Afscheid van Sylvère Declerck (1934-2018)

Wanneer men elke week met elkaar telefoneert en mailt, valt het bijna niet te bevatten dat die persoon er nu niet meer is.  Toch is dat het geval en blijven enkel de mooie herinneringen en wijze lessen over.

In één maand tijd kan het gedaan zijn wanneer men in de terminale fase terecht komt.  Sylvère kende de uitkomst en bij vol bewustzijn ging hij de laatste strijd aan.  Als statement dat kan tellen schreef hij nog zelf de adressen op de enveloppen voor het doodsbericht.  De laatste dagen was hij enkel nog omringd door zijn echtgenote en kinderen.  Hij wenste niemand anders nog te laten delen in de ultieme strijd.  Hij zal uiteindelijk overlijden op 5 juli 2018 en werd 84 jaar.  Hij zag er altijd tien jaar jonger uit en dat verleende hem een dynamische uitstraling.

De moeder van Sylvère stierf op de leeftijd van 57 jaar en dat heeft hem blijvend getekend.  Eén van zijn mooiste schilderijen in olieverf is dan ook het portret van zijn moeder op haar sterfbed.  Daar zijn we dan meteen bij Sylvère als kunstenaar.  Over zijn kunstenaarsloopbaan schreven wij in 2009 de “Monografie Sylvère Declerck” waar we naar kunnen verwijzen en ook op deze blog staat een bijdrage over de “Sylver Birds”, zijn meest spraakmakende kunstproject.  Die “Sylver Birds” (afgeleid van Sylvère= Sylver) begeleidden hem tijdens de afscheidsplechtigheid in de aula van het funerarium op 12 juli 2018.  Deze vogels vormden de uitdrukking van zijn gedachtengoed: de strijd tegen onrecht en ongelijkheid.  Hij kende de uitdrukking homo homini lupus of de mens is voor de mens een wolf.  Zijn laatste overzichtstentoonstelling “Selectief” was in de Galerij La Pipe in Oostende van 22 september tot 23 oktober 2017.  Dat kreeg nog een voortzetting in Huis Lombard (Langestraat 21, Brugge) van 1 december tot 24 december 2017.  Hij wist dat 2018 een zwaar jaar zou worden.

Sylvère was ere-inspecteur basisonderwijs, gewezen voorzitter OCMW Blankenberge en ereburgemeester van Blankenberge.  Ieder mens die sterft is een museum dat brandt.  We prijzen ons gelukkig dat hij behalve plastisch kunstenaar ook schrijver was èn filosoof.  Zijn perikelen in de politiek pende hij neer in het boek “Een burgemeester-kunstenaar en het verdriet van Blankenberge” (Uitgeverij Groeninghe, Kortrijk, 2017, 272 p.).  De grondtoon bleef steeds: “Je mag verwonderd zijn in mensen, maar nooit ontgoocheld”.  Het levenseinde is minder afschrikwekkend dan je denkt.  I have never been spooked by the dead, it is the living who terrify me (prof. Sue Black, All That Remains. A Life in Death, 2018).

Sylvère geloofde in de maakbaarheid van de mens door zichzelf.  Daarin toont hij zich een volgeling van de filosoof Jean-Paul Sartre (1905-1980) die zegt dat de mens het product is van zijn eigen keuzes.  De mens is niet iets, maar maakt zichzelf continu.  “Existentie gaat vooraf aan essentie.”  De basis van het menselijk bestaan is volgens Sartre vrijheid.  Sartre wees het bestaan van god af.  Zou de mens een schepsel van god zijn, dan zou hij door hem, en niet door zichzelf zijn bepaald.  Als god bestaat kan de vrije mens niet bestaan.  Sylvère was ook de man van sterke aforismen.  Op zijn doodsbericht staat “We zijn er eigenlijk om niet te zijn” en “Het schoonste geluid in de wereld is de stilte”.  Hij werd gecremeerd en de as uitgestrooid.  Hij wordt nu geur van bloemen.

Willy Dezutter

Het krijgsgevangenkamp van Zedelgem (1945-1947)

De beste gegevens over het krijgsgevangenkamp van Zedelgem (vraag Biekorf, 2015, afl. 4, p. 506) vindt men in het boek “Brugge Garnizoensstad” (Brugge, uitgave  Vriendenkring Memoriaal Militaire Kapel, Brugge, 2008,184 p.) in het hoofdstuk “Militaire aanwezigheid te Zedelgem” (p. 77-100) geschreven door Ludo Meulebrouck, een gewezen officier met kennis van zaken.

Op p. 85-87 handelt hij over de POW kampen (Prisoner of War).  Begin 1945 besloot het Britse leger om een krijgsgevangenkamp op te richten in het depot van Zedelgem.  Ook de kazernegebouwen werden bezet door de Britten.  Er waren drie onderkampen.  Een kamp voor hogere en lagere officieren, een kamp voor Duitse soldaten en onderofficieren en dan nog een kamp met verschillende nationaliteiten zoals Oostenrijkers, Armeniërs, Mongolen, Esten, Letten, Litouwers, Roemenen.

Er ontstond ook economische activiteit.  De bakkerij had een capaciteit van 80.000 broden waarmee de hele provincie werd bevoorraad.  De Duitse krijgsgevangenen hebben ook de weg in de duinen tussen Blankenberge en Zeebrugge aangelegd.  Het POW in Zedelgem was niet alleen een strafkamp maar ook militair hospitaal.  Er heersten ziektes en velen stierven door ondervoeding.  Op 9 juni 1945 bracht een delegatie van het Rode Kruis een bezoek aan het kamp en stelde een bezetting vast van 62.000 krijgsgevangenen.  Op 1 april 1947 nam het Belgisch leger het beheer van de kazerne weer over nadat de laatste krijgsgevangenen vertrokken waren.

In 1951 besliste de militaire overheid om er een militaire school voor onderofficieren te openen. Deze Nederlandstalige school en haar Franstalige tegenhanger in Dinant hielden in 2007 op te bestaan.  Vanaf het schooljaar 2007-2008 smolten beiden samen en verhuisde de opleiding naar Sint-Truiden (campus Safraanberg) waar men nog altijd de opleiding kandidaat-onderofficier kan volgen.

Willy Dezutter

De Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVLAG) in Brugge (1940-1944)

De organisatie die tijdens WO II haar intrek nam in boekhandel De Reyghere op de Markt te Brugge heette de DeVlag (uitspraak DéVlag) of voluit de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (1).

Even de geschiedenis opfrissen.  Op 28 mei 1940 capituleerde België.  Dezelfde dag om 8.00u ’s morgens stonden de Duitsers al op de Markt van Brugge.  De collaboratie kon nu ook uit het verborgene treden en haar ware gelaat tonen.  De DeVlag (Deutsch-Flämische Arbeitsgemeinschaft) was al in 1935-1936 ontstaan als een beweging die de uitwisseling trachtte te bevorderen tussen de Duitse en Vlaamse studenten. In de meidagen van 1940 was DeVlag even in verwarring maar vanaf juni herpakte men zich en onder leiding van Jef Van de Wiele (1903-1979), groeide DeVlag uit van een culturele tot een politieke organisatie volgens de principes van het nationaal-socialisme en vormde zij een belangrijk element in de politiek van de SS om België in zijn macht te krijgen (2). Daardoor kwam DeVlag in conflict met het Vlaams-Nationaal Verbond (VNV), tot dan toe de politieke uitdrukking van het Vlaams-Nationalisme. Die strijd zou de evolutie van de collaboratie in Vlaanderen in sterke mate beïnvloeden (3).

Het eerste slachtoffer van DeVlag was de Brugse uitgever-boekhandelaar Lucien De Reyghere (1898-1953) die in 1920 de boekhandel al verhuisd had van hoek Breidelstraat 2 naar het nu nog steeds vertrouwde adres Markt 12.  Lucien De Reyghere stond bekend als anglofiel en besefte het gevaar.  Hij was daarenboven lid van de Brugse loge La Flandre (G.O.B.).  Daar werd hij ingewijd in 1920 en in 1940 was hij er tweede secretaris.  Hij vluchtte in mei 1940, samen met zijn vrouw Yvonne Huybrechts (lid van de loge Aurore (DH) in Brugge sinds de stichting in 1930) en hun twee dochters, met de laatste nog beschikbare boot vanuit Calais naar Engeland.  Daar werkte hij gedurende de oorlog bij de BBC als vertaler Duits-Engels.  De winkel op de Markt werd ontruimd door de DeVlag en omgevormd tot een steunpunt.  Dat pand was natuurlijk zeer goed gelegen om als propaganda-uitstalraam te dienen.  Het was echter een andere Brugse uitgever-boekhandelaar die bij DeVlag een rol zal spelen en meteen een concurrent kon uitschakelen.  Dat was Hendrik Cayman (1894-1946) die eind 1940 op verzoek van Jef Van de Wiele was toegetreden en actief bleef tot eind 1942 (4).  Op 14 november 1940 werd hij inderdaad Celleider van de Cel Brugge van DeVlag.  De lokale zetel was gevestigd op het adres Albert I-plein 9a (nu ’t Zand).  Later vergaderde men nog in een geconfisqueerd café in de Vlamingstraat en bij Cayman thuis in de boekhandel “Cultura” (gesticht 1924) in de Niklaas Desparsstraat 13.

