Tagarchief: volksdevotie

De Brugse bisschop Felix Brenart (1720-1794) en het afschaffen van volksdevoties

In Biekorf (2017, 4) verscheen een interessante bijdrage van J. D’hondt over de beëindiging van het zegenen van paarden in 1782 in Brugge (1). Dat gebeurde op bevel van bisschop Felix Brenart. Die  volgde in 1777 Jan Robert Caimo op, die bisschop van Brugge was van 1754 tot 1775.

Brenart staat bekend als een bisschop die zich door de Verlichting liet inspireren en onmiddellijk probeerde om klaarheid te scheppen in het kluwen aan volksdevoties en processies in zijn bisdom (2). Zijn bisschopsleuze luidde: Sine Minerva Nihil (Niets zonder wetenschap). Hij greep ook in bij de binneninrichting van de kerken. Zo liet hij in 1782 de doopvont in de St. Donaas-kathedraal verplaatsen van de westelijke gevel naar een waardiger plaats. In de O.L. Vrouwekerk van Brugge liet hij schilden van edellieden en ridders wegnemen en dat leidde tot conflicten met de Brugse adel. Hier werd geraakt aan de onsterfelijkheid!

J. Geldhof noemde hem een belangrijk voorvechter van de katholieke Aufklärung (3). De bisschop stond er ongewild niet alleen voor. Op 8 april 1786 werden op bevel van keizer Jozef II alle broederschappen of confrérieën in de Oostenrijkse Nederlanden afgeschaft. De volksdevoties waren in de 18de eeuw nog zeer levendig (4). Hij verzette zich ook tegen het toneel omdat dikwijls mirakelverhalen in toneel werden omgezet en daardoor te ver afstonden van de ware christelijke leer (5). Bepaalde verlichte pastoors traden dan op als de politieagenten van de bisschop. Al in de 16de en 17de eeuw werd er door de hogere geestelijkheid opgetreden tegen het volksgeloof. Door magie te beoefenen deed men immers een beroep op de duivels. In de contrareformatorische tijd vindt men relatief veel gevallen van vervolging van bijgelovige praktijken terug in de archieven van de kerkelijke rechtbank (6). Anderzijds doet men nu nog altijd moeite om allerlei uitingen van hedendaags volksgeloof (bedevaartsoorden, processies en heiligenverering), als relicten van het rijke roomse leven, te promoten (7).

De Keersse van Atrecht

Volksdevoties die op bijgeloof berustten vonden in de ogen van mgr. Brenart geen genade. In 1785 schafte hij de hele cultus rond de “Keersse van Atrecht” in de Speelmanskapel van Brugge af. Volgens de legende waren er in de 12de eeuw twee speellieden of minstrelen in Atrecht (Arras) die ruzie hadden maar zich met elkaar verzoenden en door de hulp van de H. Maagd Maria een gunst bekwamen voor de inwoners van Atrecht. Dat had alles met een miraculeuze kaars te maken. In Atrecht heerste een vreselijke ziekte en 84 personen waren aangetast door “het helsch vyer” (hels vuur). De ziekte werd beschouwd als een straf van God. Een speelman uit Brabant kreeg een visioen waarin hem opgedragen werd om de O.L. Vrouwkerk van Atrecht te bezoeken waar om middernacht in het hoofdkoor Maria aan hem zou verschijnen, “sien daelen een vrouwe in het witte“. Ze zou een brandende kaars in de rechterhand dragen die ze hem zal overhandigen. De was van die kaars moest hij laten druppelen in kuipen vol met water. Met dat water dienden de zieken ter genezing besprenkeld te worden. Zij die er in geloofden zouden onmiddellijk genezen; de ongelovigen zouden “haestelyck” overlijden. Later is er ook sprake van dat men het water mocht drinken. Uiteindelijk genazen er “vier-mael twintich ende dry” (vert. quatre-vingts trois) en slechts één persoon met “kranek gelove” overleed.

Later gebeurden er ook nog gelijkaardige wonderen in Rijsel en in Fleurbaix (Ned: Vloerbeek, Pas -de-Calais). Het was uiteindelijk een zekere Jan van Vançoys, “ende was wachter te Sint-Pieters tot Rijssel“, die al dertien jaar zo’n wonderkaars in bezit had, die in het jaar 1300 naar Brugge verhuisde en daar de kaars schonk aan de Brugse speellieden. Die zagen er wel brood in en richtten een broederschap op van de “Keersse van Atrecht” waarvan men lid kon worden voor zes penningen parisis. Men vindt dit wonderverhaal terug in het “Kort en waerachtigh verhael van de H. Keersse van Atrecht, als oock van die te Brugge bewaert wort inde speellieden capelle” uitgegeven door drukker-boekverkoper Pieter Van Pee in 1672 (8). Het kreeg het imprimatur mee van de kerkelijk censor N. Geseken, Archidiaconus Brugensis, libr.cens.  

In 1785 zal bisschop Brenart heel die historie “apocrief en sonder schijn van waerheyt” noemen. Er was al vroeg een relatie Brugge-Atrecht met betrekking tot die kaars. In de stadsrekeningen van Brugge vinden we in 1292 de vermelding: Item istrionibus pergentibus ad Candelam Attrebatensem 7 lib. 6 s. 4 d. (9). Op 15 mei 1298 mochten ze nogmaals op bedevaart naar Atrecht en langs de stadskas passeren en dan expliciet als “histriones villae” dat door prof. J. Reynaert wordt opgevat als de speellieden van de stad (10).

De “Candela” werd in Atrecht rondgedragen in de week na Triniteits-Zondag (= zondag na Pinksteren) en het ging gepaard met grote feestelijkheden. De menestrelen waren niet alleen muzikanten (o.a. officiële trompetters) maar ook acrobaten, goochelaars, jongleurs, potsenmakers en dergelijke (11). De Bruggelingen hadden dus echt wel wat te zoeken in Atrecht en de combinatie bedevaart en kermis is altijd goed voor de “public relations”. Die Mariaverering in Atrecht, met de kaars als middelpunt, bleef bestaan tot in de 18de eeuw (12).

In Brugge droegen de speellieden hun kaars naar de O.L. Vrouwekerk op Hemelvaartsdag. De speellieden of speelmannen van Brugge worden als gilde voor het eerst vernoemd in 1292 en werden opgeheven in 1795. De kapel, zoals we die nu nog kennen, werd in 1421 opgetrokken aan het begin van de Beenhouwersstraat en gaf later haar naam aan de Speelmansrei die oorspronkelijk Poortgracht noemde (13).

Op Maria-Lichtmis, ook gewoon Lichtmis genoemd (feestdag 2 februari) werden traditioneel de kaarsen gezegend. Kaarsen hebben in het volksgeloof altijd al onheil en gevaar afgeweerd. Bij het betrekken van een nieuwe woning liet men druppels kaarsvet vallen in alle hoeken. Boeren druppelden kaarsvet van een gewijde kaars achter het oor van hun paarden en koeien. Ook het zaaigraan kreeg enkele druppels gewijd kaarsvet. In Oostkerke werd het zaaigraan gewijd op 3 november, het feest van Sint-Hubertus (14). Daar steekt een zekere logica achter want het zaaigraan vormde de basis voor het brood dat op die dag werd gewijd en waarvan mens en dier moesten eten om hen te beschermen tegen de razernij (= hondsdolheid of rabiës). Voor Sint-Kruis-Brugge en Damme vermeldt M. Cafmeyer (15) expliciet dat enkele druppels van de gewijde kaars op het zaaigraan werden gesprenkeld.  

 Het zegenen van paarden

Toen bisschop Brenart in 1782 een einde maakte aan het zegenen van paarden op het kerkhof van de St. Salvatorskerk in Brugge (16) volgde hij in feite een trend die in andere plaatsen al eerder was ingezet tegen de deelname van ruitergilden aan processies.

