Category Archives: Geschiedenis

Brugse kunstpublicaties en hun bibliografie

Het boek Anne van Oosterwijk (red.), Vergeten Meesters. Pieter Pourbus en de Brugse schilderkunst van 1525 tot 1625 (Groeningemuseum, Brugge, 2017, 347 pp.) is ongetwijfeld een standaardwerk voor de behandelde periode (1).  Vooral de ontrafeling van die hele schildersfamilie Claeissens is verhelderend.

De Brugse kunsthistoricus J.L. Meulemeester, de onbetwiste specialist inzake christelijke iconografie en liturgie, gaf in zijn bespreking reeds enkele iconografische aanvullingen (Brugs Ommeland, 2018, 1, p. 3-20).  Aanvullingen die allemaal juist zijn.  Er is echter een groot manco in de studie van A. van Oosterwijk en medewerkers, namelijk de weergave van een onvolledige bibliografie.  Wat baat het bijv. om naar Bartsch, Rembry en Brulliot te verwijzen wanneer die niet in de bibliografie staan ?  Om het notenapparaat te reduceren werd aan elke auteur overgelaten om bij de catalogusnotities zelf de bibliografische verwijzingen op te geven.  Dat gebeurde volgens de regels van de kunst.  Het was een goede oplossing om op het einde van het boek dan terug te koppelen naar de bibliografie (p. 338-347).  Maar dan moet men zijn huiswerk wel goed maken.  Tientallen bibliografische verwijzingen vanuit de notities (het wetenschappelijk bewijsmateriaal) kregen geen vermelding in de bibliografie.  Het wegvallen van een gedeelte van het notenapparaat maakt deze publicatie op slag onwetenschappelijk en moeilijk raadpleegbaar voor niet ingewijden.

De bibliografie samenstellen is het laatste en lastige werkje maar vereist zorgvuldigheid omdat het de basis vormt.  Het is dan ook P. Roberts -Jones en niet Robert-Jones, en Duverger, Onghenae en Van Daelen = Van Daalen. P.K. van Daalen (1924-1986) was de directeur van het Zeeuws Museum in Middelburg (Ned.).  Die foute opgave werd dan weer geciteerd door J.L. Meulemeester (a.w. p. 6) waarmee we bewijzen dat slecht basiswerk toch het vertrouwen kan genieten.  In de dankbetuiging achterin het boek worden “de fijne collega’s” van Musea Brugge bedankt.  Dat is ooit anders geweest.  In 2002 was er in Brugge de tentoonstelling “De eeuw van Van Eyck” (2) en de catalogusnotities werden niet ondertekend.  Manfred Sellink was toen hoofdconservator van de Stedelijke Musea van Brugge (van 2001-2014) en commissaris van de tentoonstelling.  Het verzuimen om de notities te laten ondertekenen is intellectueel oneerlijk èn onwetenschappelijk .  Bij de “Vergeten Meesters” staan de initialen van de auteurs vermeld en de namen worden netjes verklaard in de lijst van afkortingen (p.116).  Dat is de verdienste van de nieuwe directeur Till-Holger Borchert die beseft dat men de vorser in zijn waarde moet laten.  In het mooie boek “Colard Mansion” (3) worden de auteurs onder elke notitie met de volledige naam vermeld: in typografisch rood.  Het mag terecht wat opvallen.  In de noten gebruikt men weliswaar afkortingen maar men blijft niet in de mist hangen want de bibliografie die het boek afsluit is compleet.

Het Engels is een wereldtaal

In 1999, het Keizer Karel-jaar, verscheen bij het Mercatorfonds een boek van 520 blz. in een Nederlandse, Franse en Engelse versie.  In 2000 volgde een Duitse en Spaanse vertaling.  Toen was dat nog heel gewoon.  Bij de Stedelijke Musea van Brugge (lees: het Stadsbestuur) was het altijd de gewoonte dat er bij een internationale tentoonstelling een catalogus verscheen in het Nederlands en in het Frans.  Daar kon ook nog een Engelstalige versie bij komen indien dit opportuun werd geacht.  De Colard Mansion-tentoonstelling vond plaats in het Groeningemuseum maar het boek verscheen exclusief in het Engels.  Alles verandert en wij veranderen mee.  Er waren geen betogingen in Brugge en ook elders niet.  Maar we vinden dat men toch wel een Nederlandstalige spin-off had kunnen voorzien voor een breder publiek.

Roberto Martinez is een Spaanse voetbalcoach die in 2016 door de unitaire voetbalbond, de Koninklijke Belgische Voetbalbond (KBVB) werd aangesteld als bondscoach van België.  We zagen hem voldoende in actie tijdens het WK voetbal in 2018.  Hij communiceert in de media niet in het Nederlands of in het Frans maar in het Engels.  De website van de KBVB is in het Nederlands, Frans, Engels en Duits.  In die volgorde, terwijl het Duits wettelijk de derde bestuurstaal is van België.  De bondscoach Gérard Linard spreekt enkel Frans.  This must be Belgium.  De taalwetten gelden voor de openbare besturen en niet voor privéondernemingen zoals de KBVB.  We gaan dat dan ook niet verder uitdiepen (4), het gaat hier op de eerste plaats om een boekrecensie.  En dan nog enkel over de incomplete bibliografie.  Maar de uitspraak van Jozef Deleu uit 1987 wordt weer eens bewaarheid: “Wij leven in het Vlaanderen van de twee snelheden: de technologisch-economische, die de grootste aandacht krijgt, en de sociaal-culturele, die zich tevreden moet stellen met de kruimels van de tafel.  Het mythische Vlaanderen van de flaminganten wordt ingeruild voor het cynische Vlaanderen der commerçanten” (5).  Ook daar speelt het Engels een rol als taal van de digitale ontwikkelingen en globalisering.  En dat valt niet meer te stoppen.

Het standaardwerk over de geschiedenis van Brugge van A. Duclos, Bruges:Histoire et Souvenirs verscheen in 1910 in het Frans.  Dan was het vele jaren wachten op het boek in het Nederlands van J.A. Van Houtte, De geschiedenis van Brugge (Tielt,1982).  En anno 2018 is het gedaan met het Nederlands.  Onlangs verscheen voor de prijs van 130 euro “Medieval Bruges, c.850-1550” van Andrew Brown en Jan Dumolyn (6).  Het werd uitgegeven door Cambridge University Press dus is het maar normaal dat dit in het Engels verscheen.  Het is goed voor de wereldwijde positionering van Brugge en dat geldt al evenzeer voor het boek over Colard Mansion.  Aangezien er nog geen Nederlandstalige spin-off verkrijgbaar is, betreft het ook hier weer een boek voor specialisten en blijft de geïnteresseerde Bruggeling die belangstelling heeft voor de geschiedenis van zijn stad op zijn honger zitten.  Maar bibliografisch, het uitgangspunt van onze beschouwingen, valt er enkel lof te rapen.  In de voetnoten gebruikt iedere auteur een volledige bibliografische verwijzing die nog eens wordt hernomen in de “Select Bibliography” achterin in het boek (p. 502-527).  Ook de index op p. 529-549 vergemakkelijkt het gebruik.  Had men maar hetzelfde gedaan in de “Vergeten Meesters”. Maar elk nadeel heeft zijn voordeel.  Anders waren we er niet toe gekomen om dit overzicht te maken.

Willy Dezutter

  1. Anne van Oosterwijk (red.), Vergeten Meesters. Pieter Pourbus en de Brugse schilderkunst van 1525 tot 1625. Uitgeverij Snoeck, Gent, 2017, 347 p.  Dit boek vormde de catalogus van de gelijknamige tentoonstelling in het Groeningemuseum van Brugge van 13 oktober 2017 tot 21 januari 2018. Deze tentoonstelling werd beperkter hernomen onder de titel “Pieter Pourbus meester-schilder uit Gouda” van 17 feburari tot/met 17 juni 2018 in het Museum Gouda.  Het is tegenwoordig de gewoonte om in een boek, om commerciële redenen, enkel goed verstopt te verwijzen naar de tentoonstelling.  Eigenlijk is een kunsttentoonstelling nog enkel het experimenteerterrein voor een boek.  De kunstwerken zijn de proefkonijnen die op allerlei mogelijke manieren technisch worden doorgelicht (radiografie, infraroodfotografie, e.d.)
  2. Till-Holger Borchert, De eeuw van Van Eyck 1430-1530. De Vlaamse Primitieven en het Zuiden. Ludion, 2002, 280 p.
  3. Evelien Hauwaerts, Evelien de Wilde en Ludo Vandamme (eds.), Colard Mansion. Incunabula, Prints and Manuscripts in Medieval Bruges. (Musea Brugge en Openbare Bibliotheek Brugge, Uitgeverij Snoeck), 2018, 253 p.  Prijs: 39 euro.  Het is zijn prijs dubbel en dik waard.
  4. We verwijzen daarvoor naar de website van de Vlaamse overheid. De “taalwet bestuurszaken” uit 1966.
  5. Jozef Deleu, De pleinvrees der kanunniken.  Uitgeverij Kritak, Leuven, 1987.
  6. Andrew Brown en Jan Dumolyn (eds.), Medieval Bruges c.850-1550. Cambridge University Press, 2018, 549 p.  En dan gaat dit alleen nog maar over de Middeleeuwen.  Er kan, voordat de 21ste eeuw verstrijkt, nog gewerkt worden aan een boek over Brugge in de 16deeeuw, de 17de, 18de, 19deen 20ste.  Zes afzonderlijke boeken over de geschiedenis van Brugge !