Maar al snel zou er een nieuw vergaderlokaal in zicht komen.  Bij Duitse verordening van 20 augustus 1941 werd de vrijmetselarij in ons land verboden en de bezittingen verbeurd verklaard (5). De “Geheime Feldpolizei” (GFP) deed al één dag na de capitulatie van het Belgisch leger (28 mei 1940), op 29 mei 1940, een inval in de Brugse loge.  Het was de Volksmacht, een andere vereniging uit de collaboratie, met hoofzetel in Gent, die in februari 1942 een antimaçonnieke tentoonstelling organiseerde in het logegebouw in de Beenhouwersstraat met als organisator de beruchte Joris Desbonnet (Gent 1914-Dadizele 1993).  Deze tentoonstelling liep van 7 februari tot 22 februari en telde 6.667 bezoekers.  De eerste week kwamen er 5.807 bezoekers waardoor de sensatielust meteen werd bevredigd.  Wel was het DeVlag die uiteindelijk daar haar intrek nam op 1 maart 1943. Daarover werd triomfantelijk bericht in het Brugsch Handelsblad dat overigens tijdens de oorlog bleef verschijnen en onder sekwester stond van de Duitsers (6).  De DeVlag kon op de volledige steun rekenen van het Brugsch Handelsblad door de figuur van Joe de Troetsel, een Antwerpenaar die in augustus 1941 werd aangesteld als hoofdredacteur (7).  Joe de Troetsel (1911-1994) kwam als oorlogsvluchteling vanuit Antwerpen terecht in Brugge waar hij een afdeling van de Volksverwering stichtte, een anti-joodse organisatie van extreemrechtse signatuur. Begin 1942 trad hij in Brugge toe tot de DeVlag (8).

Foto verzameling Willy Dezutter, Brugge

Het geconfisqueerde logegebouw Beenhouwersstraat 2, hoofdzetel van de DeVlag (1943-1944) (foto verzameling Willy Dezutter, Brugge)

Aan het hoofd van de Brugse DeVlag kwam Viktor (Zeger) Andries (1901-1967) te staan, een leraar van het Brugs Conservatorium.  Deze naaste medewerker van Hendrik Cayman was in juni 1942 zakelijk leider geworden van de Cel Brugge.  Elk kaderlid van DeVlag werd ook verplicht lid te worden van de Germaanse SS Vlaanderen.  Er werd ook een veiligheidskorps gehecht aan DeVlag dat deelnam aan razzia’s zoals die op het kasteel “Drie Koningen” in Beernem van burgemeester Hubert van Outryve d’Ydewalle (1909-1945, bezweken in Duitsland).  Die jacht op verzetsstrijders werd hen na de oorlog bij de berechting zwaar aangerekend met navenante zware straffen.  DeVlag-leider Zeger Andries was op 2 september 1944 met zijn familie gevlucht naar Duitsland maar keerde begin juni 1945 terug naar Brugge.  Hij werkte goed mee met het Krijgsauditoraat in de hoop het vege lijf te kunnen redden.  Op 24 januari 1946 kreeg hij niettemin de doodstraf, een vonnis dat op 7 mei 1946 werd bevestigd bij arrest van het Krijgshof in Gent.  Zijn echtgenote, ook een ijverige medewerkster van de DeVlag in Brugge, zou zich na haar vrijlating uit het interneringskamp van Sint-Kruis (Brugge), hardnekkig blijven inzetten voor de herziening van zijn proces. Via een genademaatregel van de Prins-Regent op 22 januari 1948 werd de doodstraf omgezet in levenslange hechtenis.  Na 1950 kwam hij vrij (9).

Brugge werd bevrijd op 12 september 1944 maar DeVlag had het gebouw al verlaten op 10 september 1944.  In het gebouw was er grote schade maar de vrijmetselaarstempel was niet verwoest.  De vrijmetselaarsloge La Flandre (gesticht in 1881) kon er pas opnieuw vergaderen vanaf 17 februari 1945 (10).  De eerste tempelzitting ging door op 3 maart 1945.  Het hoofdkwartier van DeVlag was dus in de Beenhouwersstraat 2.  Op de borstwering van het logegebouw hing het DeVlag-schild en op de zijgevel stond in grote witte letters “Vlaamsch-Duitsche Arbeidsgemeenschap”.  In de publiciteitskast tegen de buitenmuur maakte men uitsluitend propaganda voor de SS-Man, het propagandablad van de Algemene-SS Vlaanderen.  Het kan verkeren.  De geconfisqueerde boekhandel De Reyghere was dus uitsluitend  propagandakantoor maar niet het zenuwcentrum.

Willy Dezutter

1 Voor de algemene geschiedenis van de DeVlag zie: Frank Seberechts, Geschiedenis van de DeVlag. Van cultuurbeweging tot politieke partij 1935-1945. Gent, 1991

2 Jef Van de Wiele (1903-1979), hoofdredacteur van tijdschrift DeVlag. Hij leidde de DeVlag in de richting van de Waffen-SS. Hij werd SS-Obersturmführer. In 1945 ter dood veroordeeld, in 1946 omgezet in levenslang. Vrijgelaten in 1963, overleden in 1979.

3 Bruno De Wever, Greep naar de macht. Vlaams-Nationalisme en Nieuwe Orde: het VNV. Gent/Tielt, 1994 o.a. deel 2 hoofdstuk 8 Het VNV in de Belgische politiek (1936-mei 1940) en ook deel 3, hoofdstuk 5 Het VNV en de DeVlag. Een belangrijke nabeschouwing van B. De Wever: Van wierook tot gaslucht. De beeldvorming over de Vlaams-nationalistische collaboratie, in: Docendo discimus. Liber Amicorum Romain Van Eenoo, Gent, 1999, p. 607-614.

4 Zie voor Cayman: Andries Van den Abeele, H. Cayman-Seynave en Cultura. Brugse uitgever en boekhandelaar 1928-1944, in: Biekorf, 2008, p. 218-229.

5 Zie vooral: Jimmy Koppen, Passer en Davidster. De strijd van de Duitse bezetter en de collaboratie tegen de vermeende samenwerking van vrijmetselaars en joden in België (1940-1944), Brussel, 2000, p. 43-71.

6 L. Schepens, Brugge Bezet. 1914/1918 – 1940/1944. Lannoo, Tielt-Weesp, 1985, p. 192-195.

7 Kurt Ravyts en Jos Rondas, Het Brugse 1940-1945. Deel 1 Collaboratie en Verzet, Kortrijk, 2000, p. 274.

8 Lieven Saerens, Vreemdelingen in een wereldstad. Een geschiedenis van Antwerpen en zijn joodse bevolking (1880-1940), Lannoo, Tielt, 2000, p. 508.

9 K. Ravyts en J. Rondas, op.cit. p. 314-315. De auteurs baseerden zich op het strafdossier van Viktor (Zeger) Andries.

10 Willy Dezutter, De ledenlijst van de loge La Flandre in Brugge uit 1940. Een sociologische benadering. In: Biekorf, 116 (2016), 2, p. 321 en J. Tyssens en D. Dendooven, (red.) De Heeren Broederkes van den Moortelbak. 250 jaar vrijmetselarij in West-Vlaanderen. ASP-uitgeverij, 2015, p. 30.

Verboden kikvorschen te vangen, op het einde van de negentiende eeuw.

Op 19 januari 1888 vaardigde de gemeente Zeveneken (Oost-Vlaanderen) een reglement uit “tegen het vangen van kikvorschen”.  Artikel 1 bepaalde: “Het najagen, vangen of vernielen der kikvorschen, op welke manier ook is op het grondgebied van Seveneken verboden”. Dat verbod werd ingegeven door het feit dat de kikkers nuttige dieren zijn voor de landbouw omdat ze slakken, insecten, e.d. eten en daardoor de jonge graangewassen en andere veldvruchten beschermen. Daarenboven wilde men voorkomen dat de jacht op die kikkers schade zou toebrengen aan de gewassen door personen die bij die activiteit de jonge scheuten zouden vertrappelen (1).

Andere gemeenten hadden die maatregel reeds eerder getroffen en nog anderen zouden volgen. Een landelijk verbod kwam er in 1890 waardoor dit ook gold voor West-Vlaanderen.  Het eerste Koninklijk Besluit verscheen in de “Moniteur” van 28 januari 1890 en kreeg een aangepaste versie op 17 november 1890.  Het artikel 1 luidt: “Het is in gansch het land van den 1 Februari tot den 30 April, verboden kikvorschen te vangen of te vernielen”.  In de provincies Luik, Limburg en Luxemburg kwamen daar de maanden oktober, november, december en januari bij.  Gedurende die spertijd was het eveneens verboden om “kikvorschen” te vervoeren, te koop te stellen, te verkopen en kopen in zijn geheel of in delen.  De minister van landbouw, nijverheid en openbare werken werd gelast met de uitvoering van dit besluit.

Laat het meteen duidelijk zijn dat het de wetgever niet te doen was om de bescherming van de kikker maar wel om de bescherming van de eigenaars van landbouwgronden.  De gewassen werden beschermd, niet de kikker.  Veel wetgeving tegen het stropen bijvoorbeeld kwam zo tot stand omdat rijke eigenaars niet graag wilden dat hun landerijen en bossen werden betreden door arme mensen die iets wilden bijverdienen.  Het tastte ook hun eigen jachtareaal aan.  In Brugge bestond er sinds 1870 een “Société de chasse pour la répression du braconnage” waarvan vooral de adellijke grondeigenaars lid werden.  Pas in 1921 kwam het Algemeen Enkelvoudig Stemrecht tot stand en de evenredige vertegenwoordiging.  Tot die tijd was het openbaar leven beheerst geweest door notabelen en burgers met aanzien.  De eerste echte dierenbeschermingswet van ons land dateert pas van 1929 en de groene kikker werd bij wet beschermd in 1973.