Het was de bisschop van Doornik, graaf Frans Ernest von Salm – Reifferscheid (Wenen 1698 – Straatsburg 1770), die al in de jaren dertig van de 18de eeuw de processies waarin ruitergilden optraden afkeurde. Hij was bisschop van Doornik van 1732 tot 1770. De parochie Zwevegem, toen ressorterend onder het bisdom Doornik, had ook haar St. Elooigilde die met vijftien ruiters deelnam aan de sacramentsprocessie. In 1737 kondigde Franciscus Van Coppenolle, pastoor van Zwevegem, het verbod op de ruiters af. Volgens A. Viaene stond hij aan de spits van de reeks kerkelijke reacties tegen de volksgebruiken die het einde van de 18de eeuw en het begin van de 19de eeuw zouden kenmerken (17). Dikwijls vonden dergelijke verboden plaats onder heftig protest van de betrokken deelnemers. Het driemaal draven met de paarden rond de kerk werd door de kerkelijke overheid als gevaarlijk beschouwd en daarenboven werd op het kerkhof de aarde omgewoeld. Er rezen dus problemen rond veiligheid en er werd schade veroorzaakt. Soms reed men met de paarden zomaar de kerk binnen (18).

De Sint-Salvatorskerk van Brugge was een centrum van verering voor St. Eligius of Elooi. Men bewaarde daar immers de relieken van Sint-Elooi in het bekende reliekschrijn in zilver van zilversmid Jan Crabbe. In 1613 werd die betaald voor het maken van het schrijn en op 28 mei 1613 plaatste bisschop Karel-Filips de Rodoan er de relieken in (19). De H. Eligius stierf op 1 december 659 (of 660) in Noyon en daar worden zijn relieken bewaard in de kathedraal van Noyon. Relikwieën waren er altijd in overvloed en bestonden ook in afgeleide vormen (20). In Brugge was er niet alleen een ruiteromgang bij St. Salvators maar ook bij de Smedenkapel. Deze Eloois- of Smedenkapel werd gebouwd in het midden van de 14de eeuw en werd gesloopt in 1962-1963 (21). De andere bekende ruiterommegangen in West-Vlaanderen waren in Beerst, Deerlijk, Harelbeke, Houtave, Ieper, Izegem, Kanegem, Kooigem, Lissewege, Moen, Ramskapelle, Rollegem, Ruddervoorde, Slijpe, Snellegem, Waarmaarde, Wingene en Zwevegem (22). Het waren allemaal St. Eloois-ommegangen. Bij de zegening van de paarden aan de Smedenkapel werd gebruik gemaakt van een St. Elooishamer met daarin een relikwie van de heilige. Eligius of Elooi is de belangrijkste geneesheilige voor veeziekten en dit vooral voor paarden.

Reliekschrijn van de H. Eligius. Zilveren schrijn door Jan Crabbe 1610-1611. Sint Salvatorskathedraal, Brugge (foto Stadsarchief, Brugge – foto J. De Meester, 1970)

Met die reliekhamer gaf de parochiepriester een zachte tik op de kop of de bek van het paard. In de iconografie wordt de H. Eligius afgebeeld met als vaste attributen de bisschopsstaf in de linkerhand en de smeehamer in de rechterhand. De Brugse St. Elooishamer moet een sterke reputatie genoten hebben. In de periode 1681-1693 wordt in Ettelgem St. Elooi gevierd met hoogmis, processie en paardenzegening. Voor het zegenen van de paarden na de ommegang werd de St. Elooishamer ontleend uit de St. Elooiskapel van de Smedenstraat. In de kerkrekeningen van Ettelgem treft men de uitgave aan van één schelling gr. “ouer haelen naar Brugghe de St. Loysamer” (23). Het is een vorm van intellectuele eerlijkheid om te beseffen dat niet iedere parochie over een authentieke relikwie kon beschikken: dan maar de echte ontlenen in Brugge. 

De tekening van Jan Beerblock

In het Prentenkabinet van de Stedelijke Musea (Brugge) wordt een tekening (afm. 36,2 x 53,5 cm) bewaard van de Brugse kunstenaar Jan Beerblock (1739-1806) met de voorstelling van de Smedenkapel te Brugge.

Tekening van de Smedenkapel door Jan Beerblock. 1796
Musea Brugge, inv.nr. 0.729.11

Deze tekening (pen in grijs, grijs gewassen en waterverf) behoort tot een reeks waarin Beerblock een bepaald gebouw of een gebouwencomplex toont. Enkele daarvan zijn gedateerd 1796 en we mogen veronderstellen dat dit ook hier de mogelijke datering insluit (24). In de inscriptie onderaan staat er o.m. “St. Eloys Kapelle bij de Smede poort 1796“. Op de voorgrond ziet men hoe een priester (de proost van het Smedenambacht) een paard zegent met de reliekhamer. De halster van het paard is versierd met een St. Elooisvaantje. De ruiter is afgestapt en houdt het paard vast bij het leidsel. Nog andere ruiters zijn in galop maar moeten eerst nog driemaal draven over een uitgestippelde route door de Smedenstraat, de Smedenvest en de Leemputstraat. Dat is duidelijk op de tekening te zien (25). Net als bij St. Salvators werd ook hier dit gebruik afgeschaft in 1782 (26), zodat we kunnen aannemen dat Beerblock een waarheidsgetrouwe reconstructie maakte van wat hij wist en zelf ooit had gezien.

De Smedenkapel door Jan Beerblock. Detail.

Minder overtuigend was de dierenzegening op 3 oktober 2010 in Knokke-Heist. Bij de paardenzegening op het Verweeplein gebruikt de priester weliswaar een mooie reliekhamer (met een relikwie van St. Elooi !) maar aangezien de paarden niet halt houden komt de hamer nooit tegen de kop van het dier terecht maar een zeldzame keer wel op het achterwerk van een kleine pony (27). De grote paarden weten te ontsnappen. Een slecht voorbeeld van een uitgevonden traditie (Eng. invented traditions). Het doet misschien wat denken aan de chaos die in 1781 ontstond bij St.Salvators. Bij dergelijke zegeningen ging het dikwijls om een paar honderd paarden waarbij de ruiters zich allemaal stonden te verdringen om met een stilstaand paard het eerst aan de beurt te komen. Ondertussen stonden er paarden te grazen op het kerkhof en was er weinig respect voor de overledenen. Het doet ook een beetje denken aan de bestorming bij de offergang tijdens de begrafenis en dat allemaal om een doodsprentje te kunnen bemachtigen. De begrafenisondernemer speelt daar nu verkeersregelaar.

Bedevaartvaantjes

De Brugse drukker Paulus Roose (+ 1732) leverde in 1717 duizend bedevaartvaantjes aan het Smedenambacht van Brugge. Van deze Sint-Elooivaantjes bleef er geen enkel bewaard. Van het bedevaartvaantje van O.L. Vrouw van Blindekens (ca. 1750) werd er slechts één bewaard dat op 10 januari 1980 door J. Geldhof (pastoor van Meetkerke) werd geschonken aan het Stedelijk Museum voor Volkskunde (28). De meest complete verzameling bedevaartvaantjes was in het bezit van de Brugse kunstschilder-verzamelaar Guillaume Michiels (1909 – 1997) (29). Hij bezat o.m. een bedevaartvaantje (afm. 15×27 cm.) van St. Salvators (met de afb. van St.Elooi die twee paarden zegent) en dat in 1974 geëxposeerd werd samen met het St. Elooisvaantje van Snellegem (30). Die twee vaantjes hebben dezelfde afmetingen maar zijn ook identiek qua iconografie. De drukker gebruikte dezelfde houtblok en veranderde enkel “Snelleghem” in “S. Salvators“. Deze commerciële truc zien we ook bij het St. Elooivaantje (18de eeuw) van Herdersem (O.-Vl.) dat een opvallende gelijkenis vertoont met het bedevaartvaantje van St. Elooi (18de eeuw) dat in Aalst verspreid werd (31). Sinds 28.6. 1994 berust de volledige verzameling bedevaartvaantjes van Guillaume Michiels in het Stedelijk Museum voor Volkskunde van Brugge (32). Over het gebruik van het vaantje bij de paardenzegeningen is Maurits Van Coppenolle heel duidelijk: “Eertijds bestond het zoo schoone en zinnebeeldige gebruik, bij de zegening der paarden, gilde- of bedevaartvaantjes uit te deelen, welke de ruiters op het kopgetuig van hun paard staken en thuis gekomen ergens in de paardenstal vastspijkerden, als een behoedmiddel tegen kwalen en onweer” (33).