Het krijgsgevangenkamp van Zedelgem (1945-1947)

De beste gegevens over het krijgsgevangenkamp van Zedelgem (vraag Biekorf, 2015, afl. 4, p. 506) vindt men in het boek “Brugge Garnizoensstad” (Brugge, uitgave  Vriendenkring Memoriaal Militaire Kapel, Brugge, 2008,184 p.) in het hoofdstuk “Militaire aanwezigheid te Zedelgem” (p. 77-100) geschreven door Ludo Meulebrouck, een gewezen officier met kennis van zaken.

Op p. 85-87 handelt hij over de POW kampen (Prisoner of War).  Begin 1945 besloot het Britse leger om een krijgsgevangenkamp op te richten in het depot van Zedelgem.  Ook de kazernegebouwen werden bezet door de Britten.  Er waren drie onderkampen.  Een kamp voor hogere en lagere officieren, een kamp voor Duitse soldaten en onderofficieren en dan nog een kamp met verschillende nationaliteiten zoals Oostenrijkers, Armeniërs, Mongolen, Esten, Letten, Litouwers, Roemenen.

Er ontstond ook economische activiteit.  De bakkerij had een capaciteit van 80.000 broden waarmee de hele provincie werd bevoorraad.  De Duitse krijgsgevangenen hebben ook de weg in de duinen tussen Blankenberge en Zeebrugge aangelegd.  Het POW in Zedelgem was niet alleen een strafkamp maar ook militair hospitaal.  Er heersten ziektes en velen stierven door ondervoeding.  Op 9 juni 1945 bracht een delegatie van het Rode Kruis een bezoek aan het kamp en stelde een bezetting vast van 62.000 krijgsgevangenen.  Op 1 april 1947 nam het Belgisch leger het beheer van de kazerne weer over nadat de laatste krijgsgevangenen vertrokken waren.

In 1951 besliste de militaire overheid om er een militaire school voor onderofficieren te openen. Deze Nederlandstalige school en haar Franstalige tegenhanger in Dinant hielden in 2007 op te bestaan.  Vanaf het schooljaar 2007-2008 smolten beiden samen en verhuisde de opleiding naar Sint-Truiden (campus Safraanberg) waar men nog altijd de opleiding kandidaat-onderofficier kan volgen.

Willy Dezutter

De Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (DeVLAG) in Brugge (1940-1944)

De organisatie die tijdens WO II haar intrek nam in boekhandel De Reyghere op de Markt te Brugge heette de DeVlag (uitspraak DéVlag) of voluit de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (1).

Even de geschiedenis opfrissen.  Op 28 mei 1940 capituleerde België.  Dezelfde dag om 8.00u ’s morgens stonden de Duitsers al op de Markt van Brugge.  De collaboratie kon nu ook uit het verborgene treden en haar ware gelaat tonen.  De DeVlag (Deutsch-Flämische Arbeitsgemeinschaft) was al in 1935-1936 ontstaan als een beweging die de uitwisseling trachtte te bevorderen tussen de Duitse en Vlaamse studenten. In de meidagen van 1940 was DeVlag even in verwarring maar vanaf juni herpakte men zich en onder leiding van Jef Van de Wiele (1903-1979), groeide DeVlag uit van een culturele tot een politieke organisatie volgens de principes van het nationaal-socialisme en vormde zij een belangrijk element in de politiek van de SS om België in zijn macht te krijgen (2). Daardoor kwam DeVlag in conflict met het Vlaams-Nationaal Verbond (VNV), tot dan toe de politieke uitdrukking van het Vlaams-Nationalisme. Die strijd zou de evolutie van de collaboratie in Vlaanderen in sterke mate beïnvloeden (3).

Het eerste slachtoffer van DeVlag was de Brugse uitgever-boekhandelaar Lucien De Reyghere (1898-1953) die in 1920 de boekhandel al verhuisd had van hoek Breidelstraat 2 naar het nu nog steeds vertrouwde adres Markt 12.  Lucien De Reyghere stond bekend als anglofiel en besefte het gevaar.  Hij was daarenboven lid van de Brugse loge La Flandre (G.O.B.).  Daar werd hij ingewijd in 1920 en in 1940 was hij er tweede secretaris.  Hij vluchtte in mei 1940, samen met zijn vrouw Yvonne Huybrechts (lid van de loge Aurore (DH) in Brugge sinds de stichting in 1930) en hun twee dochters, met de laatste nog beschikbare boot vanuit Calais naar Engeland.  Daar werkte hij gedurende de oorlog bij de BBC als vertaler Duits-Engels.  De winkel op de Markt werd ontruimd door de DeVlag en omgevormd tot een steunpunt.  Dat pand was natuurlijk zeer goed gelegen om als propaganda-uitstalraam te dienen.  Het was echter een andere Brugse uitgever-boekhandelaar die bij DeVlag een rol zal spelen en meteen een concurrent kon uitschakelen.  Dat was Hendrik Cayman (1894-1946) die eind 1940 op verzoek van Jef Van de Wiele was toegetreden en actief bleef tot eind 1942 (4).  Op 14 november 1940 werd hij inderdaad Celleider van de Cel Brugge van DeVlag.  De lokale zetel was gevestigd op het adres Albert I-plein 9a (nu ’t Zand).  Later vergaderde men nog in een geconfisqueerd café in de Vlamingstraat en bij Cayman thuis in de boekhandel “Cultura” (gesticht 1924) in de Niklaas Desparsstraat 13.

Maar al snel zou er een nieuw vergaderlokaal in zicht komen.  Bij Duitse verordening van 20 augustus 1941 werd de vrijmetselarij in ons land verboden en de bezittingen verbeurd verklaard (5). De “Geheime Feldpolizei” (GFP) deed al één dag na de capitulatie van het Belgisch leger (28 mei 1940), op 29 mei 1940, een inval in de Brugse loge.  Het was de Volksmacht, een andere vereniging uit de collaboratie, met hoofzetel in Gent, die in februari 1942 een antimaçonnieke tentoonstelling organiseerde in het logegebouw in de Beenhouwersstraat met als organisator de beruchte Joris Desbonnet (Gent 1914-Dadizele 1993).  Deze tentoonstelling liep van 7 februari tot 22 februari en telde 6.667 bezoekers.

Affiche van de anti-maçonnieke tentoonstelling uit 1942 (verzameling vzw La Flandre, Brugge)

De eerste week kwamen er 5.807 bezoekers waardoor de sensatielust meteen werd bevredigd.  Wel was het DeVlag die uiteindelijk daar haar intrek nam op 1 maart 1943. Daarover werd triomfantelijk bericht in het Brugsch Handelsblad dat overigens tijdens de oorlog bleef verschijnen en onder sekwester stond van de Duitsers (6).  De DeVlag kon op de volledige steun rekenen van het Brugsch Handelsblad door de figuur van Joe de Troetsel, een Antwerpenaar die in augustus 1941 werd aangesteld als hoofdredacteur (7).  Joe de Troetsel (1911-1994) kwam als oorlogsvluchteling vanuit Antwerpen terecht in Brugge waar hij een afdeling van de Volksverwering stichtte, een anti-joodse organisatie van extreemrechtse signatuur. Begin 1942 trad hij in Brugge toe tot de DeVlag (8).

Foto verzameling Willy Dezutter, Brugge

Het geconfisqueerde logegebouw Beenhouwersstraat 2, hoofdzetel van de DeVlag (1943-1944) (foto verzameling Willy Dezutter, Brugge)

Aan het hoofd van de Brugse DeVlag kwam Viktor (Zeger) Andries (1901-1967) te staan, een leraar van het Brugs Conservatorium.  Deze naaste medewerker van Hendrik Cayman was in juni 1942 zakelijk leider geworden van de Cel Brugge.  Elk kaderlid van DeVlag werd ook verplicht lid te worden van de Germaanse SS Vlaanderen.  Er werd ook een veiligheidskorps gehecht aan DeVlag dat deelnam aan razzia’s zoals die op het kasteel “Drie Koningen” in Beernem van burgemeester Hubert van Outryve d’Ydewalle (1909-1945, bezweken in Duitsland).  Die jacht op verzetsstrijders werd hen na de oorlog bij de berechting zwaar aangerekend met navenante zware straffen.  DeVlag-leider Zeger Andries was op 2 september 1944 met zijn familie gevlucht naar Duitsland maar keerde begin juni 1945 terug naar Brugge.  Hij werkte goed mee met het Krijgsauditoraat in de hoop het vege lijf te kunnen redden.  Op 24 januari 1946 kreeg hij niettemin de doodstraf, een vonnis dat op 7 mei 1946 werd bevestigd bij arrest van het Krijgshof in Gent.  Zijn echtgenote, ook een ijverige medewerkster van de DeVlag in Brugge, zou zich na haar vrijlating uit het interneringskamp van Sint-Kruis (Brugge), hardnekkig blijven inzetten voor de herziening van zijn proces. Via een genademaatregel van de Prins-Regent op 22 januari 1948 werd de doodstraf omgezet in levenslange hechtenis.  Na 1950 kwam hij vrij (9).