Sinds 1 september 2009 zijn bij besluit van de Vlaamse Regering alle inheemse amfibieën beschermd.  De groene kikker (Rana esculenta) werd door de bekende zoöloog Carolus Linnaeus (1707-1778) in 1758 met die naam opgenomen in zijn “Systema naturae”” omdat het (toen nog) de enige echt eetbare kikker was.  De kikvors, die we allemaal kennen als kikker, werd als kikkerbilletje een lekkernij.  Die delicatesse kennen we uit de Bourgogne (cuisses de grenouille) maar was bij ons ook inheems.  Er waren in Vlaanderen arme mensen die er een seizoensgebonden beroep van maakten kikvorsen te vangen om die als kikkerbillen te verkopen aan de rijken.  Zij werden puitenslagers genoemd (2).  Anders dan de naam doet vermoeden (3) werden de kikkers wellicht niet dood geknuppeld omdat dit afbreuk zou doen aan de versheid bij leverantie.  Vogels kan men enkel vangen op 1 april door zout op hun staart te leggen maar hoe dat bij ons bij de kikkers in zijn werk ging vonden we niet terug in eigentijdse bronnen.

Hoe men kikvorsen vangt

Volgens het “Huishoudelijk Woordenboek” (Leiden-Leeuwarden, 1770) ving men de kikkers met een “gemeenen Angel” d.w.z. een gewone vishaak.  Aan die haak werd aas geregen zoals een stukje vlees of een wormpje of “een stukje van rood of ander lapje, met bloed rood geverft (sic) zo zullen zij er schielijk op aazen, en men haalt ze met de hoek uit het water” (4).  Zoals bij het hengelen op vis zonder levend aas konden ze ook nog eens misleid worden door kunstaas dat kennelijk al in de 18de eeuw werd gebruikt.  Het is maar de vraag of die methode bij ons gebruikt werd.

Het “Huishoudelijk Woordenboek” is de Nederlandse vertaling van de encyclopedie van de Franse landbouwkundige Noël Chomel (1633-1712) en heeft strikt genomen betrekking op Frankrijk.  Over het vangen van kikkers weet A.E. Brehm (5) te melden dat dit in Zuid-Europa gebeurde “met hengels, geschoten met pijlen of gevangen in netten”.  Eén ding weten we wel zeker: met de hand vangen is niet efficiënt en ook bij het knuppelen zullen ze wegspringen.  Thans komen alle kikkerbillen uit de kwekerij maar de slachtmethode (levend in twee snijden) is (terecht) zeer omstreden.  Dierenleed op de menukaart maar wel rechtstreeks geïmporteerd uit Azië.

Willy Dezutter

1 Karel Velle, Gemeentelijke politiereglementen als bron voor de volkscultuur. In: Volkskundige Kroniek. Driemaandelijks Mededelingenblad van de Federatie voor Volkskunde in Vlaanderen, jg. 9 (2001), 3, p. 106.  Die politiereglementen waren zeer belangrijk.  Zie bijv.: Lucien Van Acker in Biekorf 1999 en 2000.

2 www.vlaamswoordenboek.be/term/puitenslager Zie ook www.puitenslagers.be voor het jaarlijks puitenslagersfeest in Beveren (Waasland).  Puit is de naam voor kikker, in West-Vlaanderen. puut. Vgl. lemma puit in WNT.

3 Vgl. met hondenslager, iemand die de zwerfhonden uit de kerk moest weren door ze met stokken of zwepen te slaan (vandaar slager).  De straathonden werden ook doodgeslagen.  Over de hondenslagers werd zeer veel gepubliceerd (o.a. in Rond den Heerd en in Biekorf) zodat we dit onderwerp niet hernemen.

4 Huishoudelijk Woordenboek vervattende veele middelen om zijn goed te vermeerderen, en zijn gezondheid te behouden. Noël Chomel, tweede druk, Te Leyden bij Joh. Le Mair en te Leeuwarden bij J.A. Chalmot, 1770, derde deel, p. 1508.

5 A.E. Brehm, Het leven der dieren. De Amphibiën (sic). Uitgever A.E. Brehm, 1900, deel 3, hfst. 5 digitaal op  www.gutenberg.org

Een onterechte wapenhandelaar

De bouwheer van het kasteel “Veltem” in Sint-Kruis was de reder, handelaar en grootgrondbezitter François-Xavier Bertram (1766-1826), beter bekend als Bertram-Boudeloot, afkomstig uit Nieuwpoort .  Hij bouwde begin 19de eeuw een mooi kasteel in Empirestijl (1) dat helaas in 1968 werd afgebroken om in 1970 plaats te maken voor Interbad.  Bertram was rijk geworden omdat hij als reder beschikte over een grote vissersvloot en in de Franse tijd licenties kreeg om over zee internationaal handel te drijven.

Hij werd ook ingewijd bij de Brugse loge “La Réunion des Amis du Nord” waar hij in 1813 Achtbare Meester was.  In 1825 betaalde hij nog zijn lidmaatschapsbijdrage.  In 1826 werd hij kerkelijk begraven op Sint-Kruis en een memorieplaat aan de zuidkant van de Kruisverheffingskerk herinnert daaraan.  We zullen hier zijn biografie niet schrijven – een goede aanzet is alvast gegeven in een recente publicatie van Marc Carlier (2) – maar enkel wijzen op de manier hoe hij afgeschilderd werd als een wapenhandelaar.

In 1990 verscheen er een artikel over de geschiedenis van Veltem waar de auteur M. Verbeke (3) François Bertram omtoverde tot een wapenhandelaar.  Het Franse woord “armateur” werd verkeerd vertaald en zo werd een reder een wapenhandelaar.  Die verkeerde vertaling werd door Otmar Delanote (4) overgenomen en zo verscheen onze wapenhandelaar op internet waar hij nooit meer zal verdwijnen.  Het onheil was geschied en vond ook zijn weg naar een wijd verspreide publicatie van de Stad Brugge uit 2011 (5).  Aan het beroep van wapenhandelaar kleeft nogal vlug de connotatie van illegale wapenhandel dus doen we er alles aan om dat bij Bertram weg te nemen. Zeker wanneer men zijn fortuin daar zou willen aan toeschrijven. Maar anderzijds was hij natuurlijk door een moderne bril bekeken ook niet brandschoon. Hij was opkoper van verbeurdverklaarde kerkelijke goederen (het zogenaamde “zwart goed”) en als Fransgezinde handelaar zou men hem nu een economische collaborateur noemen.

Onjuiste feiten die de geschiedenis hebben vervalst, zijn van alle tijden.  Ook nu spreekt men weer veel over “fake news”. We zwijgen dan nog over de Griekse vertaling van de Hebreeuwse bijbel waar men van een “jong meisje” een maagd maakt.  We weten allemaal wel wie uit die maagd geboren werd.

Willy Dezutter

1 Een foto in R. Duyck, Sint-Kruis.  Geschiedenis van de Brugse rand. Brugge, 1987.

2 Marc Carlier, De laatste Brugse rederijkers.  Brugge, 2017, p. 170-171.

3 Martin Verbeke, Bijdrage tot de geschiedenis van Veltem, in: Arsbroek, Kring Hervé Stalpaert, jaarboek 7, 1990, p. 11.

4 Otmar Delanote, De geheimen van Sint-Kruis ontsluierd via de oude buurtwegen.  Koninklijke Gidsenbond van Brugge, 2006, p. 57 en online users.skynet.be/fc 140012/pdf

5 Brigitte Beernaert en Patrick Cardinael, Brugge natuurlijk… Natuurgebieden, bossen en parken in de Brugse rand.  Stad Brugge, 2011, p. 87 bij bespreking Veltem.

 

Een onrustwekkende verdwijning (Brugge, 1829)

In “Den Landmansvriend” van 27 november 1829 (een Gents blad dat tweemaal per week verscheen op dinsdag en vrijdag), meldde men dat Joachim Antonio de Monteiro (1), een Portugese banneling, uit Brugge verdween.  Hij logeerde bij P. Verhelst, bakker in de Braembergstraat 20.  Hij verliet ’s morgens om 10 uur zijn logement om naar eigen zeggen een wandeling te maken, maar hij keerde niet meer terug.  De politie verspreidde zijn signalement: lengte 5 voet en 4 duim, tamelijk vol aangezicht, zwart haar, grote bakkebaarden, gewone mond en tandeloos, gekleed met blauwe jas met zwarte fluwelen kraag, zwarte vest, grijze broek, laarzen, ronde hoed, zwarte sjaal, wollen handschoenen.  Hij had een wandelstok in olmenhout.  Een tandeloze mond bij jonge mensen werd in die tijd nog als een “gewone mond” opgevat.  Veel Portugezen arriveerden in 1829 in Brugge en Oostende omdat zij zich keerden tegen koning don Miguel (1802-1866), een conservatief en reactionair vorst die Portugal regeerde van 1828 tot 1834. Een burgeroorlog leidde tot zijn afzetting. Wij schreven hier reeds over de casus van de Portugese banneling Guido de Bandella (2) maar algemeen verwijzen we naar de studie van L. Vandersteene (3).  Wij weten niet of ze onze Joachim nog hebben teruggevonden en wat er met hem gebeurde maar in “Den Landmansvriend” van 11 december 1829 waren ze in ieder geval niet mals voor koning Miguel die ze “dezen verachtelyken dwingeland” noemden.