De handrelikwiehouder: muilstoter of zeinsel

De handrelikwiehouder waarmee men mensen zegende had oorspronkelijk de wat prozaïsche benaming “muulstoter” omdat men de relikwie moest kussen. (muul = mond). Het woord komt als dusdanig voor in het Middelnederlands Woordenboek (34). Ook een oplichter die met valse relikwieën het platte land afliep en daarmee de mensen bedroog werd een “muulstoter” genoemd (MNW). In een inventaris uit 1407 over het zilverwerk van het O.L. Vrouwkapittel te Kortrijk is er sprake over elf verzilverde “mulstoters”. Deze inventaris, opgesteld in het Latijn, heeft het letterlijk over “Item undecim mulstoters deargentate eiusdem forme” (35). De kanunnik-secretaris van het Kapittel vond de naam onvertaalbaar, maar iedereen kende het woord. Michiel English (1885-1962), R.K. priester en historicus, vond in zijn artikel over de volksheilige Sint-Markoen (36) die benaming te oneerbiedig en spreekt daarom over het zilveren “Markoen-zeinsel” in de O.L. Vrouwkerk van Kortrijk. Ook de R.K. priester en zilverkenner Caesar Denorme (1902-1981) (37) spreekt over twee zeinsels (S. Franciscus Xaverius en S. Aloysius) in de St. Michielskerk van Kortrijk en het zeinsel van de H. Anna in de St. Maartenskerk (Kortrijk) (38). L.L. De Bo, in zijn bekend Westvlaamsch Idioticon (39) noemt een zeinsel een “relikwiekastje waarmee men zeint“. Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) is zeinen = zegenen (W. Vl. en O. VL.) Men geeft , net als De Bo, “reliquiekastje waarmee men zegent“. Het was met zo’n zeinsel van St. Elooi dat de pastoor van St. Salvators elk paard individueel , begeleid door zijn baasje, moest trachten te zegenen.

Besluit

De zegening van de paarden aan St. Salvators gebeurde, volgens de kerkrekening, voor het eerst in 1558 (40). Dat gebeurde, net als voor de laatste keer (1781) op 1 december, de koude St. Elooi (de warme St. Elooi was op 25 juni). Op 1 december had in St. Salvators het grote St. Elooisfeest plaats dat begon met een processie met het reliekschrijn (de fierter= Lat. feretrum) en een hoogmis. Na de hoogmis was er zegening met de relikwieën waarbij de priesters geassisteerd werden door de kerkmeesters (de kercmeesters helpen zeynen). De kerkmeesters en de leden van de broederschap (“de ghezellen“) sloten af met een maaltijd vóór het altaar van St. Elooi. Pas daarna vond de paardenzegening plaats. Het mishoren op zo’n belangrijke feestdag was een plicht dus kan men zich voorstellen wat dat moet geweest zijn: de gelovigen eerst allemaal naar de hoogmis en dan op zoek naar zijn paard die wellicht stond te grazen op het kerkhof ? De baas naar de mis en de paardenknecht ? Reden genoeg om te veronderstellen dat het er hectisch aan toeging en dat de kerkelijke overheid dat in goede banen wilde leiden.

In 1802 verloor het bisdom Brugge zijn autonomie (Concordaat 1802) en benoemde Eerste Consul Bonaparte citoyen Etienne Fallot de Beaumont (1750- 1835) als bisschop van Gent waarin Brugge en Ieper werden opgenomen. Zijn episcopaat duurde van 1802 tot 1807. Met betrekking tot de volksdevoties zette hij het beleid van bischop F. Brenart verder. De oude broederschappen, processies en bedevaarten werden gezuiverd van wat men als volkse uitwassen beschouwde. Het waren de pastoors die dat in handen moesten nemen (41). De zekerheid van het geloof bleef maar het reform-katholicisme zette zijn eerste voorzichtige stappen. Het Concordaat van 15 juli 1801, afgesloten tussen paus Pius VII en Napoleon Bonaparte trad in werking op 18 april 1802. Het was een vorm van verzoening met voor- en tegenstanders. Het echte aggiornamento of vernieuwing van de rooms-katholieke kerk kwam er pas met het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). Het echte afscheid van de bovennatuur is nog in volle post-conciliaire ontwikkeling.

Willy Dezutter

1 J. D’hondt, Het stopzetten van het zegenen van paarden in Brugge in 1782, in: Biekorf, 117 (2017), p. 496-497.

2 Y. Van den Berghe, Felix Brenart (bisschop 1777-1794), in: M. Cloet (red.), Het bisdom Brugge (1559-1984), Brugge, 1984, p. 201-205.

3. J. Geldhof, Brugse adel in verzet tegen de liturgische vernieuwing van bisschop Brenart, in: Biekorf, 73, (1972), p. 193-198.

4 M. Therry , Volksdevoties in de 18de eeuw, in: M. Cloet (red.), Het bisdom Brugge, p. 235-244.

5 J. Huyghebaert , Toneelspelende jeugd in Vlaanderen op het einde van het Ancien Régime, in: Biekorf, 96 (1996), p. 13-30, vooral p. 26.

6 M. Gielis , Magie en religie in het oude hertogdom Brabant. Een verkennend onderzoek naar de heksenwaan en de waan der historici, in: Taxandria, N.R. 66 (1994), pp. 5-110.

7 F. Tervoort , Ziel en zaligheid. Volksgeloof in Nederland en Vlaanderen. Tielt, Lannoo, 2007.

8 Kort en waerachtig verhael van de H. Keersse van Atrecht, als oock van die te Brugge bewaert wort inde speellieden capelle, ende gemaecht is van dry druppels der voorseyde keersse door byzonder Mirakel van Godt vermenighvuldight. Te Brugghe, by Pieter Van Pee, Boeck-vercooper woonende inde Breydel-straet MDCLXXII (1672). Pieter I Van Pee was op het adres Breidelstraat “In de Naam Jezus” als gezworen drukker en boekverkoper actief van 1672-1681 en van 1681-1690 Philipstockstraat/Mallebergplaats. Er worden 34 titels van hem gerepertorieerd op de website van STCV Bibliografie van het handgemaakte boek. Een ex. van het “Kort Verhael H. Keersse van Atrecht” is aanwezig in de Stadsbibliotheek van Brugge. Wij gebruikten D. Van de Casteele, Préludes historiques sur la ghilde des ménéstrels de Bruges, suivis de la légende d’une sainte chandelle confiée a sa garde, in: Annales de la Société d’Emulation, 20, (1868), p. 53-90 en het “Kort Verhael” in de annexe E p. 123-142.

9 C. Wijffels, De rekeningen van de stad Brugge (1280-1319), deel 1, Brussel, 1965, p. 342.

10 J. Reynaert, Literatuur in de Stad ? Op zoek naar een voorgeschiedenis van het Gruuthuse-liedboek, in: F.P. van Oostrom en F. Willaert (red.), De studie van de Middelnederlandse letterkunde: stand en toekomst. (Symposium Antwerpen, 1988), Hilversum, Verloren, 1989,p.93-108, vooral p. 98-99. 

11 R. Strohm, Music in Late Medieval Bruges. Oxford, 1985 en P. Andriessen, Die van Muziken gheerne horen. Muziek in Brugge 1200-1800. Brugge, 2002.

12 R. Berger, Littérature et société arrageoises au XIII siècle. Les chansons et dits artésiens. Arras, 1981, p. 116. J. Reynaert, op.cit. p. 98.

13 W.P. Dezutter, De site Speelmanskapel-Sleutelbrug. In: Brugs Ommeland, 50 (2010), p. 209-211.

14 R. De Keyser, Kerkelijke gebruiken te Oostkerke. In: Rond de Poldertorens, 1997, p. 94-99.

15 M. Cafmeyer, Wijding van het zaaigraan, in: Biekorf, 57 (1956), p. 245-246.

16 Zie J. D’hondt voetnoot 1 en sedert 10.1.2018 ook op www.tijdschriftbiekorf.be

17 E. N[eylants] (= A. Viaene), Een ruitergilde van St.-Elooi in het gedrang. Zwevegem 1737, in: Biekorf, 55 (1954), p. 196-198 en M. Van Coppenolle, Sint Elooi in het volksleven. Antwerpen, 1944, p. 35-45.