Brugge werd bevrijd op 12 september 1944 maar DeVlag had het gebouw al verlaten op 10 september 1944.  In het gebouw was er grote schade maar de vrijmetselaarstempel was niet verwoest.  De vrijmetselaarsloge La Flandre (gesticht in 1881) kon er pas opnieuw vergaderen vanaf 17 februari 1945 (10).  De eerste tempelzitting ging door op 3 maart 1945.  Het hoofdkwartier van DeVlag was dus in de Beenhouwersstraat 2.  Op de borstwering van het logegebouw hing het DeVlag-schild en op de zijgevel stond in grote witte letters “Vlaamsch-Duitsche Arbeidsgemeenschap”.  In de publiciteitskast tegen de buitenmuur maakte men uitsluitend propaganda voor de SS-Man, het propagandablad van de Algemene-SS Vlaanderen.  Het kan verkeren.  De geconfisqueerde boekhandel De Reyghere was dus uitsluitend  propagandakantoor maar niet het zenuwcentrum.

Willy Dezutter

1 Voor de algemene geschiedenis van de DeVlag zie: Frank Seberechts, Geschiedenis van de DeVlag. Van cultuurbeweging tot politieke partij 1935-1945. Gent, 1991

2 Jef Van de Wiele (1903-1979), hoofdredacteur van tijdschrift DeVlag. Hij leidde de DeVlag in de richting van de Waffen-SS. Hij werd SS-Obersturmführer. In 1945 ter dood veroordeeld, in 1946 omgezet in levenslang. Vrijgelaten in 1963, overleden in 1979.

3 Bruno De Wever, Greep naar de macht. Vlaams-Nationalisme en Nieuwe Orde: het VNV. Gent/Tielt, 1994 o.a. deel 2 hoofdstuk 8 Het VNV in de Belgische politiek (1936-mei 1940) en ook deel 3, hoofdstuk 5 Het VNV en de DeVlag. Een belangrijke nabeschouwing van B. De Wever: Van wierook tot gaslucht. De beeldvorming over de Vlaams-nationalistische collaboratie, in: Docendo discimus. Liber Amicorum Romain Van Eenoo, Gent, 1999, p. 607-614.

4 Zie voor Cayman: Andries Van den Abeele, H. Cayman-Seynave en Cultura. Brugse uitgever en boekhandelaar 1928-1944, in: Biekorf, 2008, p. 218-229.

5 Zie vooral: Jimmy Koppen, Passer en Davidster. De strijd van de Duitse bezetter en de collaboratie tegen de vermeende samenwerking van vrijmetselaars en joden in België (1940-1944), Brussel, 2000, p. 43-71.

6 L. Schepens, Brugge Bezet. 1914/1918 – 1940/1944. Lannoo, Tielt-Weesp, 1985, p. 192-195.

7 Kurt Ravyts en Jos Rondas, Het Brugse 1940-1945. Deel 1 Collaboratie en Verzet, Kortrijk, 2000, p. 274.

8 Lieven Saerens, Vreemdelingen in een wereldstad. Een geschiedenis van Antwerpen en zijn joodse bevolking (1880-1940), Lannoo, Tielt, 2000, p. 508.

9 K. Ravyts en J. Rondas, op.cit. p. 314-315. De auteurs baseerden zich op het strafdossier van Viktor (Zeger) Andries.

10 Willy Dezutter, De ledenlijst van de loge La Flandre in Brugge uit 1940. Een sociologische benadering. In: Biekorf, 116 (2016), 2, p. 321 en J. Tyssens en D. Dendooven, (red.) De Heeren Broederkes van den Moortelbak. 250 jaar vrijmetselarij in West-Vlaanderen. ASP-uitgeverij, 2015, p. 30.

Een onterechte wapenhandelaar

De bouwheer van het kasteel “Veltem” in Sint-Kruis was de reder, handelaar en grootgrondbezitter François-Xavier Bertram (1766-1826), beter bekend als Bertram-Boudeloot, afkomstig uit Nieuwpoort .  Hij bouwde begin 19de eeuw een mooi kasteel in Empirestijl (1) dat helaas in 1968 werd afgebroken om in 1970 plaats te maken voor Interbad.  Bertram was rijk geworden omdat hij als reder beschikte over een grote vissersvloot en in de Franse tijd licenties kreeg om over zee internationaal handel te drijven.

Hij werd ook ingewijd bij de Brugse loge “La Réunion des Amis du Nord” waar hij in 1813 Achtbare Meester was.  In 1825 betaalde hij nog zijn lidmaatschapsbijdrage.  In 1826 werd hij kerkelijk begraven op Sint-Kruis en een memorieplaat aan de zuidkant van de Kruisverheffingskerk herinnert daaraan.  We zullen hier zijn biografie niet schrijven – een goede aanzet is alvast gegeven in een recente publicatie van Marc Carlier (2) – maar enkel wijzen op de manier hoe hij afgeschilderd werd als een wapenhandelaar.

In 1990 verscheen er een artikel over de geschiedenis van Veltem waar de auteur M. Verbeke (3) François Bertram omtoverde tot een wapenhandelaar.  Het Franse woord “armateur” werd verkeerd vertaald en zo werd een reder een wapenhandelaar.  Die verkeerde vertaling werd door Otmar Delanote (4) overgenomen en zo verscheen onze wapenhandelaar op internet waar hij nooit meer zal verdwijnen.  Het onheil was geschied en vond ook zijn weg naar een wijd verspreide publicatie van de Stad Brugge uit 2011 (5).  Aan het beroep van wapenhandelaar kleeft nogal vlug de connotatie van illegale wapenhandel dus doen we er alles aan om dat bij Bertram weg te nemen. Zeker wanneer men zijn fortuin daar zou willen aan toeschrijven. Maar anderzijds was hij natuurlijk door een moderne bril bekeken ook niet brandschoon. Hij was opkoper van verbeurdverklaarde kerkelijke goederen (het zogenaamde “zwart goed”) en als Fransgezinde handelaar zou men hem nu een economische collaborateur noemen.

Onjuiste feiten die de geschiedenis hebben vervalst, zijn van alle tijden.  Ook nu spreekt men weer veel over “fake news”. We zwijgen dan nog over de Griekse vertaling van de Hebreeuwse bijbel waar men van een “jong meisje” een maagd maakt.  We weten allemaal wel wie uit die maagd geboren werd.

Willy Dezutter

1 Een foto in R. Duyck, Sint-Kruis.  Geschiedenis van de Brugse rand. Brugge, 1987.

2 Marc Carlier, De laatste Brugse rederijkers.  Brugge, 2017, p. 170-171.

3 Martin Verbeke, Bijdrage tot de geschiedenis van Veltem, in: Arsbroek, Kring Hervé Stalpaert, jaarboek 7, 1990, p. 11.

4 Otmar Delanote, De geheimen van Sint-Kruis ontsluierd via de oude buurtwegen.  Koninklijke Gidsenbond van Brugge, 2006, p. 57 en online users.skynet.be/fc 140012/pdf

5 Brigitte Beernaert en Patrick Cardinael, Brugge natuurlijk… Natuurgebieden, bossen en parken in de Brugse rand.  Stad Brugge, 2011, p. 87 bij bespreking Veltem.