Willy Dezutter

1 De originele schrijfwijze zal wel Joaquim António de Monteiro geweest zijn.  Dit bericht werd ongetwijfeld overgenomen uit een Brugse krant maar daar wordt niet naar verwezen.  Den Landmansvriend was van liberaal-orangistische strekking.

2 W. Dezutter, De Portugese banneling Guido de Bandella (1796-1873), in: Biekorf,116 (2016), 4, p. 480-486.

3 L. Vandersteene, “Met gemengde gevoelens: de houding tegenover politieke vluchtelingen vóór, tijdens en vlak na de Belgische revolutie: Portugese vluchtelingen in Brugge 1829-1834”, in: J. Art & L. François, Docendo discimus: Liber Amicorum Romain Van Eenoo. Gent, 1999, deel II, p. 829-852.

Charles of Karel ?

Op 27 april 1555 werd de Spaanse koopman Lopez de la Corona bijgezet in de kloosterkerk van de Paters Augustijnen in Brugge.  L. Gilliodts-Van Severen (1827-1915), sinds 1868 stadsarchivaris van Brugge, vond het nodig om die naam te vertalen als Loupes de la Couronne (1).  Gilliodts had de onhebbelijke gewoonte om vreemde familienamen in het Frans te vertalen op het potsierlijke af.  Benieuwd wat de historicus Bart Le Tisserand uit Antwerpen daar zou van vinden mocht dat ook nu nog gebeuren.

Sedert 11 oktober 2014 is Karel Michel (° 1975) de premier van ons land en de Vlaming Jan Jambon (!) is zijn minister van Binnenlandse Zaken.  Albert Schouteet (1909-1991), die ook stadsarchivaris werd in Brugge, schreef over de rechtsgeleerden in Brugge in de 18de eeuw (2) en heeft het daarbij over stadsprocureur Karel Donny, jonkheer Karel de l’Espée, basselier in de rechten, en over Karel Verhulst, advocaat bij de Raad van Vlaanderen.  Uit de bijlage die hij zelf afdrukt, blijkt overduidelijk dat die Karels zichzelf alle drie Charles noemden.  Het vertalen van die voornaam, om welke reden ook, is verwarrend voor het historisch onderzoek en ook totaal inefficiënt.

Een particulier mag zichzelf Andries noemen ook al kwam hij ter wereld als André, idem voor Renaat die oorspronkelijk René heet.  Er is ook een verschil tussen de echte naam en de roepnaam (bijv. Henri= Rik).  Het is ook niet verboden om een pseudoniem aan te nemen, zoals dikwijls gebruikelijk in letterkundige kringen.  Bij historisch onderzoek dient men zich aan de naam te houden zoals vermeld in de doopregisters of in de akten van de Burgerlijke Stand of zoals ze in de bronnen voorkomen.  Men kan altijd nog de roepnaam vermelden.  Maar men houdt zich zeker aan de naam zoals die door de persoon zelf werd gebruikt.  De Franse president Charles de Gaulle (1890-1970) is en blijft Charles de Gaulle, tot in alle uithoeken van de wereld, en daar een Karel de Gaulle van maken in een Nederlandstalige publicatie zou alleen de lachlust opwekken.  Niettemin bestaat er een stadslegende die zegt dat de familie De Gaulle uit Vlaanderen komt; dus leve Karel Van de Walle!  Of gaan we van de Brugse kunstschilder, publicist en verzamelaar Guillaume Michiels (1909-1997) in de lexica een Willem Michiels maken ? Uiteraard blijft het wel Keizer Karel V (1500-1558) die in de andere talen zijn equivalent heeft: Charles Quint (Frans), Carolus (Latijn), Carlo (Italiaans), Carlos (Spaans), Karl (Duits) en Emperor Charles V in het Engels. De gelatiniseerde namen hebben natuurlijk ook verworven rechten: Kilianus (Cornelis van Kiel), Andreas Vesalius (Andries van Wesel), Nicolaus Copernicus (Nikolaus Koppernigk), Petrus Dathenus (Pieter Daets), Justus Lipsius (Joost Lips), Gerardus Mercator (Gheert de Cremer), enz.  We vinden het chique om er nog één aan toe te voegen: Sutorius (van sutor (Latijn)= de Sutter(e), de Zutter(e) of schoenmaker).  Nu hoor ik de onvolprezen dr.fil. Frans Debrabandere al denken: Sutor, ne ultra crepidam !  of schoenmaker blijf bij je leest.  Sutorius Brugensis klinkt ook niet slecht en Sutorius Rodanensis (Aardenburg) ligt me eveneens nauw aan het hart.

Ongevraagde naamsverandering

Mijn grootvader Bernardus Leonardus de Zutter werd in 1864 geboren in Middelburg (Oost-Vlaanderen, België, nu gemeente Maldegem) en huwde aldaar op 18 januari 1893 met Euphrasia Rabout (Middelburg (B) 1871 – Sluis 1940).  Zij vestigden zich datzelfde jaar in het net over de grens gelegen Sluis-Heille.  Daarmee was de stap naar Nederland gezet waar mijn grootvader in 1952 zal overlijden in het ziekenhuis in Oostburg.  Veel Zeeuws-Vlamingen werden geboren waar ze wilden (thuisbevalling), was dat nu Aardenburg, Breskens, Sluis of Cadzand, maar de kans was groot dat ze overleden in het toenmalige streekziekenhuis van Oostburg.  Mijn vader werd in 1913 geboren in Sluis-Heille als Achiel de Zutter maar zal in 1998 overlijden in Oostburg als Achiel Dezutter.  Op 20 mei 1943 was hij gehuwd met mijn moeder Anna Musson (Aardenburg 1917 – Aardenburg 1998).  Hij heette toen nog altijd Achiel de Zutter.  Mijn moeder had de Nederlandse nationaliteit maar omdat ze  huwde met een Belg kreeg zij zelf ook de Belgische nationaliteit !  Toen mijn broer Bernard (roepnaam Bennie) geboren werd in 1944 (overleden in 2010), heette hij uiteraard Bernardus de Zutter.  Daarin kwam verandering toen ik geboren werd in Sluis-Heille op 23 maart 1946: Willy Dezutter.  Na W.O. II namen de ambtenaren van de burgerlijke stand in Zeeuws-Vlaanderen de Belgische gewoonte over om het tussenvoegsel de en van op te nemen als onderdeel van de achternaam.  Dat gebeurde niet in andere delen van Nederland.  Mijn vader had de Belgische nationaliteit, mijn moeder de Nederlandse.  Zelf behield ik de Belgische nationaliteit maar kreeg de Nederlandse er bij door een wettelijke bepaling die stelde dat de derde generatie Belgen die op Nederlands grondgebied verbleven automatisch het Nederlanderschap verwierven en het ook konden behouden.  Dit verklaart waarom ik de dubbele nationaliteit bezit.  Voor het vervullen van de legerdienst werd men voor de keuze gesteld: Nederland of België.  Mijn broer deed zijn legerdienst in Nederland, ik zelf in België.  Vanaf dan was het helder: ik studeerde aan de Universiteit Gent, werd in 1973 conservator in Brugge en mijn zoon Jan (° Brugge 1975) is Belg zonder meer.  De betovergrootvader van mijn grootvader Bernardus de Zutter was Bernardus de Suttere (° Adegem (B) 1756) en diens vader Joannes de Suttere kwam uit Gent.  In 1966 stond ik zelf in Gent en zou er zeven jaar blijven wonen, eerst als student aan de R.U.G. en daarop aansluitend mijn eerste museumfunctie in Gent.  Hiermee was de cirkel rond.  In 1951 verhuisden mijn ouders naar Aardenburg (NL) en vanaf dan tot 1970 was ik ook ingezetene van die gemeente.  Die ongevraagde naamsverandering in 1946 heeft bij mij geen gezondheidsschade veroorzaakt.  Wel krijg ik nog altijd de vraag: aan elkaar of van elkaar ?  Dat is niet zo verbazingwekkend.  Een broer van mijn vader werd Julien De Zutter (1910-1975) en niet Dezutter.  Er was dus ook veel ondoordachte willekeur.  Wie vroeger in België van voornaam wilde veranderen moest daarvoor een lange weg afleggen via de FOD Justitie.  Sinds eind december 2017 kan dat in één dag geregeld zijn aan het gemeenteloket.  Dat kost 490 euro en voor transgenders 49 euro. Het wijzigen van de familienaam kan men niet zomaar verkrijgen aan het loket.  Om van Dezutter weer “de Zutter” te maken dient men een hele procedure te volgen en kost 740 euro.  Er vallen een resem redenen te bedenken om dat niet te doen en dat staat los van de kostprijs.  De koning kan ook nog een korting toestaan!  Zowel het veranderen van een voornaam als familienaam dient altijd gemotiveerd te worden.  In 1946 gebeurde de wijziging ongevraagd en volledig gratis op het gemeentehuis van Sluis.  En er was een onmiskenbaar voordeel: ik hoefde nooit lang in de rij te staan want alfabetisch stond ik gerangschikt onder de letter D en niet Z.  Maar dat was slechts schijn want het aantal familienamen dat met een D werd geschreven was plots spectaculair toegenomen omdat men dat trucje met iedereen had uitgehaald.

Willy Dezutter

1 L. Gilliodts-Van Severen, Inventaire diplomatique des archives de l’ancienne Ecole Bogarde à Bruges. Brugge, 1899, deel I, p.508-511.