18 De beste historische studie is nog altijd die van J. Pieters, Bedevaartvaantjes en Paardenommegangen. In: Ars Folklorica Belgica, deel II, Antwerpen, 1956, pp. 225-264. Hij telde in Oost-Vlaanderen 42 van dergelijke paardenommegangen.

19 L. Devliegher, De Sint-Salvatorskathedraal te Brugge. Inventaris. Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, deel 8, Tielt-Amsterdam, 1979, p. 231. Meer precisering over de plaatsing van de relieken bij D. Marechal, Meesterwerken van de Brugse Edelsmeedkunst, Brugge, 1993, p. 66-67.

20 M. Strydonck, A. Ervynck, e.a., Relieken. Echt of vals ? Davidsfonds, Leuven, 2006.

21 S. Gilté, A. Vanwalleghem en P. Van Vlaenderen, Inventaris van het cultuurbezit in België. Architectuur. Stad Brugge. Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen. 18nb,Zuid. Brussel-Turnhout, 2004,p. 441-443.

22 J. Pieters, op.cit. en A. Viaene, Ruitersommegangen en Paardenzegeningen, in: Biekorf, 57 (1956), p. 347.

23 J. De Smet, Kerkelijke gebruiken en toestanden in het Brugse Vrije 1500-1780, in: Biekorf, 61 (1960), p. 139.

24 C. Van de Velde, Stedelijke Musea Brugge. Steinmetzkabinet. Catalogus van de tekeningen. Stad Brugge, deel 1, 1984, p. 23 nr. 0729.

25 J.A. Van Houtte, De geschiedenis van Brugge. Tielt-Bussum, 1982, p. 148,afb.44 en nu ook op balat.kikirpa.be 

26 G. Michiels, Iconografie der Stad Brugge. Brugge, 1968, deel III, p. 61-62 nr. 1114.

27 Dierenzegening Knokke-Heist 3.10.2010 op www.youtube.com

28 W.P. Dezutter, Het bedevaartvaantje van O.L. Vrouw van Blindekens (Brugge ca. 1750), in: Biekorf, 80 (1980), p. 192-193.

29 W.P. Dezutter, In memoriam Guillaume Michiels, in: Biekorf, 97 (1997), p. 294.

30 G. Michiels (red.), Catalogus Beeld, Boek en Spel in de Volkskunde. Brugge, 1974, p.72, nr. 239 (St. Salvator) en p. 85, nr. 300 (Snellegem) en M. Van Coppenolle, Westvlaamsche bedevaartvaantjes. Brugge, 1942, p. 18 (St. Salvators) en p. 63 (Snellegem).                

31 W.P. Dezutter, Twee drukblokken van Oostvlaamse bedevaartvaantjes. In: W.P. Dezutter en R. Van de Walle (red.), Volkskunde in Vlaanderen. Huldeboek Renaat van der Linden. Brugge, 1984, p. 49-51.

32 W.P. Dezutter, Het fonds Guillaume Michiels. In: Jaarboek 1993-94 van de Stedelijke Musea, Brugge, 1995, deel 1, p. 53-65, p. 60 bedevaartvaantjes.

33 M. Van Coppenolle, Sint Elooi in het Volksleven. Antwerpen, 1944, p. 44-47 en J. Philippen, De oude Vlaamse bedevaartvaantjes. Diest, 1968, afbeelding op p. 14.

34 Middelnederlands Woordenboek (MNW) op gtb.inl.nl

35 E. N[eylants], (=A. Viaene), Muilstoters en braadvarkens in de Kerkschat van O.-L.-Vrouwkapittel te Kortrijk. 1407., in: Biekorf, 59 (1958), p. 287. De braadvarkens (braedverkins) waren twee zware koorkappen van de koorheren.

36 M. English, Sint Markoen in West-Vlaanderen, in: Biekorf, 59, (1958), p. 10 en afb. p. 11.

37 W.P. Dezutter, In memoriam Caesar Denorme, in: Biekorf, 81 (1981), p. 385.

38 C. Denorme, De Westvlaamse zilversmidsgilden op de tentoonstelling te Kortrijk, in: Biekorf, 54 (1955), p. 205-207.

39 L.L. De Bo, Westvlaamsch Idioticon, Brugge, 1870-1873, heruitgave J. Samyn, 1890-1892 (en facsimile in 2 dln, 1970).

40 K. Verschelde, De Kathedrale van S. Salvator te Brugge. Brugge, Edw. Gailliard, 1863, p. 270.

41 L. Perneel, Etienne Fallot de Beaumont, in: M. Cloet (red.), Het bisdom Brugge (1559-1984), 1984, p. 305.

Dit artikel verscheen in het tijdschrift Brugs Ommeland, 2020, 4, p. 255-266.

Tijdreis

Een hedendaags verhaal over oude dingen.

Het begon in Hellas

Er bleven klassiek Griekse geschriften bewaard uit de periode 750 voor onze tijdrekening (v.o.t.) tot 1000 jaar erna, waarin vrijwel de gehele draagwijdte van het menselijk denken en de kennis besloten ligt.  Alleen in de natuurwetenschap en astronomie is sindsdien de kennis sterk blijven toenemen.  De wet van Archimedes (287-212 v.o.t.) over de zwaartekracht bleef overeind maar Isaac Newton werd de vader van de klassieke fysica in de 17de eeuw.  De  opwaartse kracht van Archimedes wordt nu toegepast om onderzeeboten en ballonnen te laten opstijgen en te dalen.  Het hoofdwerk van Newton de “Philosophiae Naturalis Principia Mathematica” verscheen in 1687.  Albert Einstein (1879-1955) stond met zijn relativiteitstheorieën (1905 en 1915) op de schouders van Newton.

Griekse filosofen, Griekse natuurwaarnemers, Griekse historici en schrijvers hebben in een of andere vorm bijna alle variëteiten van intellectuele of emotionele ervaring tot uitdrukking gebracht en die gedachten werden overal in het Westen opgepikt.

In de literatuur waagden de Grieken zich aan elk genre dat wij ook kennen, op het laatst ook aan iets dat onze roman wel heel dicht benadert.  In het bijzonder op het gebied van de epische, lyrische en dramatische dichtkunst en op dat van de geschiedenis bereikten zij een hoogte die sindsdien nooit werd overtroffen, volgens sommigen zelfs niet geëvenaard.

Wijsgerig stelden hun scholen al de grote levensvragen aan de orde en gaven er antwoorden op. Dat handelt over het zijn en worden, het ene en het vele, lichaam en ziel, geest en stof.

Onder die Griekse filosofen bevonden zich idealisten, materialisten, rationalisten, monisten, sceptici, cynici, aanhangers van het relativisme en absolutisten.

De antieke schilderkunst van de Grieken bleef niet bewaard.  De ineenstorting van de Grieks–Romeinse wereld was zo ingrijpend dat men zich kennelijk niet meer kon bekommeren om dit erfgoed.  De beeldhouwkunst en de architectuur, vervaardigd uit bijzonder solide materiaal, hebben wel de eeuwen getrotseerd.

Wat de natuurwetenschap betreft, hebben de Grieken voor een groot deel voortgebouwd op vroegere prestaties uit Egypte en Mesopotamië.  Zo wisten zij de theoretische kant van de mathematica en astronomie tot hoge ontwikkeling te brengen en bereikten zij ook behoorlijke resultaten op het gebied van de natuurkunde en de geneeskunde.  De Romeinen op hun beurt steunden dan weer op de prestaties van de Grieken en brachten vooral de techniek op een hoog peil.  Op politiek en economisch vlak vertoonde de Griekse cultuur reeds rijke schakeringen zodat we ronduit kunnen stellen dat we hier te doen hebben met hoog beschaafd volk.

De faam van deze klassieke beschaving was dan ook zo groot, dat rond 1700 vele schrijvers en denkers in Frankrijk en Engeland zich gingen afvragen of zijzelf in staat zouden zijn die oude Grieken en Romeinen als schrijvers, kunstenaars en geleerden, te benaderen.

