus 1982 (8). De introductie van de levende mascotte, de zwarte kat Aristide, gebeurde door conservator Willy Dezutter op 8 juni 1984. Op 29 juni 1973 werd het museum officieel geopend. Dit vijftigjarig bestaan werd gevierd op 25 juni 2023 en bij die gelegenheid werd Aristide V gepresenteerd door Geert Souvereyns, de coördinator van het Volkskundemuseum.

De affiche van de Tournée du Chat Noir van Théophile Steinlen (1896)

De illustrator Théophile Steinlen (9) werd geboren op 10 november 1859 in Lausanne (Zwiterland) en kwam in 1881 naar Parijs waar hij zal overlijden op 14 december 1923. In 1882 leerde hij Rodolphe Salis kennen en sinds 1883 werkte hij mee aan zijn weekblad “Chat Noir”. Hij maakte illustraties voor “Les Contes du Chat Noir” van Salis en in 1898 verscheen zijn map “Dessins sans paroles des Chats”. De grote attractie van de “Chat Noir” waren de voorstellingen van het “théatre d’ombres”. Vanaf 1896 trok Salis met dit schaduwspel van Henri Rivière ook op rondreis. Het is voor deze gelegenheid dat Steinlen de bekende affiche maakte “Tournée du Chat Noir”. Het werd gemaakt volgens de stijlprincipes van de art nouveau. De Brugse Zwarte Katten hebben, in dezelfde stijl en lettertype, de tekst gewijzigd met het opschrift “Hier in de Zwarte Kat is te bekomen droog en nat”.

De affiche van de Brugse “Chat Noir” (1896, met latere aanpassingen). Afm. 140 x 105 cm.

In de Brugse “Chat Noir” werd voor de correspondentie overwegend het Frans gebruikt maar het Nederlands was voor hen geen vreemde taal. Daar is de invloed van het Brugse Willemsfonds (opgericht in 1872) debet aan als verdediger van de taal. Het Brugs exemplaar, voorzien van het monogram van Steinlen en de tekst Imp. Charles Verneau, 114 Rue Oberkampf Paris, is bijgevolg een originele steendruk maar voorzien van een Brugse inbreng. Rodolphe Salis stierf op één van zijn tournees in 1897. Dit betekende meteen het einde van de “Chat Noir” in Parijs. De volledige collectie van zijn “Chat Noir” werd van 16 tot 20 mei 1898 geveild in het veilinghuis Drouot in Parijs.

De aankondiging van de veiling van de “Chat Noir” in Parijs in Hotel Drouot, 16-20 mei 1898. Uit: Journal des Ventes, nr.10, Bruxelles, rue de Putterie 253, van zondag 15 mei 1898. 

Willy Dezutter

https://fr.wikipedia.org/wiki/Le_chat_noir en Mariel Oberthür, Le Cabaret du Chat Noir à Montmartre (1881-1897), Genève, Editions Slatkine, 2007.

2 Andries Van den Abeele, Alfred Algrain en de Brugse kunstfotografie, in: Brugs Ommeland, 62, (2022),1,p.11-45, vooral p.11-16. 

3 Willy Dezutter, Woord Vooraf, in: Eduard Trips, Café Vlissinghe 1515-1985. Een eeuwenoude Brugse herberg, Brugge, 1986, p.5.

4 W.P. Dezutter, De Zwarte Kat. Mythe en werkelijkheid van een Brugse kunstkring (1894-1901), in: Jaarboek 1997-99 van de Stedelijke Musea, Brugge, 2000, p. 214. Samenvatting van de museumvoordracht van 26 en 27 januari 1997.

5 Willy P. Dezutter, De tafel (1895) van de Brugse “Chat Noir”, in: Jaarboek 1991-1992 van de Stedelijke Musea, Brugge, 1993, p.60-62.

6 W.P. Dezutter, Pierre Huybrechts en de Zwarte Katten, in: E. Trips (red.), Mijlpalen uit de geschiedenis van het Koninklijk Atheneum te Brugge, Brugge, 1987,p. 28-29.

https://nl.wikipedia.org/wiki/chat_noir

8 Willy Dezutter, Van Museum van Folklore naar Stedelijk Museum voor Volkskunde. Een Brugse metamorfose met hindernissen: 1936 tot 1973 en 1973-1982, 1989 en 2003, in: Brugs Ommeland, 59 (2019) ,2, p.80.

https://fr.wikipedia.org/wiki/Théophile_Alexandre_Steinlen

U kunt uit dit artikel citeren mits bronvermelding met de volgende referentie: Willy Dezutter, De affiche van de Brugse “Chat Noir” (1896), op willydezutter.be [online] geraadpleegd op … (datum).