 

Een onrustwekkende verdwijning (Brugge, 1829)

In “Den Landmansvriend” van 27 november 1829 (een Gents blad dat tweemaal per week verscheen op dinsdag en vrijdag), meldde men dat Joachim Antonio de Monteiro (1), een Portugese banneling, uit Brugge verdween.  Hij logeerde bij P. Verhelst, bakker in de Braembergstraat 20.  Hij verliet ’s morgens om 10 uur zijn logement om naar eigen zeggen een wandeling te maken, maar hij keerde niet meer terug.  De politie verspreidde zijn signalement: lengte 5 voet en 4 duim, tamelijk vol aangezicht, zwart haar, grote bakkebaarden, gewone mond en tandeloos, gekleed met blauwe jas met zwarte fluwelen kraag, zwarte vest, grijze broek, laarzen, ronde hoed, zwarte sjaal, wollen handschoenen.  Hij had een wandelstok in olmenhout.  Een tandeloze mond bij jonge mensen werd in die tijd nog als een “gewone mond” opgevat.  Veel Portugezen arriveerden in 1829 in Brugge en Oostende omdat zij zich keerden tegen koning don Miguel (1802-1866), een conservatief en reactionair vorst die Portugal regeerde van 1828 tot 1834. Een burgeroorlog leidde tot zijn afzetting. Wij schreven hier reeds over de casus van de Portugese banneling Guido de Bandella (2) maar algemeen verwijzen we naar de studie van L. Vandersteene (3).  Wij weten niet of ze onze Joachim nog hebben teruggevonden en wat er met hem gebeurde maar in “Den Landmansvriend” van 11 december 1829 waren ze in ieder geval niet mals voor koning Miguel die ze “dezen verachtelyken dwingeland” noemden.

Willy Dezutter

1 De originele schrijfwijze zal wel Joaquim António de Monteiro geweest zijn.  Dit bericht werd ongetwijfeld overgenomen uit een Brugse krant maar daar wordt niet naar verwezen.  Den Landmansvriend was van liberaal-orangistische strekking.

2 W. Dezutter, De Portugese banneling Guido de Bandella (1796-1873), in: Biekorf,116 (2016), 4, p. 480-486.

3 L. Vandersteene, “Met gemengde gevoelens: de houding tegenover politieke vluchtelingen vóór, tijdens en vlak na de Belgische revolutie: Portugese vluchtelingen in Brugge 1829-1834”, in: J. Art & L. François, Docendo discimus: Liber Amicorum Romain Van Eenoo. Gent, 1999, deel II, p. 829-852.

Charles of Karel ?

Op 27 april 1555 werd de Spaanse koopman Lopez de la Corona bijgezet in de kloosterkerk van de Paters Augustijnen in Brugge.  L. Gilliodts-Van Severen (1827-1915), sinds 1868 stadsarchivaris van Brugge, vond het nodig om die naam te vertalen als Loupes de la Couronne (1).  Gilliodts had de onhebbelijke gewoonte om vreemde familienamen in het Frans te vertalen op het potsierlijke af.  Benieuwd wat de historicus Bart Le Tisserand uit Antwerpen daar zou van vinden mocht dat ook nu nog gebeuren.

Sedert 11 oktober 2014 is Karel Michel (° 1975) de premier van ons land en de Vlaming Jan Jambon (!) is zijn minister van Binnenlandse Zaken.  Albert Schouteet (1909-1991), die ook stadsarchivaris werd in Brugge, schreef over de rechtsgeleerden in Brugge in de 18de eeuw (2) en heeft het daarbij over stadsprocureur Karel Donny, jonkheer Karel de l’Espée, basselier in de rechten, en over Karel Verhulst, advocaat bij de Raad van Vlaanderen.  Uit de bijlage die hij zelf afdrukt, blijkt overduidelijk dat die Karels zichzelf alle drie Charles noemden.  Het vertalen van die voornaam, om welke reden ook, is verwarrend voor het historisch onderzoek en ook totaal inefficiënt.

Een particulier mag zichzelf Andries noemen ook al kwam hij ter wereld als André, idem voor Renaat die oorspronkelijk René heet.  Er is ook een verschil tussen de echte naam en de roepnaam (bijv. Henri= Rik).  Het is ook niet verboden om een pseudoniem aan te nemen, zoals dikwijls gebruikelijk in letterkundige kringen.  Bij historisch onderzoek dient men zich aan de naam te houden zoals vermeld in de doopregisters of in de akten van de Burgerlijke Stand of zoals ze in de bronnen voorkomen.  Men kan altijd nog de roepnaam vermelden.  Maar men houdt zich zeker aan de naam zoals die door de persoon zelf werd gebruikt.  De Franse president Charles de Gaulle (1890-1970) is en blijft Charles de Gaulle, tot in alle uithoeken van de wereld, en daar een Karel de Gaulle van maken in een Nederlandstalige publicatie zou alleen de lachlust opwekken.  Niettemin bestaat er een stadslegende die zegt dat de familie De Gaulle uit Vlaanderen komt; dus leve Karel Van de Walle!  Of gaan we van de Brugse kunstschilder, publicist en verzamelaar Guillaume Michiels (1909-1997) in de lexica een Willem Michiels maken ? Uiteraard blijft het wel Keizer Karel V (1500-1558) die in de andere talen zijn equivalent heeft: Charles Quint (Frans), Carolus (Latijn), Carlo (Italiaans), Carlos (Spaans), Karl (Duits) en Emperor Charles V in het Engels. De gelatiniseerde namen hebben natuurlijk ook verworven rechten: Kilianus (Cornelis van Kiel), Andreas Vesalius (Andries van Wesel), Nicolaus Copernicus (Nikolaus Koppernigk), Petrus Dathenus (Pieter Daets), Justus Lipsius (Joost Lips), Gerardus Mercator (Gheert de Cremer), enz.  We vinden het chique om er nog één aan toe te voegen: Sutorius (van sutor (Latijn)= de Sutter(e), de Zutter(e) of schoenmaker).  Nu hoor ik de onvolprezen dr.fil. Frans Debrabandere al denken: Sutor, ne ultra crepidam !  of schoenmaker blijf bij je leest.  Sutorius Brugensis klinkt ook niet slecht en Sutorius Rodanensis (Aardenburg) ligt me eveneens nauw aan het hart.

Ongevraagde naamsverandering

Mijn grootvader Bernardus Leonardus de Zutter werd in 1864 geboren in Middelburg (Oost-Vlaanderen, België, nu gemeente Maldegem) en huwde aldaar op 18 januari 1893 met Euphrasia Rabout (Middelburg (B) 1871 – Sluis 1940).  Zij vestigden zich datzelfde jaar in het net over de grens gelegen Sluis-Heille.  Daarmee was de stap naar Nederland gezet waar mijn grootvader in 1952 zal overlijden in het ziekenhuis in Oostburg.  Veel Zeeuws-Vlamingen werden geboren waar ze wilden (thuisbevalling), was dat nu Aardenburg, Breskens, Sluis of Cadzand, maar de kans was groot dat ze overleden in het toenmalige streekziekenhuis van Oostburg.  Mijn vader werd in 1913 geboren in Sluis-Heille als Achiel de Zutter maar zal in 1998 overlijden in Oostburg als Achiel Dezutter.  Op 20 mei 1943 was hij gehuwd met mijn moeder Anna Musson (Aardenburg 1917 – Aardenburg 1998).  Hij heette toen nog altijd Achiel de Zutter.  Mijn moeder had de Nederlandse nationaliteit maar omdat ze  huwde met een Belg kreeg zij zelf ook de Belgische nationaliteit !  Toen mijn broer Bernard (roepnaam Bennie) geboren werd in 1944 (overleden in 2010), heette hij uiteraard Bernardus de Zutter.  Daarin kwam verandering toen ik geboren werd in Sluis-Heille op 23 maart 1946: Willy Dezutter.  Na W.O. II namen de ambtenaren van de burgerlijke stand in Zeeuws-Vlaanderen de Belgische gewoonte over om het tussenvoegsel de en van op te nemen als onderdeel van de achternaam.  Dat gebeurde niet in andere delen van Nederland.  Mijn vader had de Belgische nationaliteit, mijn moeder de Nederlandse.  Zelf behield ik de Belgische nationaliteit maar kreeg de Nederlandse er bij door een wettelijke bepaling die stelde dat de derde generatie Belgen die op Nederlands grondgebied verbleven automatisch het Nederlanderschap verwierven en het ook konden behouden.  Dit verklaart waarom ik de dubbele nationaliteit bezit.  Voor het vervullen van de legerdienst werd men voor de keuze gesteld: Nederland of België.  Mijn broer deed zijn legerdienst in Nederland, ik zelf in België.  Vanaf dan was het helder: ik studeerde aan de Universiteit Gent, werd in 1973 conservator in Brugge en mijn zoon Jan (° Brugge 1975) is Belg zonder meer.  De betovergrootvader van mijn grootvader Bernardus de Zutter was Bernardus de Suttere (° Adegem (B) 1756) en diens vader Joannes de Suttere kwam uit Gent.  In 1966 stond ik zelf in Gent en zou er zeven jaar blijven wonen, eerst als student aan de R.U.G. en daarop aansluitend mijn eerste museumfunctie in Gent.  Hiermee was de cirkel rond.  In 1951 verhuisden mijn ouders naar Aardenburg (NL) en vanaf dan tot 1970 was ik ook ingezetene van die gemeente.  Die ongevraagde naamsverandering in 1946 heeft bij mij geen gezondheidsschade veroorzaakt.  Wel krijg ik nog altijd de vraag: aan elkaar of van elkaar ?  Dat is niet zo verbazingwekkend.  Een broer van mijn vader werd Julien De Zutter (1910-1975) en niet Dezutter.  Er was dus ook veel ondoordachte willekeur.  Wie vroeger in België van voornaam wilde veranderen moest daarvoor een lange weg afleggen via de FOD Justitie.  Sinds eind december 2017 kan dat in één dag geregeld zijn aan het gemeenteloket.  Dat kost 490 euro en voor transgenders 49 euro. Het wijzigen van de familienaam kan men niet zomaar verkrijgen aan het loket.  Om van Dezutter weer “de Zutter” te maken dient men een hele procedure te volgen en kost 740 euro.  Er vallen een resem redenen te bedenken om dat niet te doen en dat staat los van de kostprijs.  De koning kan ook nog een korting toestaan!  Zowel het veranderen van een voornaam als familienaam dient altijd gemotiveerd te worden.  In 1946 gebeurde de wijziging ongevraagd en volledig gratis op het gemeentehuis van Sluis.  En er was een onmiskenbaar voordeel: ik hoefde nooit lang in de rij te staan want alfabetisch stond ik gerangschikt onder de letter D en niet Z.  Maar dat was slechts schijn want het aantal familienamen dat met een D werd geschreven was plots spectaculair toegenomen omdat men dat trucje met iedereen had uitgehaald.