In de 21ste eeuw deelt men die zorg niet meer.  De belangstelling voor de oude talen Grieks en Latijn is volledig naar de achtergrond verdrongen door het succes van de vluchtige consumptie.  Snelle communicatie via internet en allerhande vormen van draadloze telefonie staan nu centraal.  De Grieken vormden een klassieke beschaving zonder pc, tablet, email, gsm, iphone en het gebruik van sociale netwerken zoals Facebook en Twitter.  Ze hadden uiteraard ook geen auto’s en vliegtuigen en ruimteschepen en al evenmin televisies in HD en 3D.  Ze kregen, te pas en te onpas, ook geen gratis dvd’s.  Griekse vrouwen kregen ook geen ladders in nylonkousen zelfs al wisten ze toen nog niet dat het hier een geval betrof van geplande slijtage in de economie.  Zeg maar georganiseerde misdaad, zoals met de ingebouwde chip in je printer die het apparaat laat crashen wanneer de teller het door de fabrikant beoogde aantal afdrukken heeft bereikt.  Over hun manier van oorlogvoeren zwijgen we tegen beter weten in (we schrijven geen “histoire des batailles”) maar de wrede Peloponnesische oorlog onvermeld laten zou dan weer geschiedvervalsing zijn.  Dit is geen pleidooi tegen vernieuwing maar valt buiten het domein van de geschiedfilosoof.  Het Latijns adagium “Omnia mutantur, nos et mutamur in illis” is ons bekend.  Alles verandert en wij veranderen mee.  Voor elk probleem is er een oplossing en iedere oplossing stelt weer een nieuw probleem.  Psychologen, sociologen en trendwatchers hebben hier ook recht van spreken.  Niet zeuren maar twitteren, bloggen, chatten, mailen en surfen.  Online met Socrates.  Het digitale tijdperk van nu zal later als even belangrijk ingeschat worden als de worsteling van de oude Grieken met hun zoektocht naar de zin van het bestaan.

Er zijn nu al 7 miljard klanten en tegen 2040 zullen er dat 9 miljard zijn.  Nadenken over, maar vooral het treffen van maatregelen voor geboorteplanning is wellicht ook het overwegen waard.

Zonnepanelen

De komende jaren zullen heel wat defecte, versleten en verouderde zonnepanelen afgedankt worden.  Die zonnepanelen bevatten giftige stoffen, zoals cadmium en lood, en het is dan ook dringend nodig dat die stoffen niet in het milieu terechtkomen.  Er bestaat nog altijd geen aanvaardingsplicht op de containerparken (“de milieustraat”), zodat ze meestal aan de fractie grofvuil toegevoegd worden.  Er bestaat ook geen recyclagemogelijkheid voor afgedankte zonnepanelen.  Enerzijds zorgen zonnepanelen dus voor alternatieve en schone energie maar anderzijds schept het ook nieuwe problemen.  En dan denken we hier aan het reinigen van zonnepanelen, maar ook aan de visuele vervuiling te vergelijken met het woud aan tv-antennes dat stand hield tot aan de komst van de kabeltelevisie.  De thermische zonne-energie draagt bij tot de vermindering van de uitstoot van CO2.  Dat is niet onbelangrijk in de strijd tegen de klimaatopwarming.  De Griekse zonnegod Helios, die alziend en alwetend is, kan misschien de oplossing brengen.  ’s Morgens steeg hij in het Oosten met zijn vierspan op uit de Oceanus, volbracht zijn baan langs de hemelkoepel en dook ’s avonds in het Westen weer in de Oceanus neer.  Helios mag dan ook eens kijken naar de visuele vervuiling van onoordeelkundig ingeplante windmolenparken en we verwachten uiteraard zijn filmpje op YouTube, de grootste wereldwijde community voor het delen van video’s.

Multicultureel en assimilatie

En toch zullen de verworvenheden van de Griekse cultuur een wezenlijk bestanddeel van de onze blijven uitmaken.  Het oude Hellas is er zonder dat we het nog beseffen.

Ons “Oedipus-complex”, narcisme, allerlei fobieën en manieën komen wel degelijk uit Griekse bronnen.  De aan de Griekse en Romeinse mythologie ontleende zegswijzen zijn legio.  Het vergt een titanenstrijd om de Olympus te bestormen om Zeus te trachtten onttronen.  De mythologie van de Grieken is inderdaad een onuitputtelijk rijke schatkamer.  In vergelijking daarmee zijn de Noorse en Keltische mythologie schraal te noemen wanneer het gaat over de uitbeelding van de menselijke natuur.  Tacitus noemt in zijn “Germania” als voornaamste goden Mercurius(= Wodan), Mars (= Tiu) en Hercules (= Thor).  Tussen Tacitus en de gegevens uit de “Edda” (Scandinavisch) ligt duizend jaar.  De vergelijkingen met de Griekse sagen zijn beperkt.  Het pantheon van de Germaanse en Noordse goden is vrij complex.  Het vergt een studie apart.  Het Noorden is trouwens maar rond het jaar 1000 gekerstend.  Het lijkt ons eerder een voordeel dan een nadeel te zijn.  Zweden, Noorwegen en Denemarken spannen in de boekenwereld nu de kroon met het genre van de thrillers.

Het Grieks-Romeinse cultuurexperiment, maar ook latere Arabische invloeden, liggen aan de basis van onze zelfkennis.  We kunnen er ook niet omheen te constateren dat in die Grieks-Romeinse periode het christendom ontstaan is.  Dat had zijn wortels in het jodendom maar kwam organisatorisch tot bloei in de Romeinse tijd.  Op deze vroege vorm van wat men tegenwoordig gedoogsteun noemt komen we nog terug.

Over het prehistorische Griekenland zullen we niet lang uitweiden.  De Griekssprekende volksstammen kwamen vanuit het bekken van de Donau naar het zuiden.  In de prehistorie kende Griekenland in de bronstijd drie verschillende beschavingen, namelijk de Cycladische, de Minoïsche (Kreta) en de Myceense beschaving.  De Cycladencultuur (3200-1600 v.o.t.) ontwikkelde zich rond de eilanden van de Egeïsche zee tot een eigen cultuur.  Kenmerkend uit die periode zijn de langgerekte moedergodin beeldjes.  In Athene werd er een eigen museum aan geweid.  De Menoïsche beschaving (200-1200 v.o.t.) situeert zich vooral op Kreta (cfr. Knossos).  De Myceense cultuur begint rond 1200 en duurt tot 750 v.o.t.  Over deze donkere periode is minder bekend.  In opeenvolgende golven, de laatste was in de Dorische periode, kwam deze migratie vlak voor de historische tijd tot stilstand.  In 1000 v.o.t. stroomden deze Grieken of Hellenen, zoals zij zichzelf noemden, over een oudere inheemse cultuur heen, die die we reeds vermelden als de Minoïsche tijd.  Een cultuurvermenging van Minoërs en Hellenen was het gevolg.

De Minoërs bezaten een hoogstaande beschaving, zoals wij kunnen nagaan aan de hand van hun architectuur en sculptuur op Kreta.  Omstreeks de achtste eeuw v.o.t. duiken de Grieken op in onze geschiedenis als handelaren en vechters, maar ook reeds als denkers en kunstenaars.

Hun organisatie vond haar uitdrukking in de meest beroemde Griekse instelling, de zogenaamde “polis”, de soevereine stadstaat met zelfbestuur.  Deze “polis” vormde de bakermat van de klassieke Griekse beschaving.  Met het omliggend grondgebied, Attica, bezat Athene in de vijfde eeuw, de glorietijd, een bevolking van hooguit 200.000 burgers, de omvang van een middelgrote moderne stad.  Ter vergelijking.  De kosmopolitische metropool Athene telt vandaag officieel ca. 4 miljoen inwoners terwijl het aantal werkelijke inwoners 5 miljoen zou bedragen.  De helft van de tien miljoen Grieken woont dus in Athene.  Terwijl het daar in de zomer 40 graden warm is staan overal de airco’s aan.  Die te hoge verstedelijkingsgraad is nefast voor een gezonde economie, maar dat wil maar niet doordringen, zoals bleek uit de eurocrisis in 2011.  Op het platteland kweekt men geen tomaten, neen die worden vanuit het buitenland ingevoerd. Denk daar aan bij je bordje fetakaas met tomaten en je moussaka (lamsgehakt met aubergine en tomaat).  Wie zou er zich trouwens niet graag spiegelen aan een scheepsmagnaat met de mooie naam Aristoteles Socrates Onassis (1906-1975), “The Richest Man in the World ?”.  In 1950 waren we met 3 miljard mensen op aarde en tegen 2040 zullen er al 9 miljard zijn.  En dat terwijl het tot 1800 duurde vooraleer er één miljard mensen op aarde rondliepen.

