Jezus van Nazareth werd door zijn christelijke volgelingen Jezus Christus genoemd. Hij was een Joods religieus leraar over wie in het Nieuwe Testament wordt verteld dat hij omstreeks het jaar 30 na het begin van de jaartelling actief zou geweest zijn in het toenmalige Galilea en Judea. Hij is de centrale figuur in het christendom en wordt door gelovige christenen beschouwd als de zoon van God.
Het christendom is ontstaan binnen de context van het jodendom en veel van de eerste volgelingen waren joden. De echte ontwikkeling van de christelijke identiteit komt er pas in de derde en vierde eeuw. Pas in 313 werd het christendom een gelegaliseerde godsdienst (het zgn. Edict van Milaan).
Tijdens het Eerste Concilie van Nicea , in 325 samengeroepen door keizer Constantijn , werd de officiële leer van de toenmalige kerk vastgelegd. De goddelijkheid van Jezus werd toen gedefinieerd, bijna drie eeuwen na zijn dood ! Tijdens het Concilie van Constantinopel, gehouden in 381, werd de leer van de Triniteit vastgelegd (de Vader, de Zoon en de Heilige Geest). Op die twee concilies werd de geloofsbelijdenis vastgelegd als een theologisch dictaat dat geldt tot op de dag van vandaag.
Het was de vroege kerk een doorn in het oog dat de Mithtrascultus maar bleef voortduren. Om de zonnedienst te kunnen beëindigen besloot paus Julius I (pontificaat 337-352) in het jaar 340 dat de christenen voortaan op de dies natalis solis invincti het geboortefeest van Jezus Christus moesten vieren. Voor de geboorteherdenking is gewoon gekozen voor 25 december, het Romeinse feest van de Sol Invictus, de winterzonnewende. De kerk was altijd zeer gekant tegen zogezegde heidense gebruiken maar het van oorsprong heidense feest van 25 december hebben zij geadopteerd om zo iedereen geruisloos aan zich te binden.
Paus Johannes-Paulus II (1920-2004) heeft zelf in 1994 verklaard dat Jezus Christus niet echt geboren was op 25 december maar dat deze datum gekozen werd omdat het al de datum was van een heidens midwinterfeest. Dat bewijst dat we niet genoeg kunnen blijven herhalen dat dit hele kerstverhaal een mythe is dat heden ten dage is uitgemond in een mooi feest van de middenstand.
De rooms-katholieke kerk kende volgens de oude liturgische kalender van de Romeinse ritus op 1 januari het feest van de Besnijdenis des Heren (Circumcisio Domini). Jezus werd volgens de joodse traditie acht dagen na zijn geboorte besneden. Dat is de laatste dag van het Kerstoctaaf, de zevende dag na Kerstmis. De besnijdenis van Jezus wordt alleen vermeld in het evangelie van Lucas (Lucas, 2:21) : Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen. Jezus werd op die manier opgenomen in het volk van Israël en werd hij deelachtig gemaakt aan het verbond van god met Abraham.

Dit sluit aan bij de terechte ophef die regelmatig ontstaat, in België en andere landen, over het ritueel besnijden van Joodse jongetjes die dit zonder toestemming moeten ondergaan en waarbij een inbreuk wordt gepleegd op de integriteit van het lichaam (1).
In de Wet van Mozes (Torat Moshe) (2) wordt de besnijdenis op de achtste dag bevolen in het boek Leviticus (12:3). Bij een rituele besnijdenis wordt de voorhuid van de penis weggesneden. In de rooms-katholieke kerk werd de rituele besnijdenis gelukkig geen “eeuwenoude traditie” en de viering van “De Besnijdenis des Heren” werd in de jaren zestig van de vorige eeuw afgevoerd van de liturgische kalender. In de katholieke kerk bestaat het kinderdoopsel, een besprenkeling met water, waardoor het pasgeboren kind wordt opgenomen in de katholieke gemeenschap. Het is de keuze van de ouders voor een onmondig kind maar die kan als volwassene andere paden inslaan en kiezen voor kerkuittreding. Het jodendom ziet Jezus als een afvallige jood. Bij de islamitische initiatierituelen komt de besnijdenis van jongens voor bij het bereiken van de puberteit. Hoewel algemeen verspreid in de islamitische wereld is het echter niet verplicht want het staat niet vermeld in de Koran.