Willy Dezutter

1 L. Gilliodts-Van Severen, Inventaire diplomatique des archives de l’ancienne Ecole Bogarde à Bruges. Brugge, 1899, deel I, p.508-511.

2 A. Schouteet, De Sabbatine. Een Brugse vereniging van rechtsgeleerden in de 18de eeuw, in: Handelingen van het Genootschap voor Geschiedenis te Brugge, CXVIII, 1981,1-2, p. 99-111.

Epicurus over god en het kwaad

Centraal in de filosofie van de Griekse wijsgeer Epicurus (ca. 341-270 v.o.t. = voor onze tijdrekening) staat het persoonlijk geluk dat men kan bereiken door zoveel mogelijk pijn en verdriet te vermijden.

Hij bezwoer ook de angst voor de dood: “Heb geen angst voor de dood, want zolang wij er zijn is de dood er niet en als de dood er is, zijn wij er niet meer”.  Hij heeft de mensen ook bevrijd van bijgeloof en vrees voor de goden.  De waarneming is volgens Epicurus de enige bron van kennis.  Natuurlijk beschouwden de kerkvaders (de leraren van de vroegchristelijke kerk) hem als een ketter.  Al 2300 jaar geleden ontwikkelde hij een filosofie die inging tegen de religie en mystiek.  Veel van zijn geschriften zijn verloren gegaan en andere, dikwijls slechts fragmenten, werden overgeleverd door latere schrijvers uit de oudheid.  Dat is niet zo uitzonderlijk want zoals iedereen weet, kennen we het werk van Socrates (toch de stichter van de westerse filosofie) voornamelijk via Plato.  Of denk aan de weinig bekende filosoof Celsus die rond 178 o.t. het “Ware woord” schreef, een kritisch boek over het christelijk geloof.  Dit boek bleef niet bewaard maar we kennen de hoofdlijnen omdat Origines het bestreed in zijn “Contra Celsum” uit 248.  Eén van die fragmenten van Epicurus handelt over zijn bekende stelling waar hedendaagse theologen nog altijd mee worstelen en dat terug te vinden is in de “De ira Dei” (“De toorn Gods”) van de vroegchristelijke schrijver Lactantius (ca. 250-320 o. t. = onze tijd).  Het luidt als volgt:

“Ofwel wil God het lijden wegnemen en kan Hij het niet.  Ofwel kan Hij het en wil Hij het niet wegnemen.  Ofwel wil Hij het niet en kan Hij het niet.  Ofwel wil Hij het en kan Hij het.  Indien Hij het wil en niet kan, is Hij onmachtig, wat niet overeenkomt met God.  Indien Hij het kan en niet wil, is Hij ongenadig, iets dat aan God evenzeer vreemd moet zijn.  Indien Hij het niet wil en niet kan is Hij zowel ongenadig als onmachtig en derhalve ook geen God.  Indien Hij wil en kan – en dat is het enige wat God past – vanwaar komt dan het kwaad en waarom neemt God het niet weg ?” (1)

Ter vergelijking geven wij hier ook de vertaling van prof. E. Vermeersch en voor alle duidelijkheid ook de weergave van de oorspronkelijke tekst zoals te vinden bij Lactantius.  E. Vermeersch tekent daarbij aan: “Dat is een volstrekt logische redenering waar je geen speld kan tussen krijgen” (Dirk Verhofstadt, op.cit. p. 85).

“Ofwel wil God het kwade uit de wereld wegnemen, maar kan hij het niet; ofwel kan hij het, maar wil hij het niet.  Ofwel wil hij het niet en kan hij het niet; ofwel wil en kan hij het. Indien hij het wil en niet kan , is hij onmachtig. Indien hij het kan en niet wil, heeft hij ons niet lief.  Indien hij het wil noch kan, is hij noch goed noch almachtig.  Indien hij het wil en kan – en dat is het enige dat God past -, vanwaar komt dan het feitelijk kwaad en waarom neemt hij het niet weg ?” (2)

“Deus, inquit, aut vult tollere mala et non potest, aut potest et non vult, aut neque vult neque potest, aut et vult et potest.  Si vult et non potest, inbecillus est, quod in deum non cadit; si potest et non vult, invidus, quod aeque alienum est a deo; si neque vult neque potest, et invidus et inbecillus est ideoque nec deus; si et vult et potest, quod solum deo convenit, unde ergo sunt mala aut cur illa non tollit ?”

Dit deductief argumentatieschema rekent men tot de formele logica en heet een “modus tollens”, het ontkennen door de ontkenning (3).  Men noemt het ook wel een “tetralemma”.  Prof. Victor J. Stenger geeft in zijn boek een groot aantal van dergelijke tegenbewijzen (4).  Volgens de Duitse klassieke filoloog prof. Reinhold F. Glei (Universiteit Bochum) is dat fragment niet van Epicurus maar komt het uit een andere academische bron (5) maar dat zegt natuurlijk niets over de geldigheid van de argumenten.  Het werk van Lactantius werd door Jacques-Paul Migne opgenomen in de Patrologia Latina (PL 7, 121) en de originele tekst is digitaal beschikbaar (6).  Lucretius, de Romeinse dichter uit de 1ste eeuw v.o.t. heeft in zijn “De Rerum Natura” de hele leer van Epicurus in dichtvorm uiteengezet.  Later heeft men gepoogd om Epicurus in een kwaad daglicht te stellen door het te laten voorkomen alsof alles draait rond het streven naar zinnelijk genot.  In feite streefde hij en zijn aanhangers naar een optimale gelukstoestand gespreid over een lange tijd: zoveel mogelijk genieten van het leven maar zonder overdaad te doen.  Het gaat niet over het maximaliseren van hedonisme maar het bereiken van gemoedsrust en onverstoorbaarheid (de “ataraxia”).  Nu zou hij tegen de ratrace zijn in onze maatschappij en aandacht hebben voor milieuproblemen.  In zijn tijd bestonden er nog geen auto’s en dus heeft hij het ook niet over de CO2-uitstoot.  Wij moeten hem dus interpreteren, iets dat we ook met de Bijbel moeten doen waarin ook niks te vinden is over kernenergie.  De hedendaagse theologen en (christelijke) filosofen hebben er niets beter op gevonden dan het godsbegrip te verruimen om zo te ontsnappen aan het dilemma van een almachtige, alwetende en moreel perfecte god.  De theïsten moeten dan ook steeds maar nieuwe strategieën bedenken.  Maar zelfs wanneer men het kwaad overlaat aan “de vrije wil” van de mens ontslaat dat god (die niet bestaat) daarmee nog niet van zijn goddelijke verantwoordelijkheid.  Voor het duiden van het persoonlijke kwaad zitten ze steeds in het defensief, maar voor het natuurlijk kwaad (bijv. een aardbeving) heeft men de oplossing gevonden: dat is het werk van Satan! (7)

Willy Dezutter

Deze bijdrage over Epicurus is een addendum bij ons artikel “God en de Holocaust” op deze blog.

1 Vertaling prof. dr. Palmyre Oomen, Radboud Universiteit Nijmegen. Palmyre M.F. Oomen, Lijden als vraag naar God.  Een bijdrage vanuit Whitehead’s filosofie, in: Tijdschrift voor Theologie 34 (1994), p. 248.  Oomen vertaalt “mala” de eerste keer als lijden en de tweede keer als kwaad.  Het is juister om “mala” (zelfst. nw. kwaad = malus) te vertalen als kwaad zoals E. Vermeersch doet.  Zie voor de Duitse vertalingen onze Bijlage over het “Dilemma Epicureum” waar het kwaad of het kwade iedere keer als “Übel” wordt vertaald.  In de Engelse vertalingen gebruikt men consequent twee maal het woord “evil”, idem in de Franse vertalingen “le mal” of “des maux”.