De tien eeuwen klassieke beschaving in het Middellandse Zeegebied vormen de basis van het modern wetenschappelijk denken.

Nu waren de Grieken zeker niet het eerste volk dat tot wetenschappelijk denken kwam.  Egyptische landmeters en Chaldeeuwse astronomen maakten reeds gebruik van de wiskunde en van het wetenschappelijk denken.  Maar het waren de Grieken die begonnen na te denken over het totaal pakket van de menselijke ervaring en over de vraag hoe een mens zich behoort te gedragen.  Men zou kunnen zeggen dat thans ieder mens op zijn manier tracht te doen wat de Grieken deden op grond van hun nadenken: hun houding bepalen ten opzichte van de vreemde, vaak vijandige wereld buiten hen.  Die buitenwereld gaat zijn eigen gang en kan afwijken van de eigen leefwereld.  Het magische denken stond in de plaats van het rationeel benaderen van de werkelijkheid.  We kunnen dat inzicht illustreren door een voorbeeld.

Bliksemschichten

De primitieve voorouders van de Grieken hoorden de donder en zagen de bliksemschichten maar werden daardoor verschrikt.  Zij dachten daarbij aan levende wezens.  Zo kwamen zij er ten slotte toe te geloven, dat een zeer machtig wezen, waaraan zij de naam Zeus gaven, zijn geweldige bliksemschichten door de lucht slingerde en daardoor al dat lawaai veroorzaakte.  Zo dachten ze ook dat hij die bliksemschichten naar andere goden wierp uit boosheid maar in het ergste geval kon hij eveneens een mens dodelijk treffen.  De eenvoudige van geest was overtuigd of hoopte dat hij niet getroffen werd indien hij voldoende respect voor god Zeus aan de dag legde.  Nog in de glorietijd van de Atheense beschaving geloofden de eenvoudige burgers in Zeus en zijn bliksemschichten.

De oude Griek zocht wel voor alles een verklaring.  Hij verklaarde bijna alles door het toe te schrijven aan het optreden van goden of geesten, nimfen of reuzen, een soort supermensen, die hij de naam “heros” gaf.  Dat magisch denken maakte op een gegeven moment plaats voor het logisch denken en daarbij kwam men tot het inzicht dat er heel wat gebeurde dat niet zonder meer aan de invloed van de goden kon toegeschreven worden.  Zo kwamen zij bijvoorbeeld tot de overtuiging dat het weer zichzelf maakte.  Van elektriciteit wisten zij onvoldoende, in elk geval niet genoeg om de eenvoudige gevallen van magnetisme, die zij hadden waargenomen, in verband te brengen met de machtige donder en bliksem.  Maar evenals wij geloofden ook zij dat onweer een natuurverschijnsel was, iets dat open staat voor een redelijke en wetenschappelijke verklaring.

Het magisch religieuze wereldbeeld 

Veel Europeanen leefden in dit wereldbeeld tot ver in de 20ste eeuw.  In veel Afrikaanse culturen is dat nu nog het geval.  Uit pure wanhoop zou men inderdaad geneigd zijn om te bidden voor regen.  Maar in Amerika geloven er nu nog mensen dat bidden helpt om de tornado’s tegen te houden !  In dat land kan men trouwens een godsdienstwaanzinnige zijn en toch een gerespecteerd kerngeleerde worden.  Maar ook bij ons sluit het volksgeloof (denk aan allerhande devotionalia in kerken en kapellen) meer aan bij de menselijke gevoelswereld dan denkwereld, meer bij het irrationele dan het rationele handelen.  De volksdevotie, met middelen zoals onttoveren en betoveren, behoort tot de animistische leefwereld.  Het “magisch-religieuze wereldbeeld” onderscheidt zich, volgens de Duitse cultuursocioloog Max Weber (1864-1920), van het “natuurwetenschappelijk-mathematisch wereldbeeld” door drie belangrijke kenmerken.

1.  De idee van een grote innerlijke verbondenheid van de mens met alles wat hij rond zich in de natuur aantreft.  De grond, de bomen, de planten, de zon, de maan, de sterren, de zee, enz., zijn sterk met de mens verbonden in één kosmisch geheel en zouden op elkaar een wisselwerking uitoefenen.

2.  Verder is er een zeer sterk ordebewustzijn aanwezig.  Niets of bijna niets is in dit wereldbeeld toeval.  Alles heeft een verklaring, zelfs het ogenschijnlijk meest onbegrijpelijke voorval.  Voor ziekte, veepest, impotentie, krankzinnigheid, het vergaan van een schip bestaat een oorzaak zo niet van natuurlijke dan toch van bovennatuurlijke aard.

3.  In dit wereldbeeld ontbreekt vrijwel elk abstract denken.  Natuur en bovennatuur liggen in hetzelfde vlak.  Heiligen en duivels hebben een reële gestalte, een ziekte of ziektesymptomen wordt een eigen wezen toegekend.

Aristophanes

Het conflict tussen de oude bovennatuurlijke verklaring en de nieuwere natuurlijke, vond zijn uitbeelding in een stuk van Aristophanes “De Wolken” dat in 423 v.o.t. voor het eerst werd opgevoerd.  Ondanks het burlesk gehalte van dit blijspel, waarin de schrijver het wetenschappelijk probleem aankaart, kan men er uit opmaken dat sommige Atheners de theorie aanhingen dat de wind zich beweegt van hoge drukgebieden naar lage drukgebieden.  Aristophanes deed alsof hij diep geschokt was over dat nieuwe idee om de toeschouwers uit het volk naar de mond te praten.  Hij verdedigde de oude theorie dat het Zeus was die de wind blies waar die heen wilde.  Toch merken we hier dat men pogingen deed om het weer te begrijpen.  Nu kijken we tweemaal per dag naar het weerbericht op televisie om te weten of ’s anderendaags de zon zal schijnen; om niettemin dikwijls bedrogen uit te komen.  Het was de start van een objectieve denkwijze die we nog verder zullen onderzoeken, maar eerst geven we een weergave van de bekende Griekse sage over Prometheus.  Hij stal het vuur, dat Zeus de mensen ontnomen had en gaf het weer terug aan de mensen.  Hij was ook de grote voorvechter en beschermer van de mensen tegen de goden.  De mythe van de Titaan Prometheus is een oerbeeld van het menselijk bestaan.

Prometheus

“Aldus was de wereld geschapen.  Hemel en aarde vormden daarin een deugdelijk gebouw en aan de zee waren haar oevers toegewezen.  Lustig krioelend bevolkte allerlei gedierte het aardrijk; in de golven speelden de vissen, in het luchtruim de vogels en met gezwinde tred bewogen dieren van allerlei soort zich over de aardbodem.  Maar nog ontbrak het schepsel dat geroepen was met zijn geest de wijde wereld te beheersen.

Toen kwam Prometheus op aarde.

Hij was een kleinzoon van Oeranos (Uranus), de hemelgod en zoon van de Titaan Japetos, wiens geslacht destijds door Zeus was onttroond en in de Tartaros verbannen.  Prometheus, die het vindingrijke verstand van zijn vader had geërfd, was bekend met het goddelijke zaad dat in de aardbodem sluimert.  Van het leem, dat hij daaruit nam, vormde hij naar het evenbeeld van de goden een gestalte.  Goede doch ook slechte eigenschappen sloot hij de inborst ervan in, zoals hij die had ontleend aan de zielen van al wat er leeft op aarde en daaruit vormde hij de menselijke ziel.  De godin Pallas Athene, zijn hemelse vriendin, die zijn werk met bewondering gadesloeg, blies de bezielde klomp aarde haar adem in en schonk aan de mens daarmee de geest.

Aldus ontstonden de eerste mensen.