2 A. Schouteet, De Sabbatine. Een Brugse vereniging van rechtsgeleerden in de 18de eeuw, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, CXVIII, 1981,1-2, p. 99-111.

God en de Holocaust

Sinds de Belgische kerkjurist Rik Torfs geen rector meer is van de KU Leuven heeft hij nog meer tijd dan vroeger om op kruistocht te gaan tegen het ongeloof.  Voor de rest profiteert hij wellicht gewoon mee van de seculiere verwezenlijkingen van de naoorlogse welvaartsmaatschappij.  Tijdens die Tweede Wereldoorlog zijn er vreselijke dingen gebeurd, zoals het plan van de nazi’s om de Joden uit te roeien.  Het best van al kennen we dat onder de naam Holocaust wanneer we dat willen herdenken.

Volgens betrouwbare schattingen ligt het totaal aantal vermoorde Joden rond de 6 miljoen. Naar het concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz werden ongeveer 1,3 miljoen mensen gedeporteerd, van wie er ongeveer 1,1 miljoen om het leven kwamen, vooral door vergassing.

De eerste grote vergassing en de verbranding van de lijken in een crematorium vond plaats in december 1941 in Auschwitz I.  Het vernietigingskamp Auschwitz II (Birkenau) werd geopend in 1942.  Een veel gestelde vraag is: waar was god op dat ogenblik ?  Prof. Rik Torfs heeft daarop een antwoord geformuleerd in zijn essay “Zijn religies sterker dan ideologieën” (met als ondertitel: “Over de stille kracht van godsdiensten”) dat verscheen in het weekblad Knack van 10 januari 2018. Omdat we begrijpen dat niet iedereen zomaar kan teruggrijpen naar de oorspronkelijk verschenen tekst hebben we het onderdeel “Holocaust” er uitgelicht en citeren we het hieronder letterlijk opdat u onze commentaar die er op aansluit beter kunt volgen.

Holocaust

“Wetenschap en logica zijn sterk genoeg om ideologieën die zichzelf een rationeel imago aanmeten op hun eigen terrein te verslaan.  Maar met godsdiensten ligt het anders.  Je kunt er rationeel over discussiëren – over de Heilige Drievuldigheid bestaan allerlei geleerde theorieën – maar tegelijk is religie meer dan zuivere rede.  Een religieus mens zal nooit van zijn misvattingen genezen door rationele argumenten alleen.  Daarin schuilt de frustratie van de atheïst: hij bouwt een redenering op die sluit als een bus, maar zijn premisse dat je überhaupt redelijk kunt besluiten tot het bestaan, en in zijn geval het niet-bestaan, van God is vanuit religieus perspectief onaanvaardbaar.  God en de Holocaust, ziedaar een thema dat deze problematiek haarscherp illustreert.  De Holocaust is voor veel van onze tijdgenoten een reden om te besluiten dat God niet bestaat.  Want als er een God was, zou hij de gruwel van de kampen nooit hebben toegestaan, zo luidt de redenering.  Ze leggen een oorzakelijk verband tussen de kampen en het niet-bestaan van God.  Dat gebeurt aan de hand van een logische redenering die tot een duidelijke conclusie leidt.  Nu kun je bij de redenering zelf een paar kanttekeningen plaatsen.  De God die niet bestaat heeft welbepaalde, specifieke eigenschappen.  Enkel als God almachtig is en over de middelen beschikte om de Holocaust te verhinderen, kan hij ervoor aansprakelijk worden gesteld.  Alleen wie heel goed weet wie God is, komt op die manier tot het besluit dat hij niet bestaat: een vreemde gedachte.  Maar dit terzijde. Want Gods aansprakelijkheid voor de Holocaust is een thema dat nadere analyse verdient.  Zo schreef een chassidische meester dat een God die zich beperkt tot daden die wij mensen kunnen begrijpen, onmogelijk God kan zijn.  De logische redenering dat een almachtige God op morele gronden niet kan bestaan indien hij de Holocaust toelaat, wordt hier doorbroken.  De chassidische meester zegt tussen de lijnen dat logica fijn is voor de mensen, maar niet voor God.  Kortom, wie waarlijk religieus is, erkent de menselijke logica wel, maar niet als grens van het religieuze denken. De confrontatie tussen de kracht van het menselijke brein en het ondoorgrondelijke van God speelt ook in volgend verhaal.  In een concentratiekamp uiten joden hun woede tegenover God, die hen in zulk een ellendige situatie bracht.  Ze brengen hem voor hun tribunaal, dat hem schuldig verklaart. Daarna richten wie hem net daarvoor hadden veroordeeld, tot hem een gebed.  Ik vind dat een prachtig verhaal, waar de sterkte van het religieuze denken tweemaal in oplicht.  Ten eerste dagen de slachtoffers van de Holocaust God uit.  Braafheid is allerminst een religieuze houding.  Wie God ernstig neemt, reageert niet op hem met onverschilligheid.  De idee dat de mens God ter verantwoording roept, is prachtig.  Zijn veroordeling door diezelfde mens gaat natuurlijk nog een stap verder.  Je zou ze driest kunnen noemen, maar je kunt met reden argumenteren dat de wreedheid van de Holocaust haar perfect rechtvaardigt.  De veroordeling van God zou kunnen leiden tot de ontkenning van zijn bestaan.  Dat ligt in de lijn van de hedendaagse atheïsten die de Holocaust als een argument voor hun positie aandragen.  Het zou, simpel uitgedrukt, de logica zelve zijn.  Maar het religieuze gevoel overstijgt de zuivere rede.  De joden bidden tot de veroordeelde God.  De mens heeft het recht hem ter verantwoording te roepen en te veroordelen, maar dat verhindert niet dat hij God blijft en boven elk menselijk denken en handelen staat, ook als hij daar zelf het voorwerp van is.”

Kanttekeningen

Wij zijn niet zo ijdel te denken dat u zelf niet de juiste conclusies kunt trekken uit de omfloerste redeneringen van Rik Torfs maar toch willen we het nog voorzien van ons eigen commentaar.  Men kan ook nog eens de passages lezen die Karen Armstrong er aan wijdde (1).  Alles staat of valt met een juiste definitie van god.  Dat heeft hij altijd geweigerd zodat het bijna ondoenbaar is om met hem in discussie te treden.  Hoewel hij zichzelf katholiek noemt (hopelijk bedoelt hij rooms-katholiek want zijn bazen, de Belgische bisschoppen zijn dat ook) gaat hij niet akkoord met de gangbare definitie van de christelijke god, de barmhartige en almachtige god, de schepper van hemel en aarde.  Over een god die volmaakt is, algoed, almachtig en alwetend hoor je hem nooit.  Voor hem valt god niet te onderzoeken.  Dat is ook de reden waarom iemand als prof. Etienne Vermeersch dergelijke opponenten een “pierewiet” noemt.  Hij noemt Rik Torfs niet bij naam maar het valt de laatste tijd wel op dat Torfs geregeld op de kap zit van Vermeersch (2).  Wie het schoentje past trekke het aan.  Ook prof. Paul Cliteur kan om dezelfde reden niet overweg met die persoonlijke beleving van het godsbeeld van Torfs.  Over de goedheid en almacht tegenover het kwaad is Etienne Vermeersch zeer duidelijk en het past in ons betoog om hem hiervoor uitgebreid te citeren:

1 Een god die oneindig goed is, zal een wereld willen scheppen waarin geen kwaad en geen lijden voorkomt.

2 Een god die almachtig is en oneindig wijs, kan een wereld scheppen waarin geen kwaad en geen lijden voorkomt.

3 Als de god van het christendom almachtig en oneindig wijs is, zal in de wereld geen lijden en kwaad voorkomen.

4 Welnu, er is zonder twijfel lijden en kwaad in deze wereld.

Het besluit van E. Vermeersch is dan ook zeer helder: ofwel is god dus niet almachtig, ofwel niet oneindig goed en wijs, ofwel niet de schepper van deze wereld.  In elk van die gevallen is hij niet de christelijke god. Het komt er gewoon op neer dat die christelijke god, met zijn specifieke kenmerken, niet bestaat, aangezien er in de wereld lijden en kwaad is (3).  Dit betoog is al heel oud maar niemand heeft ooit een sluitend tegenargument kunnen voorleggen.  Het is slim van R. Torfs om het over een andere boeg te gooien want de kerken blijven gehecht aan dat starre concept van de almachtige god.  Hij mag zich ver wagen maar nu ook weer niet zijn baan aan de universiteit kwijtraken.  Ook in de islam is god uniek, almachtig en alomtegenwoordig. Bij het godsbegrip in de monotheïstische (Abrahamitische) godsdiensten (christendom, jodendom, islamitische godsdienst) liggen de begrippen dicht bij elkaar.  De R.K. kerk stelde in 1965 in de pauselijke verklaring “Nostra Aetate” (“In onze tijd”) dat zowel de joden als de moslims dezelfde ene god aanbidden.  God kan natuurlijk niet aansprakelijk gesteld worden voor de Holocaust.  Dat was mensenwerk net zoals hij nu nog altijd het bezitten en ontwikkelen van massavernietigingswapens toelaat.  In het concentratiekamp uitten de Joden zelf hun woede tegenover god om vervolgens tot hem te bidden. Nu zat god wel niet te wachten op deze aanmaning temeer omdat wetenschappelijk werd bewezen dat bidden niet helpt (4).  Een gebed kan hooguit het effect hebben van persoonlijke voldoening zoals bij alle vormen van meditatie, maar men kan er niets mee afsmeken.  De chassidische meester zoals genoemd door R. Torfs verkeert in dit geval.  Die chassidische meesters waren ultraorthodoxe mystici die stille meditatie gebruikten als een manier om één te worden met de Ein-Sof.  Ze wilden in de stilte god leren kennen in zijn oneindige verborgenheid.  Ook Torfs is zo’n “Stille Rebbe”.  De Ein-Sof is de kabbalistische interpretatie van god die men onmogelijk kan begrijpen.  Op de keper beschouwd is Torfs geen katholiek maar een discipel van de chassidiem.  “God is overal waar je Hem binnenlaat” zei een chassidische meester (uit de 19de eeuw); dat komt goed overeen met de genade die binnenstroomt bij R. Torfs (5).  Alleen geeft hij ook hier weer geen definitie van die genade.  We nemen zelf aan dat het wordt gebruikt in de meest gangbare betekenis: “de bovennatuurlijke hulp die God de mens ter wille van Christus gratis verleent om zijn eeuwige bestemming te bereiken” (6).  De heiligmakende genade zouden we ontvangen bij het doopsel.  Heel die genadeleer lijkt ons nogal fantasievol.  Hij is dus letterlijk “een man van god” waarbij het louter gaat om persoonlijke ervaringen en emoties.  Wanneer je je openstelt voor die genade stroomt ze zo binnen.  Een overdosis lijkt dan ook niet uitgesloten.  God is gewoon een hersenproces en zit in je hoofd.  Wanneer de hersenen sterven, sterft ook god.  Maar een logische geest lijkt ons minder gevaarlijk dan persoonlijke emoties.  Verder meent hij dat de veroordeling van god in Auschwitz en het ontkennen van zijn bestaan in de lijn ligt van de hedendaagse atheïsten.

Die conclusies werden eerst en vooral getrokken door de Joodse schrijvers zelf.  Toen de latere Nobelprijswinnaar voor de Vrede Elie Wiesel in het dodenkamp Auschwitz naar de zwarte rook keek die uit het crematorium op kringelde waarin het lijk van zijn moeder en zijn zuster waren geworpen, wist hij dat zijn geloof voor eeuwig door de vlammen verteerd was.  Zijn roman De Nacht handelt over die verschrikkingen (7).  Waarom kon god de ovens van Auschwitz niet stilleggen ?  Wat toen niet kon lukte zoveel jaren later wel.  Op 13 mei 1981 vond er op het Sint-Pietersplein van Vaticaanstad een aanslag plaats op paus Johannes Paulus II (1920-2005).  Hij werd door vier kogels geraakt maar overleefde het.  Tijdens een dankdienst achteraf verklaarde de paus dat de Heilige Maagd Maria zijn leven had gered door de afgeschoten kogels van hun baan te laten afwijken.  De paus is de plaatsvervanger van Christus op aarde dus is het normaal dat de moeder van Jezus een oogje in het zeil houdt.  God waakte dus over zijn veiligheid net zoals hij dat deed voor Adolf Hitler. Het zegt toch wel iets over de kerkleer: god, de H. Maagd of een willekeurige heilige, kan individuele levens redden maar even goed er honderd tegelijkertijd laten verdrinken in de Middellandse Zee. Wanneer er 99 onschuldigen verdrinken en één wordt gered zegt die doodleuk voor de camera dat hij door god gered werd.  God redt er één, de uitverkorene, en laat de rest aan onschuldige vrouwen en kinderen verdrinken.  De Middellandse Zee als godvergeten massagraf.  Het staat op hetzelfde niveau als de voetballer die scoort, een kruisteken slaat, omhoog kijkt en twee aparte vingers in de lucht steekt.  God heeft het doelpunt gemaakt, de voetballer was slechts het werktuig in gods handen.  Ja maar, zal men zeggen, dat is bijgeloof, een soort dat bij het voetbal hoort en andere sporten.  Maak je daar toch niet druk over.  Rik Torfs geeft geen rationeel antwoord op de vraag of god bestaat; het is voor hem een gevoel.  Dat doet me denken aan al die mensen die een religieuze ervaring krijgen wanneer ze in een ongerept landschap staan (een spirituele ervaring met boomgeesten) maar dat niet ervaren wanneer ze in de richting van rokende schoorstenen kijken.  Hij heeft een mooie schrijfstijl maar het is niet meer dan een intellectuele reflectie op het geloof.

De ovens werden niet stilgelegd

De vraag is niet of god wel of niet bestaat maar waarom hij, zoals in het Oude Testament, geen tekens meer geeft.  Waarom is hij dat verleerd ?  In een tijd dat iedereen met zijn smartphone fotograaf is zou dat veel interessante YouTube-filmpjes kunnen opleveren.  Wereldwijd.  God bemoeit zich niet met de aarde maar dan zitten alle godsdiensten van het boek toch wel met een serieus probleem.  Bij de Holocaust denken we automatisch aan treinen.  De eerste trein in Nederland reed op 20 september 1839 op de spoorlijn Amsterdam-Haarlem.  Bijna 107.000 mensen zijn vanuit kamp Westerbork (Nederland) per trein op transport gesteld.  De eerste was op 15 juli 1942 en nog 96 andere zouden volgen.  Diende god de trein reeds te stoppen in 1839 of op z’n minst toch in 1942 ?  Waarom zou men wachten op het stilleggen van de ovens wanneer men ook de trein kan stoppen ?  De alwetende god wist trouwens al in 1839 wat er in 1942 te gebeuren stond. Het is het verhaal van de hamer waar men een spijker mee in de muur kan slaan maar ook zijn schoonmoeder vermoorden.  Er bestaat dus keuzevrijheid: god bemoeit zich daar niet mee.  Men spreekt dan over “de vrije wil” van de mens.

Tussen 1933 en 1944 werden in totaal 42 aanslagen of pogingen gepleegd op Adolf Hitler.  We onthouden er maar één, die van 20 juli 1944 door kolonel Von Stauffenberg.  Hitler werd slechts lichtgewond.  Von Stauffenberg was alleszins geen werktuig in gods handen, god stond helemaal aan de kant van Hitler.  Het tij was wel aan het keren (D-Day 6 juni 1944), want god staat altijd aan de zijde van het leger met de sterkste kanonnen.  Diende god Hitler voortijdig uit te schakelen ?  In dit geval waren er andere opties mogelijk geweest.  Op de Wanseeconferentie van 20 januari 1942, waar de “Endlösung der Judenfrage” werd beslist kregen noch Reinhard Heydrich noch Adolf Eichmann een hartstilstand toebedeeld door de Almachtige.  De utopische god kreeg geen kans.  Dat is ook maar logisch want hij bestaat niet.  De ovens doven ?  Ze hadden nooit mogen gebouwd worden !  Maar god stimuleert ook de vernieuwing: hij liet gasovens bouwen.  Het probleem van het bestaan van het lijden en het kwaad kan worden beschouwd als de voornaamste argument tegen een geloof in god.  Er is dus alle reden om te twijfelen aan het bestaan van een rechtvaardige god (de “theodicee-kwestie”).  Het is ook het verhaal over het kwaad dat goede mensen treft.  Op een ongevoelige god zit niemand te wachten.  Het idee van een persoonlijke god, ongenaakbaar en verborgen, valt nog door niemand te verdedigen (8).  Wat Auschwitz betreft is één ding zeker: ze werden door geen enkele god van de monotheïstische godsdiensten gered.  Das Böse darf und dürfte nicht sein, aber es ist.  God geeft dus aan de mensheid de vrijheid om te martelen en te doden.  God is liefde.  Straks zal men nog beweren dat de Holocaust een verdiende straf van god was.  In ieder geval behoorde het tot gods ondoorgrondelijke wijsheid.  Het oude verhaal van het lijden als genezing van onze zonden.

God heeft nu eenmaal andere maatstaven dan de mensen. Straks moeten we nog medelijden krijgen met hem; de god die zelf lijdt.  We hebben daar onze twijfels bij, want hij was geenszins geschokt door de Holocaust want later volgden nog volkerenmoorden in Cambodja, Rwanda, Bosnië.  Bij de genocide in 2017 tegen de Rohingya-moslims in Myanmar was het Allah die weer zat te slapen zoals die keer in Srebrenica (Bosnië) in 1995.  De god van liefde is steeds ver te zoeken.  Maar dat was reeds bekend bij de verlichtingsfilosofen die wezen op de dodelijke aardbeving van Lissabon in 1755 die tevens gepaard ging met een tsunami.  Van de 200.000 inwoners werden er 30.000 – 40.000 gedood en 85 procent van de stad werd verwoest.  Voortschrijdend inzicht verplaatste de problematiek van lijden en kwaad ook naar de dierenwereld (9).  We grijpen tot slot terug naar de filosofische formulering die we vinden bij de Griekse filosoof Epicurus (371-342 v.o.t.) en parafraserend komt dat neer op de krachtige quote die er werd van afgeleid:

Als God almachtig is, had Hij de Holocaust kunnen voorkomen.

Als Hij niet in staat was hem tegen te houden, is Hij onmachtig en nutteloos; als Hij hem wel had kunnen tegenhouden, maar verkoos het niet te doen, is hij een monster (10).