2 Dirk Verhofstadt, In gesprek met Etienne Vermeersch. Een zoektocht naar waarheid. Houtekiet, Antwerpen – Utrecht, 2011, p. 85.

3 Stanford Encyclopedia of Philosophy (editie 2015): Ancient Logic: The Stoics o.a. Epicurus.

4 Victor J. Stenger, God een onhoudbare hypothese. Ned. vert. Uitgeverij Veen, Diemen, 2008, p. 33-36 en met verwijzing naar M. Martin en R. Monnier (red.), The Impossibility of God. Amherst, New York, 2003, p. 59 voor het probleem van het kwaad. (zie hieronder)

  1. Als God bestaat, dan zijn de eigenschappen van God niet in tegenspraak met het bestaan van het kwaad.
  2. De eigenschappen van God zijn in tegenspraak met het bestaan van het kwaad.
  3. Daarom bestaat God niet en kan ook niet bestaan.

5 Reinhold Glei, Et invidus et inbecillus. Das angebliche Epikurfragment bei Laktanz, De ira Dei 13, 20-21, in: Vigiliae Christianae 42 (1988), 1, pp. 47-58.  Dit tijdschrift is “A Review of Early Christian Life and Language” uitgegeven door E.J. Brill, Leiden.

6 www.documentacatholicaomnia.eu /02m/0240-0320­,_Lactantius_De_Ira_Dei_MTL.pdf

7 Een goed verzamelwerk is M.M. Adams & R.M. Adams (red.) The Problem of Evil, Oxford University Press, Oxford, 1990 o.m. William Rowe, The Problem of Evil and Some Varieties of Atheism, pp. 126-137.

Bijlage

Hieronder volgt de Duitse vertaling van Prof. Reinhold Glei (p. 46 a.w. zie voetnoot 5).

“Entweder, so sagt er, will Gott die Übel aufheben, kann er aber nicht, oder er kann es zwar, will aber nicht, oder kann nicht und will auch nicht, oder will es und kann es.  Wenn er will und nicht kann, is er schwach, was Gott nicht zutrifft; wenn er kann und nicht will ist er miszgünstig, was mit Gott ebenso unvereinbar ist; wenn er weder will noch kann, ist er miszgünstig und schwach zugleich und daher kein Gott; wenn er aber will und kann, was allein Gott zukommt, woher kommen dan die Übel, oder warum hebt er sie nicht auf ?”

Ter vergelijking geven wij hier de Duitse vertaling van hetzelfde “argumentum Epicuri” uit de gepubliceerde dissertatie van Jan Baucke-Ruegg (Die Allmacht Gottes,1998, p. 39) (1).

“Entweder will Gott die Übel beseitigen und kann es nicht, oder er kann es und will es nicht, oder er kann es nicht und will es nicht, oder er kann es und will es.  Wenn er nun will und nicht kann, so ist er schwach , was auf Gott nicht zutrifft. Wenn er kann und nicht will , dann ist er miszgünstig, was ebenfalls Gott fremd ist.  Wenn er nicht will und nicht kann, dann ist er sowohl miszgünstig wie auch schwach und dann auch nicht Gott.  Wenn er aber will und kann, was allein sich für Gott ziemt, woher kommen dann die Übel und warum nimmt er sie nicht weg ?”

Bauke-Ruegg verwijst niet naar R. Glei en gaat er van uit dat het een tekst is van Epicurus zoals aangegeven door Lactantius.  Ook in de internationale literatuur houdt men vast aan Epicurus omdat het zo bekend staat.

We zullen hier niet grondiger ingaan op die Duitse vertalingen want dan dienen we ook Engelstalige en Franstalige equivalenten erbij te betrekken en wordt het een filologische studie.  Tot slot merken we op dat ook alle vertalingen van de Bijbel van elkaar verschillen.  De Rooms-Katholieke Kerk zag zeer lang de vertaling het liefst teruggaan op de Vulgaat (de vertaling in het Latijn door Hiëronymus, datering tussen 390 en 405 o. t.). In 1975 verscheen dan de Willibrordvertaling waar de godsnaam “Jahwe” werd vervangen door “Heer”.  Het boek Psalmen werd vertaald door de dichteres en classica Ida Gerhardt en haar partner de letterkundige Marie van der Zeyde.  De tweede, geheel herziene versie verscheen in 1995.  Daarin werd het vrouwonvriendelijk taalgebruik geweerd !   De gereformeerd-protestanten houden streng vast aan de Statenvertaling (Synode van Dordrecht 1618) hoewel er sinds 2014 ook een vertaling bestaat in “gewoon” Nederlands.  Die laatste van het Nederlands Bijbelgenootschap is echter minder plechtstatig en dan denken sommigen algauw dat god zelf niet aan het woord is (2).

Willy Dezutter

  • Jan Baucke – Ruegg, Die Allmacht Gottes. Systematisch-theologische Erwägungen zwischen Metaphysik, Postmoderne und Poesie. Uitgegeven door Walter de Gruyter, Berlin – New York, 1998, p. 39.
  • We vonden nog een leuk tetralemma, weliswaar niet van Epicurus en niet van dezelfde draagwijdte, maar gezien de weersomstandigheden bij ons valt het bijna dagelijks uit te testen:

Als het regent , word ik nat.

Ik word niet nat.

Dus: het regent niet.

Voor het deductief redeneren en de geldigheid van syllogismen, zie : Marc Brysbaert, Psychologie. Academia Press, Gent, 2006, pp. 364-369.

Gephenikeerd water

In het tijdschrift Brugs Ommeland, 2017, 3, in het artikel over de cholera-epidemie in Brugge, merkt de auteur K. Rotsaert op (p. 143) dat er in 1866 ter ontsmetting voor het eerst “gephenikeerd water” werd gebruikt.  De naam van dit ontsmettingsmiddel wordt niet verklaard.  Het bijvoeglijk naamwoord “gephenikeerd” komt van het Frans “eau phéniquée” en betekent dat het water het chemische product fenol (fr. phénol) bevatte.  Dit desinfecterend middel staat ook bekent als carbolzuur.  Het is een aromatische alcohol.  Cholera is een infectieziekte die wordt veroorzaakt door een bacterie die zich vooral in besmet water bevindt.  De epidemie van 1866 maakte in België 43.000 slachtoffers.

Willy Dezutter

Dokter Gustave Dryepondt (Brugge, 1866 – Etterbeek, 1932)

In Brugge kennen we hem door de bronzen gedenkplaat aan de apotheek Dryepondt (nu S. Baert) in de Wollestraat 7  (Brugs Ommeland, 2017,4, p. 245-247).

Hij was een Congo-pionier met heel wat verdiensten voor de tropische geneeskunde.  Geboren in Brugge op 3 februari1866, overleed hij onverwacht in Etterbeek op 3 januari 1932.  Hij werd begraven in Elsene waar zijn opvallend grafmonument nog altijd bestaat.  De grafplaat rust op zes grote zuilen.  Wel werd in Etterbeek in 1937 een “Rue Docteur Dryepondt” naar hem genoemd.

In de “Biographie Coloniale Belge” worden natuurlijk alleen maar positieve berichten opgenomen maar wie het hoofdstuk “Congo onder Leopold II 1885-1908” van David Van Reybrouck heeft gelezen (Congo. Een geschiedenis, Amsterdam, 2010) is meteen op z’n hoede, temeer omdat legerarts G. Dryepondt inscheepte naar Congo in 1890.  Leopold II had niet genoeg aan Congo en wilde ook nog de Lado-enclave in het huidige Zuid-Soedan.  Onder leiding van de beruchte Guillaume Van Kerckhoven (1853-1892) werd in 1891 een veroveringspoging ondernomen die echter mislukte.  De expeditie bestond uit veertien Europese militairen en twee dokters, Jean Van Campenhout (1865-1956) en Gustave Dryepondt die het bevel voerden over vijfhonderd zwarte soldaten.  Ze lieten een spoor van vernieling achter (Maarten Couttenier, Congo tentoongesteld. Een geschiedenis van de Belgische antropologie en het Museum van Tervuren (1882-1925), Leuven-Voorburg, 2005, p. 107).