Al spoedig bevolkten ontelbaar velen van hen het rond der aarde.  Doch wat voor nut hadden zij van hun heerlijke lichaamsbouw en van de goddelijke vonk daarin, wanneer zij het rechte gebruik van de hemelse gaven niet kenden.  Zij leefden maar voort zoals in een droom, want noch van het gehoor, noch van het gezicht wisten zij zich te bedienen.  Wat zij deden had geen bedoeling, want zij hadden geen vermoeden van het verloop van de sterren, of van de jaargetijden, noch van de kunst van het huizenbouwen.  En wat wisten zij af van de zegenrijke macht van het vuur ?

Toen werd Prometheus de leermeester van zijn schepselen: hij leerde hun het rechte gebruik van alle gaven van de goden, hij leerde hen zien en horen, naar de loop der hemellichamen de dag in te delen en de gang van het jaar te beleven in de eeuwig wisselende schoonheid van de seizoenen.  Nu leerden zij zich de dieren als helpers dienstbaar te maken en met schepen de zee te bevaren.  Zij kregen ervaring in het vormen van stenen en tegels, in het behouwen van hout en zij bouwden stevige huizen.  Slechts één ding ontbrak de mensen nog: het vuur.

De goden, als eerste de machtige Zeus, hadden van de mensen verering en onderwerping aan hun heerschappij geëist in ruil voor de bescherming die zij de kinderen der aarde wilden geven.  De mensen waren tot deze dienst bereid en zij vaardigden Prometheus af om met de goden te onderhandelen.  Maar in dwaze vermetelheid trachtte hij Zeus zelf, de alwetende, te bedriegen, en zo kwam het dat de wereldheerser de goddelijke gave van het vuur aan de mensen onthield.  De sluwe Titanenzoon echter wist ook hierin een uitweg te vinden.  Met een licht ontbrandbare holle rietstengel kwam hij naderbij toen de wagen van de zonnegod Helios voorbij reed, liet de halm eraan ontvlammen en ijlde met deze fakkel naar de aarde om de mensen het vuur te brengen.  Aan alle kanten vlamden de houtstapels op.  Nu bezat de mens de weldoende, zegenrijke kracht van het vuur.

Met spijt echter zag de wereldheerser Zeus, hoe het menselijk geslacht met zulk een gave was toegerust.  Onmiddellijk zond hij de mensen een hevig kwaad om hun macht te beperken.  Hij bracht tot hen een beeldschone jonge vrouw, die Hephaistos, de god van het vuur en de smeedkunst, had geschapen en aan wie alle goden een onheilbrengende gave hadden meegegeven.  Pandora, draagster van alle gaven, heette zij.  Zij verscheen te midden van de argeloze mensen en vond alom bewondering.  Geen kwaad vermoedend aanvaardde Epimetheus, ondanks de waarschuwing van zijn broer Prometheus, haar geschenk, een fraaie doos.  Doch hoe zwaar zou de goedgelovigheid zich aan heel de mensheid wreken.  Want nauwelijks was het deksel van Pandora’s doos geopend of allerhande ziektes, rampen en smarten vlogen eruit en verspreidden bliksemsnel onder de mensen over heel het rond der aarde, terwijl zij tot nu toe vrij van moeiten en ziekten hadden geleefd.  Aldus strafte Zeus de roof van Prometheus.  Eén enkele goede gave was in de doos verborgen: de hoop.

Maar voordat zij kon ontkomen sloeg de slechte boodschapper van de goden het deksel dicht en hield ze voor altijd gesloten.  De kwellingen van ziekte en ellende verschenen echter in allerlei gedaanten voor de mensen.  Zeus had hun geen stem verleend en daarom naderden zij steeds heimelijk en zwijgend.  De weerloze mensen werden door koortsen overvallen en de dood kreeg een rijke oogst.

En nog was deze straf niet voldoende.

Met volle toorn zag Zeus op Prometheus neer.  Ook hem zelf moest de bliksem van zijn wraak treffen.  Zonder medelijden liet hij hem door zijn dienaren naar de eenzaamste wildernis van de Kaukasus sleuren en door Hephaistos met onbreekbare ketenen vastklinken aan een rots boven een huiveringwekkende afgrond.  Daar hing hij dan, de kleinzoon der goden, in rechtstaande houding, zonder ooit de wankelende knieën te kunnen buigen of slaap te vinden voor de vermoeide ogen.  Spijs en drank werden de ongelukkige onthouden, in plaats daarvan vrat een arend dagelijks zijn lever weg, die echter voortdurend aangroeide.

Vele eeuwen lang moest de verdoemde deze kwelling ondergaan.  Tevergeefs riep hij tot de wind en de wolken, de zon en de stromen om van zijn smart te getuigen.  Zeus bleef meedogenloos, onverbiddelijk.  Eerst toen de held Heracles op zijn weg daarlangs kwam, zou een einde komen aan het gruwelijke lijden.  De geweldige held, die op zoek was naar de appelen der Hesperiden, werd door een onbedwingbaar medelijden bewogen met het lot van de Titanenzoon; hij schoot de arend en bevrijdde de gevangene uit zijn gruwzame foltering”.

Parallellen en doorwerking

De eerst bekende opgetekende Griekse verhalen over het ontstaan van hemel en aarde komen voor in de 8ste eeuw v.o.t. en zijn geschreven door Hesiodos, na Homeros de oudst bekende Griekse dichter.  Zijn “Theogonia” bevat 1022 verzen.  De Griekse mythen en sagen zijn verzameld en doorgegeven door Homeros, die leefde in de 8ste of 9de eeuw v.o.t.  Zijn bekendste werken zijn de Ilias en de Odyssee.  De Griekse mythen domineren vrijwel alle literatuur uit de oudheid.  Er bestaan ook Griekse zondvloedverhalen die zeer nauw aansluiten bij wat we weten uit het zondvloedverhaal in het Oude Testament.

Bekend is het verhaal van Deucalion en Pyrrha.  Deucalion was de zoon van Prometheus en was getrouwd met Pyrrha, de dochter van Epimetheus en Pandora.  Prometheus raadde Deucalion aan om een schip te bouwen en daardoor overleefden alleen zij de vloed.  Het was Zeus die in zijn toorn over de verwildering van de mensen besloot hen te vernietigen door een grote zondvloed.

De god van de joodse bijbel (het christelijke Oude Testament) is al evenzeer een god van toorn en woede.  Bovendien is hij wreed en wraakzuchtig.  Hij gebood de Israëlieten niet alleen om het Beloofde Land in te nemen maar hij liet ook alle volkeren uitroeien, jong en oud, man en vrouw. Hij liet hen zelfs alle dieren doden (Deuteronomium,20:16-17; Jozua, 6:21-23).  In Genesis 14:5 is er ook sprake over reuzenrassen in Kanaän.  We zien hier dus dezelfde beeldspraak als bij de oude Grieken.  In het Nieuwe Testament is de toon gematigder maar daar wordt de toorn van stal gehaald om iedere ongelovige schaakmat te kunnen zetten.  Wie weigert te geloven haalt de toorn van god op zich ! (Jo.3:36).  Zo eenvoudig kan het zijn.  In veel godsdiensten kreeg men naast het schrift ook het vuur van de goden.  In de latere literatuur speelt het Prometheus-motief een grote rol zoals in “Prometheus unbound. A lyrical drama.” (Londen,1820) van de Engelse dichter Percy Shelley (1792-1822).

Het is gebaseerd op het werk van Aeschylus (525-456 v.o.t.), de grote treurspeldichter van wiens 79 tragedies er nog zeven bewaard zijn.  Van zijn trilogie de vuurdragende, de geboeide en de bevrijde Prometheus bleef alleen het tweede deel “Promètheus desmotès”  bewaard.  Percy Shelley, die door schipbreuk zeer jong om het leven kwam, schreef reeds in 1811 een pamflet “The Necessity of Atheism” waarin hij betoogde dat er geen afdoende bewijs bestond voor het bestaan van god.

Prometheus wordt de zelfbewuste mens die de goden trotseert.  In de continentale vrijmetselarij van de 19de eeuw verwerft hij daardoor een prominente plaats in één van de ritualen.