De relikwie van de voorhuid (o.m. in de kathedraal van Antwerpen)
Met relieken moet men altijd oppassen. Er zijn verschillende hoofden van de Heilige Johannes, honderden splinters van het kruis van Jezus en evenveel doornen van de doornenkroon, heiligen met drie benen, drie zweetdoeken van de H. Veronica en natuurlijk ook Heilig Bloed in Brugge en andere steden. Meestal producten van de dubieuze reliekenhandel in Constantinopel in de 13deeeuw. Er was handel en diefstal van relieken(3).
Tot op de dag van vandaag zijn er priesters en gelovigen die de hemelvaart van Christus blijven beschouwen als een letterlijk gebeurd feit. Dat wijst op een gebrek aan intelligentie. Relieken die te maken hebben met Jezus zelf zijn zeldzaam want zijn lichaam verrees en later steeg hij op ten hemel.
Toch zijn er primaire relieken bewaard. We sommen ze kort op: de navelstreng van na zijn geboorte, de voorhuid na de besnijdenis, de melktanden, haren uit zijn baard, tranen die hij plengde en natuurlijk het bloed vergoten aan het kruis. En dan zijn er nog de secondaire relieken zoals de doornenkroon, spijkers en uiteraard houtsplinters van het kruis. Er zijn zoveel splinters bewaard , genoeg om er honderden kruisen mee samen te stellen ! Een doorn van de doornenkroon van Jezus is aanleiding geweest voor de bouw van vele kathedralen, bijvoorbeeld la Sainte Chapelle in Parijs. Die relieken dienden om de betekenis van Jezus aanschouwelijker te maken en van een historische basis te voorzien. Tegelijk waren het bronnen van inkomsten maar ook van prestige voor de bezitters als trekkers van bedevaartgangers.
De Reformatie verwierp in de 16de eeuw die religieuze economie. In het rooms-katholicisme bestaat die volksdevotie tot op vandaag. De voorhuid (Preputium Domini) van Jezus zou volgens de redenering van de theologen als enig lichaamsdeel zijn achtergebleven toen hij veertig dagen na Pasen opsteeg naar de hemel. Er zijn in Europa 18 kerken die de heilige voorhuid , of een deel van de voorhuid, als relikwie bewaren. Christus werd pas bekend in het jaar 33 maar dat stukje weggesneden huid had nog niets van zijn versheid verloren.
In de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Antwerpen bewaarde men tot in de 16de eeuw het Sanctum Praeputium Domini, de Heilige Voorhuid van de Heer. Deze relikwie zou door een kapelaan van Godfried van Bouillon (1060-1100) zijn meegenomen tijdens de kruistocht en daarna geschonken zijn aan de kathedraal van Antwerpen.
In 1426 werd de Broederschap ende Gulde vande Heÿliger Besnidenisse ons liefs Heeren Jesu Christ opgericht. Tijdens een jaarlijkse processie werd de relikwie van de voorhuid (in feite een fragment) in een reliekhouder getoond aan de gelovigen. Er was ook een Besnijdeniskapel in de Antwerpse kathedraal, nu Antoniuskapel. De relikwie verdween tijdens de beeldenstorm van 1566 maar de broederschap bleef bestaan tot 1786. Het ledenregister (hernieuwd 1684) en de boekhouding van 1559 tot 1720 bleven bewaard (4).