Gustave Dryepondt was legerarts van 1890 tot 1924. Zonder twijfel was hij van groot belang voor de studie van de tropische ziekten en de gezondheidszorg in “onze” Congo maar anderzijds liet hij zich ook meeslepen door de terreur van de opgelegde beschaving.  Er is sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw veel kritiek op het regime van Leopold II in zijn Congo-Vrijstaat.  We denken hierbij o.m. aan het monument ter ere van luitenant Lippens en sergeant De Bruyne op de Zeedijk in Blankenberge. Op dat standbeeld (opgericht in 1900) staat te lezen dat ze sneuvelden voor onze beschaving.  De Afrikaanse vrouw op de trappen van het originele beeld werd pas in de jaren ’30 toegevoegd.  Het wordt tijd dat België eindelijk het debat aangaat over de uitbuiting tijdens die imperialistische periode. Men kan moeilijk een excuus verzinnen om dat uit te stellen want het is evident dat wijzelf en onze kinderen en kleinkinderen niet verantwoordelijk zijn voor de daden van toen.  Begin er dus aan.  Dat hoeft niet gepaard te gaan met een beeldenstorm.  Het volstaat om enkele monumenten uit de publieke ruimte onder te brengen in musea en andere in situ te laten maar voorzien van een tekstbordje dat komaf maakt met de geschiedvervalsing.  Ook de straatnamencommissie moet aan de slag.  Een beetje zoals met de Cyriel Verschaevestraat (collaborateur W.O.II) in Lanaken die in 2017 omgedoopt werd in Anne Frankstraat.

Willy Dezutter

Merkwaardige begrafenisstoeten in Brugge tijdens de 18de eeuw

De “Merckenweerdigste voorvallen” van de kroniekschrijver Jozef van Walleghem (1757-1801) zijn een onmisbare bron voor de geschiedenis van de 18de eeuw in Brugge.  Het beslaat de periode 1787-1797 en werd door het gemeentebestuur van Brugge in acht delen uitgegeven o.l.v. prof.dr. Y. Van den Berghe (1).  J. van Walleghem beschreef misdaden en terechtstellingen, maar had ook veel aandacht voor de optochten van schuttersgilden en grote begrafenisstoeten.  We zullen dat illustreren aan de hand van een drietal voorbeelden.

Op 17 januari 1787 overleed François-Xavier Simon de Ville (1737-1787), de schout van Brugge.  Twee dagen later vond de begrafenis plaats waarbij de stoet vertrok om vijf uur ’s avonds richting St.-Donaaskathedraal.  Op 28 april 1799 zou die kerk, die in de Franse tijd werd geconfisqueerd, openbaar verkocht worden en de volledige afbraak duurde zeker tot eind 1801 (2), hoewel de na-verkoop van bouwmaterialen op de werf zelf nog doorliep tot 1805 (3).  Zoals bij Charles Lauwereyns (zie verder) moesten alle stedeballen (stedebollen) aanwezig zijn “elck met eene flambeeu, versiert met zijne waepens”.  Aangezien hij begraven werd in Sint-Michiels werd hij vergezeld tot aan de Smedenpoort (4).

Verder is daar de begrafenis van Charles Lauwereyns de Roosendaele de Diepenheede (1724-1789), hoofdman van de St.-Jorisgilde, schepen van de stad maar sinds 1765 ook Achtbare Meester van de vrijmetselaarsloge “La Parfaite Egalité” en in datzelfde jaar eveneens proost van de Edele Confrérie van het H. Bloed.  De loge “La Parfaite Egalité” was in Brugge een tiental jaar actief van 1765 tot 1774.  In de 18de eeuw was de vrijmetselarij totaal verschillend van de vrijmetselarij uit de tweede helft van de 19de eeuw die noodgedwongen antiklerikaal was geworden door het verbod van de katholieke kerk in 1837 (5). Charles Lauwereyns stierf op 3 juni en werd begraven op 5 juni 1789.  Het lijk werd in de namiddag opgebaard in het “Oudhof” van de schuttersgilde en pas om zes uur ’s avonds vertrok de stoet naar de Sint-Jacobskerk voor de lijkplechtigheden.  De stoet werd geopend door de vaandeldragers van de verschillende verenigingen, geflankeerd door de koorheren van de St.-Jacobsparochie en “alle de stedeballen deser stadt met brandende flambeeuwen verciert” die naast het lijk liepen.  Daarachter liepen zijn vrienden-edellieden met de wapenschilden en de schutters in gewoon uniform.  Na de kerkdienst werd het lijk in een karos vervoerd, door de Steenstraat, tot aan de Smedenpoort “onder het geduerig singen van de stedeballen”.  Charles Lauwereyns werd begraven op het kerkhof van Oostkamp.  Aangezien de brug van Steenbrugge afgebroken was om hersteld te worden reed men via Sint-Michiels (6).  De “Steedse Bollen” waren kinderen van stedelijke scholen die een brandende flambeeuw droegen en onder het klagend zingen van het “De profundis” en het “Miserere”, in de begrafenisstoet meeliepen naast de kist, van het sterfhuis tot de kerk en daarna van de kerk tot aan het kerkhof.  Dit gebeurde altijd bij testamentaire beschikking. In het Ancien Régime zijn de leerlingen van de Bogardenschool daarbij het bekendst.  De Bogardenschool (Arme Knechtjens Stede School) was een stedelijke onderwijsinstelling voor kansarme kinderen in Brugge (Katelijnestraat, nu Stedelijke Academie).

Tot slot volgen we de begrafenis van Joannes de Caesemaeker op 27 januari 1790.  Hij was sire of koning van de Sint.-Sebastiaansgilde van Sint-Kruis (1752-1790) (7) en van 1749 tot 1755 directeur van het Brugse Munthuis.  Dit muntatelier sloot in 1755 en hiermee werd hij de laatste muntmeester van Brugge.  We laten Van Walleghem zelf aan het woord: “Op den 27 januarij wiert het lijk van den heer Kaesemaecker, overleden koning van de gilde van St.-Kruijs, zeer pligtig ter aerde bestelt, ’s avons om vijf uren op de volgende order: voorop gingen eenige vaenen, dan volgden 30 stedeballen singende de Miserere , agter dese de leden der zelve gilde met brandende flambeeuwen, tusschen dese ging het truermusik in vollen rouw omhangen, gelijk ook den standaert omhangen met rouwlinten, dan volgde het lijk, liggende op hetzelve het blazoen met den eerevogel waermede den koning geduerende zijn leven hadden omhangen geweest (8) liggende op een verheven kussen. Eenige carossen volgden het lijk ’t welk desen avond zeer pligtig op ’t kerkhof van St.-Kruijs begraven wiert” (9).

Commentaar

Bij die plechtige begrafenissen vertrok men pas ’s avonds om vijf uur, soms zes uur.  In de winter betekende dat dat de lijkstoet in het duister zijn weg baande zeker op weg naar het kerkhof na het beëindigen van de kerkdienst.  Die lijkstoet werd niet alleen door flambeeuwdragers (10) van de “Steedse Bollen” vergezeld maar soms ook nog eens door anderen zoals gildeleden.  Naast de religieuze betekenis en een vorm van eerbetoon kunnen we ook concluderen dat we hier te maken kregen met een echte fakkeloptocht.  In de kerk was de flambeeuw het symbool van “het ware licht” maar in de stoet fungeerde het ook als lichtbron.  Dat late uur schijnt geen uitzondering te zijn voor de plechtige begrafenissen.  Wilhelmus Herinckx, 12de bisschop van Ieper, werd begraven op 20 augustus 1678 “ten seven uren ’s avons” (Rond den Heerd, X, 1875, p. 300).  In de zomer kon men gemakkelijker een uur later beginnen.  Dit late uur heeft met status te maken.  Bij de laagste begrafenisklasse vond de dienst plaats omstreeks het eerste uur van de dag (…die 29 novembris (Blankenberge, 1779) ultimo classi circa primam diurnam…) (11).  Hoe later hoe belangrijker.  We zien verder dat er niet 24 stedebollen opgeroepen werden (toen nog het normale aantal) maar dat men soms rekende op 30 deelnemers en in twee gevallen op alle stedebollen.  Toen had men nog een overaanbod, later gold dit veel minder.  In de late 19de eeuw was men al blij wanneer men er twaalf bijeenkreeg.  Dat hoge aantal gold natuurlijk alleen voor de plechtige en dure begrafenissen.  In de dood is iedereen gelijk maar de ongelijkheid komt natuurlijk duidelijk tot uiting in de verschillende begrafenisklassen en de testamentaire voorbereidingen die men treft om dat te veruiterlijken.  Dat was al vanaf de Middeleeuwen (12).  De gewone man liet geen testament opmaken en werd ook nooit in de kerk zelf begraven maar op het kerkhof rond de kerk zonder zichtbaar grafmonument.  Er was dus sociale segregatie en dat werkt door tot op de dag van vandaag.

J. van Walleghem schrijft steeds stedeballen i.p.v. stedebollen. De betekenissen van bol en bal liggen dicht bij elkaar en zijn bijna synoniem.  Zo zijn oogbal en oogbol synoniemen van elkaar.  Bal en bol betekenen beide “rond voorwerp”.  Bol is oorspronkelijk een variant van bal.  Bal en bol komen al minstens zeven eeuwen naast elkaar voor (13).  De naam stedebollen is in Brugge tot 1921 gebleven onder de naam “Steedse Bollen” om de kinderen van de “stedeschool” aan te duiden als de vaste flambeeuwdragers (14).  In dit geval slaat de volkse benaming bolle (= hoofd) op het kort geknipte hoofdhaar van de leerlingen (15).