De tastende activiteit van de rede: Hippocrates en Thucydides

Er waren natuurlijk ook Grieken die niet logisch dachten.  Zulke mensen bestaan er nu ook nog en overal.  De absorptie van reclameboodschappen en het ongebreideld consumeren staan dan centraal.  Het formele Griekse denken was een steeds zoekende en tastende activiteit van de rede.  We zullen hier twee Grieken bespreken die zorgvuldig waarnemingen verrichtten die kunnen vergeleken worden met wat wij nu onder wetenschappelijk verantwoord verstaan.

Wij denken dan allereerst aan de geschriften toegeschreven aan een arts uit de vijfde eeuw voor onze tijdrekening, Hippocrates. Van hem of van zijn leerlingen bezitten we nog klinische rapporten over individuele concrete ziektegevallen en deze diagnoses zijn ook nu nog van nut.  Bij zijn beschouwingen is er geen plaats voor het toeschrijven van bepaalde opvattingen aan de rol van de duivel en magiërs.  Men dacht dat de ziekte epilepsie te maken had met de goden die iemand met de vallende ziekte stevig aanpakten, nadat ze hem betrapten op een goddeloze daad.  Hippocrates (ca.460-ca. 370 v.o.t.) ontdekte dat het een lichamelijk fenomeen was en dus geen straf.  Eeuwen later zal de prediker Jezus Christus heel wat genezingen verrichtten o.m. van een jongen die aan vallende ziekte leed en bezeten was (Math.17:15-20, Marcus 9:17-18, Lucas, 9:38-42).  Ook Jezus beschouwde ziekte niet als straf.  Dat wordt algemeen als progressief aanzien maar kent in Hippocrates een illustere wegbereider !

Ook nam hij afstand van het routineus toepassen van steeds dezelfde toepasselijke theorieën, zoals het steevast uitvoeren van een aderlating om de koorts te verdrijven.  Dat stadium heeft hij reeds achter zich gelaten.  Hij was er op uit steeds eenvoudige concrete feiten nauwkeurig vast te stellen, zodat hij een volgende keer de ziekte kon identificeren en ze niet met andere ziekten hoefde te verwarren, die gelijkaardige, maar niet volledig dezelfde symptomen vertonen.

Deze taak was zeker niet eenvoudig.  Hippocrates was zich ervan bewust nog maar heel weinig van ziekten te kennen, maar dat weinige wilde hij dan ook precies weten en zijn kennis systematisch opbouwen.  Hij was ervan overtuigd dat de natuur zelf herstellend te werk gaat en erop uit is aan de patiënt het evenwicht terug te geven, dat wij gezondheid noemen.  Hij stond sceptisch tegenover geneesmiddelen zeker indien die iets te maken hadden met gewichtigdoenerij over ziekte en gezondheid.  Zijn voornaamste stelregel als arts was: “Richt geen schade of onheil aan”, schenk de patiënt verlichting, stel hem op z’n gemak en laat de natuur haar helende werking doen.  Sommige van zijn tijdgenoten hielden hem voor tamelijk harteloos, meer geïnteresseerd in de bestudering van de ziekte dan in haar genezing.  Toch werd Hippocrates vermaard als de eigenlijke stichter van de medische wetenschap.  Zelfs nu aanvaardt elke arts nog de beroemde samenvatting van de beroepsethiek, “De Eed van Hippocrates” genaamd, hoewel deze waarschijnlijk uit later tijden stamt.  Van die artseneed bestaan thans verschillende versies die ver af staan van de oerversie (Oudgrieks) van Hippocrates.  Er zijn ook verschillende interpretaties o.a. met betrekking tot de zelfdoding.  De Grieken en Romeinen gunden de patiënt het zelfbeschikkingsrecht over de eigen dood.  De Eed markeert thans veeleer het afsluiten van de universitaire artsenopleiding maar heeft op zich geen juridische implicaties.

Het tweede voorbeeld is de historicus Thucydides (ca. 450-ca.400 v.o.t.), de man die meer dan iemand anders de wetenschappelijke geschiedschrijving benaderde.

Evenals Hippocrates schrijft hij in de trant van een klinisch verslag.  Hij tracht aan te tonen wat er in feite gebeurde tijdens de grote Peloponnesische oorlog tussen de stadstaten en grootmachten Sparta en Athene, toen menselijke hartstochten tot een nagenoeg pathologische razernij werden opgezweept.  Hij schermt niet met grootse theorieën over de geschiedenis van de mensheid en koestert ook niet de hoop het kwaad van de oorlog te zullen genezen.  Hoewel hij vroeger zelf bevelhebber was in het leger van de Atheners, toont hij zich noch pro-Atheens noch pro-Spartaans.  Hij was een Atheens generaal die na de nederlaag bij Amphipolis werd afgezet.  Het ging beide grootmachten om het militaire en economische overwicht in de Griekse wereld.  Het was uiteindelijk Sparta die de hegemonie zou overnemen.  Een groot verlies voor Athene was de dood van hun charismatische leider Pericles, die in 429 v.o.t. stierf aan de pest.  Voor fait divers heeft hij geen belangstelling.  Wel toont hij begrip voor het onderscheid tussen recht en onrecht.  Heel duidelijk laat hij zijn voorkeur blijken voor orde, rust en fatsoen in het maatschappelijk leven,  boven oproer, hevige strijd, onzekerheid, wreedheden en geweld. Maar een zedenprediker is hij niet.  Hij observeert en vergelijkt en komt zo tot meer inzicht in de menselijke gedragingen.

Zijn “Geschiedenis van de Peloponesische oorlog” bleef onvoltooid (acht boeken).  Hij schreef het in vrijwillige ballingschap op zijn landgoed in Thracië en het werk behoort tot de oudste Griekse prozageschriften die bewaard zijn gebleven.

Griekse wijsgeren

De Grieken blonken niet uit in de exacte wetenschappen maar wel in de wijsbegeerte.  Het woord filosofie (philosophia) zelf is Grieks en betekent letterlijk: liefde voor de wijsheid.  Men zou ook kunnen zeggen: liefde voor de kennis.  Later werd dat eerder het zoeken naar antwoord op de grote levensvragen.  Ook onze huidige filosofie, in al zijn subtiliteiten, beweegt zich nog steeds op hetzelfde vlak.

Eén van de vroegste filosofen was Anaximander die leefde in de 6de eeuw v.o.t.  Volgens hem zweefde de aarde vrij in de ruimte en verkeerde ze eerst in vloeibare toestand.  De aarde werd steeds droger doordat er water in de zon verdampte.  Uit dit verdampende water werden vissen geboren die de eerste levende wezens zouden zijn geweest.  Alle andere dieren zouden ontstaan zijn als transformatie of evolutie uit de vissen.  De mens zou volgens hem uit dieren van een andere soort zijn voortgekomen.  Anaximander werkte geen evolutietheorie uit maar toch wordt hij door velen beschouwd als de oudste vertegenwoordiger van een fundamenteel evolutief denken.

De Engelse natuuronderzoeker en bioloog Charles Darwin (1809-1882) zorgde pas voor de revolutie toen in 1859 de eerste versie verscheen van zijn “On the origin of species by means of natural selection”.  De evolutietheorie was een grote aanslag op de zekerheden van het christendom.  Darwin zelf verloor zijn geloof in het christendom niet op grond van zijn wetenschappelijke ontdekkingen, maar vanwege de wreedheid van de natuur, die hij niet in overeenstemming zag met een oneindig goede en volmaakte schepper.

Hij gaf daarbij het voorbeeld van de sluipwesp die zijn eitjes in levende rupsen legt.  De larven eten vervolgens de rups van binnenuit op, waardoor deze een langzame en gruwelijke dood sterft.  De bekende schrijver en producer David Attenborough (° Londen,1926 ) heeft in zijn vele bekroonde natuurdocumentaires, die door de Britse omroep BBC werden uitgezonden, er op gewezen dat zoiets ook bestaat bij de mens.  In West- en Centraal-Afrika zijn er jaarlijks 13 miljoen slachtoffers van de oogworm, een parasiet van ca. 4 cm lang die zich in het zachte bindweefsel van het oog nestelt.  Deze ziekte kan behandeld worden maar ook blindheid veroorzaken.  Een beet van een giftige slang krijgen is niet aangenaam maar een schepper die zo geraffineerd te werk gaat is compleet boosaardig te noemen.

Een god die zoiets toestaat kan niet bestaan.

Willy Dezutter