Dat inzicht is gebaseerd op het tekstfragment of tetralemma van Epicurus zoals te lezen bij de vroegchristelijke schrijver Lactantius (ca. 250-320). De volledige weergave geven wij in een aparte notitie (11) omdat het nog altijd zo’n krachtig bewijs vormt voor het niet-bestaan van de christelijke en joodse god.  Maar weet het maar zeker: de Bijbelse god is in Auschwitz gestorven.  Toch zullen er altijd mensen blijven bestaan die niet in de mens zelf geloven en daarvoor een hoger wezen nodig hebben.  Maar in de Kerk is er altijd plaats voor vergeving.

Willy Dezutter

1 Karen Armstrong, Een geschiedenis van God. Vierduizend jaar jodendom, christendom en islam. De Bezige Bij, Amsterdam, 2006, p. 415-416.

2 Lisbeth Imbo, Mag God nog ? Een vrijzinnige, een christen en een moslim in gesprek. Paul Cliteur – Rik Torfs – Khalid Benhaddou. Uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts, Gent, 2017, p. 144

3 Etienne Vermeersch, Over God. Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2016, p. 34-36.

4 Michael Shermer, Gebed en genezing. Het verdict is duidelijk: de resultaten zijn nihil. In: Wonder en is gheen Wonder (tijdschrift voor wetenschap en rede van Skepp), 2006, 2, p. 11-12 met opgave van de Engelstalige literatuur. Uiteraard allemaal dubbelblind en placebogecontroleerd onderzoek. Ook zeer expliciet Johan Braeckman en Maarten Boudry, De ongelovige Thomas heeft een punt. Een handleiding voor kritisch denken. Antwerpen, 2012, vierde druk, p. 213-219 over wetenschappelijke studies over bidden.

5 Lisbeth Imbo, Mag God nog ?, p. 139.

6 Van Dale Grootwoordenboek van de Nederlandse Taal. Utrecht-Antwerpen, viertiende herziene uitgave, 2005, p. 1143. Het is wel een lexicografische omschrijving die op de lachspieren werkt.

7 Elie Wiesel, De Nacht (Hilversum, 1986), de Nederlandse vertaling van La Nuit (Paris, 1958).

8  Aanbevolen literatuur: Victor J. Stenger, God een onhoudbare hypothese.  Hoe de wetenschap bewijst dat god niet bestaat. (Ned. vert.), Uitgeverij Veen, Diemen, 2008, o.m. zijn hfst. VIII over “Redeneren over het kwade”, pp. 191-199.

9 Nicola Hoggard Creegan, Animal Suffering & the Problem of Evil. Oxford University Press, 2013.

10 Karen Armstrong, op.cit. p. 416.

11 Zie onze aparte bijdrage over “Epicurus over god en het kwaad” en de Bijlage over het “Dilemma Epicureum” op deze blog.

 

Epicurus over god en het kwaad

Centraal in de filosofie van de Griekse wijsgeer Epicurus (ca. 341-270 v.o.t. = voor onze tijdrekening) staat het persoonlijk geluk dat men kan bereiken door zoveel mogelijk pijn en verdriet te vermijden.

Hij bezwoer ook de angst voor de dood: “Heb geen angst voor de dood, want zolang wij er zijn is de dood er niet en als de dood er is, zijn wij er niet meer”.  Hij heeft de mensen ook bevrijd van bijgeloof en vrees voor de goden.  De waarneming is volgens Epicurus de enige bron van kennis.  Natuurlijk beschouwden de kerkvaders (de leraren van de vroegchristelijke kerk) hem als een ketter.  Al 2300 jaar geleden ontwikkelde hij een filosofie die inging tegen de religie en mystiek.  Veel van zijn geschriften zijn verloren gegaan en andere, dikwijls slechts fragmenten, werden overgeleverd door latere schrijvers uit de oudheid.  Dat is niet zo uitzonderlijk want zoals iedereen weet, kennen we het werk van Socrates (toch de stichter van de westerse filosofie) voornamelijk via Plato.  Of denk aan de weinig bekende filosoof Celsus die rond 178 o.t. het “Ware woord” schreef, een kritisch boek over het christelijk geloof.  Dit boek bleef niet bewaard maar we kennen de hoofdlijnen omdat Origines het bestreed in zijn “Contra Celsum” uit 248.  Eén van die fragmenten van Epicurus handelt over zijn bekende stelling waar hedendaagse theologen nog altijd mee worstelen en dat terug te vinden is in de “De ira Dei” (“De toorn Gods”) van de vroegchristelijke schrijver Lactantius (ca. 250-320 o. t. = onze tijd).  Het luidt als volgt:

“Ofwel wil God het lijden wegnemen en kan Hij het niet.  Ofwel kan Hij het en wil Hij het niet wegnemen.  Ofwel wil Hij het niet en kan Hij het niet.  Ofwel wil Hij het en kan Hij het.  Indien Hij het wil en niet kan, is Hij onmachtig, wat niet overeenkomt met God.  Indien Hij het kan en niet wil, is Hij ongenadig, iets dat aan God evenzeer vreemd moet zijn.  Indien Hij het niet wil en niet kan is Hij zowel ongenadig als onmachtig en derhalve ook geen God.  Indien Hij wil en kan – en dat is het enige wat God past – vanwaar komt dan het kwaad en waarom neemt God het niet weg ?” (1)

Ter vergelijking geven wij hier ook de vertaling van prof. E. Vermeersch en voor alle duidelijkheid ook de weergave van de oorspronkelijke tekst zoals te vinden bij Lactantius.  E. Vermeersch tekent daarbij aan: “Dat is een volstrekt logische redenering waar je geen speld kan tussen krijgen” (Dirk Verhofstadt, op.cit. p. 85).

“Ofwel wil God het kwade uit de wereld wegnemen, maar kan hij het niet; ofwel kan hij het, maar wil hij het niet.  Ofwel wil hij het niet en kan hij het niet; ofwel wil en kan hij het. Indien hij het wil en niet kan , is hij onmachtig. Indien hij het kan en niet wil, heeft hij ons niet lief.  Indien hij het wil noch kan, is hij noch goed noch almachtig.  Indien hij het wil en kan – en dat is het enige dat God past -, vanwaar komt dan het feitelijk kwaad en waarom neemt hij het niet weg ?” (2)

“Deus, inquit, aut vult tollere mala et non potest, aut potest et non vult, aut neque vult neque potest, aut et vult et potest.  Si vult et non potest, inbecillus est, quod in deum non cadit; si potest et non vult, invidus, quod aeque alienum est a deo; si neque vult neque potest, et invidus et inbecillus est ideoque nec deus; si et vult et potest, quod solum deo convenit, unde ergo sunt mala aut cur illa non tollit ?”

Dit deductief argumentatieschema rekent men tot de formele logica en heet een “modus tollens”, het ontkennen door de ontkenning (3).  Men noemt het ook wel een “tetralemma”.  Prof. Victor J. Stenger geeft in zijn boek een groot aantal van dergelijke tegenbewijzen (4).  Volgens de Duitse klassieke filoloog prof. Reinhold F. Glei (Universiteit Bochum) is dat fragment niet van Epicurus maar komt het uit een andere academische bron (5) maar dat zegt natuurlijk niets over de geldigheid van de argumenten.  Het werk van Lactantius werd door Jacques-Paul Migne opgenomen in de Patrologia Latina (PL 7, 121) en de originele tekst is digitaal beschikbaar (6).  Lucretius, de Romeinse dichter uit de 1ste eeuw v.o.t. heeft in zijn “De Rerum Natura” de hele leer van Epicurus in dichtvorm uiteengezet.  Later heeft men gepoogd om Epicurus in een kwaad daglicht te stellen door het te laten voorkomen alsof alles draait rond het streven naar zinnelijk genot.  In feite streefde hij en zijn aanhangers naar een optimale gelukstoestand gespreid over een lange tijd: zoveel mogelijk genieten van het leven maar zonder overdaad te doen.  Het gaat niet over het maximaliseren van hedonisme maar het bereiken van gemoedsrust en onverstoorbaarheid (de “ataraxia”).  Nu zou hij tegen de ratrace zijn in onze maatschappij en aandacht hebben voor milieuproblemen.  In zijn tijd bestonden er nog geen auto’s en dus heeft hij het ook niet over de CO2-uitstoot.  Wij moeten hem dus interpreteren, iets dat we ook met de Bijbel moeten doen waarin ook niks te vinden is over kernenergie.  De hedendaagse theologen en (christelijke) filosofen hebben er niets beter op gevonden dan het godsbegrip te verruimen om zo te ontsnappen aan het dilemma van een almachtige, alwetende en moreel perfecte god.  De theïsten moeten dan ook steeds maar nieuwe strategieën bedenken.  Maar zelfs wanneer men het kwaad overlaat aan “de vrije wil” van de mens ontslaat dat god (die niet bestaat) daarmee nog niet van zijn goddelijke verantwoordelijkheid.  Voor het duiden van het persoonlijke kwaad zitten ze steeds in het defensief, maar voor het natuurlijk kwaad (bijv. een aardbeving) heeft men de oplossing gevonden: dat is het werk van Satan! (7)

Willy Dezutter

Deze bijdrage over Epicurus is een addendum bij ons artikel “God en de Holocaust” op deze blog.