Vijf begrafenisklassen in 1787

De drie hierboven beschreven begrafenissen vonden respectievelijk plaats in 1787, 1789 en 1790.  Van 1780 tot 1790 regeerde bij ons de Oostenrijkse keizer Jozef II.  In 1784 vaardigde die een edict uit waardoor het verboden werd om nog rond of in de kerken te begraven.  De steden werden daardoor verplicht om kerkhoven buiten de stadspoorten aan te leggen (16).  De bepalingen van het edict werden niet overal even vlot uitgevoerd en dat gold ook voor Brugge, hoewel het nieuwe “Algemeen Kerkhof”, buiten de Katelijnepoort (het “Raapstuk”), op 1 november 1784 in gebruik genomen werd.

Op 7 februari 1787 werd door de Raad van de Procureur-Generaal te Brussel het “Taryf der Regten van Begraevinge” gedecreteerd dat op 18 januari 1788 in druk verscheen en op 18 juli 1788 ook werd afgekondigd door het stadsbestuur van Brugge (17).  Die nieuwe tarieven waren uniform voor de gehele Oostenrijkse Nederlanden en omvatten volgens art. I vijf klassen.

Voor de eerste klasse of hoogste dienst zeventien gulden en tien stuivers, voor de tweede klasse of gewone volle dienst vijftien gulden en twee stuivers, voor de derde klasse of halve dienst twaalf gulden en veertien stuivers, de vierde klasse werd “minsten Dienst” of Sola-Misse genoemd en kostte twee gulden en tien stuivers. Tot slot was er de vijfde klasse. Dat was voor diegenen die begraven werden zonder dienst of met een facultatieve gelezen mis. De prijs bedroeg een gulden. Die prijs van één gulden gold ook voor kinderen jonger dan 14 jaar op voorwaarde dat ze tot de bevoorrechte vier eerste klassen behoorden. Voor kinderen jonger dan 14 jaar van de vijfde klasse was het tarief tien stuivers. De armen waren vrijgesteld van begrafenisrechten. Art. IX bepaalde ook vrijstelling voor de religieuzen van de drie bedelorden: de Paters ongeschoeide Karmelieten, Kapucijnen en Recollecten.

Het decreet bepaalde ook dat de kerken geen begrafenisrechten meer mochten heffen.  Deze en andere hervormingen zouden zwaar gecontesteerd worden (18).  Er was ook niet veel animo om op het “Raapstuk” begraven te worden en veel hooggeplaatste burgers trachtten dit te ontlopen door zich bijvoorbeeld te laten begraven op het kerkhof van Sint-Kruis.  Dat was in 1790 het geval met Joannes de Caesemaecker.  De hogere clerus verzette zich hevig tegen tal van maatregelen van Jozef II.  Een sterk centraal gezag met een rationele en eenvormige ordening wees men af.

Het kerkhofedict zou uiteindelijk toch in ere hersteld worden door de Fransen met het decreet van 23 Prairial jaar XII (12 juni 1804).  Vanaf 21 april 1805 werd het Algemeen Kerkhof voorgoed in gebruik genomen (19). De stad werd toen decretaal eigenaar van het kerkhof zodat de kerkhofadministratie niet meer de bevoegdheid was van de kerkfabrieken.  Dit decreet van Prairial jaar 12 voorzag overigens dat men bij testamentaire beschikking nog altijd kon begraven worden op een ander kerkhof mits het betalen van 50 francs (20).  De rijken bleven geprivilegieerd.

Willy Dezutter

1 J. van Walleghem, Merckenweerdigste Voorvallen en Daegelijksche Gevallen. Brugge, 1787-1797, 8 dln. Uitgegeven door het Gemeentebestuur van Brugge tussen 1982-1997 o.l.v. Y. Van den Berghe. Deze kroniek wordt bewaard in het Brugse Stadsarchief.

2 A. Viaene, Het einde van een kathedraal. De Sint-Donaaskerk te Brugge verkocht en afgebroken, in: Biekorf, 50 (1949), 9, p. 169-180.

3 A. Van den Abeele, De langzame verdwijning van de Sint-Donaaskathedraal. 1799-1805, in: Biekorf, 84 (1984), 3, p. 317.

4 J. van Walleghem, Merckenweerdigste Voorvallen. Brugge 1787. Brugge, 1982,p. 37.

5 A. Van den Abeele, In Brugge onder de acacia. De vrijmetselaarsloge “La Parfaite Egalité” (1765-1774) en haar leden. Brugge, 1987, pp. 159-201 biografie van Charles Lauwereyns en p. 171 voor de begrafenis. Bespreking door W.P. Dezutter, De vrijmetselarij te Brugge in de 18de eeuw, in: Biekorf, 88, (1988), 2, pp. 187-200.

6 J. van Walleghem, Merckenweerdigste Voorvallen. Brugge 1789. Brugge, 1982,p. 38.

7 Fons Dewitte, 500 jaar vrye archiers van mynhere sint sebastiaen te Sint-Kruis-Brugge. Brugge, 1975, p. 73-76.

8 Fons Dewitte, op.cit. p. 76 afbeelding van het schilderij van Jan Beerblock (1734-1806) met J. de Caesemaecker als Sire.

9 J. van Walleghem, Merckenweerdigste Voorvallen. Brugge 1790. Brugge, 1985, p. 17 en p.160 noot 72.

10 De benaming flambeeuw is eigenlijk het West-Vlaams voor flambouw. Het komt van mnl. flambeeu (ook nog de schrijfwijze in de 18de eeuw), in het Frans flambeau, dat toorts of fakkel betekent. Een dikke wassen kaars, een “waschlicht”, werd in West-Vlaanderen ook een flambeeuw genoemd. www.etymologiebank.nl/trefwoord/flambouw

11 Overlijdensregister Blankenberge, register nr. 6 (1779). Antonius Kogghe , oud 19 jaar, verdronken in zee op 29 november 1779. Zie: V.V.F.-Krant, 6 (maart 1974), p. 2.

12 J. Dumolyn en K. Moermans, Distinctie en memorie. Symbolische investeringen in de eeuwigheid door laatmiddeleeuwse hoge ambtenaren in het graafschap Vlaanderen, in: Tijdschrift voor geschiedenis, 116 (2003), pp. 332-349.

13 https://onzetaal.nl/taaladvies/bol-bal

14 W. Dezutter, De Steedse Bollen in Brugge: flambeeuwdragers in de lijkstoet. Deel I de periode 1672-1883. In: Brugs Ommeland, 2017, 1, p. 3-20. Idem, deel II periode 1884-1921, Brugs Ommeland, 2017, 2, p. 59-74.

15 Naar gegevens van G. Gezelle maar gepubliceerd door Ad. Duclos in Rond den Heerd X, 7 maart 1875, p. 120

16 Voor dit edict van keizer Jozef II zie: A. Vandewalle, De 19de-eeuwse centrale begraafplaats van Brugge in historisch perspectief. In: Brugs Ommeland, 1986, 4, p.203-204.

17 Taryf van de Begraevenissen binnen de Stad Brugge. Van daten den 18 July 1788. Tot Brugge, By Joseph van Praet en Zoon, Drukker der Stad en Lande van den Vryen. (tweetalig Ned.-Fr, 8 p.) Privé-verzameling, Brugge. Er valt op te merken dat de Nederlandse tekst uitvoeriger is dan de Franse. Zie: A. Dewitte, Nederlands te Brugge op het eind van de 18de eeuw. In: Biekorf, 98 (1997), p. 71-76.

18 Y. Van den Berghe, Specifieke kenmerken van de Brabantse Omwenteling te Brugge 1787-1790. Handelingen van het colloquium over de Brabantse Omwenteling 13-14 okt. 1983. Centrum voor Militaire Geschiedenis, Brussel, 18 (1984), p. 211-218.

19 A. Vandewalle, op.cit. p. 207.

20 Mairie de Bruges. Des droits de l’Inhumation au Cimetière général de la Ville de Bruges. Uitvoering van het keizerlijk decreet op 30 Ventôse jaar 13 (21 maart 1805), getekend C. De Croeser, Meyer. Gezien en goedgekeurd 8 Germinal jaar 13 (29 maart 1805), F. Chauvelin, Prefect. Officieel aanplakbiljet met als drukker L’ Imprimerie de la Veuve Van Praet et Fils à Bruges. Privé-verzameling, Brugge.

Deze bijdrage verscheen in het tijdschrift Biekorf, West-Vlaams Archief voor geschiedenis, archeologie, taal- en volkskunde, 117 (2017), p. 361-367.