Omdat er, vooral in Europa, zoveel relieken van de voorhuid in omloop waren, decreteerde het Vaticaan in de 14de eeuw dat de enige echte relikwie zich bevond in de basiliek van Sint-Jan van Lateranen in Rome. De inwoners van Calacata (Calcata), een dorpje ten noorden van Rome, hebben altijd beweerd dat hun voorhuid de enig echte was. Een engel (!) overhandigde op het eind van de 8ste eeuw de voorhuid aan Karel de Grote die in de H. Grafkapel aan het bidden was. Hij gaf het tijdens zijn kroning tot keizer in 800 cadeau aan paus Leo III die het onderbracht in de kerk van Sint-Jan van Lateranen in Rome. In de 16de eeuw werd Rome geplunderd door Duitse huursoldaten. Eén van die soldaten vestigde zich in Calacata en bracht de gestolen relikwie mee. Jaarlijks organiseerden de inwoners een processie op 1 januari. De relikwie werd bewaard in een bronzen kistje onder het altaar maar werd in 1984 gestolen. Sindsdien is de “Voorhuid van de Verlosser” nog altijd spoorloos en trekt de processie niet meer door de straten.
Terloops wijzen we er op dat het Karel de Grote (+ 814) was, de Karel I van het Heilige Roomse Rijk, die de Saksen onder dwang tot het christendom liet bekeren. Hij voerde de doodstraf in tegen het blijven uitoefenen van hun traditionele Germaanse godsdienst. In de 12de eeuw werd Karel zalig verklaard !
Nog in 1862 verscheen er een brochure waarin de echtheid van de heilige voorhuid uit Charroux bij Poitiers werd bekrachtigd. Een aantal katholieken namen er echter aanstoot aan dat die relikwie bewaard werd in een meisjespensionaat van de zusters Ursulinen. Op bevel van de bisschop van Poitiers werd het daarop overgebracht naar het Bisschoppelijk Paleis waar het stof kon vergaren.
In het klooster van Sint-Cornelis in Compiègne bezat men zelfs als reliek het mes waarmee de besnijdenis werd uitgevoerd ! Aan zoveel onzin diende op den duur een einde gemaakt te worden. In 1900 vaardigde het Vaticaan een decreet uit tegen de verering van de Heilige Voorhuid op straffe van excommunicatie. Volgens het kerkelijk recht betekent dat de uitsluiting uit de kerk en verlies van sacramenten. De zwaarste vorm van kerkelijke straf moest toegepast worden om dit bijgeloof te bestrijden. Paus Leo XIII, pontificaat 1878-1903 en een intellectueel, pleitte voor een katholieke wetenschapsbeoefening maar ook voor de gewantrouwde natuurwetenschappen. Hij werd daardoor gewantrouwd door de ultrakatholieken. Het decreet kwam er vooral omdat de Kerk te veel in verlegenheid werd gebracht.
Willy Dezutter
1 Jan De Zutter, Niet meer van deze tijd. Niet-medische besnijdenis van jongens, in: Het Vrije Woord. Driemaandelijks tijdschrift Humanistisch Verbond, 70 (2025), 2, p. 10-12.
2 De Wet van Mozes (Hebreeuws : Torat-Moshe) is de verzameling religieuze, ceremoniële en morele wetten en voorschriften die god volgens de Hebreeuwse bijbel via Mozes aan het volk van Israël gaf. Het omvat de eerste vijf boeken (de Thora of Pentateuch) inclusief de Tien Geboden. Binnen het orthodox jodendom gaat men voor de absolute acceptatie van de Thora als ultieme waarheid. Dit dogmatisch denken is natuurlijk niet meer van deze tijd. Die boeken (rollen) kregen vorm in de periode 8ste tot 2deeeuw voor onze tijdrekening. Ook “eeuwenoude tradities” zijn niet onveranderlijk. Het argumentum ad antiquitatem is een drogreden. In Ieper (West-Vlaanderen) gooit men tijdens de kattenstoet ook geen levende katten meer van het Belfort. Daar is men al in 1817 mee gestopt.
3 Marc Van Strydonck, e.a. Relieken, echt of vals ? Davidsfonds/Leuven, 2006.
4 Deze tot voor kort onbekende documenten werden in december 2025 geveild bij Arenberg Auctions, Brussel. Zie ook algemeen: Wendy Wauters, De geuren van de kathedraal. De overweldigende 16de eeuw in Antwerpen, Lannoo/Tielt, 2023.