1 Vertaling prof. dr. Palmyre Oomen, Radboud Universiteit Nijmegen. Palmyre M.F. Oomen, Lijden als vraag naar God.  Een bijdrage vanuit Whitehead’s filosofie, in: Tijdschrift voor Theologie 34 (1994), p. 248.  Oomen vertaalt “mala” de eerste keer als lijden en de tweede keer als kwaad.  Het is juister om “mala” (zelfst. nw. kwaad = malus) te vertalen als kwaad zoals E. Vermeersch doet.  Zie voor de Duitse vertalingen onze Bijlage over het “Dilemma Epicureum” waar het kwaad of het kwade iedere keer als “Übel” wordt vertaald.  In de Engelse vertalingen gebruikt men consequent twee maal het woord “evil”, idem in de Franse vertalingen “le mal” of “des maux”.

2 Dirk Verhofstadt, In gesprek met Etienne Vermeersch. Een zoektocht naar waarheid. Houtekiet, Antwerpen – Utrecht, 2011, p. 85.

3 Stanford Encyclopedia of Philosophy (editie 2015): Ancient Logic: The Stoics o.a. Epicurus.

4 Victor J. Stenger, God een onhoudbare hypothese. Ned. vert. Uitgeverij Veen, Diemen, 2008, p. 33-36 en met verwijzing naar M. Martin en R. Monnier (red.), The Impossibility of God. Amherst, New York, 2003, p. 59 voor het probleem van het kwaad. (zie hieronder)

  1. Als God bestaat, dan zijn de eigenschappen van God niet in tegenspraak met het bestaan van het kwaad.
  2. De eigenschappen van God zijn in tegenspraak met het bestaan van het kwaad.
  3. Daarom bestaat God niet en kan ook niet bestaan.

5 Reinhold Glei, Et invidus et inbecillus. Das angebliche Epikurfragment bei Laktanz, De ira Dei 13, 20-21, in: Vigiliae Christianae 42 (1988), 1, pp. 47-58.  Dit tijdschrift is “A Review of Early Christian Life and Language” uitgegeven door E.J. Brill, Leiden.

6 www.documentacatholicaomnia.eu /02m/0240-0320­,_Lactantius_De_Ira_Dei_MTL.pdf

7 Een goed verzamelwerk is M.M. Adams & R.M. Adams (red.) The Problem of Evil, Oxford University Press, Oxford, 1990 o.m. William Rowe, The Problem of Evil and Some Varieties of Atheism, pp. 126-137.

Bijlage

Hieronder volgt de Duitse vertaling van Prof. Reinhold Glei (p. 46 a.w. zie voetnoot 5).

“Entweder, so sagt er, will Gott die Übel aufheben, kann er aber nicht, oder er kann es zwar, will aber nicht, oder kann nicht und will auch nicht, oder will es und kann es.  Wenn er will und nicht kann, is er schwach, was Gott nicht zutrifft; wenn er kann und nicht will ist er miszgünstig, was mit Gott ebenso unvereinbar ist; wenn er weder will noch kann, ist er miszgünstig und schwach zugleich und daher kein Gott; wenn er aber will und kann, was allein Gott zukommt, woher kommen dan die Übel, oder warum hebt er sie nicht auf ?”

Ter vergelijking geven wij hier de Duitse vertaling van hetzelfde “argumentum Epicuri” uit de gepubliceerde dissertatie van Jan Baucke-Ruegg (Die Allmacht Gottes,1998, p. 39) (1).

“Entweder will Gott die Übel beseitigen und kann es nicht, oder er kann es und will es nicht, oder er kann es nicht und will es nicht, oder er kann es und will es.  Wenn er nun will und nicht kann, so ist er schwach , was auf Gott nicht zutrifft. Wenn er kann und nicht will , dann ist er miszgünstig, was ebenfalls Gott fremd ist.  Wenn er nicht will und nicht kann, dann ist er sowohl miszgünstig wie auch schwach und dann auch nicht Gott.  Wenn er aber will und kann, was allein sich für Gott ziemt, woher kommen dann die Übel und warum nimmt er sie nicht weg ?”

Bauke-Ruegg verwijst niet naar R. Glei en gaat er van uit dat het een tekst is van Epicurus zoals aangegeven door Lactantius.  Ook in de internationale literatuur houdt men vast aan Epicurus omdat het zo bekend staat.

We zullen hier niet grondiger ingaan op die Duitse vertalingen want dan dienen we ook Engelstalige en Franstalige equivalenten erbij te betrekken en wordt het een filologische studie.  Tot slot merken we op dat ook alle vertalingen van de Bijbel van elkaar verschillen.  De Rooms-Katholieke Kerk zag zeer lang de vertaling het liefst teruggaan op de Vulgaat (de vertaling in het Latijn door Hiëronymus, datering tussen 390 en 405 o. t.). In 1975 verscheen dan de Willibrordvertaling waar de godsnaam “Jahwe” werd vervangen door “Heer”.  Het boek Psalmen werd vertaald door de dichteres en classica Ida Gerhardt en haar partner de letterkundige Marie van der Zeyde.  De tweede, geheel herziene versie verscheen in 1995.  Daarin werd het vrouwonvriendelijk taalgebruik geweerd !   De gereformeerd-protestanten houden streng vast aan de Statenvertaling (Synode van Dordrecht 1618) hoewel er sinds 2014 ook een vertaling bestaat in “gewoon” Nederlands.  Die laatste van het Nederlands Bijbelgenootschap is echter minder plechtstatig en dan denken sommigen algauw dat god zelf niet aan het woord is (2).

Willy Dezutter

  • Jan Baucke – Ruegg, Die Allmacht Gottes. Systematisch-theologische Erwägungen zwischen Metaphysik, Postmoderne und Poesie. Uitgegeven door Walter de Gruyter, Berlin – New York, 1998, p. 39.
  • We vonden nog een leuk tetralemma, weliswaar niet van Epicurus en niet van dezelfde draagwijdte, maar gezien de weersomstandigheden bij ons valt het bijna dagelijks uit te testen:

Als het regent , word ik nat.

Ik word niet nat.

Dus: het regent niet.

Voor het deductief redeneren en de geldigheid van syllogismen, zie : Marc Brysbaert, Psychologie. Academia Press, Gent, 2006, pp. 364-369.

Gods mysterie in Sutherland Springs

In Knack (2018, 2) schreef kerkjurist en mediafiguur Rik Torfs een essay over “Zijn religies sterker dan ideologieën ?”  Hij heeft het daarin over de stille kracht van godsdiensten.  Hij stelt god buiten de logica en roemt de ruimte die religie laat voor het mysterie.

Waar hij aan voorbij gaat is het Gods mysterie van Sutherland Springs.  Op 5 november 2017 schoot de ex-militair Devin Kelley 26 kerkgangers dood in de “First Baptist Church” van Sutherland Springs in Texas.  Die kerkbezoekers werden lukraak doodgeschoten.  Natuurlijk was de dader zwaar gestoord.  Voor de overlevenden gaat alles gewoon verder.  Het kerkgebouwtje stroomt vol met dorpelingen en dominee Frank Pomeroy plaatst alles in zijn juiste perspectief: het behoort bij het lijden van christenen, er zijn immers al vele christenen geweest die gestorven zijn voor het geloof.  De journalist Michael Persson tekende de reacties op van de nabestaanden (Zeno/De Morgen, 30.12.2017) die het doodleuk beschouwden als een gevecht van God met Satan.  Het lichaam van Christus werd aangevallen maar dat zorgde voor een revival onder christenen.  Satan fungeerde als katalysator voor god en daarmee heeft deze tragedie ook een goede kant.  Een overlevende worstelt dan weer met grote schuldgevoelens want hij weet niet welke bedoeling god met hem heeft.  Voor de gestorven kinderen valt het uiteindelijk ook wel mee.  Die hebben wellicht even pijn geleden maar de beloning is groot want ze zijn nu immers in de hemel.  Ik zou zeggen: groot en klein, waar wachten wij nog op ?  Alles wordt toegeschreven aan de goddelijke voorzienigheid: de één moest sterven, de ander overleefde. Wanneer god iemand laat sterven, heeft hij daar een bedoeling mee.  Dat is gods mysterie. Uiteindelijk kon iemand de dader neerschieten.  Die was dan weer een werktuig in gods handen.  Zelf zegt hij daarover: “Kennelijk vond God het genoeg. God kan het kwaad niet tegenhouden maar hij kan ingrijpen. Hij had overlevenden nodig om het verhaal te vertellen”.

Het gaat hier natuurlijk over de god van de evangelische kerk in Amerika die ook wel eens iemand durft te genezen tijdens een healing.  De extatische dominee is dan de bemiddelaar en Jezus doet het echte werk.  De god van de katholieken is de jongste decennia heel wat bedaarder geworden.  Zelfs de wonderen uit het Nieuwe Testament worden door katholieke theologen niet meer als dusdanig erkend.  Er genezen nu nog altijd in bepaalde bedevaartsoorden personen van een psychosomatische ziekte maar verloren ledematen groeien niet terug aan.

Rik Torfs wenst graag het mystieke te benadrukken gevolgd door zijn typisch monkellachje.  Hij hanteert in godsdienstzaken graag de ironie.  Hij weet wel waarom; als “Bekende Vlaming” kan hij het zich niet permitteren om als idioot beschouwd te worden.  Hij spiegelt daardoor de mensen iets voor dat onbereikbaar is voor iedereen die niet over de voor hem noodzakelijk geachte genade beschikt.  Bestrijd de irrationaliteit en voorkom daarmee godsdienstwaanzin.  Dat is beter voor de geestelijke hygiëne en voorkomt jihadistische aanslagen bij diegenen die god gelijkstellen aan Allah . Ook die gaan rechtstreeks naar het paradijs.

Willy Dezutter